← België

Arrest 209559 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 07/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.559 Rolnummer: Zaak: Arrest 209559 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 07/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-16 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:30 Fiche Arrest nr 209.559 van 7 december 2010 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 209.559 van 7 december 2010 in de zaken A. 196.889/XII-6373 A. 197.395/XII-6374 A. 197.730/XII-6375 In zake: Charis VERLINDE die woonplaats kiest te Gent Botestraat 64 tegen: de HOGESCHOOL GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen

  1. Het beroep in de zaak A.196.889, ingesteld op 25 juni 2010, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 23 april 2010 van het bestuurscollege van de Hogeschool Gent waarbij dit beslist een einde te maken aan de aanstelling van Charis Verlinde. Het beroep in de zaak A.197.395, ingesteld op 13 augustus 2010, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 10 juni 2010 van het college van beroep inzake evaluatie van de Hogeschool Gent, die de evaluatie “onvoldoende” van Charis Verlinde bevestigt. Het beroep in de zaak A.197.730, ingesteld op 10 september 2010, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 12 juli 2010 van de voorzitter van de raad van bestuur van de Hogeschool Gent “om de beslissing van het bestuurscollege van 23 april 2010 inzake het ontslag van verzoekster, te bevestigen”. XII-6373-1\13 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft in elk van de drie zaken een nota neergelegd. Eerste auditeur Diane Mareen heeft in elke zaak een verslag opgesteld op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nathalie Swartebroeckx, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster wordt met ingang van 1 januari 2008 voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld als diensthoofd Juridische Aangelegenheden bij de Hogeschool Gent. 3.
  6. Het bestuurscollege van de Hogeschool Gent beslist op 29 juni 2009 om verzoekster de evaluatie “onvoldoende” toe te kennen en een einde te maken aan haar aanstelling middels een opzeggingstermijn van zes maanden. XII-6373-2\13 Bij beslissing van 25 september 2009 trekt het bestuurscollege zijn beslissing van 29 juni 2009 in. 3.
  7. Het bestuurscollege beslist vervolgens op 23 april 2010 om het nieuwe evaluatievoorstel van de algemeen directeur met eindvermelding “onvoldoende” over te nemen, het functioneren van verzoekster als “onvoldoende” te evalueren en de aanstelling van verzoekster te beëindigen middels een opzeggingstermijn van zes maanden, om volgende redenen : “Onderhavige beslissing betreft de evaluatie van mevrouw Charis Verlinde. Mevrouw Charis Verlinde is voor onbepaalde duur tijdelijk aangesteld in een statutaire betrekking in de functieklasse A+. Zij oefent de functie uit van diensthoofd van de Juridische Dienst. Gelet op het functioneren van mevrouw Charis Verlinde, zoals omschreven in de evaluatie, wordt voorgesteld om haar functioneren als ‘onvoldoende’ te evalueren. […] volgend op de conclusie van de evaluatie en in het bijzonder gelet op de daarbij opgenomen elementen wordt een einde gemaakt aan de aanstelling. Deze beslissing wordt ondersteund door de conclusie van het development center […] De termijn voor het indienen van een beroep bij het college van beroep bedraagt 15 kalenderdagen na kennisname. De ingangsdatum van de opzegging is de eerste dag van de maand volgend op de bekendmaking. Een beroepsprocedure is opschortend, waardoor in geval van beroep de ingangsdatum van de opzegging valt op de eerste dag van de maand volgend op het afsluiten van de beroepsprocedure.” Aan verzoekster wordt tevens een outplacement aangeboden voor de duur van zes maanden. Deze beslissing wordt aan verzoekster ter kennis gebracht bij brief van 26 april
  8. De beslissing tot beëindiging van de aanstelling bestrijdt verzoekster met het beroep, ingeschreven met rolnummer A.196.889/XII-
  9. 3.
  10. Verzoekster tekent beroep aan bij het college van beroep inzake evaluatie. 3.
  11. Het college van beroep inzake evaluatie beslist op 10 juni 2010 om de beroepen beslissing van het bestuurscollege te bevestigen. Deze beslissing wordt aan verzoekster ter kennis gebracht bij schrijven van 22 juni
  12. Dit is de bestreden beslissing in de zaak A.197.395/XII-
  13. XII-6373-3\13 Bij aangetekende brief van diezelfde dag wordt verzoekster door de algemeen directeur als volgt nogmaals in kennis gesteld van haar ontslag : “Na de beroepsprocedure, door u ingesteld bij het college van beroep inzake evaluatie, zijn de partijen op 22 juni 2010 […] op de hoogte gesteld van de beslissing van het college van beroep. Het college van beroep heeft de beslissing van het bestuurscollege inzake evaluatie zoals hierboven vermeld, bevestigd. Hierdoor wordt de evaluatie onvoldoende definitief. Bijgevolg wordt de beslissing van het bestuurscollege, zoals opgenomen in art. 2, van de beslissing [...] uitvoerbaar. Bij deze stel ik u nogmaals in kennis van uw ontslag uit uw tijdelijke aanstelling als diensthoofd Juridische Dienst en dit met ingang van 1 juli 2010”. 3.
  14. Op 12 juli 2010 beslist de voorzitter van de raad van bestuur van de verwerende partij, bij hoogdringendheid, gelet op de uitspraak van de raad van beroep inzake evaluatie van 10 juni 2010, om de beslissing van het bestuurscollege van 23 april 2010, te bevestigen. Van deze beslissing wordt kennis gegeven aan verzoekster bij brief van 14 juli
  15. Zij vordert ervan de nietigverklaring in de zaak A.197.730/XII-
  16. IV. Samenvoeging
  17. Het verzoek van de partijen tot samenvoeging van de drie zaken kan worden ingewilligd. V. Onderzoek van het beroep in de zaak A.197.395 (de evaluatiebeslissing “onvoldoende”) Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  18. Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 265 en 77, § 1, en § 3, derde lid, van het hogescholendecreet van 13 juli 1994 en van artikel 20 van het evaluatiereglement van de Hogeschool Gent, omdat de beslissing tot samenstelling van het college van beroep inzake evaluatie van de verwerende partij genomen werd door het bestuurscollege van de verwerende partij. De bevoegdheid tot samenstelling van het college van beroep inzake evaluatie werd XII-6373-4\13 door de raad van bestuur gedelegeerd naar het bestuurscollege, wat evenwel in strijd is met het hogescholendecreet en het eigen evaluatiereglement. Het hogescholende- creet schrijft uitdrukkelijk voor dat de raad van bestuur de leden van het college van beroep inzake evaluatie aanstelt. Ook artikel 20 van het evaluatiereglement doet dit. De bevoegdheden die de raad van bestuur kan delegeren worden limitatief opgesomd in artikel 262 van het hogescholendecreet maar de bevoegdheid die hier aan de orde is, hoort daar niet toe. Beoordeling
  19. Het bestuurscollege is luidens artikel 268 van het hogescholende- creet van 13 juli 1994 bevoegd voor “alle materies [die] niet aan de raad van bestuur, de algemeen directeur, de departementsraden of de departementshoofden zijn opgedragen”. Welnu, de aanstelling van de leden van het college van beroep inzake evaluatie is blijkens artikel 265, § 1, van het hogescholendecreet een materie die uitdrukkelijk aan de raad van bestuur opgedragen is. Anders dan artikel 262 van hetzelfde decreet, dat een algemene opsomming geeft van de bevoegdheden van de raad van bestuur en vervolgens preciseert dat, met uitzondering van enkele voor deze zaak niet relevante bevoegd- heden uit die opsomming, “deze bevoegdheden” -versta: de bevoegdheden opgesomd in artikel 262- voor delegatie in aanmerking komen, bevat artikel 265 van het hogescholendecreet geen zulke opening voor delegatie.
  20. Weliswaar wordt in artikel 262 onder punt 13° vermeld “dat de raad van bestuur alle andere bij of krachtens een decreet toegekende bevoegdheden uitoefent”. De Raad van State valt niet bij dat dit onder 13° van artikel 262 als zo een “andere bij decreet toegekende bevoegdheid” ook de bevoegdheid tot samenstelling van het college van beroep te rekenen is en dat artikel 265 aldus valt onder de delegeerbare bevoegdheden. De vaststelling immers dat door de decreetgever aan de bevoegdheid om het college van beroep samen te stellen het apart artikel 265 is XII-6373-5\13 gewijd, waarin géén delegatieclausule is opgenomen, mede in aanmerking genomen dat de raad van beroep precies tot roeping heeft om zich uit te spreken over beslissingen van het bestuurscollege, noopt er toe deze bepaling zo te lezen dat ze als de uitdrukking gezien moet worden van de wil van de decreetgever om terzake in een exclusieve bevoegdheid van de raad van bestuur te voorzien, zonder mogelijkheid tot delegatie. Ook artikel 20 van het eigen evaluatiereglement schrijft de oprichting van het college van beroep door de raad van bestuur voor; verwerende partij dient haar eigen regelgeving na te leven.
  21. Het auditoraat heeft langs dezelfde gedachtegang redenerend, voorgesteld om het middel in een korte-debattenprocedure bij te vallen. Ter terechtzitting verzet verwerende partij zich ertegen dat de zaak met korte debatten zou worden afgedaan. Volgens haar is het enkele feit reeds dat aan de besproken decretale bepalingen een andere lezing kán gegeven worden, en er dus “discussie mogelijk is”, reden om de zaak volgens de gewone procedure te behandelen. De Raad van State kan die zienswijze van verwerende partij niet bijvallen en handhaaft onverkort de lezing van het decreet zoals die ook door het auditoraat wordt voorgestaan in het auditoraatsverslag. De poging van verwerende partij om de zaak op de baan te schuiven is overigens opmerkelijk, nu zij in haar nota met opmerkingen in de schorsingsprocedure net géén verweer ten gronde heeft gevoerd en een discussie bijgevolg voor haar overbodig, of onmogelijk leek.
  22. Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden evaluatie van verzoekster door een niet op rechtsgeldige wijze samengesteld orgaan genomen is, zodat ze onregelmatig is. Het middel is gegrond. XII-6373-6\13 VI. Onderzoek van de beroepen in de zaken A.196.889 en A.197.730 (het ontslag) A. Ontvankelijkheid van de beroepen Vooraf
  23. Het bestuurscollege heeft op 23 april 2010 tot het einde van verzoeksters aanstelling besloten; de voorzitter van de raad van bestuur heeft op 12 juli 2010 dit ontslagbesluit bevestigd. De vraag kan rijzen welk van de beide beslissingen een eindbeslissing is, en dus een aanvechtbare rechtshandeling, dan wel of de beide samen dat zijn. Overigens heeft verwerende partij in de zaak A.196.889 een exceptie daaromtrent geformuleerd in de nota met opmerkingen, waarvan zij ter terechtzitting echter uitdrukkelijk afstand doet. De Raad meent bijgevolg, in het kader van deze korte-debattenprocedure, dat de kwestie onbesproken mag blijven. De beslissing waarvan bij nader onderzoek zou moeten blijken dat ze niet aanvechtbaar is -hetzij de eerste, omdat ze is opgeslorpt door de tweede, hetzij de tweede, omdat ze louter een uitvoering geeft aan de eerste- moet bij inwilliging van de beroepen dan geacht worden wegens de duidelijkheid van het rechtsverkeer te worden vernietigd. De Raad van State is het voorts eens met verzoekster, dat de hernieuwde kennisgeving van haar ontslag op 22 juni 2006 door de algemeen directeur géén nieuwe, voor de Raad van State aanvechtbare rechtshandeling is. Er is bijgevolg geen reden om deze mededeling mee tot voorwerp van het beroep te rekenen, hetgeen verzoekster immers slechts in ondergeschikte orde vraagt in het geval de Raad het met haar op dit punt niet eens zou zijn geweest. Exceptie
  24. Verwerende partij doet als exceptie gelden dat de decretale regelgeving met betrekking tot het beëindigen van de aanstelling van een tijdelijk personeelslid niet te verzoenen is met het vernietigingscontentieux. Zij wijst erop dat luidens artikel 92, § 2, van het hogescholendecreet een aanstelling kan worden beëindigd, om andere redenen dan vermeld in paragraaf 1 van dat artikel, middels een normale opzeggingstermijn. Die termijn wordt herleid tot zeven dagen indien het personeelslid de evaluatie XII-6373-7\13 “onvoldoende” heeft gekregen. Verwerende partij heeft echter niet er voor gekozen de opzeggingstermijn te herleiden wegens een evaluatie “onvoldoende”. Volgens artikel 95 van hetzelfde decreet dient een beslissing van beëindiging van de aanstelling gemotiveerd te zijn. De sanctie voor niet-motivering en voor niet-inachtneming van de voorgeschreven opzeggingstermijnen staat ingeschreven in artikel 96bis van het hogescholendecreet: aan het personeelslid is een vergoeding te betalen. Ongeacht de waarde van de motieven van de beslissing van het bestuurscollege van 23 april 2010 of nog van de beslissing van de voorzitter van de raad van bestuur van 12 juli 2010, geldt volgens verwerende partij dat zij deze decretale verplichtingen is nagekomen. Dit alles in acht genomen, is er in casu sprake van een geëigende decretale regeling voor het geval van een beëindiging van een (tijdelijke) aanstelling van een personeelslid die in alle hypotheses door haar is nagekomen. Deze door verzoekster niet aangevochten regelgeving staat volgens verwerende partij haaks op het vernietigings- en schorsingscontentieux voor de Raad van State omdat de decretale ontslagbescherming voor (tijdelijk) aangesteld personeel ATP van de hogescholen zich niet uitstrekt tot de eventuele reïntegratie, rechtsgevolg dat is verbonden aan een schorsings- of vernietigingsarrest. Beoordeling
  25. De door verwerende partij bedoelde bepalingen van het hogescholendecreet luiden : “Art.
  26. - §
  27. Een aanstelling eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg : 1° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt; 1°bis bij het einde van de aanstelling of van de benoeming van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt; 2° op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid wordt benoemd in deze betrekking; 3° (...) 4° uiterlijk op het einde van de termijn waarvoor de aanstelling gebeurde; 5° bij pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens of mits instem- ming van het hogeschoolbestuur, op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; 6° bij overlijden; XII-6373-8\13 7° bij ontslag wegens dringende redenen; 8° voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 89; 9° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen. §
  28. Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling, om andere redenen dan de bepalingen vermeld in § 1, moet het een opzeggingster- mijn in acht nemen, gelijk aan drie maanden per begonnen schijf van vijf jaar dienstanciënniteit gepresteerd in de betrokken hogeschool of haar rechtsvoor- ganger. De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving van de opzegging. Op straffe van nietigheid moet de kennisgeving van de opzegging het begin en de duur van de opzeg- gingstermijn vermelden. De kennisgeving gebeurt door afgifte van een geschrift aan het personeelslid dat tekent voor ontvangst, ofwel bij aangetekend schrijven dat uitwerking heeft de derde werkdag na verzending, ofwel bij deurwaarders- exploot. De opzeggingstermijn wordt herleid tot zeven dagen indien het een personeels- lid betreft dat is aangesteld voor een periode van minder dan twaalf maanden en indien dit personeelslid de evaluatie ‘onvoldoende’ heeft gekregen voor het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft. [...] Art.
  29. - In de gevallen vermeld in artikel 92, § 1, 8, artikel 92, § 2, en artikel 93, § 2 en § 3, motiveert het hogeschoolbestuur de beslissing die leidt tot de beëindiging van de aanstelling of de definitieve ambtsneerlegging. Op schriftelijk verzoek van het personeelslid deelt het hogeschoolbestuur de motivatie van een opzeg mee ofwel bij geschrift tegen ontvangstbewijs ofwel bij aangetekend schrijven. [...] Art. 96bis. - Als het hogeschoolbestuur een aanstelling of benoeming beëindigt zonder inachtneming van de in artikel 92, § 2, en artikel 93, § 2, bedoelde opzeggingstermijn, of zonder inachtneming van de in artikel 95 bedoelde motivering, moet zij aan het personeelslid een vergoeding betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingster- mijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. Als het personeelslid zijn aanstelling beëindigt zonder inachtneming van de in artikel 96 bedoelde opzeggingstermijn, moet het aan het hogeschoolbestuur een vergoeding betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn”.
  30. Verwerende partij leest artikel 96bis alsof het aan het hogeschool- bestuur de mogelijkheid geeft om, naast de wijzen van beëindiging van een aanstelling met of zonder opzeggingstermijn als beschreven in artikel 92 daarenbo- ven steeds, en zonder reden, een einde mag stellen aan een aanstelling of een benoeming, mits het daarbij een welbepaalde opzegvergoeding uitkeert. Volgens haar interpretatie staat deze “ontslagbescherming” haaks op het annulatieconten- tieux, wat dan moet betekenen dat de decreetgever deze beslissingen aan het oordeel van de Raad van State heeft onttrokken. XII-6373-9\13 Die lezing kan de Raad van State onmogelijk bijvallen. Artikel 92, § 1, van het hogescholendecreet somt de gevallen op waarbij aan de aanstelling van rechtswege en zonder opzeg een einde komt; artikel 92, § 2, zijn ál de “andere” gevallen : dit artikel is exhaustief. De decreetgever heeft met het mechanisme van artikel 96bis enkel in een sanctie willen voorzien voor de miskenning van zijn voorschriften inzake opzeggingstermijn of motiveringsplicht. Dat de decreetgever hierdoor de rechtsmacht van de Raad van State heeft willen uitschakelen, valt in bedoeld artikel alleszins niet uitdrukkelijk te lezen. Aangezien daarenboven de decreetgever in beginsel niet bevoegd is om de bestuursrechtspraak te regelen, mag die bedoeling er ook niet op indirecte wijze uit worden afgeleid. Het sanctiemecha- nisme sluit geenszins uit dat de bevoegde rechter -te dezen de annulatierechter- de wettigheid van de beslissing beoordeelt. Het zal aan de daarvoor bevoegde rechter toevallen -de civiele rechter- om uit te maken in welke gevallen de bij artikel 96bis bedoelde vergoeding verschuldigd is, en of en hoe daarbij rekening moet worden gehouden met een eventueel tussengekomen nietigverklaring. B. Onderzoek van de middelen Standpunt van de partijen
  31. Het eerste middel in de zaak A.196.889 is geput uit de schending van de materiële motiveringsplicht en van artikel 77 van het hogescholendecreet. Verzoekster voert aan dat het doorslaggevende motief voor haar ontslag gelegen is in de evaluatie onvoldoende die in dezelfde beslissing wordt uitgesproken. Die evaluatie was ten tijde van de bestreden beslissing nog niet definitief daar er nog beroep tegen mogelijk was bij de raad van beroep. De evaluatie, niet definitief zijnde, kon geen geldig motief vormen om haar te ontslaan. Zij hééft er beroep tegen ingesteld, zodat de beslissing van de raad van beroep daarenboven in de plaats is gekomen van de beslissing van het bestuurscollege. Verzoekster voert in een enig middel in de zaak A.197.730 de schending aan van de materiële motiveringsplicht omdat de bestreden beslissing rechtstreeks en uitsluitend steunt op de beslissing van het bestuurscollege van 23 april 2010, enerzijds, en op de beslissing van het college van beroep inzake evaluatie van 22 juni 2010, anderzijds. De gebreken waarmee deze twee beslissing- en zijn behept, werken hierin door. Verzoekster verwijst naar de door haar in de meervermelde gedingen aangevoerde kritiek en herneemt deze. XII-6373-10\13
  32. Verwerende partij repliceert als volgt op het eerste middel in de zaak A.196.889 : “
  33. De verwerende partij is er zich van bewust dat een evaluatie ‘onvoldoen- de’, zoals beslist door haar Bestuurscollege op 23 april 2010, slechts definitief kon worden enerzijds in het geval door de verzoekster tijdig (d.i. binnen de vijftien dagen) geen beroep tegen werd aangetekend bij de Raad van beroep inzake evaluatie (zie de artikelen 15 e.v. van het Reglement inzake evaluatie, Kaft I,B,1) of anderzijds in het geval de Raad van beroep de uitgesproken evaluatie ‘onvoldoende’ zou bevestigen. Het is daarom precies, en aangezien de beslissing van evaluatie ‘onvoldoende’ (een deel van) de motivering vormde voor de beslissing van de beëindiging van de aanstelling van de verzoekster, dat, gelet, het door de verzoekster aangete- kende beroep ter zake de evaluatie (op 10 mei 2010), aan de deelbeslissing ter zake de beëindiging van de aanstelling door het hogeschoolbestuur (en ten andere ook niet door de verzoekster) geen uitvoering werd gegeven. Er werd daarmede gewacht tot de eerste van de maand (1 juli 2010), volgend op de kennisgeving, door het secretariaat van de Raad van beroep inzake evaluatie op 22 juni 2010, van de beroepsbeslissing van die Raad van 10 juni
  34. Weze overigens opgemerkt dat, anders dan de verzoekster voorhoudt, de beslissing van de Raad van beroep inzake evaluatie van 10 juni 2010, op het stuk van de evaluatie, helemaal niet in de plaats komt van de beslissing van het Bestuurscollege van 23 april 2010 op hetzelfde vlak. Hetgeen de Raad van beroep doet (in zijn beslissing van 10 juni 2010 en conform artikel 15,§3 van het Reglement inzake de evaluatie van de statutaire personeelsleden) is de beslissing van het Bestuurscollege van 23 april 2010 bevestigen. Door deze bevestiging zijn ook de motieven waarop de beslissing van het Bestuurscollege dd. 23 april 2010 zegt te steunen overeind gebleven.
  35. Ten einde elke betwisting ter zake te vermijden heeft de voorzitter van de Raad van Bestuur, op 12 juli 2010, na kennisname van de uitspraak van de Raad van beroep inzake evaluatie van 10 juni 2010 en ernaar verwijzende, zelf ook en bij hoogdringendheid, de beslissing van het Bestuurscollege van 23 april 2010, met name op het stuk van het ontslag (lees : de beëindiging van de aanstelling) van de verzoekster bevestigd.” In de zaak A.197.730 beperkt verwerende partij zich ertoe te verwijzen naar haar eerdere geschriften. Beoordeling
  36. Partijen betwisten niet dat de evaluatie “onvoldoende” het motief vormt voor de beëindiging van verzoeksters aanstelling. Mét verzoekster wordt aangenomen dat de evaluatiebeslissing van het bestuurscollege van 23 april 2010 ingevolge het instellen van het georganiseerd administratief beroep geen definitieve evaluatiebeslissing is en dat ze daarenboven ingevolge de devolutieve werking van dit beroep uit het rechtsverkeer is verdwenen XII-6373-11\13 en is vervangen door de beslissing van het college van beroep. Hiervóór is dan weer vastgesteld dat die evaluatiebeslissing van het college van beroep onregelmatig is tot stand gekomen, zodat ze hierna uitdrukkelijk vernietigd wordt. Het ontslag van verzoekster is bijgevolg niet deugdelijk gemotiveerd, aangezien verwerende partij in géén van beide evaluatiebesluiten wettig steun kan vinden als grondslag van een evaluatie “onvoldoende”. De middelen zijn in de besproken mate gegrond. Voor die vaststelling volstaan korte debatten. VII. De vorderingen tot schorsing
  37. De nietigverklaring van de bestreden beslissingen heeft tot gevolg dat de door verzoekster ingediende vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerleg- ging van de bestreden beslissingen geen voorwerp meer hebben. BESLISSING
  38. De zaken A.196.889/XII-6373, A. 197.395/XII-6374 en A.197.730/XII-6375 worden gevoegd.
  39. De Raad van State vernietigt de beslissing van 10 juni 2010 van het college van beroep inzake evaluatie van de Hogeschool Gent, die de evaluatie “onvoldoende” van Charis Verlinde bevestigt.
  40. De Raad van State vernietigt het besluit van 23 april 2010 van het bestuurscollege van de Hogeschool Gent, bevestigd bij besluit van 12 juli 2010 van de voorzitter van de raad van bestuur van de Hogeschool Gent, om een einde te maken aan de aanstelling van Charis Verlinde.
  41. De Raad van State verwerpt de vorderingen tot schorsing.
  42. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vorderingen tot schorsing en de beroepen tot nietigverklaring, begroot op 525 euro. XII-6373-12\13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 december 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6373-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.559 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.