id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.606 Rolnummer: A. 193436/VII-37792 Zaak: Arrest 209606 - Voedselveiligheid (FAVV) - 09/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-20 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:31 Fiche Arrest nr 209.606 van 9 december 2010 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 209.606 van 9 december 2010 in de zaak A. 193.436/VII-37.792. In zake : 1. de NV HENVRO 2. Ludo HENDRIX 3. Anita VROLIX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Marc Boes kantoor houdend te Beringen Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Boudewijn Ronse kantoor houdend te Brussel Macaulaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het verzoekschrift, ingediend op 20 juli 2009, strekt tot het bekomen van een herstelvergoeding wegens buitengewone schade, naar aanleiding van het uitbreken van de varkenspest in 1997, op grond van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-37.792-1/12 Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 november 2010. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marc Boes, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Boudewijn Ronse, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. De gegevens van de zaak toepasselijke regels 3. Artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 15 februari 1995 houdende bijzondere maatregelen van epidemiologisch toezicht op en preventie van aangifteplichtige varkensziekten (hierna : koninklijk besluit van 15 februari 1995) bepaalt het volgende : "Onverminderd de bepalingen in artikel 3, is de verantwoordelijke verplicht, van zodra hij bij verscheidene varkens van zijn bedrijf stoornissen of tekens van ziekte of sterfte vaststelt, onmiddellijk een beroep te doen op VII-37.792-2/12 de door hem aangewezen bedrijfsdierenarts en al zijn varkens door hem te laten onderzoeken". Artikel 2, § 1ter, van het ministerieel besluit van 6 september 1990 houdende tijdelijke maatregelen ter bestrijding van de klassieke varkenspest (hierna : ministerieel besluit van 6 september 1990) bepaalt dat het verboden is op één of meerdere varkens met stoornissen of tekens van ziekte, zoals koorts, gebrekkige eetlust, diarree, hoesten, niezen, verminderde groei, zenuwstoornissen of in- of uitwendige bloedingen, een therapeutische behandeling in te stellen indien niet vooraf volgens de onderrichtingen van de veterinaire diensten bij een representatief aantal zieke varkens ongestold bloed voor leucocytenbepaling en desgevallend virologisch onderzoek werden overgemaakt aan het bevoegd laboratorium met het oog op de diagnose van klassieke varkenspest. De artikelen 7, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 15 februari 1995 en 15bis van het ministerieel besluit van 6 september 1990 regelen de wijze waarop een gebeurlijke vergoeding wordt berekend. De vergoeding die wordt toegekend met toepassing van artikel 8 van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, wordt verminderd met 50% ingeval de verantwoordelijke weigert of nalaat de bepalingen van voormeld artikel 4 van het koninklijk besluit van 15 februari 1995 na te leven. Artikel 15bis van het voormelde ministerieel besluit van 6 september 1990 bepaalde destijds dat elk bedrijf dat niet voldoet aan de voorwaarden opgelegd in artikel 2, §§ 1, 1bis en 1ter, onder verdenking wordt geplaatst, dat de kosten van de controles en onderzoeken opgelegd door de inspecteur-dierenarts ten laste zijn van de verantwoordelijke en dat in geval van bevestiging van klassieke varkenspest, de vergoeding die wordt toegekend met toepassing van artikel 8 van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, verminderd wordt met 50 procent. VII-37.792-3/12 Feitelijke gegevens 4. De verzoekende partijen zijn eigenaar van een aantal mestvarkens en zeugen in het landbouwbedrijf gelegen aan de Kreyelerstraat 7 te Bocholt. 5. Uit een proces-verbaal van 7 juli 1997 blijkt onder meer dat het bedrijf tot haard van klassieke varkenspest wordt verklaard. De in het bedrijf aanwezige dieren worden verwijderd. 6. Op 4 september 1997 wordt aan de tweede verzoeker meegedeeld dat de waarde van de varkens werd vastgesteld op 32.949.190 (toenmalige) BEF en dat hij, overeenkomstig artikel 7, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 15 februari 1995, recht heeft op een vergoeding van 16.474.595 BEF. 7. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing wordt door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 71.634 van 9 februari 1998 omdat de Raad van State daarover niet over de vereiste rechtsmacht beschikt. 8. De tweede verzoeker wordt strafrechtelijk vervolgd wegens inbreuken op de voormelde reglementering. De correctionele rechtbank van Tongeren spreekt de tweede verzoeker op 10 december 2001 vrij van de hem ten laste gelegde feiten. 9. Op 14 oktober 1998 dagvaarden de eerste twee verzoekende partijen de verwerende partij voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel tot betaling van de som van 408.394,54 euro. De vordering is gesteund op de burgerlijke aansprakelijkheid van de overheid, zoals bepaald in artikel 1382 van het burgerlijk wetboek. Deze vordering wordt zowel in eerste aanleg als in graad van beroep ongegrond verklaard. VII-37.792-4/12 10. Op 28 oktober 2008 schrijft de raadsman van de verzoekende partijen een brief aan de "FOD Veiligheid Voedselketen", waarin hij vraagt om schadevergoeding "naar billijkheid en rekening houdend met alle omstandigheden". De inhoud van deze brief luidt als volgt : "Geachte Heer Voorzitter, Namens mijn cliënten, de heer Ludo Hendrix, Kreylerstraat 7 te 3950 Bocholt en de NV HENVO - Mevab op hetzelfde adres gevestigd en ingeschreven in het handelsregister van Tongeren onder nr. 71.294, heb ik de eer u te vragen een schadevergoeding te willen toekennen naar billijkheid en rekening houdend met alle omstandigheden. Hierna volgt een korte bespreking van de feiten en vervolgens de rechtsgrond waar deze vraag op steunt. Mijn cliënten baten een varkenskwekerij uit op voornoemd adres. Op 16.07.1997 werden er ziektesymptomen vastgesteld bij sommige varkens die in een eerste fase antibiotica verzorgd werden, daar niets op ernstiger zaken wees. Dat is pas later gebeurd, nl. in het weekend van 28 en 29 juli toen 16 varkens stierven. Er werden dan preventieve maatregelen genomen en er werd een proces-verbaal opgesteld door het Ministerie van Landbouw. 5805 varkens werden ook geslacht. Uit het verslag dat opgesteld werd op 17.09.1997 door professor Pensaert van de Universiteit van Gent kan worden afgeleid dat de vestiging van mijn cliënten de eerste was waar de varkenspest zich heeft voorgedaan, reden temeer dat men niet direct daarop kon bedacht zijn. Mijn cliënten werden ook strafrechtelijk vervolgd, maar ze werden vrijgesproken bij definitief vonnis van de Correctionele Rechtbank van Tongeren van 10.12.2001. Evenwel werd de schadevergoeding waarop mijn cliënten aanspraak konden maken gehalveerd op grond van artikel 2 §1 ter van het Ministerieel Besluit van 06.02.1990, zoals dit werd gewijzigd bij het Ministerieel Besluit van 07.02.1997. Ik denk dat het verder van belang is erop te wijzen dat dit voornoemd artikel 2 §1 ter werd opgeheven door een volgend Ministerieel Besluit van 08.05.1998 dat in werking is getreden op 28.05.1998, datum van publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad. Daaruit volgt vooreerst al dat enkel in de bewuste periode van 07.02.1997 tot 28.05.1998 de voormelde sanctie van de halvering van de schadevergoeding kon worden toegepast. Het is dan wel bijzonder ongelukkig dat mijn cliënten juist in die periode daarmee werden geconfronteerd. Verder kan ik u melden dat de procedure die mijn cliënten hadden ingezet om de volledige schadevergoeding na te streven, werd afgewezen door een arrest van het Hof van Beroep van Brussel van 18.05.2008. Uit dit arrest kan worden opgemaakt dat aan de overheid in deze geen fout VII-37.792-5/12 te verwijten valt, in zoverre zij over een gebonden bevoegdheid beschikten en de genomen maatregel rechtstreeks uit de wet voortvloeide, dit ondanks de vrijspraak door de Correctionele Rechtbank van Tongeren, waarvan sprake hiervoor. Hiermee is aangetoond dat mijn cliënten geconfronteerd worden met een buitengewone schade, in de zin van artikel 11 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State. Dit artikel is van toepassing omdat het hier gaat om een schade, die toegebracht is buiten enige foutaansprakelijkheid van de overheid, aangezien die schade rechtstreeks uit hun wettelijke bepalingen voortvloeit. Voormeld artikel 11 bepaalt verder dat in die gevallen, rekeninghoudend met alle omstandigheden, een billijke schadeloosstelling kan worden toegekend. Het feit dat de schade rechtstreeks uit wettelijke bepalingen voortvloeit, dat deze vorm van sanctie maar gedurende korte tijd heeft bestaan, maken dat er sprake is van buitengewone schade en buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 11. Ik durf dan ook aandringen dat u een schadevergoeding zou toekennen die rekening houdt met de bijzonder moeilijke omstandigheden waarmee mijn cliënten destijds en ook nog steeds nu geconfronteerd worden en vraag ik u dat u naar billijkheid tenminste de helft van de ontbrekende schadevergoeding aan hen zou willen toekennen. Ik dank u bij voorbaat voor uw spoedig en positief antwoord". 11. Op 24 februari 2009 antwoordt de verwerende partij dat na onderzoek van het dossier blijkt dat er geen enkele rechtsbasis is voor schadevergoeding en dat er niet op het verzoek kan worden ingegaan. 12. Op 27 februari 2009 polst de raadsman van de eerste twee verzoekende partijen bij de verwerende partij onder meer naar de reden waarom deze van oordeel is dat zijn cliënten "geen aanspraak kunnen maken op een billijke vergoeding op grond van voormeld artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State". 13. Op 4 maart 2009 deelt de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu mee dat het antwoord op de brief van 28 oktober 2008 gebaseerd is op de stellingname van het diensthoofd van het directoraat-generaal dier, plant en voeding, waarvan een kopie wordt meegestuurd. Dat standpunt houdt in essentie in dat er, ingevolge de verwerping van de vordering tot schorsing door de Raad van State en ingevolge het arrest waarbij het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste VII-37.792-6/12 aanleg ongegrond wordt verklaard, "geen rechterlijke uitspraak (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.