id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.558 Rolnummer: A. 192008/X-14130 Zaak: Arrest 209558 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 07/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-16 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:30 Fiche Arrest nr 209.558 van 7 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.558 van 7 december 2010 in de zaak A. 192.008/X-14.130. In zake : 1. de n.v. HOLVOET BOUWMATERIALEN 2. de b.v.b.a. FIRMA HOLVOET JULIEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Jan Beleyn kantoor houdend te 8500 KORTRIJK President Kennedeypark 6/24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de gemeente AVELGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te 8310 ASSEBROEK-BRUGGE Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 BRUGGE Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 30 maart 2009, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van 3 november 2008 van de gemeenteraad van de gemeente Avelgem houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “nr. 1.1. Stationsomgeving”, en b. het besluit van 11 december 2008 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende goedkeuring van voornoemd gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. X-14.130-1/26 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2010. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kaat Decock, die loco advocaten Steve Ronse en Jan Beleyn verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Jelle Snauwaert, die loco advocaat Antoon Lust verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Nathalie De Clercq, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-14.130-2/26 III. Feiten 3.1. Op 7 maart 2008 wordt een plenaire vergadering georganiseerd omtrent het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Avelgem “nr. 1.1. Stationsomgeving”. De tweede verzoekende partij heeft haar maatschappelijke zetel aan de Huttegemstraat 56 te Avelgem en is eigenaar van gronden die zijn gelegen binnen voormeld gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. De eerste verzoekende partij exploiteert en heeft haar maatschappelijke zetel op hetzelfde adres. 3.2. Bij besluit van 19 mei 2008 van de gemeenteraad van de gemeente Avelgem wordt het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Avelgem “nr. 1.1. Stationsomgeving” voorlopig vastgesteld. 3.3. Op 30 september 2008 bespreekt en weerlegt de Gecoro de tijdens het omtrent dit ontwerpplan gehouden openbaar onderzoek ingediende bezwaren, waaronder deze van de verzoekende partijen, en verstrekt zij omtrent dit ontwerpplan een gunstig advies. 3.4. Bij het eerste bestreden besluit van 3 november 2008 van de gemeenteraad van de gemeente Avelgem wordt het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “1.1. Stationsomgeving” definitief vastgesteld. 3.5. Bij het tweede bestreden besluit van 11 december 2008 keurt de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het door de gemeenteraad definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan Avelgem “nr. 1.1. Stationsomgeving” goed. Dit besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 januari 2009. X-14.130-3/26 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 3 en 5 van de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, van artikel 38, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), en van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “12 In het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 21 juli 2001 verscheen de Richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (hierna SEA - Richtlijn). Deze richtlijn werd aanvankelijk omgezet door het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna ‘DABM’) met een titel betreffende de milieueffect - en veiligheidsrapportage, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 13 februari 2003. Nadien werd dit decreet vervangen door een nieuw decreet en dat decreet van 27 april 2007 werd uitgevoerd bij besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2007 betreffende de milieueffecten- rapportage over plannen en programma’s. Artikel 14 van dit besluit bepaalt dat dit besluit in werking treedt op 1 december 2007. Op basis van artikel 9 van het decreet van 27 april 2007 treedt bijgevolg ook dit decreet in werking op 1 december 2007. Uit artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken blijkt evenwel dat het hoofdstuk II van titel IV van het DABM, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007, slechts van toepassing is op ruimtelijke uitvoeringsplannen, waarvan de plenaire vergadering gehouden wordt zes maanden na de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 27 april 2007, dit is op 1 juni 2008. In casu werd de plenaire vergadering van het uitvoeringsplan gehouden op 6 maart 2008. Zulks maakt dat het decreet van 27 april 2007 en zijn uitvoeringsbesluit van 12 oktober 2007, nog niet van toepassing waren op het voorliggend uitvoeringsplan. X-14.130-4/26 Zodoende zijn in casu enerzijds uiteraard de SEA - richtlijn en anderzijds het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het DABM met een titel betreffende de milieueffect - en veiligheidsrapportage (B.S. 13 februari 2003) van toepassing op het GRUP. 13 De in casu relevante regelgeving luidt als volgt: Artikel 3.2 van de SEA - richtlijn: ‘Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma’s
- a)die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of
- b)waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG’. Artikel 3.3 SEA - Richtlijn luidt als volgt: ‘Voor in lid 2 bedoelde plannen en programma’s die het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van in lid 2 bedoelde plannen en programma’s is een milieubeoordeling alleen dan verplicht wanneer de lidstaten bepalen dat zij aanzienlijke milieu - effecten kunnen hebben’. Artikel 13.1 SEA - Richtlijn luidt als volgt : ‘De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om vóór 21 juli 2004 aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de genomen maatregelen’. 14 Door de toevoeging van een titel betreffende de milieueffect - en veiligheidsrapportage werd de SEA - Richtlijn gedeeltelijk uitgevoerd en stonden de volgende bepalingen in het DABM: Artikel 4.2.1 DABM, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden besluiten: ‘Voorgenomen plannen en programma’s worden, alvorens ze kunnen worden goedgekeurd, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk’. Artikel 4.2.2. §§ 1 tot 3 DABM, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden besluiten: ‘§ 1. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, de plannen en programma’s aan die worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage. § 2. De Vlaamse regering beslist geval per geval en aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, of andere plannen en programma’s dan die vermeld in § 1 en 3 al dan niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage omdat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. X-14.130-5/26 § 3. De Vlaamse regering wijst de plannen en programma’s aan die niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage omdat de desbetreffende besluitvormingsprocedure de in artikel 4.1.4, § 2, opgesomde essentiële kenmerken van de milieueffectrapportage heeft’. 15 Blijkt duidelijk dat de omzetting van de SEA – richtlijn op onvolledige wijze gebeurde en de relevante bepalingen van het DABM nog niet operationeel waren. Daarom moet worden gekeken naar de SEA – Richtlijn en bepalen of deze al dan niet directe werking heeft in de Belgische interne rechtsorde. 16 Verzoekende partij wijst erop dat de betreffende bepalingen in de SEA – Richtlijn voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn zodat de directe werking van deze bepalingen in onze interne rechtsorde vaststaat. Uw Raad besliste dit bovendien reeds wat betreft artikel 3.2 van de SEA – Richtlijn. Indien er bij het opstellen van een gemeentelijk RUP (‘een klein gebied op lokaal niveau’) aanzienlijke milieu – effecten kunnen ontstaan, moet de plannende overheid een milieubeoordeling voeren en een milieurapport opstellen conform artikel 5, lid 1 van de SEA – Richtlijn. Bovendien verplicht ook artikel 38 van het DORO de opname van een planmilieueffectenrapport indien daartoe een verplichting bestaat. 17 In casu blijkt dat de site van de stationsomgeving waarop het GRUP betrekking heeft, zo goed als aansluit op een groot VEN – gebied (…). Ook al wordt een verscherpte natuurtoets, de zogenaamde VEN – toets zoals omschreven in artikel 26bis van het decreet betreffende natuurbehoud en het natuurlijk milieu (B.S. 10 januari 1998), uitgesloten voor de opmaak van plannen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de habitattoets bij de aanwezigheid van speciale beschermingszones, dan nog betekent dit uiteraard niet dat een risico voor aanzienlijke milieueffecten aan elk plan in die buurt aanwezig is en ook moet getoetst worden, ook indien er uiteindelijk zou blijken dat deze toets probleemloos zou kunnen worden doorstaan. 18 In casu wordt geen melding gemaakt van enige milieubeoordeling of een milieurapport, noch wordt vermeld waarom deze verplichting tot het opstellen ervan niet zou gelden. Er wordt in alle talen gezwegen over mogelijke milieueffecten. Dit schendt niet alleen bovenstaande bepalingen, maar ook de materiële motiveringsplicht aangezien de plannende overheid haar opmaak en definitieve goedkeuring van een GRUP afdoende moet motiveren. Elke zorgvuldige overheid zou daaraan ook voldoen. In die zin is er ook een schending van de zorgvuldigheidsplicht”. Beoordeling 4.2. Artikel 3, eerste tot en met vierde lid, van de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees parlement en Raad van 27 juni 2001 betreffende de X-14.130-6/26 beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (hierna SEA-richtlijn) bepaalt: “Werkingssfeer. 1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9, voor de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde plannen en programma’s die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. 2. Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma’s
- a)die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of
- b)waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG. 3. Voor in lid 2 bedoelde plannen en programma’s die het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van in lid 2 bedoelde plannen en programma’s is een milieubeoordeling alleen dan verplicht wanneer de lidstaten bepalen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. 4. Voor andere dan de in lid 2 bedoelde plannen en programma’s, die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, bepalen de lidstaten of het programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben”. Artikel 5 van dezelfde richtlijn bepaalt: “Milieurapport 1. Wanneer krachtens artikel 3, lid 1, een milieubeoordeling vereist is, wordt een milieurapport opgesteld waarin de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma alsmede van redelijke alternatieven, die rekening houden met het doel en de geografische werkingssfeer van het plan of programma, worden bepaald, beschreven en beoordeeld. Voor de voor dit doel te verstrekken informatie wordt verwezen naar bijlage I. 2. Het krachtens lid 1 opgestelde milieurapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist, gelet op de stand van kennis en beoordelingsmethoden, de inhoud en het detailleringsniveau van het plan of programma, de fase van het besluitvormingsproces waarin het zich bevindt en de mate waarin bepaalde aspecten beter op andere niveaus van dat proces kunnen worden beoordeeld, teneinde overlappende beoordelingen te vermijden. 3. Relevante informatie over de milieueffecten van de plannen en programma's die op andere besluitvormingsniveaus of via andere wetgeving van de Gemeenschap is verkregen, kan worden gebruikt om de in bijlage I bedoelde informatie te verstrekken. X-14.130-7/26 4. De in artikel 6, lid 3, bedoelde instanties worden geraadpleegd als een besluit wordt genomen over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het milieurapport moet worden opgenomen”. Luidens artikel 13, eerste lid van de SEA-richtlijn “doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om vóór 21 juli 2004 aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de genomen maatregelen”. Artikel 13, derde lid van de SEA-richtlijn bepaalt dat de in artikel 4, eerste lid, bedoelde verplichting, d.i. de verplichting om de in artikel 3 bedoelde milieubeoordeling uit te voeren tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling of onderwerping aan de wetgevingsprocedure van een plan of programma, van toepassing is op plannen en programma’s waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na het in het eerste lid vermelde tijdstip, en dat plannen en programma's waarvoor de eerste voorbereidende handeling vóór deze datum plaatsvindt en die later dan 24 maanden na dat tijdstip worden aangenomen of ingediend ten behoeve van wetgeving, onder de verplichting van artikel 4, eerste lid vallen, tenzij de lidstaten per geval beslissen dat dit niet haalbaar is en het publiek van hun beslissing op de hoogte stellen. 4.3. Bij decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM) werd, met een titel betreffende de milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage, de SEA-richtlijn, weze het gedeeltelijk, omgezet in de Belgische interne rechtsorde. De voornoemde titel betreffende de milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage in het DABM werd gewijzigd bij decreet van 27 april 2007 houdende wijziging van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Artikel 4.2.1. DABM bepaalt wat volgt: “Dit hoofdstuk is van toepassing op ieder plan of programma dat het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project. Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op ieder plan of programma, waarvoor gelet op het mogelijk effect op gebieden, een passende beoordeling vereist is uit hoofde van artikel 36ter, § 3, eerste lid, van het X-14.130-8/26 decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu”. Artikel 4.2.3. DABM bepaalt: “§ 1. Het plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, wordt, alvorens het kan worden goedgekeurd, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk. § 2. Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, eerste lid, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat niet het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau, noch een kleine wijziging inhoudt, moet een plan-MER worden opgemaakt, wanneer : 1° het plan of programma betrekking heeft op landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme, ruimtelijke ordening of grondgebruik, en het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlagen I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage; 2° voor een ander plan of programma dan deze vermeld onder 1°, de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, niet aantoont dat dit plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten. § 3. Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, eerste lid, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt, moet geen plan-MER worden opgemaakt voor zover de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, aantoont dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten. § 4. Voor een plan of programma dat uitsluitend bestemd is voor noodsituaties moet geen plan-MER worden opgemaakt. § 5. De toepassing van § 2 en § 3 mag er echter niet toe leiden dat plannen en programma’s met mogelijke aanzienlijke milieueffecten niet onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen”. Voornoemd decreet van 27 april 2007, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 juni 2007, is op 1 december 2007 inwerking getreden. Artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken, bepaalt evenwel: X-14.130-9/26 “Hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007, is van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen, waarvan de plenaire vergadering gehouden wordt zes maanden na de datum van de inwerkingtreding van hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007”. Hieruit volgt dat Hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007, slechts van toepassing is op ruimtelijke uitvoeringsplannen, waarvan de plenaire vergadering gehouden wordt na 31 mei 2008. 4.4. Te dezen werd de plenaire vergadering omtrent het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Avelgem “nr. 1.1. Stationsomgeving” gehouden op 7 maart 2008, zodat Hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007, hierop niet van toepassing was. 4.5. Met betrekking tot vraag of artikel 3 van de SEA-richtlijn, zoals door de verzoekende partijen wordt voorhouden, geacht kan worden “directe werking” te hebben verkregen na het verstrijken van de omzettingsdatum en bij ontstentenis van omzettingsmaatregelen, dient te worden vastgesteld dat artikel 3, vierde lid van de SEA-richtlijn uit zijn aard nadere substantiële interne uitvoeringsmaatregelen vereist en als dusdanig geen directe werking heeft in de interne rechtsorde. De plicht die artikel 3, tweede lid SEA-richtlijn aan de lidstaten oplegt om (
- a)plannen die aanleiding geven tot MER-plichtige projecten en (
- b)plannen waarvoor een beoordeling vereist is uit hoofde van artikel 6 of 7 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de habitatrichtlijn) te onderwerpen aan een milieubeoordeling, is daarentegen voldoende duidelijk en nauwkeurig om te kunnen aannemen dat deze bepaling directe werking heeft in de Belgische interne rechtsorde. X-14.130-10/26 4.6. Te dezen dient vooreerst te worden vastgesteld dat, zoals de tweede verwerende partij terecht opwerpt, de verzoekende partijen geenszins stellen, laat staan aantonen dat het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan “een project zou kunnen omvatten zoals bedoeld in de bijlagen” van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan de milieueffectenrapportage, zijnde het besluit waarbij richtlijn 85/337/EG, waarvan sprake in artikel 3, tweede lid,
- a)van de SEA-richtlijn, werd omgezet. 4.7. De verzoekende partijen stellen evenmin, laat staan dat zij dit zouden aantonen, dat het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan een project zou kunnen omvatten als bedoeld in de bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten. 4.8. Bovendien merkt de tweede verwerende partij terecht op dat, indien het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan geen project omvat als bedoeld in meergenoemd besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004, hoe dan ook “niet nagegaan moet worden of het RUP onder de uitzonderingsbepaling van artikel 3.3 SEA-richtlijn valt”. 4.9. De eerste verwerende partij dient te worden bijgetreden waar zij stelt dat “art. 3.2.b. van de plan-MER-richtlijn slechts van toepassing is op SBZ- gebieden, speciaal als zodanig aangewezen in uitvoering van de habitatrichtlijnen van 21 mei 1992” en dat “de plan-MER-richtlijn niet van toepassing is op VEN- gebieden, als bedoeld door het natuurbehouddecreet van 21 oktober 1997”. 4.10. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen niet verduidelijken op welke wijze het bestreden GRUP een schending zou inhouden van artikel 38, § 1 DRO, dat bepaalt wat “een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat”. 4.10. Het middel wordt verworpen. X-14.130-11/26 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.11. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 38, § 1 DRO en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en machtsoverschrijding. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “20 Artikel 38 § 1 DORO luidt als volgt: ‘Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat: 1° een grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is; 2° de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer; 3° een weergave van de feitelijke en juridische toestand; 4° de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de ruimtelijke structuurplannen waarvan het een uitvoering is; 5° in voorkomend geval, een zo mogelijk limitatieve opgave van de voorschriften die strijdig zijn met het ruimtelijk uitvoeringsplan en die opgeheven worden; 6° in voorkomend geval, het ruimtelijk veiligheidsrapport, het planmilieueffectenrapport en/of de passende beoordeling. Het grafische plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is en de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften hebben verordenende kracht’ 21 Op basis van de inhoud van dit artikel en de bestaande, terzake strenge, rechtspraak van Uw Raad moeten bestemmingsvoorschriften verplicht verband houden met de stedenbouwkundige bestemming van het gebied in de strikte zin. Het domein van de ruimtelijke ordening mag bijgevolg niet verlaten worden en onderwerpen zonder ruimtelijke relevantie dienen via de betrokken sectorale wetgeving gereglementeerd te worden. 22 In casu krijgt de zone ten zuid - oosten van het oude stationsgebouw de bestemming van ‘zone voor sociaal woonproject’ en de zone ten zuiden van het oude stationsgebouw de bestemming van ‘zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen’. In het verordenende voorschrift nr. 12 wordt bepaald dat binnen zone 1 en 2 samen een minimum van twaalf sociale wooneenheden moet gerealiseerd worden. 23 Het weze duidelijk dat dergelijk voorschrift geen verband houdt met de stedenbouwkundige bestemming, geen ruimtelijke relevantie heeft en een onverantwoorde detaillering is van de bestemming. Verwerende partijen zullen niet kunnen ontkennen dat de ruimtelijke ordening in casu wordt gebruikt voor het realiseren van ‘sociale’ X-14.130-12/26 woningen, hetgeen impliceert dat geen ‘andere’ woningen kunnen worden gebouwd en hetgeen met zich meebrengt dat zij de ruimtelijke voorschriften gebruiken om een zuiver niet - stedenbouwkundige doelstelling mee vorm te geven”. Beoordeling 4.12. Het middel is gericht tegen het bestemmingsvoorschrift voor “zone 1: zone voor sociaal woonproject: aanééngesloten ééngezinswoningen” luidens welk “deze zone bestemd is voor de realisatie van een sociaal woonproject met aanééngesloten ééngezinswoningen (rijwoningen). Indien in de aanpalende zone 2 (zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen) een x-tal sociale wooneenheden worden gerealiseerd, dan mag binnen deze zone 1 een zelfde x-aantal wooneenheden privaat worden gerealiseerd. Binnen de zone 1 en zone 2 samen moeten minimum 12 sociale wooneenheden worden gerealiseerd” . Het middel is eveneens gericht tegen het voorschrift 12 van de “zone 2: zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen” , waarin eveneens wordt gesteld dat “Indien in de aanpalende zone 2 (zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen) een x-tal sociale wooneenheden worden gerealiseerd, dan mag binnen deze zone 1 een zelfde x-aantal wooneenheden privaat worden gerealiseerd. Binnen de zone 1 en zone 2 samen moeten minimum 12 sociale wooneenheden worden gerealiseerd”. 4.13. In het verzoekschrift houden de verzoekende partijen voor belang te hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissingen “nu zij in de onmiddellijke omgeving van het GRUP een eigendom/zakelijke rechten bezitten, een bedrijf exploiteren en bovendien een deel van de eigendom van de tweede verzoekende partij een nieuwe bestemming krijgt in het GRUP” Zij stellen geenszins, laat staan dat zij dit aantonen, eigenaar of zakelijke gerechtigde te zijn van gronden gelegen in voornoemde zones 1 en 2. Uit de toelichting bij het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan blijkt overigens dat de gemeente eigenaar is van de gronden begrepen in de zones 1 en 2. X-14.130-13/26 4.14. Het toentertijd geldende artikel 4 DRO bepaalt wat volgt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. Krachtens het toentertijd geldende artikel 38, § 1, 2° DRO bevat een ruimtelijk uitvoeringsplan “de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer”. 4.15. Het voorzien in een bestemmingsvoorschrift van de realisatie van een aantal sociale wooneenheden kadert binnen een van de doelstellingen van de ruimtelijke ordening, zoals deze zijn verwoord in voormeld artikel 4 DRO, waar wordt gesteld dat tevens rekening dient te worden gehouden met de sociale gevolgen van de ruimtelijke ordening. De argumentatie van de verzoekende partijen dat de voormelde stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden GRUP “geen verband houd met de stedenbouwkundige bestemming, geen ruimtelijke relevantie heeft en een onverantwoorde detaillering is van de bestemming” kan dan ook niet worden bijgetreden. 4.16. Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 4.17. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 4 DRO, van de vereisten van goede ruimtelijke ordening, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het X-14.130-14/26 rechtzekerheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: C.1. Een kennelijk onvoldoende afweging van de ruimtelijke behoeften 25 De bevoegdheden die aan de administratieve overheden worden toegekend in het kader van het vaststellen van een GRUP dienen te worden afgebakend in functie van hetgeen gesteld in de artikelen 4 DORO. Op basis van deze bepaling dient elk GRUP rekening te houden met het algemeen belang en getuigen van een bekommernis om de goede ruimtelijke ordening. Artikel 4 van het DRO verduidelijkt de doelstellingen van het ruimtelijk beleid als volgt: ‘De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.’ Aangezien de voorschriften opgenomen in de ruimtelijke uitvoeringsplannen aan de hierboven opgesomde doeleinden moeten beantwoorden, kunnen alleen de door de goede ruimtelijke ordening gemotiveerde voorschriften verordenende kracht hebben. Er is een kennelijke miskenning van de door artikel 4 DORO vereiste gelijktijdige afweging van de daarin vermelde principes. Een zorgvuldige overheid dient immers haar decretale verplichtingen op planningsniveau na te leven. Uit de afweging van de ruimtelijke behoeften kan inderdaad de ene behoefte zwaarder doorwegen dan de andere behoefte, maar de plannende overheid dient wel een gelijktijdige en afdoende afweging te maken. Deze afweging moet ook blijken uit de beslissing, minstens uit het administratief dossier. 26 Verzoekende partijen wierpen reeds in hun bezwaar op dat de plannende overheid op basis van artikel 4 DORO ook de economische belangen in beschouwing dient te nemen en moet afwegen ten aanzien van andere mogelijke doeleinden. Immers, de plannen zoals goedgekeurd voorzien een ‘zone voor voetgangers - en fietsverbinding en garageweg’ van zes meter breed op het uiterst rechtse deel van het terrein van verzoekende partij. Nazicht van de toelichting, de bestemmingsvoorschriften en het dossier bij het GRUP leert dat deze zone in het bijzonder ontwikkeld werd in het licht van de vier garages dewelke door de gemeente Avelgem vergund werden in de achtertuinen van de percelen onmiddellijk naast het bedrijf van verzoekende partij. Aangezien de plannende overheid vandaag een groenzone wil ontwikkelen ten noorden van deze garages en achtertuinen, dient het terrein van X-14.130-15/26 verzoekende partij als ‘oplossing’ te dienen voor de ontstane moeilijkheden. 27 Uit bijgevoegd fotomateriaal (…) blijkt dat vandaag deze zone integraal gebruikt wordt voor de bedrijvigheid van verzoekende partij en alles volzet is met gestapelde bouwmaterialen. Bovendien wordt in het bedrijf van verzoekende partij, mede om veiligheidsredenen, een circulatieplan uitgevoerd, waarbij klanten - afnemers rechts het terrein oprijden, bouwmaterialen opladen om dat met een bocht rond de loods het terrein weer te verlaten. De impact op de bedrijvigheid van verzoekende partij is kennelijk disproportioneel aan de doelstelling die verwerende partijen met de ‘zone voor voetgangers - en fietsverbinding en garageweg’ wensen te bereiken: - de activiteit van de nv Holvoet zou in deze zone zonevreemd worden en gelet op de verordenende kracht waarmee het GRUP behept is, zou dit tot allerlei weigeringen kunnen leiden inzake de voor verzoekende partij noodzakelijke vergunningen; - bij de realisatie van de betwiste zone, is niet duidelijk waar verzoekende partij, die nergens plaats heeft voor nieuwe opslag, met de tonnen bouwmaterialen die vandaag in de betwiste zone liggen gestapeld, heen moet. Meer zelfs, door een realisatie komt tussen de garageweg en de loods een slechts heel beperkte afstand, waardoor ook het verplichte circulatieplan, niet meer kan worden uitgevoerd. - Ook al wordt in het GRUP de indruk gewekt dat de zone een nieuwe fiets- en wandelverbinding inluidt, blijkt manifest dat het ware doel een uitweg bieden is aan de vergunde garages ten oosten van het bedrijf van verzoekende partij en verzoekende partij daarvoor haar economische activiteit gekrenkt ziet. 28 Nergens uit het dossier blijkt een gelijktijdige afweging van de ruimtelijke behoeften. Meer zelfs, uit C.2. zal blijken dat de GECORO en de beslissingnemende overheid ook geenszins afdoende antwoorden op de bezwaren van verzoekende partij. (…) C.2. Een beslissing moet gemotiveerd werden met argumenten die de beslissing in rechte en in feite schragen. 29 Bovendien dient een ruimtelijk uitvoeringsplan, ook al is ze geen bestuurshandeling met individuele strekking en bijgevolg ook niet gevat door de Wet van 29 juli 1991 tot motivering van bestuurshandelingen, toch afdoende gemotiveerd te zijn met argumenten die de beslissing in rechte en in feite schragen en blijft de plannende overheid onderworpen aan de materiële motiveringsplicht. Niet alleen verzaakt de plannende overheid aan haar verplichtingen ex artikel 4 DORO, bijkomend blijkt uit de bestreden beslissingen dat deze nog meer gebreken vertonen en niet afdoende gemotiveerd worden. 30 Vooreerst blijkt uit het advies van de GECORO, zélfs als het als een geheel wordt gelezen, dat alle grieven uit het bezwaarschrift van verzoekende partij van tafel worden geveegd met argumenten die X-14.130-16/26 geenszins kunnen volstaan om de beslissing in rechte en in feite te schragen: - Hoewel verzoekende partij in haar bezwaarschrift het tegenovergestelde duidelijk maakte, poneert de GECORO enkel dat een herschikking zeker tot de mogelijkheden moet behoren en de circulatie geen probleem wordt aangezien in de betwiste zone vandaag bouwmaterialen gestapeld worden. Dit kan geenszins als afdoende motivering volstaan. Bovendien faalt dit argument in feite gezien duidelijk blijkt dat herschikking niet mogelijk is en de enige oplossing economisch inkrimpen inhoudt. Ook indien de circulatie moet worden behouden zal verzoekende partij economisch moeten inkrimpen. - De GECORO poogt een argument te putten uit de aanwezigheid van een buurtweg op de plaats van de betwiste zone. Nochtans wordt geen uittreksel van de Atlas der Buurtwegen gevoegd, is een mogelijke buurtweg onmiskenbaar uitgedoofd op grond van artikel 12 van de Buurtwegenwet en behoort de grond toe aan verzoekende partij. Dit argument faalt zowel in rechte als in feite. 31 Nog blijkt dat het ongunstig advies van de Provincie West- Vlaanderen dd. 26 juni 2008 niet steeds werd gevolgd en in dat geval dan ook geen afdoende motivering werd gegeven waarom het advies niet werd gevolgd. De Provincie vroeg: - een onderscheid te maken tussen bestemmings- en inrichtingsvoorschriften in de stedenbouwkundige voorschriften. - de voorschriften voor bestemmingszone 2 te verduidelijken dat er in de (half-) ondergrondse parking ook voldoende parkeergelegenheden dienen voorzien worden voor de bewoners van bestemmingszone 1. - en specificering van de toegelaten gemeenschapsvoorzieningen in zone 4. Geen van deze adviezen werden in casu gevolgd en er werd ook niet gemotiveerd waarom deze adviezen niet werden gevolgd. De plannende overheid schendt hierbij haar materiële motiveringsplicht en haar zorgvuldigheidsplicht. 32 Uit dit alles blijkt overduidelijk dat de argumenten om bestreden beslissingen goed te keuren zowel falen in feite als in rechte. 33 Het tweede onderdeel is gegrond”. Beoordeling 4.18. Het middel is gericht tegen de in het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan voorziene “Zone 6: zone voor voetgangers- en fietsersverbinding en garageweg”, waarvan de stedenbouwkundige voorschriften bepalen wat volgt: X-14.130-17/26 “ Zone 6: zone voor voetgangers- en fietsenverbinding en garageweg 27 Bestemming Deze zone is bestemd voor de aanleg van een voetgangers- en fietsers verbinding en garageweg 28 Deze verbinding moet steeds publiek toegankelijk blijven. Deze verbinding is voor gemotoriseerd verkeer enkel toegankelijk voor aangelanden (nl. als toegang tot carports en garages horende bij woningen). 29 De breedte van de wegverharding bedraagt minimum 3m. ”. 4.19. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat een deel van de eigendom van de tweede verzoekende partij, dat volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan is gelegen in woongebied, tot zone voor voetgangers- en fietsersverbinding en garageweg wordt bestemd. De opwerping van de tweede verwerende partij dat, indien de verzoekende partijen niet aantonen dat ze op regelmatige wijze van deze zone gebruik maken voor het stapelen van bouwmaterialen, het middel onontvankelijk is bij gebrek aan geoorloofd belang, kan niet worden bijgetreden. De vraag of voor de bestaande verhardingen al dan niet een stedenbouwkundige vergunning werd verleend is ter zake niet relevant. Luidens punt 28 van de stedenbouwkundige voorschriften moet, in tegenstelling tot de voorheen geldende bestemming, deze verbinding “steeds voor het publiek toegankelijk blijven”, hetgeen een voldoende belang in hoofde van de verzoekende partijen aantoont. 4.20. Artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, bepaalt wat volgt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. 4.21. De vereiste in voornoemde bepaling dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen, impliceert niet dat deze diverse facetten daarom ook X-14.130-18/26 gelijkwaardig aan bod moeten komen in een RUP. Uit de afweging kan immers blijken dat één of meerdere van deze behoeften -zoals te dezen de kwalitatieve heraanleg van het openbaar domein- zwaarder doorwegen dan andere, hetgeen dan ook tot uiting kan komen in de in het plan vast te leggen bestemmingen en maatregelen. Daarbij dient te worden vastgesteld dat de bevoegde overheden, in het licht van de in voornoemd artikel 4 bepaalde doelstellingen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken waarbij de Raad van State, in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht, enkel bevoegd is na te gaan of de betrokken overheid in de uitoefening van deze bevoegdheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 4.22. In het “Stedenbouwkundig ontwerp” horend bij de bestreden gemeenteraadsbeslissing wordt dienaangaande het volgende gesteld: “1. De verlaten spoorwegbedding inrichten als ‘groene vinger’ Conform de opties uit het ruimtelijk structuurplan Avelgem wordt het openbaar domein op een kwalitatieve manier heraangelegd. Hierbij wordt de ongedefinieerde en onderbenutte restruimte van de verlaten spoorwegbedding en van de Ijzerwegstraat omgebogen naar een éénduidige ruimtelijke structuur. De stationsomgeving vormt de plek waar de oude spoorwegbedding het centrumgebied van Avelgem binnendringt. Er wordt gekozen om deze oude spoorwegbedding binnen deze ruimtelijke bebouwde context vorm te geven als een ‘groene vinger’. Deze groene vinger bestaat uit enerzijds (
- a)de continue lijn van de bovenlokale fietsroute en anderzijds uit drie verschillende polen (b-c-d): a. De continuïteit van de recreatieve en functionele fiets- en wandelroute op de oude spoorwegbedding wordt behouden, zodat de verlaten spoorwegbedding Kortrijk-Avelgem (ten noorden) optimaal verbonden blijft met de verlaten spoorwegbedding Avelgem-Ronse (ten zuiden) en de Waterhoekroute (via de Meersstraat naar de Scheldemeersen). Daarnaast wordt ook een nieuwe fiets- en wandelverbinding vanaf het kruispunt van de Doornstraat en de Huttegemstraat naar de stationslocatie voorzien langs de site van Holvoet, zodat de voetgangers en fietsers niet steeds via de drukke Doorniksesteenweg naar het centrum van Avelgem dienen te gaan. Deze voetgangers- en fietsersverbinding zorgt ervoor dat de erkende voetweg nr. 74 wordt hersteld (vanaf de Huttegemstraat-Doornstraat naar de Vijverhoek). Dit tracé kan gedeeltelijk ook worden gebruikt als garageweg voor enkele bestaande garageboxen van woningen langs de Huttegemstraat. (…)”. X-14.130-19/26 Het bestreden goedkeuringsbesluit overweegt dienaangaande het volgende: “De oude spoorwegbedding Kortrijk-Ronse wordt in het PRS-WV als droge ecologische infrastructuur (natuurlijke structuur), structurerend lineair element (landschappelijke structuur) en lijnelement (toeristisch- recreatieve structuur) geselecteerd. Het inrichten van de verlaten spoorwegbedding als groene publieke ruimte die het centrumgebied van Avelgem binnendringt, kan de ecologische, landschappelijke en recreatieve functie van de voormalige spoorwegbedding versterken, waardoor het RUP tegemoet komt aan bovenstaande beleidsdoelstellingen uit het PRS-WV. Eén van de strategische doelstellingen van het provinciebestuur West- Vlaanderen is het netwerk van trage wegen op haar grondgebied op te waarderen en het gebruik ervan te stimuleren. In het RUP Stationsomgeving wordt het deel van voetweg nr.74 tussen de Vijverhoek en de Doornstraat hersteld als voetgangers- en fietsersverbinding, waardoor het RUP Stationsomgeving invulling geeft deze strategische doelstelling”. 4.23. Anders dan de verzoekende partijen voorhouden kan noch uit de bestemmingsvoorschriften, noch uit de in voornoemd “Stedenbouwkundig ontwerp” vermelde opties worden afgeleid dat de betrokken zone “voor voetgangers- en fietsersverbinding en garageweg” “in het bijzonder ontwikkeld werd in het licht van de vier garages welke door de gemeente Avelgem vergund werden in de achtertuinen van de percelen onmiddellijk naast het bedrijf van verzoekende partij”. Daarenboven blijkt dat het bedrijfsterrein van de verzoekende partijen een oppervlakte beslaat van 20.000m², en dat de betrokken verbindingsweg daarvan ongeveer 330m² zal innemen, zodat ook in de feiten niet aannemelijk wordt gemaakt dat er te dezen een “kennelijke miskenning van de door artikel 4 DORO vereiste gelijktijdige afweging van de daarin vermelde principes” voorhanden zou zijn. 4.24. Het eerste onderdeel van het middel wordt verworpen. 4.25. Tijdens het openbaar onderzoek hebben de verzoekende partijen onder meer de volgende bezwaren geformuleerd: “- er is de veel te grote impact van het bestemmingsplan (hetwelk dus ook de onmiddellijke prelude vormt voor een onteigeningsplan) op de bedrijvigheid van de firma Holvoet dewelke volkomen genegeerd, dan minstens schromelijk onderschat wordt in het ontwerp van RUP. De in X-14.130-20/26 het RUP voorziene strook voor de garageweg van 6 meter breed maakt dat de tonnen bouwmaterialen die op de strook gestapeld elders zullen moeten verplaatst worden. Een plaatsbezoek op de terreinen van de firma Holvoet zal u leren dat zulks - zonder overdrijving- werkelijk zonder meer onmogelijk is. Waar moet cliënte naar toe met al deze materialen? Hiervoor is er eenvoudigweg geen plaats, minstens al geen nuttige en veilige ruimte. Cliënte zou naast de voorziene strook voor de garageweg slechts een heel beperkte afstand (opzichtens haar loods) overhouden. Dit zal zekerlijk al maken dat de circulatie met grote vrachtwagens (en ook de nodige aanlevering van die vrachtwagens met kleiner rollend materieel, clarks of kleinere trucks - hetwelk natuurlijk ook de nodige manoeuvreerruimte vereist) onmogelijk wordt. Minstens - maar dit zal op zich niet baten - zal één en ander maken dat ook de bouwmaterialen die onmiddellijk rechts naast de loods gestapeld liggen ook al zouden moeten verdwijnen... Een volledige herschikking van het terrein zit er al helemaal niet in. Opnieuw, waar moet cliënte naar toe met al haar materialen? - het ontwerp van plan verliest uit het oog dat de firma Holvoet destijds van overheidswege verplicht is geweest om - veiligheidsredenen indachtig - een circulatie rond de loods te garanderen. Nazicht bij de bevoegde overheid zal Uw Gemeente zulk in ieder geval leren. Wat als de firma dit niet langer kan? Welke zullen de gevolgen zijn? De impact op de bedrijvigheid van de firma Holvoet staat zodoende werkelijk buiten elke proportie, zulks zeker gelet op het doel achter de garageweg, d.i, in essentie het voorzien in een uitweg voor vier garages... Nochtans verplicht artikel 4 D.R.O. de planopmakende overheid om ook economische belangen in ogenschouw te nemen. Het bestemmingsplan legt de onmiddellijke basis voor een onteigeningsplan dat zal moeten volgen, zodat cliënte gerechtigd is de bezwaren in het kader van onderhavig openbaar onderzoek te laten geworden. Een zorgvuldige planopmakende overheid legt natuurlijk ook niet zomaar planwijzigingen vast om dan later eens te bekijken of deze wel, zonder veel hinder voor de betrokkenen, gerealiseerd zullen en kunnen worden. Daarenboven is er natuurlijk ook een onmiddellijke impact die voortvloeit uit de bestemmingswijziging”. 4.26. De GECORO heeft deze bezwaren als volgt beantwoord: “Het RUP is er in hoofdzaak op gericht om de oost-west fietsverbinding in stand te houden en waar mogelijk te versterken. Daarnaast is ook de noord-zuid fietsverbinding tussen de Huttegemstraat en de Vijverhoek/Stationsstraat essentieel, gezien de toekomstige ontwikkeling van het woonuitbreidingsgebied tussen Huttegemstraat, Doornstraat en Pontstraat. Het is ruimtelijk gezien zeker de beste optie om deze zachte verbinding in het verlengde van de Doornstraat naast de woningen in de X-14.130-21/26 Huttegemstraat te voorzien. Als we dit als uitgangspunt beschouwen, dan is het logisch dat van deze verbinding gebruik wordt gemaakt om het beperkte aantal garages
(4)langs deze weg te ontsluiten. Het feit dat ongeveer op die plaats een voetweg ingeschreven is in de Atlas der Buurtwegen duidt op de noodzaak om die verbinding te voorzien, ook al is die in de praktijk sedert geruime tijd niet meer in gebruik. De inname van het bedrijfsterrein van NV Holvoet ten gunste van deze voetgangers-/fietsersverbinding en garageweg (ongeveer 330m²) is relatief beperkt in vergelijking met de totale oppervlakte van het bedrijfsterrein (ruim 20.000m²). Een herschikking van het terrein moet zeker tot de mogelijkheden behoren. Daarnaast moet toch worden benadrukt dat de nodige circulatieruimte waarvan sprake nog altijd kan blijven bestaan. De bedoelde grond van zone 6 wordt immers momenteel uitsluitend als stapelruimte gebruikt (…)”. 4.
- In de mate dat de verzoekende partijen stellen dat de GECORO enkel “poneert” dat een herschikking zeker tot de mogelijkheden moet behoren en de circulatie geen probleem wordt aangezien in de betwiste zone vandaag bouwmaterialen worden gestapeld, dient te worden vastgesteld enerzijds dat de GECORO haar antwoord heeft gesteund op het feit dat de totale oppervlakte van het bedrijfsterrein ruim 20.000 m² beslaat, en anderzijds dat de verzoekende partijen evenmin enig concreet gegeven hebben naar voor gebracht waaruit moet blijken dat een herschikking van het terrein absoluut niet tot de mogelijkheden behoort. Voorts dient te worden vastgesteld dat de GECORO enkel verwijst naar de voetweg uit de Atlas der Buurtwegen om aan te tonen dat er een noodzaak bestaat om de betrokken verbinding voor voetgangers en fietsers op die plaats te voorzien. Het argument van de verzoekende partijen dat geen uittreksel uit de atlas der buurtwegen is bijgevoegd, is derhalve niet relevant. Hetzelfde dient te worden gesteld wat betreft de vraag of de voetweg al dan niet is “uitgedoofd op grond van artikel 12 van de Buurtwegenwet en (..) de grond toe(behoort) aan verzoekende partij”. 4.
- Wat betreft het ongunstig advies van 28 juni 2008 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen dient vooreerst te worden vastgesteld dat dit advies in wezen niet ongunstig was om de door de verzoekende partijen aangehaalde redenen, maar omdat de deputatie oordeelde dat “het RUP slechts gunstig geadviseerd kan worden op voorwaarde dat er een X-14.130-22/26 zone voor sociale woningen op het bestemmingsplan wordt afgebakend, vergezeld van bijhorende stedenbouwkundige voorschriften”. Daaraan werd weliswaar toegevoegd dat “het aangewezen is ook aandacht te hebben voor de overige opmerkingen”, zonder dat hierop evenwel in dat advies in concreto wordt ingegaan. 4.
- Zoals de verwerende partijen terecht opwerpen, is de gemeenteraad deels ingegaan op die opmerkingen en blijkbaar op zodanige wijze dat de tweede verwerende partij haar goedkeuring heeft kunnen hechten aan het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan. In die omstandigheden kan dan ook niet op goede gronden worden gesteld dat door de eerste verwerende partij “geen afdoende motivering werd geven waarom het advies niet werd gevolgd”. 4.
- Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 38, § 1, 4° en artikel 48, § 2 DRO, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de materiële motiveringsplicht, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “35 Ruimtelijke structuurplannen vormen de basis voor de ruimtelijke uitvoeringsplannen. In die zin bekleedt het structuurplan een soort ‘superpositie’ ten aanzien van de uitvoeringsplannen. Artikel 38 §1 4° DORO duidt aan dat een ruimtelijk uitvoeringsplan de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de structuurplannen waarvan het een uitvoering is, moet omvatten. Niet alleen moet een relatie bestaan met de toepasselijke structuurplannen, maar ook dient volgens artikel 48 §2 DORO het GRUP een uitvoering te zijn van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Het GRUP kan bijgevolg niet afwijken van de bindende bepalingen van de structuurplannen waarvan het een uitvoering is en kan slechts mits afdoende X-14.130-23/26 motivering afwijken van de richtinggevende bepalingen in deze structuurplannen. 36 In casu staat in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Avelgem van 29 juli 2004 in de bindende bepalingen dat een stedenbouwkundig ontwerp of ‘masterplan’ voor de ruime omgeving oude station - Huttegem - Groote Fabrieke - sportcomplex Ter Muyncken moet worden opgesteld om zo een nieuwe ontwikkelingspool te creëren. (…) Hierbij erkent eerste verwerende partij dat men op het ogenblik van de opmaak van het structuurplan een onvoldoende duidelijke visie had over het gebied en dat verdere visievorming uitgewerkt moest worden in een ‘masterplan’. Vandaag is duidelijk dat dergelijk ‘masterplan’ niet voor handen is. Meer zelfs, de ontwikkeling van het gebied ‘de Groote Fabrieke’ en de bestemming ervan is tot op vandaag hoogst onduidelijk. Dat blijkt immers uit de tweede bestreden beslissing waarin letterlijk staat dat er nog teveel onopgeloste knelpunten aanwezig zijn bij de herbestemming van ‘de Groote Fabrieke’. Hoewel men zich daartoe heeft verbonden in het structuurplan, werd nu een GRUP goedgekeurd zonder de noodzakelijke visievorming in een ‘masterplan’. Noch in de toelichtingsnota, noch in het advies van de GECORO noch in de bestreden beslissingen wordt gewag gemaakt van het masterplan, dat nochtans volgens de bindende bepalingen van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Avelgem voor handen moet zijn. De bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Avelgem worden aldus geschonden. De plannende overheid heeft hierdoor onzorgvuldig gehandeld en tevens ook het rechtszekerheidsbeginsel geschonden aangezien men er redelijkerwijs kon van uitgaan dat een masterplan de ruimtelijke uitvoeringsplannen zou voorafgaan”. Beoordeling 4.
- Het bindend gedeelte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Avelgem bepaalt onder meer wat volgt: “
- MAATREGELEN EN ACTIES 2.
- MAATREGELEN EN ACTIES BIJ DE GEWENSTE DEELGEBIEDEN BIJ DE BEBOUWDE KERN VAN AVELGEM : • Opstellen van een stedenbouwkundig ontwerp en R.U.P.’s voor het koppelingsgebied Doorniksesteenweg-Industriezone-Schelde- meersen. Aangezien dit koppelingsgebied gelegen is aan de rand van de Scheldevallei, zal de verdere ruimtelijke invulling en ordening van dit koppelingsgebied in samenwerking met de hogere, bevoegde instanties moeten worden afgewogen. X-14.130-24/26 • Opstellen van een stedenbouwkundig ontwerp en R.U.P.’s voor het koppelingsgebied Avelgem-centrum en de Scheldemeersen. Aangezien dit koppelingsgebied gelegen is aan de rand van de Scheldevallei, zal de verdere ruimtelijke invulling en ordening van dit koppelingsgebied in samenwerking met de hogere, bevoegde instanties moeten worden afgewogen. • Opstellen van stedenbouwkundig ontwerp of ‘masterplan’ voor de ruime omgeving oude station - Huttegem - Groote Fabrieke - sportcomplex Ter Muncken als nieuwe ontwikkelingspool • Opstellen van stedenbouwkundig ontwerp en R.U.P.’s voor de opwaardering van de omgeving van het oude stationsgebouw”. 4.
- Het opstellen van een stedenbouwkundig ontwerp of “masterplan” voor de ruime omgeving “oude station - Huttegem - Groote Fabrieke - sportcomplex Ter Muncken” als nieuwe ontwikkelingspool, en het opstellen van een stedenbouwkundig ontwerp en ruimtelijke uitvoeringsplannen voor de opwaardering van de omgeving van het oude stationsgebouw, zijn in de bindende bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan beide als afzonderlijke maatregelen en acties bij de gewenste deelgebieden opgelegd. Er dient te worden vastgesteld dat de voornoemde bindende bepalingen niet opleggen dat eerst het “masterplan” dient te worden opgesteld, en dat pas nadien ruimtelijke uitvoeringsplannen voor de opwaardering van de omgeving van het oude stationsgebouw mogen worden opgemaakt en vastgesteld. Het feit dat het bestreden GRUP werd vastgesteld zonder voorafgaande globale visievorming in een “masterplan” maakt geen schending uit van de bindende bepalingen van het GRSP. 4.
- Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, ieder voor de helft. X-14.130-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-14.130-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.558 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div