← België

Arrest 209600 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 09/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.600 Rolnummer: A. 160092/VII-37740 Zaak: Arrest 209600 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 09/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-15 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:31 Fiche Arrest nr 209.600 van 9 december 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 209.600 van 9 december 2010 in de zaak A. 160.092/VII-37.

  1. In zake : Charles MOERENHOUDT wonende te Hekelgem-Affligem Broekstraat 63 tegen :
  2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te Brussel Boomstraat 14, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen
  3. de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te Tervuren Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 17 februari 2005, strekt tot de nietigverklaring van : "1) het besluit van 25 augustus 2004 van de Vlaamse regering (...) en het besluit van 6 december 2004 van de Vlaamse regering (...) ter verbetering van het besluit van 25 augustus 2004 en houdende de bevestiging van het besluit van de Bestendige deputatie van Vlaams-Brabant van 16 oktober 2003 inzake de gedeeltelijke verplaatsing van de voetweg nr. 35 te Teralfene; 2) het besluit van de Bestendige deputatie van 16 oktober 2003 (...) houdende de gedeeltelijke verplaatsing van de voetweg nr. 35 te Teralfene". VII-37.740-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De tweede verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 oktober
  6. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, die in persoon verschijnt, advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Janina Vandebroeck, die loco advocaat Dany Socquet verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Op 2 december 2002 dient het echtpaar Geeraerts-Beeckman bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Affligem een verzoek VII-37.740-2/14 in tot het gedeeltelijk verplaatsen van de voetweg nr. 35 waarvan het tracé over hun eigendom loopt, opdat de "nieuwe ligging met kortere toegang naar de Kleinendries, aan de zijde van het goed (zou lopen), in plaats van dwars door het goed". 3.
  9. Over de aanvraag wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Naar aanleiding van dat onderzoek dient de verzoeker twee schriftelijke bezwaren in. Hij voert onder meer het volgende aan : "Uit de aanvraag blijkt dat de afstand tot de Kleinendries wordt verkleind. Alhoewel dit blijkbaar correct is, moet toch worden aangestipt dat deze straat niet het uiteindelijke doel zal zijn van de gebruikers van de voetweg, maar wel de Driesstraat. Daardoor wordt de weg die over een smalle straat moet worden afgelegd om de Driesstraat te bereiken langer. Het risico voor de voetganger neemt zo toe. De voorgestelde aanpassing druist trouwens volledig in tegen het door het College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de aanvrager deel uitmaakt, voorgehouden gebruik van voetwegen. Aangezien het College het noodzakelijk vindt om, tegen het gezond verstand in en de veiligheid van de voetganger volledig negerend, ruiters te paard en kleine landbouwvoertuigen van de breedte van de weg toe te laten op voetwegen - ook op de voetweg die op mijn eigendom zou lopen - is het volledig onmogelijk om de aanvraag betreffende de verlegging goed te keuren. De verlegging zal immers tot gevolg hebben dat een knik van 90° of meer in de voetweg wordt aangebracht. Door de breedte van de voetweg, nl. 1,10 m, zal het volledig onmogelijk zijn voor paarden of kleine landbouwvoertuigen om gebruik te maken van deze voetweg daar zij in de scherpe bocht zullen komen vast te zitten. M.i. kan de aanvraag tot verlegging van voetweg 35 te Teralfene dan ook niet worden ingewilligd zonder dat dit een schending van de artikelen 10 en 11 van onze G.W. zou inhouden". 3.
  10. Met een besluit van 16 oktober 2003 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de voetweg nr. 35 van de atlas der buurtwegen van Affligem (deelgemeente Teralfene) gedeeltelijk te verplaatsen volgens het bijgaande plan. VII-37.740-3/14 Dit is de tweede bestreden beslissing die als volgt is gemotiveerd : "Tijdens het openbaar onderzoek gehouden in de gemeente Affligem van 10 december 2002 tot en met 24 december 2002 werden twee bezwaarschriften ingediend door Charles Moerenhoudt, Broekstraat 63 te Affligem. Hij dient bezwaar in tegen het feit dat geen bericht met betrekking op het openbaar onderzoek uithing langs de te verplaatsen voetweg. Hij wijst op de ontoegankelijkheid van voetweg nr. 35 en op de onveiligheid van het nieuwe tracé met een hoek van 90°. Het college van burgemeester en schepenen spreekt het bezwaar van de heer Moerenhoudt in verband met het uithangen van het bericht tegen en stelt dat het bord er de ganse periode van het onderzoek gestaan heeft. Het nieuwe tracé van de voetweg is aanvaardbaar maar gezien de geringe breedte van de voetweg is het aangeraden ter hoogte van de bocht van 90° een plaatselijke verbreding aan te brengen". 3.
  11. Tegen voormelde beslissing stelt de verzoeker beroep in bij de Vlaamse regering. In zijn beroepschrift stelt hij onder meer het volgende : "Uit niets, maar dan ook uit niets, blijkt waarom een verlegging van de voetweg noodzakelijk zou zijn. Er wordt dan ook geen enkele afweging gemaakt tussen het algemeen belang en het belang van de aanvrager. De motivering van de beslissing schiet dan ook schromelijk te kort. Men keurt een verlegging goed waarvan men nog niet eens weet waarvoor ze er moet komen. Verder maakt de beslissing gewag van mijn opmerkingen : ze verwijst naar de ontoegankelijkheid en op de onveiligheid van het tracé met bocht van 90° en op het feit dat de aanplakking er niet steeds heeft gestaan, hetgeen door de gemeente wordt tegengesproken. Buiten de onvolledige opsomming van mijn bemerkingen wordt geen enkel ervan, uitgezonderd de bocht van 90°, behandeld. Zeer eigenaardig om de gedachtegang van de bestendige deputatie te volgen. Men is er het blijkbaar mee eens dat de bocht van 90° onaanvaardbaar is, gelet op de breedte van de voetweg en stelt dat het aangeraden is de bocht te verbreden. Met hoeveel ? Daar blijft de beslissing volledig duister over. Misschien wordt dit aan de vrije keuze van de eigenaar overgelaten of weet men misschien dat de voetweg toch niet zal opengaan ? Bovendien schijnt men gemakkelijkheidshalve te vergeten dat men zich dan in een andere procedure bevindt nl. die van de verbreding van de voetweg, die thans niet werd aangevraagd. Het is duidelijk dat de bestendige deputatie een verlegging zonder verbreding niet aangeraden acht. De procedure dient dus overgedaan te worden en ook een verbreding van de voetweg te bevatten. Ook wordt vergeten mijn opmerking te vermelden aangaande het feit dat de wet op de buurtwegen het heeft over het rechttrekken van buurtwegen en niet over het aanbrengen van scherpe bochten erin en had mijn opmerking aangaande de VII-37.740-4/14 onveiligheid geen betrekking op de bocht van 90° maar wel op het verlengen van de afstand die de voetganger langsheen een smalle straat moet afleggen. Het is dan ook zeer droevig te moeten vaststellen dat men zich beperkt tot het herhalen van argumenten (waarbij er zelfs één vergeten wordt) en tot het verwijzen naar de bewering van de gemeente aangaande het openbaar onderzoek. Waarom de gemeente trouwens geloofwaardiger zou zijn dan ik blijkt uit niets. (…)". 3.
  12. Op 25 augustus 2004 verwerpt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het beroep en bevestigt hij het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 16 oktober 2003 tot gedeeltelijke verplaatsing van de voetweg nr. "53" (lees : 35). Het ministerieel besluit van 25 augustus 2004, dat de eerste bestreden beslissing vormt, is als volgt gemotiveerd : "Overwegend dat de nieuwe bezwaren van de heer Charles Moerenhoudt van 22 november 2003 geen nieuwe elementen voorleggen ten opzichte van de overwegingen die de basis vormden van de beslissing van de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant". IV. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties
  13. De eerste verwerende partij stelt dat de verzoeker geen voldoende geïndividualiseerd belang aantoont, dat de verlegde voetweg niet gelegen is in de directe nabijheid van zijn woonplaats die op een afstand van 5 tot 6,5 km gesitueerd is, dat de bestreden beslissingen geen negatieve invloed hebben op de "leefomstandigheden" van de verzoeker, dat zijn belang niet onderscheiden is van dat van alle inwoners van de gemeente Affligem, dat het vereiste belang niet mag opgaan in het belang dat iedere inwoner heeft bij de handhaving van het gemeentelijk wegennet, dat uit het administratief dossier kan worden opgemaakt dat er sinds geruime tijd geen gebruik meer wordt gemaakt van de betrokken voetweg op het perceel van de aanvragers en dat de verlegging meebrengt dat de VII-37.740-5/14 doorgang opnieuw mogelijk wordt.
  14. De tweede verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de bewering van de verzoeker dat de voetweg niet meer bruikbaar zou zijn voor fietsers manifest onjuist is, dat de gedeeltelijke verlegging integendeel tot gevolg heeft dat de voetweg over het ganse tracé bruikbaar wordt en derhalve dat de verzoeker geen voordeel kan halen uit de vernietiging van de bestreden beslissingen.
  15. In haar laatste memorie herhaalt de tweede verwerende partij dat de verzoeker geen persoonlijk belang aantoont en stelt zij dat het beweerd gebruik van de voetweg niet het vereiste belang oplevert. Beoordeling
  16. In zijn verzoekschrift tot nietigverklaring wijst de verzoeker er onder meer op dat hij in zijn hoedanigheid van gebruiker van voetwegen er persoonlijk belang bij heeft dat de betrokken voetweg toegankelijk blijft met de fiets en dat de verlegging ervan een knik van 90° aanbrengt die tot gevolg heeft dat het gebruik van de voetweg met de fiets niet langer mogelijk is, minstens zeer ernstig bemoeilijkt wordt. De verzoeker woont aan de Broekstraat 63 te Affligem (Hekelgem). De afstand tussen de woonplaats van de verzoeker en de betrokken voetweg, zoals geschat door de eerste verwerende partij, is niet dusdanig ruim dat moet worden aangenomen dat het gebruik van de voetweg door de verzoeker volstrekt onwaarschijnlijk is. Als gebruiker van de betrokken voetweg beschikt de verzoeker over een voldoende geïndividualiseerd belang om de nietigverklaring van de bestreden beslissingen na te streven. Het feit dat het openbaar gebruik van het gedeelte van de voetweg, gelegen op de eigendom van de aanvragers van de verplaatsing, reeds VII-37.740-6/14 geruime tijd onmogelijk is door de aanwezigheid van afsluitingen, hetgeen een onwettige toestand is, doet aan verzoekers belang geen afbreuk. De excepties worden verworpen. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
  17. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van artikel 28 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het motiveringsbeginsel, het beginsel "volgens hetwelk elke administratieve beslissing op rechtens juiste en duidelijke motieven moet zijn gesteund", het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. In het verzoekschrift tot nietigverklaring betoogt de verzoeker onder meer het volgende : "Doordat de bestendige deputatie de gevraagde verlegging toestaat en de door verzoeker gemaakte bezwaren als volgt weerlegt (…) : 'IV. Onderzoek en motivering : Tijdens het openbaar onderzoek gehouden in de gemeente Affligem van 10 december 2002 tot en met 24 december 2002 werden twee bezwaarschriften ingediend door Charles Moerenhoudt, Broekstraat 63 te Affligem. Hij dient bezwaar in tegen het feit dat geen bericht met betrekking op het openbaar onderzoek uithing langs de te verplaatsen voetweg. Hij wijst op de ontoegankelijkheid van voetweg nr. 35 en op de onveiligheid van het nieuwe tracé met een hoek van 90°. Het college van burgemeester en schepenen spreekt het bezwaar van de heer Moerenhoudt in verband met het uithangen van het bericht tegen en stelt dat het bord er de ganse periode van het onderzoek gestaan heeft. Het nieuwe tracé van de voetweg is aanvaardbaar maar gezien de geringe breedte van de voetweg is het aangeraden ter hoogte van de bocht van 90° een plaatselijke verbreding aan te brengen'. VII-37.740-7/14 Terwijl krachtens de bepalingen vervat in artikel 28 van de wet op de buurtwegen van 10 april 1841 de aanleg, de afschaffing of de wijziging van een buurtweg moeten voorafgegaan zijn door een onderzoek. Dat tijdens dit openbaar onderzoek verzoeker twee bezwaarschriften heeft ingediend. Dat verzoeker na de goedkeuring door de bestendige deputatie een omstandig gemotiveerd beroep aantekende bij de Vlaamse regering, krachtens de bepalingen van voormeld artikel
  18. Dat de Vlaamse regering bij monde van de Vlaamse minister van Financiën en begroting, en Ruimtelijke ordening de beslissing van de bestendige deputatie goedkeurt. De motivering die gegeven wordt luidt als volgt : 'Overwegend dat de nieuwe bezwaren van de heer Charles Moerenhoudt van 22 november 2003 geen nieuwe elementen voorleggen ten opzichte van de overwegingen die de basis vormden van de beslissing van de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant'. En terwijl overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen elke administratieve beslissing met individuele strekking afdoende, correct en pertinent moet gemotiveerd zijn; luidens het motiveringsbeginsel moet elke administratieve beslissing bovendien gegrond zijn op rechtens en feitens afdoende gronden. Dat de motiveringsplicht met betrekking tot de beslissing de verlegging van de voetweg toe te kennen ondermeer inhoudt dat uit de goedkeuringsbeslissing duidelijk blijkt dat de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren werden onderzocht en desgevallend, om welke motieven zij werden verworpen. En terwijl luidens het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel, de overheid gehouden is elke administratieve beslissing slechts te treffen na zorgvuldige en redelijke beoordeling van het dossier, zowel in feite als in rechte; de overheid moet haar beslissing steunen op alle nuttige en belangrijke gegevens die het besluit kunnen beïnvloeden; uit het besluit of het administratief dossier moet voorts blijken dat de overheid tot een besluitvorming is gekomen na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens. En terwijl uit de bestreden beslissingen niet kan worden afgeleid dat de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren ernstig werden onderzocht noch op grond van welke motieven zij door de verwerende partijen werden verworpen. Dat de verwerende partijen de goedkeuringsaanvraag derhalve niet zorgvuldig hebben onderzocht en derhalve niet met volledige kennis van zaken kunnen zijn gekomen tot de bestreden beslissingen. Dat derhalve het besluit met miskenning van de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen is tot stand gekomen. Dat inderdaad in het kader van het openbaar onderzoek door verzoekende partij twee bezwaarschriften werden ingediend waarin m.b.t. de aangevraagde verlegging enkele fundamentele bezwaren en opmerkingen werden geformuleerd. Dat ondermeer de volgende bezwaren werden geuit : 1) in het bezwaarschrift gedateerd op 13 december 2002 (…): VII-37.740-8/14 - uit een krantje van de CTL-PVV Affligem van augustus 1990 blijkt dat de voetweg werd afgesloten en dat een gedeeltelijke afschaffing dan ook onvermijdelijk zal worden; - de aangevraagde verlegging valt moeilijk te begrijpen en een eerste vereiste is dan ook dat de voetweg toegankelijk zou zijn alvorens een verlegging kan worden aangevraagd; - de wet van 10 april 1841 betreffende de buurtwegen heeft het over het rechttrekken van buurtwegen en niet over het aanbrengen van scherpe bochten erin die het verkeer zouden belemmeren; - het risico voor de voetganger wordt vergroot aangezien deze een langer stuk langsheen een smalle straat zal moeten afleggen om de Driesstraat te bereiken; - de voorgestelde wijziging druist volledig in tegen het door het college van burgemeester en schepenen voorgehouden gebruik van voetwegen, waarbij ruiters te paard en landbouwvoertuigen van de breedte van de weg er gebruik mogen van maken, hierdoor zullen deze komen vast te zitten in de scherpe bocht (90). Gebruik dat door het college steeds werd verdedigd waar het de voetweg op de eigendom van verzoeker betrof; 2) in het bezwaarschrift gedateerd 15 december 2002 (…) : - verzoeker heeft op 14 december 2002 omstreeks 10u30 moeten vaststellen dat geen enkel bericht van openbaar onderzoek uithangt noch aan de eigendom van de heer Geeraerts, noch aan het andere uiteinde van de voetweg; - de voetweg is nog steeds afgesloten. (…) Dat uit de beslissing zelf moet blijken dat de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren ernstig werden onderzocht en op grond van welke motieven deze bezwaren werden verworpen en de gevraagde vergunning werd toegekend. (I. Opdebeek en A. Coolsaet, Formele motivering van bestuurshandelingen. Die Keure, 1999, nr. 249 en R.v.St., nr 101.618, 7 december 2001). Dat wat geldt voor openbare onderzoeken voor stedenbouwkundige vergunningen uiteraard ook geldt voor de openbare onderzoeken aangaande de buurtwegen. Dat in de bestreden beslissingen op geen enkele wijze wordt aangegeven dat de opmerkingen en bezwaren zouden zijn onderzocht, laat staan op grond van welke overwegingen zij niet zouden zijn weerhouden, is de bestreden beslissing tot stand gekomen met miskenning van de verplichte organisatie van het openbaar onderzoek en de motiveringsplicht die daaruit voortvloeiend ontstaat in hoofde van de overheid. Dat de overheid in deze een volledig discretionaire bevoegdheid heeft. Dat hoe groter de discretionaire bevoegdheid van het bestuur, hoe strenger de motiveringsplicht wordt opgevat. De omvang van de motiveringsplicht is dus evenredig met de omvang van de discretionaire bevoegdheid waarover de overheid beschikt. De precieze concrete motieven moeten uitdrukkelijk en nauwkeurig worden vermeld. Een discretionaire bevoegdheid ontslaat de overheid dus geenszins van de verplichting tot formele motivering, wel integendeel. In dat geval dringt de motiveringsplicht zich nog meer op als niet te verwaarlozen waarborg en zelfs de enige waarborg tegen willekeur VII-37.740-9/14 (I. Opdebeek en A.Coolsaet, Formele motivering van bestuurshandelingen. Die Keure, 1999, nr. 185 met verwijzingen naar arresten R.v.St., 43.560 van 30 juni 1993, 43.556 van 30 juni 1993, nr. 70.533 van 6 januari 1998 verbeterd door nr. 76.835 van 10 november 1998, (nr.) 73.228 van 23 april 1998, nr. 47.648 van 27 mei 1994, nr. 64.752 van 24 februari 1997 en nr. 64.486 van 12 februari 1997). Dat verzoeker ernstig werd geschaad in zijn belangen aangezien uit geen enkele beslissing van de administratieve overheden blijkt waarom de verlegging van deze voetweg werd goedgekeurd en waarom geen rekening werd gehouden met zijn bezwaren. (…)".
  19. De eerste verwerende partij werpt voorafgaandelijk op dat het middel niet ontvankelijk is omdat de uiteenzetting van de verzoeker een "onoverzichtelijke opeenstapeling is van feitelijke commentaar" die niet voldoet aan een middel in de zin van artikel 2, § 1, 2°, van het algemeen procedurereglement. Ten gronde antwoordt zij dat het openbaar onderzoek bedoeld is om de belanghebbenden de gelegenheid te geven hun bezwaren en opmerkingen kenbaar te maken opdat het bestuur met kennis van zaken kan beslissen, dat het bestuur niet verplicht is om op elk bezwaar te antwoorden en dat te dezen in de beide bestreden beslissingen motieven zijn opgegeven die afdoende zijn.
  20. De tweede verwerende partij antwoordt dat het door de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen voorgeschreven openbaar onderzoek werd gehouden van 10 december 2002 tot en met 24 december 2002, dat enkel de verzoeker een bezwaarschrift indiende, dat zijn bezwaren in verband met de ontoegankelijkheid van de voetweg nr. 35 en de onveiligheid van het nieuwe tracé niet werden weerhouden, dat met betrekking tot de geringe breedte van de voetweg het besluit van 16 oktober 2003 te kennen geeft dat het nieuwe tracé aanvaardbaar is, doch dat het aangeraden is, gezien de geringe breedte van de voetweg, om ter hoogte van de bocht van 90° een plaatselijke verbreding aan te brengen, dat hierdoor wordt tegemoet gekomen aan het desbetreffend bezwaar van de verzoeker, dat daarenboven uit het advies van de dienst Wegen van de provincie VII-37.740-10/14 Vlaams-Brabant van 26 juni 2003 blijkt dat het gebruik van de voetweg over het volledige tracé hoe dan ook niet meer mogelijk was en dat de verzoeker moeilijk kan voorhouden in zijn belangen betreffende het gebruik van de betrokken voetweg te zijn geschaad aangezien de gedeeltelijke verplaatsing meebrengt dat de weg terug open wordt gesteld.
  21. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker, ten aanzien van de opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel, dat de eerste verwerende partij drie pagina’s wijdt aan de weerlegging van een middel dat zij zogezegd niet heeft begrepen. Ten gronde betoogt de verzoeker dat bij de beoordeling van de aanvraag tot verplaatsing van de voetweg geen belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat de bestreden beslissingen geen afdoende weerlegging inhouden van de ingediende bezwaren.
  22. De tweede verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat de door artikel 28 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen voorgeschreven procedure "nauwlettend" werd gevolgd en dat aan de bezwaren van de verzoeker werd tegemoet gekomen door de plaatselijke verbreding van de voetweg ter hoogte van de bocht van 90°. Beoordeling
  23. Wat betreft de exceptie obscuri libelli, wordt vastgesteld dat de eerste verwerende partij er in is geslaagd om het middel vrij omstandig te beantwoorden en inzonderheid dat zij het middel onder meer heeft begrepen als een kritiek op de gebrekkige beantwoording door het bestuur van de bezwaren die de verzoeker heeft laten gelden naar aanleiding van het openbaar onderzoek van de aanvraag. Hieruit blijkt dat de eerste verwerende partij niet werd geschaad in haar rechten van verweer.
  24. Artikel 28, eerste lid, van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen bepaalt dat de aanleg, de afschaffing of de wijziging van een buurtweg VII-37.740-11/14 moeten worden voorafgegaan door een onderzoek. Het recht van de betrokkenen om bezwaren in te dienen brengt voor de overheid de verplichting mee om de regelmatig ingediende bezwaren en opmerkingen te onderzoeken en er een oordeel over uit te spreken. De beoordeling van de bezwaren en het beschikkend gedeelte van de genomen beslissing dienen consistent te zijn. Te dezen heeft de verzoeker naar aanleiding van het openbaar onderzoek een bezwaarschrift ingediend waarin onder meer wordt gesteld dat "de verlegging (...) tot gevolg (zal) hebben dat een knik van 90° of meer in de voetweg wordt aangebracht" en dat "door de breedte van de voetweg, nl. 1,10 m, (…) het volledig onmogelijk (zal) zijn voor paarden of kleine landbouwvoertuigen om gebruik te maken van deze voetweg daar zij in de scherpe bocht zullen komen vast te zitten". In de beslissing van 16 oktober 2003 heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant overwogen dat het "aangeraden (is) ter hoogte van de bocht van 90° een plaatselijke verbreding aan te brengen". Uit het aangehaalde motief blijkt dat het desbetreffend bezwaar van de verzoeker gegrond wordt geacht. Het dictum van de beslissing luidt evenwel als volgt : "Voetweg nr. 35 van de atlas der buurtwegen van Affligem (deelgemeente Teralfene) wordt gedeeltelijk verplaatst volgens het hierbijgaand plan". Bedoeld plan is het opmetingsplan dat oorspronkelijk bij de aanvraag tot gedeeltelijke verplaatsing van de voetweg was gevoegd. Op dat plan bedraagt de breedte van de verlegde voetweg over zijn ganse lengte 1,1 meter, ook ter hoogte van de bocht in kwestie. Aldus heeft de tweede verwerende partij haar goedkeuring gehecht aan het initiële plan tot gedeeltelijke verlegging van de voetweg waarin geen plaatselijke verbreding is voorzien. Om voormelde redenen wordt besloten tot het bestaan van een tegenstrijdigheid tussen de motieven van de tweede bestreden beslissing en het VII-37.740-12/14 dictum ervan. Niettegenstaande in het beroepschrift van de verzoeker uitdrukkelijk werd gewezen op voormeld euvel, is de motivering van de beslissing van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 25 augustus 2004 waarbij de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 16 oktober 2003 integraal wordt bevestigd, beperkt tot de vaststelling dat "de nieuwe bezwaren van de heer Charles Moerenhoudt van 22 november 2003 geen nieuwe elementen voorleggen ten opzichte van de overwegingen die de basis vormden van de beslissing van de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant". De eerste bestreden beslissing is derhalve aangetast door dezelfde onregelmatigheid. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  25. De Raad van State vernietigt : "1) het besluit van 25 augustus 2004 van de Vlaamse regering (...) en het besluit van 6 december 2004 van de Vlaamse regering (...) ter verbetering van het besluit van 25 augustus 2004 en houdende de bevestiging van het besluit van de Bestendige deputatie van Vlaams-Brabant van 16 oktober 2003 inzake de gedeeltelijke verplaatsing van de voetweg nr. 35 te Teralfene; 2) het besluit van de Bestendige deputatie van 16 oktober 2003 (...) houdende de gedeeltelijke verplaatsing van de voetweg nr. 35 te Teralfene".
  26. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten.
  27. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. VII-37.740-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen december tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.740-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.600 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.