id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.612 Rolnummer: A. 192350/VII-37356 Zaak: Arrest 209612 - Milieuvergunningen - 09/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-20 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 05:31 Fiche Arrest nr 209.612 van 9 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 209.612 van 9 december 2010 in de zaak A. 192.350/VII-37.356 In zake :
- Marcel WIJNANTS
- Ursula VANDEVOORT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Gregory Verhelst kantoor houdend te Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te Dendermonde Noordlaan 82-84 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BVBA GVB en C° bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te Leuven Diestsevest 113 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 april 2009, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2009 waarbij de beroepen, ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 11 september VII-37.356-1/13 2008 houdende het verlenen aan de BVBA GVB en C° van de vergunning voor het omvormen van een pluimveebedrijf, gelegen aan de Bosheidestraat 47 te Lummen, naar een mestvarkensbedrijf, omvattende tevens een stal voor het huisvesten van paarden en kleinvee en gebouwen voor plattelandsklassen, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 197.454 van 29 oktober 2009 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd. De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 1 maart
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
- Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. VII-37.356-2/13 Advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Patrick Vandendael, die loco advocaat Dirk Abbeloos verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De litigieuze inrichting is gelegen aan de Bosheidestraat 47 te Lummen. Het gaat om een voormalige pluimveehouderij bestaande uit een vijftal stallen en aanhorigheden. De inrichting werd vroeger geëxploiteerd door de BVBA Mowi, op grond van een milieuvergunning verleend op 22 mei 2000, voor het houden van 32.000 leghennenmoederdieren, tot 27 juli
- Bij vonnis van 25 januari 2007 heeft de rechtbank van koophandel te Hasselt het faillissement uitgesproken van de BVBA Mowi. De tussenkomende partij, die het bedrijf op 8 oktober 2007 heeft aangekocht van de curator van het faillissement, meldt op 30 november 2007 aan de deputatie van de provincie Limburg de overname van het betrokken pluimveebedrijf. Op 26 november 2007 meldt de zaakvoerster van de VII-37.356-3/13 tussenkomende partij aan de Vlaamse Landmaatschappij (hierna: VLM) de tijdelijke stopzetting van de exploitatie "vanaf laatste aangifte 2006 productiejaar 2005".
- De deputatie van de provincie Limburg neemt op 14 februari 2008 akte van de melding van overname door de tussenkomende partij. De deputatie van de provincie Limburg laat haar aktename gelden als "schriftelijke ontvangstmelding", zoals bedoeld in artikel 42, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I).
- De tussenkomende partij dient op 17 maart 2008 - vervolledigd op 11 april 2008 - bij de deputatie van de provincie Limburg een aanvraag in om het vroegere pluimveebedrijf om te vormen tot een gemengd landbouwbedrijf, bestaande uit een stal voor het houden van 1.560 vleesvarkens en een stal voor het huisvesten van 18 paarden, 25 geiten, 25 schapen, 20 kippen, 20 konijnen en 5 runderen. De exploitant beoogt tevens een bestaande stal om te vormen tot een jeugdverblijfcentrum (plattelandsklassen).
- Op 11 september 2008 verleent de deputatie van de provincie Limburg de gevraagde vergunning voor twintig jaar.
- Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lummen, het kerkbestuur Sint-Rochus en een aantal omwonenden stellen bij de bevoegde minister beroep in tegen deze beslissing.
- De in het kader van de beroepsprocedure uitgebrachte adviezen zijn over het algemeen gunstig.
- Bij besluit van 23 februari 2009 verklaart de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur de beroepen ongegrond en bevestigt zij de beroepen beslissing. Dit is het bestreden besluit. Met betrekking tot VII-37.356-4/13 de in het eerste middel aangevoerde discussie, luidt de motivering als volgt : "Overwegende dat uit de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij, die werden verstrekt op 3 december 2008, over de juiste vergunningstoestand op basis van de Mestbankaangiften voor deze aangevraagde inrichting het volgende werd vastgesteld: de vroegere aangifte is nog gebeurd door de BVBA MOWI en er werden voor het aanslagjaar 2005 (productiejaar 2004) = 22.780 slachtkuikenouderdieren aangegeven; dat voor het aanslagjaar 2006 (productiejaar 2005) = 17.628 slachtkuikenouderdieren werden aangegeven; dat voor het aanslagjaar 2007 (productiejaar 2006) = 32.700 slachtkuikenouderdieren werden aangegeven; dat voor het aanslagjaar 2008 (productiejaar 2007) geen dieren werden aangegeven; dat met aangetekend schrijven van 24 november 2007 aangifte werd gedaan door de huidige exploitant (BVBA GVB en C°) bij de Mestbank over de melding van leegstand van de pluimveestallen; dat in toepassing van artikel 47, §2,1° van het Mestdecreet de exploitatie geheel of gedeeltelijk een tijdlang kan worden stopgezet zonder dat dit het verval van de milieuvergunning tot gevolg heeft op voorwaarde van de melding aan de Mestbank van zowel de tijdelijke stopzetting als de herneming van de exploitatie; dat indien de exploitatie gedurende 5 jaar is stopgezet en niet hernomen, de dien overeenkomstige nutriëntenemissierechten van rechtswege worden geannuleerd; dat de Mestbank op 30 november 2007 kennis heeft genomen van de aanvraag tot overname van de nutriëntenemissierechten van de BVBA MOWI door de BVBA GVB en C°; dat met schrijven van 23 juni 2008 uitgaande van De Mestbank, de Vlaamse Landmaatschappij, afdeling Limburg, aan de BVBA GVB en C°, gevestigd te 3560 Lummen, Bosheidestraat 47, volgende nutriëntenemissierechten werden toegekend: 46.214,36 NER-D; dat het aantal nutriëntenemissierechten vanaf 1 januari 2008 maximaal 46.214,36 NER-D bedraagt (hetzij voor het houden van rundvee, varkens, pluimvee, andere dieren)". IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij doet ter terechtzitting afstand van de ontvankelijkheidsexceptie die zij had opgeworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunten van de partijen 12 In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 2, 2°, 17, 18, 19 en 28 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), de artikelen 47, § 1, eerste lid, 1°, en 88 van het decreet van 22 december 2006 VII-37.356-5/13 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (hierna: meststoffendecreet), artikel 25 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking, de artikelen 46 en 52, 3°, b), van Vlarem I, de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheids-, het zorgvuldigheids- en het materieel motiveringsbeginsel. De verzoekende partijen stellen tevens dat voor het nemen van het bestreden besluit de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag ontbreekt. Zij zetten uiteen dat uit de feitelijke gegevens blijkt dat er hoogstens nog tot 13 oktober 2005 kippen werden gehouden op het bedrijf van de vorige exploitant, maar daarna niets meer. Dit blijkt volgens hen onder meer uit de officiële aangiften van de vorige exploitant zelf bij de Mestbank, die voor de productiejaren 2006 en 2007, zijnde de aanslagjaren 2007 en 2008, de aanwezigheid van geen enkel dier vermelden, vermits er in de rubriek "Bezet(ting)" "0" werd ingevuld. Dit blijkt volgens hen ook uit de sterk dalende trend van de aanwezige dieren in de officiële aangiften van de vorige exploitant bij de Mestbank voor de productiejaren 2002, 2003, 2004 en 2005, die verminderden van een bezetting van respectievelijk 24.057, 21.404 en 22.780 naar 17.628 dieren, om na 13 oktober 2005 terug te vallen op nul en uit het feit dat de vorige exploitant op 30 september 2005 zijn laatste jaarrekening heeft neergelegd. Ook het feit dat de vorige exploitant uiteindelijk bij vonnis van de rechtbank van koophandel van Hasselt van 25 januari 2007 in faling werd verklaard, bevestigt dit. Bovendien heeft de met de vorige exploitant verbonden exploitatievennootschap, de BVBA Thefra, reeds in maart 2005 een andere activiteit gezocht en haar organisatie en statutair doel daar aan aangepast. Uit dit alles blijkt volgens de verzoekende partijen dat op het ogenblik van de aanvraag van de tussenkomende partij, 17 maart 2008, de basismilieuvergunningen van de BVBA Mowi van rechtswege vervallen waren bij gebrek aan exploitatie gedurende meer dan twee opeenvolgende jaren, hetzij minstens reeds sinds 13 oktober
- Bijgevolg heeft het bestreden besluit op onwettige wijze, minstens kennelijk onredelijk, althans VII-37.356-6/13 zonder afdoende en terzake doende motivering, beslist dat de aangevraagde inrichting op het ogenblik van de vergunningsaanvraag nog vergund was, terwijl de vergunningen van de vroegere exploitant reeds vervallen waren, ten laatste op 13 oktober 2007, zonder mogelijkheid om de verandering of de hernieuwing van die vervallen vergunningen te kunnen goedkeuren. De verzoekende partijen betogen ook dat het bestreden besluit dienaangaande volledig ten onrechte verwijst naar de mogelijkheid om over te gaan tot de schorsing van de in artikel 28, § 1, 3°, van het milieuvergunningsdecreet vermelde termijn van twee jaar waarbinnen de onbenutte milieuvergunning vervalt. Op grond van deze bepaling worden tijdelijk van het verval uitgesloten : "de inrichtingen, vermeld onder de rubriek
- Dieren, van de lijst die als bijlage 1 gevoegd is bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de milieuvergunning, die in toepassing van artikel 47, § 2, van het Meststoffendecreet van 22 december 2006 hun activiteiten gedurende maximaal 5 jaar geheel of gedeeltelijk stopgezet hebben". Ook wordt nog aangestipt dat het verval van rechtswege van de milieuvergunning waarvan thans de "hernieuwing" werd vergund, reeds was ingetreden op 13 oktober 2007, derhalve nog vóór de melding van de overname door de tussenkomende partij op 30 november
- Bijgevolg kon volgens hen ook op grond van artikel 19, 2°, van het milieuvergunningsdecreet geen geldige overname van de basisvergunning geschieden, nu een dergelijke laattijdige overname de basisvergunning niet doet herleven. De verzoekende partijen besluiten dat de vroegere vergunningen op het ogenblik van de litigieuze aanvraag reeds lang vervallen waren. Er was op het ogenblik van de aanvraag reeds tweeënhalf jaar geen enkele exploitatie meer aanwezig. Derhalve diende de aanvraag ook behandeld te worden als een aanvraag voor een volledig nieuwe inrichting. De verzoekende partijen merken ook op dat het bestreden besluit steunt op het vermeend feitelijk gegeven "dat voor het aanslagjaar 2007 (productiejaar 2006) = 32.700 slachtkuiken-ouderdieren werden aangegeven". Dit gegeven berust volgens hen op een materiële vergissing in de op 3 december 2008 door de VLM op informele wijze verstrekte gegevens, nu dit vermeend feit niet strookt met de officiële mestbankaangifte van de BVBA Mowi voor het productiejaar 2006, aanslagjaar 2007, en volgens dewelke daarentegen nul VII-37.356-7/13 dieren werden opgegeven, die tussen 1 januari 2006 en 31 december 2006 de site bezetten. De officiële mestbankaangiften zijn volgens de verzoekende partijen alsnog geloofwaardig nu zij de aangever verbinden, in strijd met een niet-controleerbare informele mededeling. Overigens heeft de bevoegde minister, steeds volgens de verzoekende partijen, niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag gelegd bij het verifiëren van de echtheid van de informatie die haar werd voorgelegd. Zij leiden daaruit af dat het bestreden besluit werd genomen op basis van een "manifest foutieve motivering, waarmee bovendien achteloos en onzorgvuldig wordt voorbijgegaan aan de wel correcte informatie die door beroepers aan het administratief dossier was toegevoegd".
- De verwerende partij stelt daartegenover en tracht met feitelijke gegevens aan te tonen dat er na 30 september 2005 nog wel een exploitatie was, meer bepaald omdat er in het productiejaar 2006 nog mest was opgeslagen, wat aantoont dat er wel degelijk een uitbating was. Het eerste onderdeel van het eerste middel mist volgens de verwerende partij feitelijke grondslag. De zogenaamde vergissing van de minister vormt geen determinerend motief, zodat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het tweede onderdeel van het eerste middel.
- De tussenkomende partij zet uiteen dat er, blijkens gegevens die afkomstig zijn van de VLM en die in het kader van het onderzoek van de aanvraag werden overgemaakt aan de afdeling Milieuvergunningen, op het bedrijf tot en met het productiejaar 2006 slachtkuiken-ouderdieren werden gehouden. Het feit dat de vorige exploitant, die ontegensprekelijk in een precaire financiële situatie verkeerde, geen nauwkeurige aangiften heeft gedaan, vormt op zich geen doorslaggevend bewijs dat de gegevens van de VLM onjuist zouden zijn. De tussenkomende partij zet ook uiteen dat zij op regelmatige wijze toepassing heeft gemaakt van artikel 47,§ 2, van het meststoffendecreet, en dat zij bijgevolg in aanmerking kwam voor het verkrijgen van de milieuvergunning. In haar memorie voegt zij hier nog aan toe, dat uit door VII-37.356-8/13 Dierengezondheidszorg Vlaanderen uitgevoerde bloedonderzoeken en uit de gegevens met betrekking tot het elektriciteitsverbruik blijkt dat het bedrijf in mei 2006 nog steeds in exploitatie was. In de laatste memorie voegt de tussenkomende partij nog toe, als antwoord op het auditoraatsverslag, dat de vergunningverlenende overheid met betrekking tot de vraag wanneer de milieuvergunning vervallen is, niet over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt, maar slechts over een gebonden bevoegdheid. Door vast te stellen dat de vergunning niet vervallen is, zou de Raad van State dan niet in de plaats van het bestuur treden. Volgens de tussenkomende partij is de bevoegdheid tot toetsing van de wettigheid door de Raad van State niet beperkt tot een marginale bevoegdheid. Beoordeling 15 Het bestreden besluit steunt op de vaststelling dat, op het ogenblik van de indiening van de milieuvergunningsaanvraag, de basisvergunning voor de exploitatie van de inrichting, niet vervallen was. Artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet luidt als volgt : "§
- De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting: (...) 3° die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd uitgezonderd de inrichtingen, vermeld onder de rubriek
- Dieren van de lijst die als bijlage 1 gevoegd is bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de milieuvergunning, die in toepassing van artikel 47, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006 hun activiteiten gedurende maximaal 5 jaar geheel of gedeeltelijk stopgezet hebben; (...) §
- Indien de in § 1 genoemde gevallen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de inrichting, vervalt de vergunning slechts voor dat gedeelte". Artikel 47, § 2, van het meststoffendecreet, waarnaar in de voormelde decretale bepaling wordt verwezen, luidt als volgt: VII-37.356-9/13 "§
- Indien de landbouwer niet bij machte is om de op zijn bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke mest overeenkomstig dit decreet af te zetten heeft hij ondermeer de keuze om : 1° ofwel de exploitatie geheel of gedeeltelijk een tijdlang stop te zetten zonder dat dit het verval van de milieuvergunning tot gevolg heeft op voorwaarde van melding aan de Mestbank van zowel de tijdelijke stopzetting als de herneming van de exploitatie. Indien echter de exploitatie gedurende 5 jaar is stopgezet en niet hernomen, worden de dienovereenkomstige nutriëntenemissierechten van rechtswege geannuleerd; 2° ofwel in voorkomend geval beroep te doen op de stopzettingsregeling, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest afkomstig van één of meerdere diersoorten. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, ondermeer met betrekking tot de wijze waarop de melding, vermeld in 1°, dient te gebeuren". De motivering van het bestreden besluit in verband met het niet-vervallen zijn van de door de tussenkomende partij overgenomen milieuvergunning is feitelijk onjuist in zoverre wordt vermeld dat voor het aanslagjaar 2007 (productiejaar 2006) 32.700 slachtkuiken-ouderdieren werden aangegeven bij de Mestbank. Het bestreden besluit vermeldt immers dat de bewuste gegevens met betrekking tot de mestbankaangiftes van de voorbije jaren door de VLM werden verstrekt op 3 december
- Dit blijkt echter niet uit het neergelegde administratief dossier. De verzoekende partijen hebben een afschrift van de aangifte voor het jaar 2007 (productiejaar 2006) neergelegd in het kader van de administratieve procedure. Die aangifte vermeldt voor de diercategorie "slachtkuiken-ouderdieren" : "Bezet : 0 Standpl : 32700". De verwerende partij heeft het aantal standplaatsen in de stallen verward met de effectieve bezetting ervan. Deze vaststelling is van wezenlijke invloed op de vraag of er al dan niet sprake is van niet-exploitatie gedurende twee opeenvolgende jaren. De verwerende partij is er bij het nemen van het bestreden besluit van uitgegaan dat de betrokken inrichting in 2006 nog volledig in exploitatie was, terwijl de door de verzoekende partijen neergelegde stukken - die niet in twijfel kunnen worden getrokken omdat ze ter beschikking werden gesteld door de VLM - precies het tegendeel aantonen. Met het argument van de verwerende partij dat in het productiejaar 2006 een mestopslagplaats werd aangegeven die het daaropvolgende jaar niet meer VII-37.356-10/13 aanwezig was, wordt niet het bewijs geleverd dat in de stallen nog kippen gehouden werden en de aangifte van de mestopslagplaats als bijzaak kan overigens niet verhinderen dat de vergunning voor de hoofdzaak, namelijk het houden van kippen, kan vervallen wegens niet-exploitatie. De "beproevingsverslagen" die door de tussenkomende partij werden neergelegd kunnen hoogstens aantonen dat er zich op 13 september 2005 nog dieren in de inrichting bevonden. Dat bewijst op zich niet dat dit begin 2006 ook nog het geval zou zijn geweest. De tussenkomende partij stelt dat uit het elektriciteitsverbruik kan worden afgeleid dat er in mei 2006 nog steeds werd geëxploiteerd. Wanneer de Raad van State een administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen, doch onderzoekt hij enkel of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn. Te dezen is het bestreden besluit gebaseerd op de overweging dat er in 2006 nog 32.700 slachtkuikenouderdieren werden aangegeven bij de Mestbank, terwijl dit geen steun vindt in enig stuk uit het administratief dossier. Uit het administratief dossier blijkt integendeel dat de aangifte voor het jaar 2007 (productiejaar 2006) een bezetting van nul dieren vermeldt. Nochtans dienen, in het kader van de motiveringsplicht, de motieven van een administratieve rechtshandeling te steunen op de stukken van het administratief dossier. Door thans, op basis van bijkomend door de tussenkomende partij bijgebrachte stukken, alsnog te oordelen dat de kwestieuze inrichting in 2006 nog werd geëxploiteerd, zou de Raad van State zijn beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag in de plaats stellen van die van het bestuur, hetgeen hij niet vermag te doen. De vergunningverlenende overheid heeft te dezen inderdaad, zoals de tussenkomende partij het stelt, in beginsel een gebonden bevoegdheid. Zij moet echter nagaan of de feiten voorhanden zijn die de vaststelling van het verval van de milieuvergunning verantwoorden al dan niet voorhanden zijn. De motieven van haar beslissing moeten steunen op de stukken van het administratief dossier. VII-37.356-11/13 De appreciatie van die feiten is zaak van de vergunningverlenende overheid en niet van de Raad van State. Artikel 25 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking, bepaalt dat de landbouwer die gebruik wenst te maken van de mogelijkheid, vermeld in artikel 47, § 2, eerste lid, 1°, van het meststoffendecreet, de tijdelijke stopzetting van de exploitaties of van de delen van de exploitaties van het bedrijf moet melden ‘binnen twee jaar na aanvang van de tijdelijke stopzetting’. Het bestreden besluit geeft geen uitsluitsel over de precieze datum van stopzetting. Aangezien de melding om toepassing te kunnen maken van artikel 47, § 2, eerste lid, 1°, van het meststoffendecreet, als het te dezen toepasselijk zou zijn, hoe dan ook moet gebeuren binnen twee jaar na de gehele of gedeeltelijke stopzetting van de exploitatie, kan de voormelde bepaling er niet toe leiden dat vergunningen die reeds van rechtswege vervallen zijn wegens niet-exploitatie gedurende de in artikel 28, § 1, 3°, van het milieuvergunningsdecreet vermelde periode van twee opeenvolgende jaren, zouden herleven om het voorwerp uit te maken van een langere stopzettingsperiode van maximaal vijf jaar. Het eerste middel is in die zin gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2009 waarbij de beroepen, ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 11 september 2008 houdende het verlenen aan de BVBA GVB en C° van de vergunning voor het omvormen van een pluimveebedrijf, gelegen aan de Bosheidestraat 47 te Lummen, naar een mestvarkensbedrijf, omvattende tevens een stal voor het huisvesten van VII-37.356-12/13 paarden en kleinvee en gebouwen voor plattelandsklassen, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen december tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Luc Hellin VII-37.356-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.612 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.454 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div