id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.617 Rolnummer: A. 140912/XII-3926 Zaak: Arrest 209617 - Overheidsopdrachten - 09/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-20 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:31 Fiche Arrest nr 209.617 van 9 december 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 209.617 van 9 december 2010 in de zaak A. 140.912/XII-3926 In zake:
- de NV HOUTCONSTRUCTIES WYCKAERT, thans de NV WYCOR
- de NV POTTEAU LABO samen vormend een tijdelijke handelsvennootschap bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Georges Lauwers kantoor houdend te Gent Bernard Spaelaan 52 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het AUTONOOM GEMEENTEBEDRIJF STADSVERNIEUWING OOSTENDE (AGSO), autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat David D’Hooghe kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 28 augustus 2003, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de directieraad van AGSO dd 11/08/03, waarbij zij binnen enkele dagen een contract zal sluiten voor de verbouwing, restauratie en renovatie CKO-Schrijnwerk (perceel 14) van het Casino Kursaal te Oostende met de firma Francovera”. II. Verloop van de rechtspleging Bij arrest nr. 122.677 van 11 september 2003 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XII-3926-1\15
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober
- Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bernard Goetghebuer, die loco advocaat Georges Lauwers verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Joos Roets, die loco advocaat David D’Hooghe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Het Autonoom Gemeentebedrijf Stadsvernieuwing Oostende staat in voor de verbouwing, restauratie en renovatie van het Casino Kursaal Oostende. Volgens de memorie van antwoord -hierin niet tegengesproken door de verzoekende partijen- omvat deze opdracht voor aanneming van werken 28 percelen die achtereenvolgens worden gegund. De voorliggende zaak heeft betrekking op perceel 14, schrijnwerk. Verwerende partij schrijft voor de gunning van dit perceel een openbare aanbesteding uit. De opdracht wordt aangekondigd in het Bulletin der Aanbestedingen van 25 april
- XII-3926-2\15 3.
- De inschrijvingen worden geopend op 6 juni
- Het proces- verbaal van de openingszitting vermeldt de volgende inschrijvingsbedragen in euro:
- thv nv Potteau Labo - nv Houtconstructies Wyckaert 1.688.634,82
- nv De Laere 1.881.466,26
- nv Monument Vandekerckhove 2.424.478,25
- nv Francovera 1.695.264,18 3.
- Op 20 juni 2003 wordt door de ontwerper een “verslag van nazicht van biedingen” opgesteld. Na rekenkundig nazicht van de offertes wordt de inschrijving van de nv Francovera, met aftrek van de “commerciële korting 1%”, met een prijs van van 1.679.303,65 euro, als eerste gerangschikt. De offerte van de verzoekende partijen komt op de tweede plaats met een bedrag van 1.683.248,32 euro. Het verslag wordt beëindigd met de volgende zin: “De inschrijving van de THV Potteau Labo-Wyckaert wordt volledig conform bevonden. SVR adviseert bijgevolg de werken toe te wijzen aan de best gerangschikte voor een bedrag van 1.683.248,32 i (exclusief btw)”. 3.
- Met een faxbericht en een schrijven van 27 juni 2003 delen de verzoekende partijen aan verwerende partij mee dat zij na telefonisch contact met verwerende partij hebben vernomen dat “de firma Francovera [...] in een bijkomende nota bij hun inschrijving een korting zou toegepast hebben, waardoor zij de laagste bieder worden”; zij betogen vervolgens, zich steunend op artikel 101 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, dat “er in deze geen rekening mag gehouden worden met de betreffende korting”. 3.
- Verwerende partij vraagt ter zake advies aan een juridisch adviseur. Deze besluit in een omstandig toegelichte nota dat rekening mag worden gehouden met de door de nv Francovera aangeboden korting. 3.
- Op 10 juli 2003 richten de verzoekende partijen een schrijven aan verwerende partij. Zij vragen om “de gemotiveerde gunningsbeslissing over te maken vooraleer tot de betekening van deze gunningsbeslissing wordt overgegaan”. XII-3926-3\15 3.
- De directieraad van verwerende partij beslist op 11 augustus 2003 om de opdracht toe te wijzen aan de laagste regelmatige inschrijver, dit is de nv Francovera voor een bedrag van 1.679.303,65 euro, btw niet inbegrepen. Dit is de thans bestreden beslissing. In de aanhef ervan wordt verwezen naar het gunningsverslag en het ingewonnen extern juridisch advies. 3.
- Met een aangetekend schrijven van 13 augustus 2003 worden de verzoekende partijen van deze beslissing op de hoogte gebracht. 3.
- Op 28 augustus 2003 stellen zij een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van deze beslissing in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 122.677 van 11 september 2003 verwerpt de Raad van State deze vordering. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep en werpt daartoe een exceptie van niet-ontvankelijkheid op in haar memorie van antwoord. In het auditoraatsverslag wordt deze exceptie op beredeneerde wijze verworpen. In haar laatste memorie komt verwerende partij niet terug op de ontvankelijkheid van het beroep. Zij mag, in het licht van het besluit van het auditoraat, dan ook worden geacht niet langer aan te dringen op de exceptie. V. Onderzoek van het middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift een als volgt gesteld enig middel aan: XII-3926-4\15 “
- Het bestek [...] voorziet dat voor alles wat niet uitdrukkelijk voorzien is in onderhavige ‘Administratieve Bepalingen’ is de aanneming onderworpen aan de bepalingen en voorwaarden van, A) de wet van 24/12/1993 B) het K.B. van 8/1/1996 C) het K.B. van 29/9/1996 enz... Welnu is het Bestuur krachtens het algemeen rechtsbeginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’ er toe gehouden de vastgestelde gunnings- of procedureregels te volgen.
- Schending van de formele motiveringsplicht: wet van 29 juli 1991 De motivering moet de toepasselijke rechtsregels vermelden waarop de overheid haar beslissing steunt, wat ook in casu niet geschiedde. Er wordt geen verslag of opmerking meegedeeld door de architecten. Verweerster verwijst enkel naar haar brief waarin zij eenzijdig en zonder enige prijs te vermelden verzoekster afwimpelt.
- Schending van het gelijkheidsbeginsel en rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur. Men staat in casu voor een positieve discriminatie ten aanzien van verzoekster. Verweerster haalt als enig argument aan dat de N.V. Francovera een prijskorting heeft gegeven maar - legt geen enkel bewijs van deze prijskorting voor; - zegt evenmin hoe groot deze korting was en op welke posten deze slaat, - zwijgt als vermoord over de omstandigheden van de overdracht van deze korting - verzwijgt of het al dan niet op documenten stond en wanneer die is afgegeven. - bij de opening van de offertes is deze korting niet vermeld - op het proces-verbaal staat er volgens verzoekster niets vermeld. De Raad van State eist dan ook met de nodige strengheid dat elke opmerking geacteerd wordt in het PV van de opening van de inschrijvingen [...].
- Wanneer men alle elementen van het dossier gaat gaan toetsen aan de grondwet, de wetgeving, de decreten, de rechtsleer en rechtspraak komt men tot de volgende gevolgtrekkingen. - volgens artikel 106 van het K.B. nr. 1 par 5 moeten de offertes, de op straffe van nietigheid voorgeschreven bijhorende documenten, de bescheiden tot wijziging en de uitreikingen blad per blad door de voorzitter of een bijzitter worden geparafeerd. De voorzitter leest de naam van de inschrijvers, hun woonplaats en de intrekkingen voor. Bij openbare of beperkte aanbesteding leest de voorzitter eveneens de aangeboden prijzen voor, ook voor de eventuele varianten en de prijswijzigingen. - volgens artikel 110 van het K.B.1 zijn onderhandelingen tussen bestuurder en aannemer teneinde een korting te verkrijgen of om de aannemer het in zijn XII-3926-5\15 offerte gemaakte voorbehoud te doen intrekken, of nog om hem in staat te stellen dit aan te vullen, verboden. Het beoordelen van de inschrijving en het vergelijken ervan gebeurt op grond van de inschrijvingen zelf, en niet in het licht van aanvullende verklaringen [...].
- Wanneer het bestek een korting toelaat zijn de inschrijvers verplicht in hun offerte te vermelden welk commercieel disconto zij verlenen en moet iedereen op de hoogte zijn dat er een korting kan gegeven worden. In casu werd dit niet voorzien alhoewel bij andere posten telkens verwezen wordt naar het bestek: - K.B. art. 101 dd 8/01/1996 het is slechts toegelaten kortingen toe te passen bij opdrachten met meerdere percelen, indien het bestek dit toelaat. - K.B. art. 113 dd 8/01/1996 indien het bestek varianten oplegt en bij dezelfde laagste prijs wordt aan de inschrijvers gevraagd een korting in te dienen. Aangezien de rechtspraak door verweerder aangehaald in zijn brief van 13/08/03 niet pertinent is vermits de verwerende partij bij het openen van de inschrijvingen met de korting van 2,3% rekening had gehouden, wat in casu het geval niet is. Vermits verzoeker de laagste offerte heeft, heeft zij een wettig belang om dit verzoekschrift neer te leggen”.
- In hun memorie van wederantwoord, na inzage van het administratief dossier, verduidelijken de verzoekende partijen hun betoog door verwijzing naar vier grieven. 6.
- Een eerste grief bestaat uit de schending van “de formele motiveringsplicht”. De verzoekende partijen betogen dat verwerende partij deze plicht, die inhoudt dat “de administratieve akte zelf de overwegingen in feite en in rechte [aanduidt] die aan de beslissing ten grondslag lagen”, heeft miskend doordat zij de verzoekende partijen enkel telefonisch op de hoogte heeft gebracht dat de nv Francovera in haar offerte een korting had aangeboden. In de “kennisgeving” van 11 augustus 2003 heeft verwerende partij immers niet meegedeeld “hoe de korting was toegestaan of waarom deze korting niet afgeroepen was bij de opening van de zitting der inschrijvingen”, voorts heeft verwerende partij bij dit schrijven noch het verslag van de ontwerpers, noch de gunningsbeslissing zelf gevoegd. Wat deze gunningsbeslissing betreft wijzen de verzoekende partijen er op dat “er nergens sprake is in de beslissing dat de N.V. Francovera een korting zou voorgesteld hebben. De directieraad van verweerster somt alle opmerkingen op met de welke hij rekening hield maar vermeldt niet de korting die XII-3926-6\15 als opmerking gegeven werd door verweerster in haar offerte”. Hieruit blijkt volgens de verzoekende partijen dat er geenszins een grondig onderzoek gebeurde naar de regelmatigheid van de door de nv Francovera aangeboden korting. Over het verslag van de ontwerper stellen zij nog dat dit “geen motivering [biedt] voor de aanduiding van de N.V. Francovera”, vermits “de ontwerper [...] nooit [heeft] gesteld dat de offerte van de N.V. Francovera de laagste regelmatige offerte is”. 6.
- De tweede grief door de verzoekende partijen aangebracht is de “schending van het gelijkheidsbeginsel”. Zij wijzen er op dat de nota gevoegd bij de offerte van de nv Francovera die de korting bevat niet is gedateerd, zodat niet is bewezen dat deze nota wel degelijk van in het begin bij de offerte was gevoegd. Evenmin werd de korting voorgelezen op de openingszitting. Een latere toevoeging van de nota en de korting is volgens de verzoekende partijen niet aanvaardbaar omwille van het feit dat hiermee afbreuk wordt gedaan aan de gelijkheid der inschrijvers. Omdat aldus ook de vergelijkbaarheid van de offertes in het gedrang komt, dient de offerte van de nv Francovera als substantieel onregelmatig te worden beschouwd. 6.
- De derde grief die de verzoekende partijen aanvoeren tegen de bestreden beslissing is genomen uit de “schending van artikel 106 van het K.B. van 18 januari 1996”. Zij formuleren deze grief als volgt: “Artikel 106 par. 5 van dit K.B. voorziet niet alleen op straffe van nietigheid dat de offerte integraal moet geparafeerd worden door de voorzitter en de getuigen maar ook dat de voorzitter de prijswijzigingen moet voorlezen, wat niet blijkt uit het proces-verbaal van opening der inschrijvingen”. 6.
- In een vierde en laatste grief roepen de verzoekende partijen als volgt de schending in van “artikel 110 van het K.B van 18 januari 1996”: “Verweerster beweert dat de bedoelde korting reeds was opgenomen in de offerte ten tijde van de openingszitting maar bewijst het niet. Integendeel heeft verzoekster hierboven aangetoond dat die er niet bij was, vermits ze niet gedateerd was, door de ontwerpers niet als conform bevonden en er geen enkele aanwijzing in de gunningsbeslissing staat en door de deskundige slechts hypothetisch aanvaard”. XII-3926-7\15
- In hun laatste memorie komen de verzoekende partijen terug op de eerste drie grieven, waarbij zij het betoog uit de memorie van wederantwoord grotendeels hernemen en repliceren op de bevindingen van het auditoraatsverslag. Wat de grief inzake de miskenning van de formele motiveringsplicht betreft stellen de verzoekende partijen dat te dezen een tegenstrijdige motivering voorligt nu in het verslag van de ontwerper geenszins wordt geadviseerd om de opdracht aan de nv Francovera toe te wijzen, zoals de bestreden beslissing nochtans laat uitschijnen. Over de grief gesteund op de schending van het gelijkheids- beginsel doen de verzoekende partijen gelden dat de nv Francovera te dezen ten onrechte is bevoordeeld aangezien verwerende partij rekening heeft gehouden met een korting die later aan de offerte is toegevoegd. Zij wijzen er op dat er “meerdere sterke aanwijzingen” zijn om te kunnen stellen dat er “gesjoemeld” werd: het percentage van de korting is “net voldoende om onder de prijs van verzoekster te gaan”, de nv Francovera heeft “nooit een totaalprijs gegeven”, de parafering van de nota op de openingszitting kan “eenvoudigweg achteraf” zijn aangebracht en het verslag van de ontwerper werd “door een onvoorzichtigheid niet meer aangepast aan de achteraf toegevoegde korting”. Wat ten slotte de grief geput uit de miskenning van artikel 106 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat het niet-voorlezen van de kwestieuze korting een schending uitmaakt van een substantieel vormvoorschrift, waaruit dient te worden afgeleid dat de offerte van de nv Francovera niet regelmatig was, hetgeen vanzelfsprekend de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolg heeft. Beoordeling
- Verwerende partij werpt ten aanzien van het enig middel in haar memorie van antwoord de exceptio obscuri libelli op. Deze exceptie wordt aanvaard in de mate dat in het verzoekschrift zonder enige nadere aanduiding van de in concreto geschonden geachte bepalingen de miskenning wordt aangevoerd van “A) de wet van 24/12/1993”, “B) het K.B. van 8/1/1996” en “C) het K.B. van 29/9/1996 enz...”. XII-3926-8\15 Eerste grief 9.
- De verzoekende partijen steunen hun eerste grief uitdrukkelijk op de schending van de formele-motiveringsplicht. Opdat aan de hoofdzakelijke doelstelling van deze verplichting zou zijn voldaan, dient de formele motivering van de bestreden beslissing de verzoekende partijen in staat te stellen om terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen deze beslissing te verweren met de middelen die het recht hun ter beschikking stelt. 9.
- De opdracht werd gegund bij wege van een openbare aanbesteding, zodat overeenkomstig artikel 15 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, de opdracht dient te worden toegewezen aan de inschrijver die de laagste regelmatige offerte heeft ingediend. De vermelding dat de opdracht wordt toegewezen aan de kandidaat die de laagste regelmatige offerte heeft ingediend volstaat in dit geval in beginsel dan ook als afdoende formele motivering. De bestreden beslissing zelf verwijst naar de toepasselijke rechtsregels, vermeldt de rangschikking van de inschrijvingen na het rekenkundig nazicht door de ontwerper, verwijst naar het verslag van de ontwerper en het ingewonnen extern juridisch advies betreffende de kwestieuze korting en stelt vervolgens vast dat de offerte van de nv Francovera “volledig conform” is en de laagste regelmatige offerte is. Deze overwegingen volstaan te dezen om te voldoen aan de formele-motiveringsplicht. 9.
- Voor zover de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord en laatste memorie aanvoeren dat de ontwerper in zijn gunningsverslag nooit heeft gesteld dat de firma Francovera de laagste regelmatige offerte heeft ingediend, dient er op te worden gewezen dat uit dit verslag onbetwistbaar blijkt dat de nv Francovera als laagste regelmatige inschrijver dient te worden beschouwd; de zin “SVR adviseert bijgevolg de werken toe te wijzen aan de best gerangschikte voor een bedrag van 1.683.248,32 i (exclusief btw)”, dus aan de prijs geboden door de verzoekende partijen, uit dit verslag berust apert op een materiële vergissing. 9.
- Voor zover verzoekende partijen ten slotte in hun memorie van wederantwoord aanvoeren dat de aanbestedende overheid de problematiek van de XII-3926-9\15 korting door de firma Francovera niet heeft onderzocht, blijkt uit de bestreden beslissing, het gunningsverslag en het ingewonnen juridisch advies dat verwerende partij de regelmatigheid van de korting wel degelijk heeft onderzocht. Verzoekende partijen leveren in hun verdere grieven in hun inleidend verzoekschrift overigens inhoudelijke kritiek op deze beoordeling van verwerende partij om de korting van de nv Francovera te aanvaarden. 9.
- De eerste grief wordt verworpen. Tweede grief 10.
- In de tweede grief, die in hoofdzaak is gesteund op de schending van het gelijkheidsbeginsel, nemen de verzoekende partijen aanstoot aan het feit dat de verwerende partij rekening heeft gehouden met de kwestieuze korting. In het verzoekschrift verwijzen de verzoekende partijen in dit verband naar de artikelen 101 en 113 van het koninklijk besluit van 8 januari
- 10.
- Artikel 101 van dit koninklijk besluit luidde in zijn op de voorliggende zaak toepasselijke versie als volgt: “Art.
- Indien het bestek meerdere percelen bevat, kan de inschrijver een offerte indienen voor één of voor meer percelen. Voor elk gekozen perceel dient hij een offerte in. Deze offertes kunnen in één document opgenomen worden indien het bestek het toelaat. Indien het bestek het toelaat, mag de inschrijver zijn offertes op de verschillende percelen aanvullen met prijsverminderingen of, in geval van offerteaanvraag, met verbeteringsvoorstellen die hij per perceel toestaat in geval van samenvoeging van bepaalde percelen waarvoor hij een offerte indient”. Reeds uit een eerste lezing van deze bepaling blijkt dat zij niet van toepassing is op de voorliggende zaak. Het bestek van de onderhavige opdracht voor het uitvoeren van schrijnwerk, die zelf een perceel is van het ruimere geheel van renovatiewerken aan het Casino Kursaal Oostende, bepaalt namelijk niet dat de opdracht voor het schrijnwerk verschillende percelen bevat, zodat van het indienen van een offerte voor verschillende percelen te dezen geen sprake is. 10.
- Artikel 113 van ditzelfde koninklijk besluit luidde in zijn op de voorliggende zaak toepasselijke versie: XII-3926-10\15 “Indien het bestek varianten oplegt of toestaat, moet het voorwerp van die varianten, hun aard en draagwijdte nader worden omschreven. In dat geval dient de inschrijver een offerte in voor het basisontwerp en, in voorkomend geval, als het om een opgelegde variante gaat, voor deze variante. De opdracht wordt gegund aan de inschrijver die de laagste regelmatige offerte heeft ingediend op grond van één enkele rangschikking van de basisoffertes en de varianten. Wanneer bij toepassing van artikel 101, inschrijvers prijsverminderingen hebben aangeboden bij samenvoeging van verscheidene percelen, wordt de keuze van de aannemer bepaald door de gegroepeerde percelen die de laagste offerte in de zin van artikel 15, § 1, van de wet vormen. Wanneer wordt vastgesteld dat verscheidene inschrijvers dezelfde laagste prijs hebben opgegeven, wordt hun gevraagd een schriftelijke korting in te dienen. Zijn er daarna nog gelijke prijzen, dan houdt de aanbestedende overheid een loting waarop de betrokkenen worden verzocht aanwezig te zijn”. Het eerste lid van dit artikel bevat een regeling voor het indienen van offertes voor opdrachten waarbij varianten toegestaan of opgelegd zijn; deze bepaling is thans dan ook niet van toepassing. Het tweede lid betreft de rangschikking van de offertes wanneer de inschrijvers bij toepassing van artikel 101 van ditzelfde koninklijk besluit een prijsvermindering hebben aangeboden; daar artikel 101 te dezen niet van toepassing is, is het tweede lid dit evenmin. Reeds uit een eerste lezing blijkt dat het derde lid ook niet van toepassing is; te dezen werd immers geen zelfde laagste prijs ingediend door verscheidende inschrijvers. 10.
- Naast het feit dat in de voorliggende zaak geen van de hypothesen waarin deze beide bepalingen zouden gelden zich voordoen, kan niet worden ingezien, en de verzoekende partijen tonen ook niet aan, waarom deze bepalingen zouden uitsluiten dat in andere gevallen een korting wordt aangeboden. Het bestek verbiedt te dezen evenmin het verlenen van een korting. De verzoekende partijen tonen voorts niet aan dat de regelgeving op de overheidsopdrachten een algemeen verbod zou bevatten op het aanbieden van een korting. Het loutere feit dat de nv Francovera een korting heeft aangeboden en dat verwerende partij deze korting heeft aanvaard, leidt op zich niet tot de schending van het gelijkheidsbeginsel, vermits, gelet op het voorgaande, in beginsel alle kandidaten in hun offerte een korting konden en mochten aanbieden. XII-3926-11\15 10.
- De stelling van de verzoekende partijen dat er zou zijn “gesjoemeld” en dat de nota met de korting achteraf aan de offerte van de nv Francovera zou zijn toegevoegd, wordt niet aanvaard. De “sterke aanwijzingen” waar de verzoekende partijen in hun laatste memorie naar verwijzen, worden niet aanvaard: - uit de nota waarin de kwestieuze korting wordt aangeboden blijkt dat deze korting wordt verleend omdat de nv Francovera reeds op de werf aanwezig is met haar materiaal en werktuigen in het kader van de uitvoering van een eerdere deelopdracht; - de offerte van de nv Francovera bevat op de tweede bladzijde wel degelijk een opgave van de totaalprijs, zowel in cijfers als in letters; - de stelling dat de parafering van de nota op de openingszitting “eenvoudigweg achteraf” zou kunnen zijn aangebracht is niet meer dan een loutere bewering; - uit de beoordeling van de eerste grief is reeds gebleken dat de ontwerper in zijn verslag wel degelijk rekening heeft gehouden met de kwestieuze korting bij het rekenkundig nazicht van de offertes; - de hele inschrijving, nota met korting inbegrepen, werd op de openingszitting geparafeerd door de voorzitter en de getuigen. 10.
- Ten slotte dient er op gewezen te worden dat de verzoekende partijen geen voorgelegd stuk van valsheid betichten. 10.
- De verzoekende partijen tonen niet aan dat te dezen een korting werd aanvaard terwijl die voor andere inschrijvers in dezelfde omstandigheden niet werd aanvaard of dat deze werd aanvaard in omstandigheden die de gelijke behandeling van de inschrijvers in het gedrang brachten. In de mate dat het enige middel is gesteund op de miskenning van het gelijkheidsbeginsel is het middel dan ook niet gegrond. 10.
- De tweede grief wordt verworpen. Derde grief 11.
- In de derde grief die de verzoekende partijen in het enig middel aanbrengen, werpen zij in wezen op dat, in weerwil van het bepaalde in “artikel 106 par. 5” van het koninklijk besluit van 8 januari 1996, de kwestieuze korting niet werd voorgelezen op de openingszitting. XII-3926-12\15 Deze bepaling luidt, in zijn op de voorliggende zaak van toepassing zijnde versie, als volgt: “Art.
- De offertes worden geopend op de plaats, de datum en het uur bepaald in de aankondiging van de opdracht of in het bestek. De verrichtingen verlopen in volgende orde: [...] 5/ de offertes, de op straffe van nietigheid voorgeschreven bijhorende documenten, de bescheiden tot wijziging en de intrekkingen worden blad per blad door de voorzitter of een bijzitter geparafeerd. De voorzitter leest de naam van de inschrijvers, hun woonplaats en de intrekkingen voor. Bij openbare of beperkte aanbesteding leest de voorzitter eveneens de aangeboden prijzen voor, ook voor de eventuele varianten en de prijswijzigingen. [...]”. 11.
- De doelstelling van deze bepaling is het waarborgen dat de offertes niet laattijdig worden ingediend of na de opening van de andere offertes nog zouden worden gewijzigd, bijvoorbeeld door het achteraf verlenen van een korting. In dit verband wordt in de eerste plaats vastgesteld dat de kwestieuze korting deel uitmaakt van een bij de offerte van de nv Francovera gevoegde nota met opmerkingen. Deze nota werd ondertekend door de gedelegeerd bestuurder van deze onderneming en is vastgehecht aan het inschrijvingsbiljet van de nv Francovera. De hele inschrijving, inbegrepen de nota, werd door de voorzitter en de getuigen op de openingszitting geparafeerd. Dit alles bevestigt dat de nota niet achteraf werd toegevoegd, in weerwil van wat de verzoekende partijen in deze grief suggereren. Het niet-voorlezen van de korting toont op zich dan ook niet aan dat de offerte van de nv Francovera laattijdig zou zijn ingediend of na de opening van de andere offertes nog zou zijn gewijzigd. Dit enkele feit vormt aldus geen voldoende reden om geen rekening te houden met de korting. 11.
- In de laatste memorie voeren de verzoekende partijen nog aan dat het niet-voorlezen van de korting de schending uitmaakt van “een substantieel vormvoorschrift, waaruit dient te worden afgeleid dat de offerte van de nv Francovera niet regelmatig was”. De verzoekende partijen halen hierbij het regelmatig verloop van de openingszitting en de materiële en formele regelmatigheid van de inschrijvingen door elkaar. Een vergetelheid of een vergissing XII-3926-13\15 op de openingszitting bij het voorlezen van de offerteprijzen kan in beginsel niet de inhoudelijke regelmatigheid van een offerte beïnvloeden, zoals de verzoekende partijen thans beweren. 11.
- In de mate dat het enig middel is gesteund op de schending van artikel 106, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 is het middel dan ook niet gegrond, nu het normdoel van deze bepaling in de voorliggende zaak blijkt te zijn bereikt. 11.
- De derde grief wordt verworpen. Vierde grief
- De vierde grief is in wezen een gedeeltelijke herhaling van een aantal elementen reeds aangebracht bij de drie eerste grieven. Geen van deze grieven is door de Raad van State aanvaard. In het auditoraatsverslag wordt de vierde grief op beredeneerde wijze verworpen. Er wordt onder meer vastgesteld dat de verzoekende partijen niet verduidelijken op welke wijze de bestreden beslissing het in deze grief geschonden geachte artikel 110 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 zou hebben miskend. De verzoekende partijen komen in hun laatste memorie niet meer terug op de vierde grief. Zij mogen dan ook worden geacht op dit punt niet langer aan te dringen op het enige middel. Besluit
- Alle aangebrachte grieven worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor de helft. XII-3926-14\15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 9 december 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-3926-15\15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.617 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.122.677 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.