id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.618 Rolnummer: A. 145439/XII-4008 Zaak: Arrest 209618 - Overheidsopdrachten - 09/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-20 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:31 Fiche Arrest nr 209.618 van 9 december 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 209.618 van 9 december 2010 in de zaak A. 145.439/XII-4008 In zake: de NV DÉ-BOUW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lodewyck Huibrecht kantoor houdend te Hooglede Ieperstraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE DE PANNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Luypaers en Hans-Kristof Careme kantoor houdend te Heverlee Industrieweg 4 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 17 december 2003, strekt tot de nietigverklaring van “het Besluit dd. 27.10.03 van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente De Panne, waarbij in het kader van een openbare aanbesteding de werken tot heropbouw van het kinderopvangcentrum ‘De Jutter’ met voorziening van een speel-o-theek te De Panne worden gegund aan de Aannemingen M. en J. Braet NV, [...] mits de prijs van 474.070,88 i (btw exclusief), zijnde 573.625,76 i (btw inclusief) en de offerte terzake van verzoekster werd verworpen”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jos Stevens heeft een verslag opgesteld. XII-4008-1\17 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober
- Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carl Van Der Espt, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jos Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De gemeente De Panne schrijft een openbare aanbesteding uit voor een overheidsopdracht van werken voor de “heropbouw van het kinderopvang- centrum ‘De Jutter’ met voorziening van een speelotheek”. De opdracht wordt aangekondigd in het bulletin der aanbestedingen van 11 juli
- 3.
- De inschrijvingen worden geopend op 15 september
- Er blijken vier offertes te zijn ingediend, onder meer door verzoekende partij en de nv Aannemingen M. & J. Braet (hierna: de nv Braet). Verzoekende partij heeft met 441.998,58 euro de offerte met de laagste prijs ingediend. De nv Braet heeft de tweede laagste prijs geboden: 478.011,74 euro. Beide bedragen zijn btw niet inbegrepen. XII-4008-2\17 3.
- Op 29 september 2003 richt de architect-ontwerper het volgende schrijven aan verzoekende partij: “Gelieve ons binnen de twaalf kalenderdagen de nodige verantwoording te verstrekken aangaande uw prijsbieding omtrent het buitenschrijnwerk in bovenvermelde zaak. Meer bepaald naar het item van E1.03.
- Montage en plan - zie bestek / plan; 12/ regel met uw vermelding van totale prijs ten aanzien van uw ingevulde prijsbieding”. 3.
- Met een aangetekend schrijven van 2 oktober 2003 bezorgt verzoekende partij de volgende prijsverantwoording aan de architect-ontwerper: “Artikel E1.
- raam R9: de opgegeven prijs, 2589 i, is de totaalprijs voor de 5 ramen van 1.10 x 1.25 m Eenheidsprijs per raam : 5 st x 517.80 i / st = 2589 i”. 3.
- Op 10 oktober 2003 stelt de architect-ontwerper een gunningsverslag op. Wat de offerte van verzoekende partij betreft wordt in dit verslag de volgende vaststelling gedaan: “4.
- Abnormaal lage eenheidsprijs Bij het hoofdstuk buitenschrijnwerk is op te merken dat een groot verschil bestaat tussen de prijsbieding van aanneming Dé Bouw en de overige prijsbiedingen omtrent meer bepaald artikel E1.03.
- Aantal Dé Bouw Braet Vandaele D’Hooge 5 2.589,00 12.584,80 13.200,00 13.763,40 Op mijn schriftelijke vraag dd. 29 september 2003 antwoordt nv Dé Bouw enkel het volgende: ‘Betreft: uw aangetekend schrijven van 29.09.2003, heropbouw De Jutter te De Panne Artikel E1.03.raam R9 : de opgegeven prijs, 2589 i, is de totaalprijs voor de 5 ramen van 1.10 x 1.25 m Eenheidsprijs per raam : 5st x 517.80 i/st = 2.589 i’ Dit antwoord is onvoldoende als motivatie. In toepassing van artikel 110 van het KB dd. 8 januari 1996 stel ik voor de offerte Dé Bouw af te wijzen wegens deze blijkbaar abnormaal lage eenheidsprijs”. XII-4008-3\17 Er wordt voorgesteld om de opdracht toe te wijzen aan de nv Braet, die als laagste regelmatige inschrijver wordt aangemerkt. 3.
- Op 27 oktober 2003 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente De Panne de thans bestreden beslissing om de offerte van verzoekende partij te verwerpen en de opdracht toe te wijzen aan de nv Braet. Deze beslissing wordt onder meer als volgt gemotiveerd: “Gelet op het verslag dd. 10 oktober 2003 van de ontwerper architect P. Dumon inzake de openbare aanbesteding, de samenvattende tabel der prijsbiedingen, van controle, doet zich voor als volgt: - Dé Bouw .......................... 462.177,14 euro - Braet ................................. 474.070,88 euro - Vandale ............................ 491.681,28 euro - D’Hooge ........................... 528.371,71 euro Overwegende dat aan de nv Dé Bouw, bij aangetekend schrijven, verantwoording werd gevraagd wegens de abnormaal lage eenheidsprijs bij het hoofdstuk buitenschrijnwerk - artikel E1.03.01; dat de nv Dé Bouw daarop bij schrijven dd. 2 oktober 2003 antwoordt als volgt: ‘artikel E1.
- raam R9 : de opgegeven prijs, 2.589 euro, is de totaalprijs voor de 5 ramen van 1.10 x 1.25 m Eenheidsprijs per raam : 5 st x 517,80 euro/stuk = 2.589 euro’ Overwegende dat deze abnormaal lage eenheidsprijs niet wordt gemotiveerd op basis van objectieve factoren steunend op de zuinigheid van het bouw- of productieprocédé of van de dienstverlening, of op de gekozen technische oplossingen, of op uitzonderlijk gunstige omstandigheden waarvan de inschrijver kan profiteren voor de uitvoering van de opdracht of op de originaliteit van het product, het ontwerp of het werk dat de inschrijver aanbiedt; Overwegende dat de verhouding met de andere inschrijvers voor het kwestieuze artikel zich als volgt voordoet: - Dé Bouw ........................... 2.589,00 euro - Braet .................................. 12.584,70 euro - Vandale ............................. 13.200,00 euro - D’Hooge ............................ 13.763,40 euro Gelet op de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten; Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1996, gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 maart 1999, betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, en de concessies voor openbare werken, inzonderheid artikel 101; [...] Beslist: XII-4008-4\17 Art. 1 : De offerte van de nv Dé Bouw [...] wordt verworpen. Art. 2 : De werken tot heropbouw van het kinderopvangcentrum ‘De Jutter’ met voorziening van een speel-o-theek worden gegund aan de Aannemingen M. en J. Braet nv [...] mits de prijs van 474.070,88 euro (btw exclusief), zijnde 573.625,76 euro (btw inclusief)”. 3.
- Met een brief van 28 oktober 2003 wordt verzoekende partij van deze beslissing op de hoogte gebracht. Een afschrift van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen wordt bijgevoegd. IV. Onderzoek van de middelen
- Verzoekende partij voert vijf middelen aan tegen de bestreden beslissing. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is gesteund op de schending van artikel 15 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Verzoekende partij wijst er op dat “uit de samenvattende tabel der prijsaanbiedingen [...] overduidelijk [blijkt] dat verzoekster de laagste regelmatige offerte indiende, doch desondanks werden de werken tot heropbouw toegewezen aan een offerte aan een hogere prijs uitgaande van de nv Aannemingen M. en J. Braet”. Door aldus te handelen heeft verwerende partij “een toewijzingsbeslissing genomen die flagrant ingaat tegen de termen van art. 15 van de wet van 24.12.93, die aan duidelijkheid geen twijfel laten [...]. Op basis van deze glasheldere wettelijke bepaling was verweerster als toewijzend bestuur verplicht de opdracht toe te kennen aan de inschrijver die de laagste regelmatige offerte indiende, zijnde verzoekster”.
- In haar memorie van wederantwoord blijft verzoekende partij op haar standpunt dat de opdracht aan haar had moeten worden toegewezen. Zij betwist nu ook het onregelmatig verklaren van haar offerte, dit met bijna woordelijk XII-4008-5\17 dezelfde argumenten zoals die in het hierna ter sprake komende tweede middel worden aangebracht. Beoordeling 7.
- Het geschonden geachte artikel 15 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, bepaalt dat “de opdracht [...] bij openbare of beperkte aanbesteding [dient] toegewezen te worden aan de inschrijver die de laagste regelmatige offerte indiende”. 7.
- De offerte van verzoekende partij werd door verwerende partij als onregelmatig verworpen omdat deze een abnormaal lage prijs bevatte voor artikel E1.03.01 - R9 van het buitenschrijnwerk, welke abnormale prijs verzoekende partij niet afdoende wist te verantwoorden. De offerte van verzoekende partij was aldus niet de laagste “regelmatige”, zoals vereist door het geschonden geachte artikel 15, waardoor deze offerte niet voor toewijzing van de opdracht in aanmerking kwam. Van een schending van deze bepaling op zich is dan ook geen sprake. Het middel is in zoverre niet gegrond. 7.
- In de mate dat verzoekende partij in de memorie van weder- antwoord aanvoert dat haar prijs voor artikel E1.03.01 - R9 van het buitenschrijn- werk niet abnormaal laag was en dat haar offerte aldus wel degelijk regelmatig was, valt dit betoog samen met het hierna ter sprake komende tweede middel. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel wordt geput uit de schending van artikel 110, § 3, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheids- opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken. XII-4008-6\17 Verzoekende partij doet gelden dat zij in haar schrijven van 2 oktober 2003 “concreet [heeft] geantwoord” op de vraag om prijsverantwoording voor het artikel E1.03.01 - R9 van het buitenschrijnwerk. Verzoekende partij wijst er op dat in artikel 110, § 3, van het voornoemd koninklijk besluit “wordt [...] voorzien dat bij lage prijzen de aanbestedende overheid motiveringen in aanmerking kan nemen die gebaseerd zijn op objectieve factoren steunend op uitzonderlijke gunstige omstandigheden waarvan de inschrijver kan profiteren voor de uitvoering van de opdracht”. Volgens haar kon zij te dezen over zulke omstandigheden beschikken: “Terzake dient verwezen te worden naar de stavende offerte die verzoekster heeft bijgevoegd aan haar schrijven dd. 2.10.03 waarin de aangerekende prijs met betrekking item (ramen R9) duidelijk bevestigd wordt zowel qua hoogte, breedte, aantal, prijs per stuk én globale prijs”. Het gaat volgens verzoekende partij “duidelijk om valabele stavende motiveringen die zijn gesteund op objectieve factoren van neutrale derden en niet op subjectieve factoren van verzoekster zelf”. Verwerende partij heeft, “door deze objectieve motiveringen als aanbestedende overheid niet in overweging te nemen en te weerhouden [...] duidelijk de bepalingen van art. 110 van het K.B. dd. 8.1.1996 geschonden”.
- In de memorie van wederantwoord erkent verzoekende partij dat zij de aangehaalde offertes niet bij haar schrijven aan verwerende partij van 2 oktober 2003 had gevoegd. Zij stelt enkel nog het volgende: “Wanneer verzoekster op 29/9/03 een aangetekende vraag tot verstrekking van verantwoording kreeg, heeft zij nogmaals alle beschikbare elementen geverifieerd waarbij o.a. ook de offerte Borra, waarna zij dan in haar schrijven dd. 2/10/03 de gevraagde toelichting heeft verstrekt gebaseerd op objectieve beschikbare gegevens; Trouwens in de aangetekende brief dd. 29/9/03 werd door verweerster omtrent het specifieke item van het buitenschrijnwerk verantwoording gevraagd en niet de voorlegging onmiddellijk van een aantal stavende documenten; Er werd vooral geïnsisteerd op een detaillering en uitsplitsing van de totaalprijs van 2589 i; Bij haar prijsbepaling en verdere detaillering van haar prijsbepaling heeft verzoekster zich gebaseerd op objectieve factoren haar verstrekt door een schrijnwerker, die regelmatig gelijkaardige werken uitvoert”. XII-4008-7\17
- In haar laatste memorie benadrukt verzoekende partij nog dat het te dezen om een openbare aanbesteding gaat waarbij de prijs determinerend is; dat zij in haar offerte reeds de technische specificaties van de betrokken ramen heeft opgegeven; en dat “uit alle voorgelegde stukken blijkt dat verzoekster geen offerte heeft ingediend aan abnormaal lage prijzen, doch wel degelijk een overwogen en onderbouwde offerte”. Beoordeling 11.
- Het geschonden geachte artikel 110, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit van 8 januari 1996, luidde in zijn op de voorliggende zaak toepasselijke versie als volgt: “§
- Vooraleer de aanbestedende overheid evenwel een offerte afwijst, wegens haar blijkbaar abnormaal hoge of abnormaal lage eenheidsprijzen of totale prijzen, verzoekt zij de betrokken inschrijver per aangetekende brief hierover de nodige verantwoordingen te verstrekken binnen een termijn van twaalf kalenderdagen, tenzij de uitnodiging een langere termijn toestaat. Tijdens het nazicht van blijkbaar abnormaal lage prijzen, kan de aanbestedende overheid motiveringen in aanmerking nemen die zijn gebaseerd op objectieve factoren steunend op de zuinigheid van het bouw- of produktieprocédé of van de dienstverlening, of op de gekozen technische oplossingen, of op uitzonderlijk gunstige omstandigheden waarvan de inschrijver kan profiteren voor de uitvoering van de opdracht of op de originaliteit van het produkt, het ontwerp of het werk dat de inschrijver aanbiedt”. 11.
- Een inschrijver die een verzoek tot prijsverantwoording ontvangt overeenkomstig deze bepaling moet weten dat dit een ernstige aangelegenheid is en hij dient zich ervan bewust te zijn dat hij zijn prijzen concreet en onderbouwd dient te verantwoorden aangezien hij het risico loopt dat zijn offerte onregelmatig wordt verklaard. 11.
- Verzoekende partij heeft te dezen in haar schrijven van 2 oktober 2003 een uiterst summiere uiteenzetting van de totaalprijs voor het artikel E1.03.01 - R9 van het buitenschrijnwerk gegeven. In wezen gaat het om niets anders dan een bevestiging van de reeds in haar offerte opgegeven eenheidsprijs en totaalprijs voor de betrokken ramen, zonder dat enige nadere onderbouwing of verantwoording van deze eenheidsprijs of totaalprijs wordt verstrekt, dewelke eventueel zou kunnen worden betrokken op één van de factoren exemplatief opgesomd in het tweede lid van het geschonden geachte artikel 110, §
- XII-4008-8\17 11.
- De verwijzing naar de bij het verzoekschrift gevoegde offertes van twee mogelijke leveranciers van de betrokken ramen, dewelke beide een eenheids- en een totaalprijs opgeven in de lijn van de prijzen vermeld in de offerte van verzoekende partij, kan aan deze laatste geen soelaas bieden. In de eerste plaats kon verwerende partij met deze offertes geen rekening houden ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing nu, zoals verzoekende partij overigens zelf erkent, deze offertes niet aan verwerende partij werden voorgelegd ter verantwoording van de als abnormaal aangemerkte prijs en zij pas voor het eerst in de procedure voor de Raad van State als dusdanig worden aangehaald. In de tweede plaats kan het enkel voorleggen van een offerte van een leverancier of onderaannemer, die de door het bestuur als abnormaal aangemerkte prijs bevestigt, in beginsel niet worden beschouwd als een concreet onderbouwde prijsverantwoording, nu een dergelijke loutere mededeling van de prijzen van een leverancier of onderaannemer op zich nog steeds niet aangeeft welke concrete en objectieve factoren de abnormale prijzen juist rechtvaardigen, dit wil zeggen de schijn van abnormaliteit die over de betrokken prijzen hangt wegnemen. 11.
- Verzoekende partij heeft te dezen aldus geen prijsverantwoording verstrekt zoals haar door verwerende partij werd gevraagd. Zij heeft zich integendeel beperkt tot het wezenlijk herhalen van de reeds in haar offerte opgenomen eenheids- en totaalprijs voor de betrokken ramen. Verwerende partij mocht dan ook terecht besluiten tot het abnormaal karakter van de prijs voor het artikel E1.03.01 - R9 van het buitenschrijnwerk in de offerte van verzoekende partij en mocht deze offerte als onregelmatig verwerpen, zonder hierdoor artikel 110, § 3 van het voormeld koninklijk besluit van 8 januari 1996 te schenden. Het middel is niet gegrond. XII-4008-9\17 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In het derde middel voert verzoekende partij de schending aan van “de motiveringsplicht en art. 2 & 3 wet 29 juli 1991 betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”. Verzoekende partij stelt dat in de bestreden beslissing “onvoldoende aan de motiveringsplicht [wordt] voldaan, minstens is de geformuleerde motivering volstrekt niet afdoende”. Zij betoogt daartoe het volgende: “Verwerende partij verwijst naar de wet van 24.12.93, doch geeft op geen enkele wijze aan waar de inschrijving van verzoekster eventueel de betrokken wet zou schenden; Er wordt verwezen naar art. 101 van het K.B. dd. 8.01.1996, doch het is volstrekt onduidelijk wat in casu de toepasselijkheid van het bewuste artikel zou kunnen zijn; Art. 101 geeft aan dat indien een bestek meerdere percelen bevat, de inschrijver een offerte kan indienen voor één of meer percelen mits hij voor elk gekozen perceel een offerte indient en deze offertes kunnen in 1 document opgenomen worden indien het bestek het toelaat en de offertes op de verschillende percelen kunnen aangevuld worden met prijsvermindering; Het is absoluut onduidelijk hoe dit artikel als motivering kan dienen om de inschrijving van verzoekster te verwerpen, zodat het hier om een schoolvoorbeeld gaat van een motivering die absoluut niet afdoende is; Tevens wordt volstrekt ten onrechte voorgehouden dat de zogezegd abnormale lage eenheidsprijs betreffende het item E1.03 raam R9 door verzoekster evenmin wordt gemotiveerd op basis van objectieve factoren; Integendeel heeft verzoekster ter ondersteuning van zijn schrijven dd. 2.10.03 een stavende offerte voorgelegd betreffende de betwiste item om aan de vraagstelling van verweerster tegemoet te komen; Uit deze stavende offerte bleek dat alle elementen qua hoogte, breedte, aantal, individuele prijs en globale prijs perfect te verantwoorden waren; Het betrof hier expliciet een motivering die gesteund was op objectieve factoren gebaseerd op uitzonderlijke gunstige omstandigheden waarvan verzoekster kon profiteren voor de uitvoering van de opdracht; Deze stavende elementen worden door verweerster compleet genegeerd, zodat de terzake aangevoerde motivering volstrekt niet afdoende is; XII-4008-10\17 Bovendien werden de feitelijke gronden en overwegingen die aan de grondslag van de beslissing dd. 27.10.03 liggen volstrekt onvoldoende uitgewerkt in de beslissing; De oorspronkelijke en later toegevoegde elementen door verzoekster werden gewoonweg genegeerd door verweerster; Zoals hoger reeds aangegeven wordt in de beslissing niet tot detaillering van de toepasselijke rechtsregels overgegaan, waarbij men er zich toe beperkt algemeen te verwijzen naar een wet of besluit zonder specifiek toepasselijke wets- of besluitsartikels aan te geven; De verstrekte motivering in het bestreden besluit is absoluut niet afdoende, zodat ook om deze reden de vernietiging van het bestreden besluit zich opdringt”.
- Verzoekende partij benadrukt in de memorie van wederantwoord dat “verwerende partij op geen enkele wijze aangeeft waar de inschrijving van verzoekster de wet van 24/12/1993 zou schenden” en dat het haar “absoluut onduidelijk [is] hoe art. 101 van het K.B. dd. 8/1/1996 als motivering kan dienen om de inschrijving van verzoekster te verwerpen”. Voorts herneemt zij haar betoog dat zij de abnormaal lage prijs wel degelijk heeft verantwoord, waarbij zij verwijst naar de bij het verzoekschrift gevoegde offerte van de nv Schrijnwerkerij Borra, welke verantwoording door verwerende partij echter “compleet [werd] genegeerd”.
- In haar laatste memorie betoogt verzoekende partij nog dat de verwijzing naar artikel 101 niet als “een simpele typfout van het bestuur” mag worden afgedaan aangezien dit “toch wel al te gemakkelijk [is]”. Zij wijst er op dat “in alle zorgvuldigheid [...] de juiste wetsartikels geciteerd [dienen] te worden door het bevoegde bestuur”. Beoordeling 15.
- In de mate dat het middel is gesteund op de schending van de formele motiveringsplicht, zoals deze voortvloeit uit de geschonden geachte artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, wordt in de eerste plaats in herinnering gebracht dat het doel van de formele motiveringsplicht er hoofdzakelijk in bestaat de verzoekende partij in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de bestreden beslissing te verweren met de middelen die het recht haar ter beschikking stelt, hetgeen inhoudt dat zij uit de meegedeelde motivering moet kunnen afleiden om welke redenen de gekozen offerte de voorkeur verdient boven XII-4008-11\17 de hare, dan wel, zoals te dezen, om welke redenen haar offerte als onregelmatig werd geweerd. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing, zoals in dit arrest aangehaald onder het randnummer 3.6., uitgebreid de redenen waarom de offerte van verzoekende partij als onregelmatig diende te worden beschouwd en waarom dienvolgens de opdracht diende te worden toegewezen aan de laagste regelmatige inschrijver, de nv Braet. Een afschrift van deze beslissing werd met een brief van 28 oktober 2003 aan verzoekende partij bezorgd, wat door deze laatste niet wordt betwist. Zij blijkt aldus kennis te hebben gekregen van de motieven die aan de bestreden beslissingen ten grondslag liggen, waardoor het voornaamste doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht te dezen is bereikt. Verzoekende partij was immers in staat was om zich een oordeel te vormen of het al dan niet zin had die beslissing met rechtsmiddelen aan te vechten. In zoverre het middel de schending van de formele motiveringsplicht betreft is het dan ook niet ontvankelijk. 15.2.
- De daarnaast in dit middel aangebrachte inhoudelijke kritiek op de motieven van de bestreden beslissing komt de Raad van State als niet pertinent voor. 15.2.
- Verzoekende partij laakt in de eerste plaats de verwijzing in de bestreden beslissing naar de wet van 24 december 1993 betreffende de overheids- opdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. De loutere verwijzing naar deze wet in de considerans van de bestreden beslissing blijkt evenwel geen dragend motief voor het onregelmatig verklaren van de offerte van verzoekende partij wegens een abnormaal lage prijs te zijn, welke onregelmatigverklaring wordt gesteund op het thans ter sprake komende artikel 110, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit van 8 januari
- 15.2.
- Verzoekende partij put een tweede grief uit de verwijzing in de bestreden beslissing naar “artikel 101” van het koninklijk besluit van 8 januari
- Artikel 101 betreft de hypothese dat de opdracht uit meerdere percelen bestaat en regelt de modaliteiten van het indienen van een offerte voor een dergelijke opdracht. XII-4008-12\17 Vermits voorliggende opdracht niet in percelen blijkt te zijn opgedeeld is deze bepaling thans niet van toepassing. In tegenstelling tot wat verzoekende partij aanvoert mag redelijkerwijze worden aanvaard dat de verwijzing naar “artikel 101” wel degelijk een “simpele typfout van het bestuur” betreft, nu verwerende partij de offerte van verzoekende partij klaarblijkelijk bij toepassing van artikel 110, § 3, van ditzelfde koninklijk besluit als onregelmatig heeft aangemerkt en geweerd en zulks in navolging van het gunningsverslag waarin wel sprake is van artikel
- Het niet opmerken van de verschrijving “101” en “110” is een vergetelheid die op zich niet van aard is om de geldigheid van de bestreden beslissing aan te tasten. In deze mate is het middel dan ook niet gegrond. 15.2.
- In de mate dat verzoekende partij nog aanvoert dat zij de als abnormaal bestempelde prijs wel degelijk heeft gerechtvaardigd, doch dat de motivering van de bestreden beslissing hiermee geen rekening houdt, wordt verwezen naar de beoordeling van het voordien reeds ongegrond bevonden tweede middel. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In het vierde middel wordt de schending van artikel 101 van het voornoemd koninklijk besluit van 8 januari 1996 ingeroepen. Verzoekende partij doet daartoe het volgende gelden: “Art. 101 van genoemd besluit stelt dat zo een bestek meerdere percelen bevat een kandidaat-inschrijver prijsoffertes kan indienen voor de diverse percelen; Zo ook werd in casu voor het buitenschrijnwerk een prijsofferte ingediend, waarbij het overeenkomstig art. 101, 2de lid van het K.B. dd. 8.01.1996 toegelaten is om prijsverminderingen aan te vullen; Ook in deze zin was de door verzoekster ingediende inschrijving volledig conform met de geldende reglementering betreffende openbare aanbesteding; Desondanks werd de prijs voorgesteld door verzoekster betreffende het item E1.03 raam R9 door verweerster compleet in twijfel getrokken en individueel volledig uit zijn verband getrokken; XII-4008-13\17 Door aldus te handelen wordt het art. 101 van het K.B. dd. 8.01.96 geschonden”.
- In de memorie van wederantwoord beperkt verzoekende partij zich tot een verwijzing naar het verzoekschrift en de verklaring dat zij het middel handhaaft.
- Verzoekende partij benadrukt in de laatste memorie dat het vierde middel, dat “de inhoudelijke respectering” van artikel 101 betreft, niet mag worden verward met het derde middel, dat “vooral over de motivering gaat”, “hetgeen twee verschillende zaken zijn”. Beoordeling
- Zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het derde middel betreft het geschonden geachte artikel 101 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 de hypothese dat de opdracht uit meerdere percelen bestaat en regelt deze bepaling de modaliteiten van het indienen van een offerte voor een dergelijke opdracht. De kwestieuze opdracht blijkt evenwel niet in percelen te zijn opgedeeld, zodat deze bepaling niet van toepassing is op de voorliggende zaak. Er kan dan ook niet worden ingezien hoe verwerende partij deze bepaling bij het nemen van de bestreden beslissing zou hebben miskend, minstens wordt niet ingezien hoe dit verzoekende partij zou kunnen grieven. Het middel is niet gegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- In het vijfde en laatste middel is ten slotte de schending van het vertrouwensbeginsel aan de orde. Verzoekende partij stelt dat zij na ontvangst van het schrijven van verwerende partij van 29 september 2003 waarin de kwestieuze prijsverantwoording XII-4008-14\17 wordt gevraagd contact heeft opgenomen met de architect-ontwerper “nopens de toedracht van de vraagstelling”. Volgens verzoekende partij werd er daarop “vanuit de hoek van verweerster duidelijk gesteld dat verzoekster enkel diende te bevestigen dat de door haar opgegeven prijs betreffende het item E1.03 raam R9 2.589 i was, hetgeen wel degelijk de totaalprijs betrof en geenszins de prijs per stuk”. Zij heeft “dit ook bevestigd in haar schrijven van 2.10.03, waarna het dan later in de beslissing dd. 27.10.03 voorgesteld wordt alsof verzoekster geen verantwoording heeft verstrekt”. Het gaat volgens verzoekende partij “niet op dat een toewijzend bestuur een dergelijke gedragslijn aanneemt waarbij een rechtsonderhorige volledig op het verkeerde been gezet wordt”, zodat duidelijk is dat “het vertrouwensbeginsel hier ernstig geschonden wordt”.
- In haar memorie van wederantwoord wijst verzoekende partij er op dat het bestuur het bij de bestuurde opgewekte vertrouwen niet mag beschamen, wat te dezen wel degelijk is gebeurd. Aan verzoekende partij werd immers enkel de schriftelijke bevestiging van de door haar voorgestelde prijzen gevraagd en niet het voorleggen van bijkomende stavende stukken. “Het is zonneklaar”, aldus verzoekende partij, “dat verzoekster hier volledig op het verkeerde been werd geplaatst”.
- Verzoekende partij herneemt haar argumenten in de laatste memorie en voegt er nog aan toe dat uit alle elementen van het dossier blijkt dat er geen sprake was van abnormaal lage prijzen. Beoordeling 23.
- Het vertrouwensbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur dat moet vermijden dat de rechtmatige verwachtingen die de bestuurde uit het bestuursoptreden put, te kort worden gedaan. Dit houdt onder meer in dat -onder omstandigheden- de bestuurde moet kunnen vertrouwen op toezeggingen of beloften die de overheid heeft gedaan. 23.
- In het schrijven van de architect-ontwerper van 29 september 2003 wordt verzoekende partij gevraagd om een verantwoording te verstrekken voor de door haar geboden prijs voor artikel E1.03.01 - R9 van het buitenschrijnwerk. XII-4008-15\17 Dat deze vraag om prijsverantwoording tijdens een latere mondelinge contactname met de architect-ontwerper door deze laatste eigenhandig zou zijn beperkt tot enkel een “bevestiging” van de totaalprijs -hetgeen een loutere bewering van de verzoekende partij is- doet evenwel geen afbreuk aan de verplichting voor verzoekende partij om de betrokken prijs te verantwoorden in overeenstemming met artikel 110, § 3, van het voornoemd koninklijk besluit van 8 januari
- Deze verplichting, zoals reeds in huidig arrest werd uiteengezet, omvat meer dan het louter bevestigen van de prijzen die als abnormaal werden aangemerkt en veronderstelt het aanbrengen door de inschrijver van concrete en objectieve factoren die de door het bestuur als abnormaal aangemerkte prijzen kunnen rechtvaardigen. Van een inschrijver op een overheidsopdracht mag worden verwacht dat hij de draagwijdte van deze verplichting kent. De aan verzoekende partij beweerlijk gedane toezegging kan hoe dan ook niet opwegen tegen deze rechtstreekse verplichting. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 9 december 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-4008-16\17 XII-4008-17\17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.