id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.605 Rolnummer: A. 187034/VII-37775 Zaak: Arrest 209605 - Handelsvestigingen - 09/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-20 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:31 Fiche Arrest nr 209.605 van 9 december 2010 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 209.605 van 9 december 2010 in de zaak A. 187.034/VII-37.
- In zake :
- de VZW WATERSTRAATSE VELDEN
- Maria VAN DER FLAAS
- Madeleine DE POTTER
- Jan VAN GEEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE ZOERSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stany Wens kantoor houdend te Antwerpen Quinten Matsijslei 34 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Loix kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 februari 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel van 5 december 2005 waarbij aan de NV Bouwmaterialen Van Pelt een sociaal-economische vergunning wordt VII-37.775-1/21 verleend voor het uitbaten van een groot en kleinhandel in bouwmaterialen, met een netto-verkoopsoppervlakte van 733 m², gelegen aan de Kwikaard 118 te Zoersel. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 september
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 november
- Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Coen, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Karolien Descheemaeker, die loco advocaat Stanny Wens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Nele Ansoms, die loco advocaat Yves Loix verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-37.775-2/21 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. De feiten
- Op 17 oktober 2005 dient de tussenkomende partij op grond van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen (hierna: handelsvestigingswet) een vergunningsaanvraag in voor het verkrijgen van een sociaal-economische vergunning voor het uitbaten van een groot- en kleinhandel in bouwmaterialen, gelegen aan de Kwikaard 118 te Zoersel, voor een netto verkoopsoppervlakte van 733 m². De aanvraag beoogt de regularisatie van een uitbating die daar reeds sinds 1998 is gevestigd. Het terrein waarop de uitbating is gelegen, is volgens het gewestplan bestemd als ambachtelijke zone en zone voor kleine en middelgrote ondernemingen en bevindt zich op ongeveer één kilometer van het centrum van Zoersel/Sint-Antonius.
- Uit de verkeersstudie die in 2007 werd opgemaakt naar aanleiding van één van de milieuvergunningsaanvragen van de tussenkomende partij, blijkt het volgende: "Er kan gesteld worden dat de R. Delbekestraat/Waterstraat, bestaand uit 2x1 rijstrook en een vrijliggend fietspad, dergelijke totale (spits)intensiteiten zeker aankan. (…) Het aandeel van Van Pelt NV in de totale verkeersgeneratie is relatief beperkt. De verkeersgeneratie door Van Pelt NV geeft geen aanleiding tot piekintensiteiten op de R. Delbekestraat/Waterstraat. Op tijdstippen dat Van Pelt de meeste verkeersbewegingen genereert, zijn er lage totale verkeersintensiteiten op de R. Delbekestraat/Waterstraat. Er kan niet gesteld worden dat de verkeersgeneratie door Van Pelt NV leidt tot overschrijding van de draagkracht. (…) Er kan gesteld worden dat de Kwikaard de relatief lage intensiteiten aankan. Bovendien dient opgemerkt dat vooral het deel ten westen van de ontsluitingsweg dienst doet als ontsluiting van en naar Van Pelt NV. Langsheen dit wegsegment liggen voornamelijk bedrijven. Het deel ten oosten van de ontsluitingsweg heeft een tonnageverbod en is bovendien VII-37.775-3/21 zodanig ingericht dat het gebruik van de weg voor doorgaand verkeer wordt ontraden (verhoogde kruispunten, asverschuivingen). Uit de tellingen blijkt wel dat nog een aantal vrachtwagens via Kwikaard oost rijden. Mogelijk betreft het vrachtverkeer van lager dan 3,5 ton of is het vrachtverkeer met bestemming in Kwikaard oost (cf. aantal bedrijven). Van Pelt NV maakt geen gebruik van Kwikaard oost. In de toekomst zal het belangrijk zijn dat het geldende tonnageverbod nageleefd wordt. Handhaving is hiertoe belangrijk. (…) De verkeersgeneratie door Van Pelt NV geeft geen aanleiding tot piekintensiteiten op de Kwikaard. Het aandeel verkeer gegenereerd door Van Pelt is hier groter, in verhouding tot de R. Delbekestraat/Waterstraat. Dit is te verklaren vanuit de beperktere ontsluitende rol van deze lokale weg. Op de tijdstippen dat Van Pelt de meeste verkeersbewegingen genereert, zijn er lage totale verkeersintensiteiten op de R. Delbekestraat/Waterstraat. Er kan dus niet gesteld worden dat de verkeersgeneratie door Van Pelt NV leidt tot overschrijding van de draagkracht".
- Bij besluit van 5 december 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel de sociaal-economische vergunning. Het college motiveert de beslissing als volgt: "
- ruimtelijke ligging van de handelsvestiging Het vermelde verkoopspunt in de KMO-zone betreft een herlokalisatie van de vestiging in het centrum van St-Antonius in het woongebied, waar geen uitbreidingsmogelijkheden aanwezig waren. Het perceel in de KMO-zone is gesitueerd aan de periferie van de gemeente Zoersel en is bereikbaar langs de Raymond Delbekestraat, die de verbinding uitmaakt tussen de N12 en de gemeente Brecht. Vanuit het centrum van St.-Antonius is de vestiging bereikbaar langs de Kwikaard, evenwel enkel voor het particulier autoverkeer en niet voor vrachtwagenverkeer.
- belangen van de consumenten Het marktgebied van de vestiging omvat de gemeenten Zoersel, Malle en Schilde. In dit marktgebied bevinden zich verspreid een viertal doe-het-zelf zaken, die elk op zich een ruim assortiment aan kleinhandelsproducten in hun vestiging hebben (niet enkel bouwmaterialen). De vestiging heeft geen wezenlijke invloed op de marktpositie van de kleinhandel in het gebied en betekent voor de particulier enkel een aanvulling van de keuzemogelijkheden. Het aangeboden assortiment heeft weinig of geen invloed op het prijsniveau van de andere handelszaken met gelijklopend assortiment.
- invloed op de tewerkstelling De huidige tewerkstelling betreft 11 personeelsleden, bestaande uit 9 voltijdse en twee deeltijdse werknemers. Er is een toename van het aantal personeelsleden t.o.v. 2001 met 3 eenheden. VII-37.775-4/21
- weerslag op de bestaande handel De vestiging heeft geen nadelig effect op de nabije handelskernen, gezien het een herlokalisatie betreft van een vestiging in het centrum van St.-Antonius. Binnen het marktgebied is nog voldoende aanbod aanwezig zodat de consument nog voldoende keuzemogelijkheden heeft en het evenwicht niet wordt verstoord". Dit is het bestreden besluit. IV. De ontvankelijkheid Ten aanzien van de eerste verzoekende partij Standpunten van de partijen 6.
- De tussenkomende partij stelt dat de activiteiten van de eerste verzoekende partij zich volgens de statuten uitstrekken over het gebied ten noorden van het Antitankkanaal en dat de straten die vermeld worden in de statuten zich tussen de 2 km en de 750 meter bevinden van de site waarvoor de vergunning werd toegekend, op het grondgebied van een andere gemeente. Volgens de verwerende partij heeft de eerste verzoekende partij dan ook geen belang bij het door haar ingestelde beroep. De verwerende partij stelt eveneens dat de algemene belangen van de leden van de eerste verzoekende partij en de verkeersveiligheid onvoldoende zijn om het vereiste belang aan te tonen. 6.
- In hun memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat het werkingsgebied van de eerste verzoekende partij het gehele woonparkgebied omvat, gelegen tussen het Antitankkanaal en de Waterstraat-Delbekestraat. Dit gebied zou de voornaamste toegangswegen tot het bedrijventerrein omvatten. Het verkeer van en naar "het ten onrechte vergunde bedrijf" wordt volgens hen via de Waterstraat-Delbekestraat geleid en loopt dwars door het activiteitengebied van de eerste verzoekende partij. Volgens de VII-37.775-5/21 verzoekende partijen heeft de bestreden handelsvergunning een zeer concrete en daadwerkelijke, onaanvaardbare impact op de verkeershoeveelheden in de Waterstraat-Delbekestraat en doet de handelsvestiging afbreuk aan het karakter van woonparkgebied en de leefbaarheid van de omgeving. 6.
- In de laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat de stratenopsomming in de statuten van de eerste verzoekende partij slechts indicatief is en dat uit de omschrijving in die statuten ontegensprekelijk blijkt dat haar werkingsgebied de volledige omgeving van het woonparkgebied betreft. Beoordeling
- De eerste verzoekende partij is een VZW, die te dezen optreedt ter behartiging van de collectieve belangen van haar leden. Verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen in rechte, optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer het ingestelde beroep kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met het behartigen van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. Luidens artikel 3 van de statuten heeft de eerste verzoekende partij als doel: VII-37.775-6/21 "(…) op te treden als vertegenwoordiger van de buurtbewoners van de gemeente Schilde voor het gebied zich uitstrekkende ten noorden van het Antitankkanaal (Kleine Waterstraat, Noordelijke Oude baan, Riemstraat, Brabolaan, Boskant, Schietboog, De Roskam, Noorderlaan, Schildedreef, Strikkelaar en omgeving, welke invloed hebben op de doelstellingen van de v.z.w.) met als opzet de algemene belangen van haar leden te behartigen inzake het vrijwaren van het karakter eigen aan het woonparkgebied en de leefbaarheid van de omgeving; (...) de verkeersveiligheid van het gebied te bevorderen, oplossingen ter zake te bestuderen en aan de bevoegde instanties voor te stellen". Tot de gebiedsomschrijving behoort dus ook de Waterstraat en een deel van het verkeer voor het bedrijventerrein verloopt via de Waterstraat. Het ingestelde beroep kan wel degelijk worden ingepast in het doel dat de eerste verzoekende partij zich heeft gesteld. Gelet op het beperkte actieterrein van de eerste verzoekende partij, bestaat er tevens een voldoende band van evenredigheid tussen, enerzijds, het materieel en territoriaal actieterrein van de eerste verzoekende partij, en anderzijds, de draagwijdte van het bestreden besluit. De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van de tweede, de derde en de vierde verzoekende partij Standpunten van de partijen 8.
- De tussenkomende partij werpt als exceptie op dat de tweede, de derde en de vierde verzoekende partij hun belang niet concretiseren en nalaten de vermeende hinder concreet aan te tonen met foto’s of vaststellingen. Zij wijst voorts op het gebrek aan een voldoende rechtstreeks verband tussen de door de verzoekende partijen opgeworpen hinder en het bestreden besluit. Er blijkt volgens haar niet dat de hinder die de verzoekende partijen zouden ondervinden voortvloeit uit de sociaal-economische machtiging. Na een eventuele vernietiging van de vergunning zal de insteekweg volgens haar nog steeds gebruikt worden door vrachtverkeer en bestemmingsverkeer voor de KMO-zone. VII-37.775-7/21 Bovendien stelt de tussenkomende partij in verband met het indienen van het verzoekschrift "drie jaar nadat de bestreden beslissing genomen werd" dat van de verzoekende partijen mag verwacht worden "dat zij zich sneller hadden geïnformeerd over de vergunningstoestand", zodat men zich "de vraag (dient) te stellen of het ingediende verzoekschrift niet onontvankelijk is". 8.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord als exceptie op dat de verzoekende partijen, niet doen blijken van het vereiste belang, aangezien zij aanvoeren dat de kleinhandel bijkomend verkeer zal genereren, waardoor er een gevaar voor de verkeersveiligheid in hun straat, de Kwikaard, zou ontstaan, terwijl dit, volgens haar, in de rechtspraak van de Raad van State niet als een voldoende en rechtstreeks belang kan worden beschouwd. Zij argumenteert dat de insteekweg naar de handelsvestiging die uitgeeft in de Kwikaard in de buurt van de woningen van de tweede tot de vierde verzoekende partij, daarenboven een toegangsweg betreft voor de volledige KMO-zone, en niet enkel voor het bedrijf van de tussenkomende partij. Volgens haar wordt niet aangetoond dat de eventuele abnormale hinder die zich zou voordoen in de Kwikaard, enkel voortvloeit uit het bestreden besluit. Bovendien wijst zij er op dat uit het mobiliteitseffectenrapport blijkt dat het verkeer van de tussenkomende partij geen gebruik maakt van het oostelijke deel van de Kwikaard, waar een tonnageverbod geldt, en dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel bij de bespreking van het mobiliteitseffectenrapport en het akoestisch onderzoek ook heeft besloten dat de tussenkomende partij de wettelijke normen respecteert. 8.
- Als tweede exceptie werpt de verwerende partij op dat de verzoekende partijen de bekendmaking van het bestreden besluit door aanplakking moeten hebben opgemerkt, zodat zij "dan ook reeds eind 2005 (...) ruimschoots in de mogelijkheid (waren) om tijdig informatie in te winnen bij de diensten van verwerende partij". Bovendien blijkt volgens de verwerende partij uit een brief van 20 november 2007 van de bewoners van de Kwikaard, waaronder de verzoekende partijen, dat zij toen reeds enige tijd kennis hadden van het mobiliteitseffectenrapport, waarin uitdrukkelijk werd verwezen naar de VII-37.775-8/21 handelsvestigingsvergunning, afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel op 5 december
- De verzoekende partijen hadden volgens de verwerende partij dan ook meer dan zestig dagen vóór het indienen van het verzoekschrift kennis van het bestreden besluit, zodat het beroep laattijdig werd ingesteld. 8.
- In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen, wat de eerste exceptie betreft, dat uit de verkeersstudie van 2007 die werd uitgevoerd naar aanleiding van een milieuvergunning duidelijk blijkt dat het merendeel van het verkeer dat het bedrijf genereert betrekking heeft op cliënteel voor de handelszaak. Verder wordt volgens hen het overgrote deel van het verkeer gegenereerd door de tussenkomende partij, en slechts in beperkte mate door enkele andere kleinschalige bedrijven in de KMO-zone. Zij stellen dat er in het oostelijk deel van de Kwikaard, waar de derde verzoekende partij woont, enkel een verbod voor zwaar vrachtverkeer geldt, zodat er wel personenwagens al dan niet met aanhangwagen en lichte vrachtwagens door dit deel van de Kwikaard rijden. De verkeersimpact blijkt volgens hen duidelijk uit de telgegevens van de verkeersstudie. 8.
- De tussenkomende partij voegt in haar laatste memorie wat de tweede exceptie betreft enkel toe dat de verzoekende partijen het bestaan van de machtiging naar eigen zeggen wel konden afleiden uit een ander juridisch stuk en dat haar "het verschil tussen beide stukken" ontgaat. Beoordeling 9.
- Hoewel de insteekweg in de buurt waarvan de verzoekende partijen hun woning hebben, ook gebruikt wordt door andere bedrijven die gevestigd zijn op dezelfde KMO-zone en niet enkel door het verkeer bestemd voor de tussenkomende partij, kan worden aangenomen dat de door het bestreden besluit vergunde handelsvestiging een toename van het verkeer met zich meebrengt en dat dit voor een toename van de verkeershinder kan leiden in de VII-37.775-9/21 straat van de verzoekende partijen. De vraag of er te dezen sprake is van onaanvaardbare verkeersoverlast behoort tot het onderzoek van de grond van de zaak. De eerste exceptie is niet gegrond. 9.
- Wie beweert dat een annulatieberoep laattijdig werd ingediend, moet bewijzen dat de verzoekende partij meer dan zestig dagen vóór het indienen van dat beroep kennis had van het bestreden besluit. De betreffende kleinhandel werd door de tussenkomende partij reeds vóór 2001, dit is geruime tijd voor de toekenning van de bestreden handelsvestigingsvergunning op 5 december 2005, aangevat. Het stond niet aan de verzoekende partijen om op geregelde tijdstippen na te gaan of de vereiste handelsvestigingsvergunning al werd verleend. De omstandigheid dat de verzoekende partijen ruimschoots vóór 13 december 2007 van de uitbating van de betreffende kleinhandel kennis hadden, doet hieraan geen afbreuk en bewijst geenszins dat deze partijen ook het bestreden besluit kenden of dienden te kennen vóór 13 december
- Het feit dat de verzoekende partijen op 18 oktober 2007 een kopie ontvingen van het mobiliteitseffectenrapport waarin de vergunning werd vermeld, volstaat evenmin om aan te tonen dat de verzoekende partijen vóór 13 december 2007 kennis zouden hebben gehad van het bestreden besluit. De tweede exceptie is niet gegrond. VII-37.775-10/21 V. Onderzoek van de middelen Standpunten van de partijen 10.
- De verzoekende partijen steunen een eerste middel op de schending van artikel 2, § 1, 3°, artikel 6 en artikel 7 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen (hierna : handelsvestigingswet), van artikel 2 tot artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005 tot verduidelijking van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van ontwerpen van handelsvestiging en de samenstelling van het sociaal-economisch dossier (hierna: koninklijk besluit van 22 februari 2005), en van de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het middel houdt in essentie in dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel bij de behandeling van de vergunningsaanvraag voor een handelsvestiging, gehandeld heeft alsof het ontwerp van handelsvestiging een netto handelsoppervlakte tussen 400 en 1000 m² zou beslaan, terwijl de werkelijke oppervlakte boven de 1000 m² uitstijgt. Het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie (hierna : NSECD) had volgens de verzoekende partijen een advies moeten uitbrengen aan het college, in toepassing van de artikelen 6 en 7 van de handelsvestigingswet. Bovendien zou de verwerende partij, door geen rekening te houden met een aanzienlijke buitenopslag verbonden aan het bedrijf, van het bestaan waarvan zij op de hoogte was, onjuist gemotiveerd hebben waarom toepassing kan worden gemaakt van de procedure voorzien in artikel 8, § 1, van de handelsvestigingswet. Door uit te gaan van de onjuiste voorstelling van de feiten uit de vergunningsaanvraag en geen rekening te houden met de werkelijke feitelijke omvang van de handelsactiviteiten, zou de verwerende partij tevens het zorgvuldigheidsbeginsel hebben geschonden. VII-37.775-11/21 10.
- De tussenkomende partij stelt in haar verzoekschrift dat de vergunningverlenende overheid bij het beoordelen van vergunningsaanvragen slechts rekening dient te houden met hetgeen wordt aangevraagd, dat te dezen in de aanvraag slechts sprake is van een oppervlakte van 733 m², en dat zij zich "perfect houdt aan de toegestane oppervlakte". 10.
- In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat in het economisch dossier dat bij de aanvraag werd gevoegd, terecht een netto verkoopsoppervlakte van 733 m² wordt vermeld, met een gedetailleerde indeling ervan. De goederen die zich bevinden in de buitenopslagplaats komen volgens haar niet in aanmerking voor particuliere verkoop, zodat deze oppervlakte niet in rekening zou moeten worden gebracht voor de vergunning voor de handelsvestiging. 10.
- In hun memorie van wederantwoord verwijzen de verzoekende partijen naar foto’s opgenomen in een proces-verbaal van 14 juni 2005, opgemaakt in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen de voormalige zaakvoerders van de tussenkomende partij, waaruit duidelijk zou blijken dat ook producten die aan particulieren te koop worden aangeboden zich in de buitenopslag bevinden. Tevens argumenteren zij dat er vanuit de verkoopshal een ruime doorgang naar een achterliggend magazijn is, dat toegankelijk is voor het cliënteel, zodat de verkoopsoppervlakte in ieder geval 1000 m² overschrijdt. Tussen het zogenaamde professionele gedeelte en het particuliere verkoopgedeelte is volgens hen geen enkele afscheiding aangebracht, zodat het ongeloofwaardig is dat het bedrijf zich aan de vergunde oppervlakte zou houden. 10.
- In de laatste memorie argumenteren de verzoekende partijen nog uitvoerig dat op de betreffende locatie van de tussenkomende partij illegaal kleinhandelsactiviteiten worden uitgeoefend, dat bij de beoordeling van de aanvraag bekend was dat een grotere oppervlakte werd gebruikt als verkoopsruimte voor de kleinhandel, en dat dit geen louter handhavingsprobleem vormt, maar wel een gegeven dat de verwerende partij bij haar beslissing had VII-37.775-12/21 moeten betrekken. Tevens wordt gewezen op het "bedrieglijk" karakter van de aanvraag. Voorts stellen de verzoekende partijen dat, zo enkel rekening moet worden gehouden met de gegevens opgenomen in de aanvraag zelf, zulks het gelijkheidsbeginsel schendt. Zij vergelijken daarbij de situatie waarbij het gaat om een effectieve netto verkoopsoppervlakte van meer dan 1000 m², en die waarbij een "bedrieglijke aanvraag" wordt ingediend voor slechts 733 m². Dienaangaande stellen zij voor dat aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag wordt gesteld. Beoordeling 11.
- De tussenkomende partij heeft een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een vergunning voor een handelsvestiging met een netto verkoopsoppervlakte van 733 m². Bij de aanvraag heeft de tussenkomende partij aangegeven dat 733 m² van de oppervlakte van het complex gebruikt wordt als verkoopsoppervlakte voor de verkoop aan particulieren. Uit de gegevens in het aanvraagdossier blijkt niet dat deze oppervlakte manifest verkeerd zou zijn berekend. De verwerende partij kon zich dan ook redelijkerwijze baseren op de weergegeven oppervlakte in het aanvraagdossier. Zoals de tussenkomende partij terecht opmerkt, moet de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag slechts rekening houden met hetgeen wordt gevraagd in de vergunningsaanvraag. Zij kon te dezen slechts een vergunning verlenen voor een netto verkoopsoppervlakte van 733 m². Indien nadien zou blijken dat de vergunninghouder een grotere oppervlakte gebruikt als verkoopsruimte voor kleinhandel, dan betreft dit wel degelijk een probleem van handhaving. Zoals bepaald in artikel 14 van de handelsvestigingswet, kan de uitvoering van de voorwaarden van de vergunning worden gecontroleerd door de ambtenaren van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale overheidsdienst VII-37.775-13/21 Economie, KMO, Middenstand en Energie, en kan de vergunninghouder worden gestraft conform artikel 15 van de handelsvestigingswet indien hij de voorwaarden van de vergunning niet naleeft. Een onderzoek naar de feitelijk in gebruik zijnde oppervlakte van een handelsvestiging gaat de opdracht van de vergunningverlenende overheid te buiten. De vermelde bepalingen en beginselen werden dan ook niet geschonden. 11.
- De schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wordt slechts opgeworpen in de laatste memorie. Hiermee geven de verzoekende partijen echter een nieuwe grondslag aan het middel. Een middel gestoeld op de schending van het gelijkheidsbeginsel is niet van openbare orde en de verzoekende partijen hadden reeds de mogelijkheid om deze schending in hun verzoekschrift aan te voeren nu de schending zou voortvloeien uit de procedure die de vergunningverlenende overheid heeft toegepast bij de beoordeling van de aanvraag van de tussenkomende partij. Er is dus geen aanleiding om daarover aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen. Het eerste middel is niet gegrond. Tweede middel Standpunten van de partijen 12.
- Als tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 6, 7 en 8 van de handelsvestigingswet, de artikelen 2 tot en met 6 van het voormelde koninklijk besluit van 22 februari 2005, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de VII-37.775-14/21 bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en van de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verzoekende partijen stellen dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel de aanvraag voor een vergunning voor een handelsvestiging dient te toetsen aan de criteria opgenomen in artikel 7, § 2, van de handelsvestigingswet, die worden verduidelijkt in de artikelen 2 tot 5 van het koninklijk besluit van 22 februari
- Zo moet de aanvraag worden getoetst aan het criterium van de ruimtelijke ligging, waarbij de inpassing van de handelsvestiging in de plaatselijke ontwikkelingsprojecten of binnen het kader van het stedenpatroon en het effect van de inplanting inzake duurzame mobiliteit in overweging moet worden genomen. In het bestreden besluit werd volgens de verzoekende partijen niet ingegaan op het feit of de vestiging vergunbaar was rekening houdend met de ligging in een KMO-zone, terwijl een ambachtelijke zone niet de geëigende zone is om een handelsbedrijf in onder te brengen, noch op de duurzame mobiliteit. De bestreden beslissing bevat volgens hen geen motivering op basis waarvan zou kunnen worden besloten dat het college de verkeersimpact van de vestiging aanvaardbaar acht, hoewel de gemeente Zoersel volgens hen op de hoogte was van de verkeersproblemen die het bedrijf reeds veroorzaakte. De onaanvaardbare verkeersimpact blijkt volgens de verzoekende partijen uit verscheidene elementen die zij in het verzoekschrift nader preciseren. 12.
- In haar memorie wijst de tussenkomende partij er op dat het vereiste dat de aanvraag wordt getoetst aan de criteria van artikel 7, § 2, van de handelsvestigingswet, niet van toepassing is voor het college wanneer geen advies dient te worden gevraagd aan het NSECD. De criteria uiteengezet in het koninklijk besluit van 22 februari 2005 zijn volgens haar ook loutere suggesties. 12.
- In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat, ondanks het feit dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel in toepassing van de handelsvestigingswet er niet toe gehouden is de VII-37.775-15/21 verschillende criteria van artikel 7, § 2, van de handelsvestigingswet te bespreken, het deze vier criteria toch beoordeeld heeft. De vraag naar de inpassing van de vestiging in de plaatselijke ontwikkelingsprojecten wordt volgens haar wel degelijk beantwoord in het bestreden besluit. De gemachtigde handelsvestiging is, steeds volgens de verwerende partij, complementair aan de industriële activiteiten van de tussenkomende partij en zij hoort thuis in een KMO-zone, zoals ook zou blijken uit de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen. 12.
- In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat de elementen "gebruik van de ruimte en de verkeersveiligheid in het licht van de duurzame mobiliteit" ontegensprekelijk deel uitmaken van het criterium "de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging" en dat het dus niet louter om suggesties gaat. Verder antwoordt de verwerende partij volgens de verzoekende partijen niet op de argumentatie dat een handelszaak niet thuishoort in een industriegebied, waar een KMO-zone onder valt. De verwerende partij zou zich enkel baseren op een citaat dat niet meer voorkomt in de actuele versie van de omzendbrief. De verwerende partij toont volgens de verzoekende partijen niet aan hoe dit citaat afbreuk zou doen aan het feit dat handelszaken niet thuishoren in een KMO-zone. Daarbij wijzen de verzoekende partijen er op dat deze verenigbaarheid nog niet werd onderzocht in het kader van de bouwvergunningen of de milieuvergunningen. De verwerende partij zou verder ten onrechte verwijzen naar de algemene conclusies uit de verkeersstudie, zonder in te gaan op de concrete cijfers "die toch andere zaken weergeven". 12.
- In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat, zo de handelsvestigingswet niet uitdrukkelijk voorziet in criteria waaraan het college van burgemeester en schepenen de aanvraag moet toetsen, toch "uit de samenlezing van de toepasselijke bepalingen blijkt dat het college van burgemeester en schepenen zich wel degelijk rekenschap moet geven van de criteria voorzien in artikel 7, § 2". VII-37.775-16/21 Zij verwijzen daarbij naar artikel 5 van de handelsvestigingswet en naar artikel 6 van het koninklijk besluit van 22 februari
- Volgens die bepalingen zou bij de aanvraag een socio-economisch dossier moeten worden samengesteld op basis van de criteria van artikel 7, § 2, van de handelsvestigingswet. Zij wijzen eveneens op het advies van de afdeling wetgeving nr. 36.479/1 bij het voorontwerp van wet dat tot de handelsvestigingswet heeft geleid. In dat advies stelde de afdeling wetgeving over het toenmalige artikel 8, § 3, dat op de toepasselijkheid van die criteria voor het college van burgemeester en schepenen betrekking had, dat deze bepaling overbodig en misleidend was, gelet op de toepasselijkheid van de formele motiveringsplicht, voortvloeiend uit de motiveringswet. De verzoekende partijen wijzen ook op de memorie van toelichting, waarin wordt gesteld dat de motivatie moet gebeuren "ten aanzien van de criteria van artikel 7, § 2" van de handelsvestigingswet. Voor het overige gaan de verzoekende partijen dieper in "op het eerste, ook door de gemeente gehanteerde criterium: 'ruimtelijke ligging van de handelsvestiging'". Zij citeren in dit verband de elementen die volgens het koninklijk besluit van 22 februari 2005 onder meer in aanmerking kunnen worden genomen: "1° de inpassing van de handelsvestiging in de plaatselijke ontwikkelingsprojecten of binnen het kader van het stedenpatroon; 2° het effect van de inplanting inzake duurzame mobiliteit, meer bepaald het gebruik van de ruimte en de verkeersveiligheid", en gaan in op het beweerde gebrek aan motivering van het bestreden besluit daarover. Daarnaast bekritiseren zij de beoordeling van de verkeersimpact in het bestreden besluit en gaan zij verder in op een studie en op adviezen die werden uitgebracht in het kader van de milieuvergunning, om aan te tonen dat "de motivering die enkel beschrijft welke straten het terrein ontsluiten" niet volstaat. VII-37.775-17/21 Beoordeling
- Zoals de verzoekende partijen ook zelf aangeven staat de toepassing van de criteria uit artikel 7, § 2, van de handelsvestigingswet "niet daadwerkelijk ter discussie aangezien de bestreden beslissing zelf deze vier criteria in vier afzonderlijke punten behandelt". Los van de vraag of de criteria van artikel 7, § 2, van de handelsvestigingswet ook voor het college van burgemeester en schepen van toepassing zijn bij de beoordeling van de aanvraag voor een handelsvestiging als in de voorliggende zaak, blijkt dat alle vier de criteria uit de genoemde bepaling ook daadwerkelijk in het bestreden besluit afzonderlijk worden vermeld. Bij de motivering van het bestreden besluit heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel zowel de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging, de belangen van de consumenten, de invloed op de tewerkstelling en de weerslag op de bestaande handel betrokken. De motiveringswet bepaalt dat de redengeving van een bestuursbeslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn, dit wil zeggen dat de motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het belang van de beslissing en dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Een motivering is afdoende wanneer deze de bestuurde redelijkerwijze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen om aldus desgevallend in recht op te treden en wanneer zij de Raad van State in staat stelt de hem opgedragen wettigheidscontrole uit te oefenen. De motiveringsplicht houdt in dat de motivering duidelijk is, niet tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet en precies. De handelsvestigingsvergunning heeft een eigen finaliteit, die niet zozeer gericht is op het beoordelen van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Het stedenbouwkundig onderzoek in het kader van dergelijke VII-37.775-18/21 vergunningsaanvraag is te dezen dan ook beperkt tot de vraag of de voorschriften van reglementaire waarde die de bestemming van het gebied vaststellen zich al dan niet tegen de vestiging van een kleinhandelsbedrijf of een handelsgeheel verzetten. De verwerende partij stelt terecht dat de betrokken handelsvestiging complementair is aan de industriële activiteiten van de tussenkomende partij en dat zij thuishoort in een KMO-zone. De omstandigheid dat bouwmaterialen aan particulieren verkocht worden impliceert niet dat het niet meer zou gaan om KMO- activiteiten, zoals door de Raad van State reeds werd geoordeeld in zijn arresten nrs. 207.944 van 6 oktober 2010 en 190.641 van 19 februari
- Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in het kader van de beoordeling van de ruimtelijke lokalisatie van de bedoelde handelsvestiging de vergunningverlenende overheid moet nagaan of er een voldoende verband bestaat tussen, enerzijds de omvang en het type van het ontworpen verkooppunt en, anderzijds de plaats van de gemeente op wier grondgebied de handelsvestiging wordt ontworpen, in het stedennet, haar omvang en het demografisch gewicht van haar hinterland, en of de ontworpen vestiging derwijze opgaat dat zij een functioneel evenwicht bevordert tussen de periferie en de bestaande handelscentra (memorie van toelichting, Parl. St. Kamer, 51 1035/001, p. 11). Het onderzoek in het kader van de handelsvestigingswet is in de eerste plaats sociaal-economisch van aard. Uit de conclusies vervat in de verkeersstudie die in 2007 werd gemaakt naar aanleiding van een van de milieuvergunningsaanvragen van de tussenkomende partij, blijkt dat de vestiging geen overmatige verkeersproblemen schept. Gelet op deze verkeersstudie kon het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel er redelijkerwijze van uitgaan dat de activiteiten van de tussenkomende partij geen onaanvaardbare verkeersproblemen zouden veroorzaken en dat de handelsvestiging, die slechts een deel van het bijkomend verkeer verbonden met de activiteiten van de tussenkomende partij VII-37.775-19/21 vertegenwoordigt, zeker geen belangrijke verkeersimpact zou hebben. Het college heeft de aanvraag hierbij op voldoende zorgvuldige wijze onderzocht en zijn beslissing op afdoende wijze gemotiveerd. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat de door de verwerende partij gedane beoordeling steunt op onjuiste feitelijke gegevens, noch dat de gevolgtrekkingen die de verwerende partij daaruit afleidt kennelijk onredelijk zijn. Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor een vierde. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. VII-37.775-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen december tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Luc Hellin VII-37.775-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.605 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.