← België

Arrest 209650 - Diploma’s - 09/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.650 Rolnummer: A. 197828/XII-6366 Zaak: Arrest 209650 - Diploma's - 09/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-10 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:31 Fiche Arrest nr 209.650 van 9 december 2010 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 209.650 van 9 december 2010 in de zaak A. 197.828/XII-6366 In zake: Robbert DE WIT woonplaats kiezend te Tessenderlo Jagersweg 1 tegen: de VZW ONDERWIJSINRICHTINGEN VOORZIENIGHEID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bergé kantoor houdend te Leuven Naamsestraat 165 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 september 2010, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van 13 juli 2010 van de raad van bestuur van de vzw Onderwijsinrichtingen Voorzienigheid om de over Robbert De Wit delibererende klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag over het beroep tot nietigverklaring opgesteld op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling be- stuursrechtspraak van de Raad van State. XII-6366- 1/9 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 december
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Jenny Corten en Marc De Wit, ouders en wettige vertegen- woordigers van verzoeker, die in persoon verschijnen en advocaat Jan Bergé, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker volgt tijdens het schooljaar 2009-2010 het eerste leerjaar van de tweede graad wetenschappen ASO in de scholengroep Voorzie- nigheid te Diest. Tijdens een predeliberatie, waarvan verzoeker verslag krijgt overhandigd, wordt vastgesteld dat verzoekers overgang in het gedrang komt indien voor wiskunde geen duidelijke verbetering optreedt en dat ook voor Frans een blijvende inzet wordt gevraagd. De delibererende klassenraad verleent aan verzoeker op het einde van het schooljaar een oriënteringsattest B, met clausulering voor alle on- derverdelingen ASO uitgezonderd humane wetenschappen ASO. De motivering hiervoor luidt : “Heeft studiebegeleiding gevolgd tijdens het schooljaar. XII-6366- 2/9 Wiskunde : onvoldoende over de hele lijn, zowel kennis als inzicht. On- danks wekelijkse remediëring nog steeds onvoldoende. Tekort bij vakken die behoren tot het studierichtingsprofiel. Tekorten aan basisleerstof om over te gaan naar een volgend jaar We- tenschappen. Tekorten : wiskunde (46,9 %). Globaal resultaat : 61,0 %”. 3.
  6. Na vruchteloos gebleven overleg tekenen de ouders van ver- zoeker, die zich met dit attest niet kunnen verenigen, beroep aan bij de beroeps- commissie. Zij vermelden hierin onder meer het volgende : “[Wij] dachten er aan om onze zoon het 4de jaar Wetenschappen te laten volgen in een andere school met meer ruimte, minder leerlingen en meer individuele begeleiding. Met zijn huidige studiebewijs is deze mogelijk- heid er nu echter niet meer […]. Gezien de uitslag van zijn rapport in het algemeen : 61 % ten opzichte van een klasgemiddelde van 67,6 % en het gegeven dat hij enkel één kleine onvoldoende heeft (46,9 %) zouden wij u willen vragen ons verzoek ernstig in overweging te nemen […]”. De beroepscommissie stelt op 8 juli 2010 een verslag op met een samenvatting van het standpunt van de ouders in 17 punten en een samenvatting van het standpunt van de directie in 13 punten. Dit verslag is ondertekend door verzoeker, zijn ouders en de directeur, maar niet door de voorzitter of de leden van de beroepscommissie. Op 8 juli 2010 adviseert de beroepscommissie aan het school- bestuur dat een nieuwe bijeenroeping van de delibererende klassenraad niet ge- rechtvaardigd is. 3.
  7. Aan verzoeker wordt dan bij aangetekende brief van 13 juli 2010 de bestreden beslissing aldus medegedeeld : “De raad van bestuur van de VZW Onderwijsinrichtingen Voorzienigheid behandelde in zijn vergadering van 13 juli 2010 het bezwaarschrift met betrekking tot de attestering door de delibererende klassenraad van klas 3 Wetenschappen t.a.v. Robert De Wit. De raad van bestuur heeft, na onderzoek van : XII-6366- 3/9 - vermeld bezwaarschrift - de beslissing van de klassenraad - de notulen van de delibererende klassenraad - de rapportcijfers van de leerling - de gegevens uit het leerlingdossier - het advies van de interne beroepscommissie beslist dat de delibererende klassenraad niet opnieuw dient samen te komen. De beslissing is weloverwogen op grond van het dossier van de leerling. De resultaten voor de proeven wiskunde waren in december en april on- voldoende. In juni was er slechts een beperkte verbetering. Dit resultaat werd behaald na inhaallessen, gesprekken met de coördinator en initia- tieven op het vlak van begeleid leren. De resultaten bevestigen het advies in het tweede jaar om niet te kiezen voor 5u wiskunde”. IV. Toepassing korte debattenprocedure Standpunt van de partijen
  8. Verzoeker voert aan het B-attest onterecht te vinden omdat hij 61 % heeft behaald, ten opzichte van een klasgemiddelde van 67,6 %, en omdat hij enkel één kleine onvoldoende heeft (46,9%). Hij merkt op dat zijn einduitslag in vergelijking met de vorige studiejaren ook steeds meer het klasgemiddelde bena- dert en daar dit jaar slechts 6,6 % van verwijderd was. Voorts wijst hij erop dat voor het derde trimester, zijn uitslagen er sterk waren op vooruit gegaan zowel voor Frans (12,2 % gestegen met 3% boven het klasgemiddelde), fysica (8,5 % gestegen), godsdienst, biologie (18,9 % gestegen en 2,4 % boven het klasgemid- delde) en wiskunde (6,9 % gestegen). Hoewel hij er dus op vooruit is gegaan wordt hierover in de bestreden beslissing niet gesproken. Verzoeker vindt het onbegrij- pelijk dat wegens een miniem tekort op wiskunde, de wetenschappen maar ook de richtingen moderne talen en economie worden uitgesloten. Verzoeker neemt ook nog “het gesprek” met de beroepscommissie op de korrel en voert aan dat zijn argumenten amper in overweging werden genomen.
  9. Ter terechtzitting erkent de verwerende partij dat er bij de for- mele en lapidaire motivering vragen kunnen rijzen. Volgens haar evenwel is het XII-6366- 4/9 onderwijs niet voorbereid op de vereisten inzake formele-motiveringsplicht en moet men “in de onderwijslogica” hiermee rekening houden. De ouders van ver- zoeker zijn met alle gegevens vertrouwd, zij waren aanwezig op oudercontacten, kenden de bedenkingen van de predeliberatie en het dossier heeft voor hen geen geheimen. Verwerende partij verwijst nog naar het advies van de be- roepscommissie –waarvan haar raadsman dan ter plekke aan de ouders van ver- zoeker voor het eerst een afschrift overhandigt- en naar de verklaring van de leerkracht wiskunde, die zij samen met een “analyse van de examens wiskunde” neerlegt in het administratief dossier. Beoordeling
  10. Verzoeker heeft een oriënteringsattest B gekregen. Een dergelijk B-attest betekent luidens artikel 39 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: organisatiebesluit) “dat de leerling het leerjaar met vrucht beëindigd heeft in de betrokken onderwijsinstelling en derhalve tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen en/of onderverdelingen” waarbij artikel 38, 1°, van hetzelfde besluit preciseert dat een leerling met vrucht het eerste leerjaar van de tweede graad beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”. Die definitie van een B-attest doet aannemen dat de motivering van een dergelijk attest de redenen kenbaar moet maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de delibererende klassen- raad toch de toegang tot welbepaalde richtingen moet worden ontzegd. XII-6366- 5/9
  11. Ten einde te dezen aan verzoeker een B-attest te geven, heeft de klassenraad geoordeeld dat voor die leerling niet het vereiste perspectief voor- handen is om het volgend jaar welbepaalde richtingen aan te kunnen. Om een klassenraad, die over geen onfeilbare voorspellende gaven beschikt, toe te staan toch zo in de toekomst te kijken, is vereist dat hij voor de motivering van zijn beslissing een beroep doet op concrete en overtuigende gegevens uit het indivi- duele leerlingendossier. Een delibererende klassenraad die zijn noodzakelijk ook deels subjectieve oordeel over een gebrek aan redelijke slaagkansen van een leer- ling in een volgend jaar immers niet kan relateren aan de objectieve gegevens van het dossier overschrijdt de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid.
  12. Dit is ook wezenlijk de vraag die verzoeker stelt. Het is de reden waarom hij het hem door het organisatiebesluit geboden recht benut om zijn be- zwaren en vragen door middel van een administratief beroep aan verwerende partij voor te leggen. Een leerling die, zoals verzoeker, gebruik maakt van zijn recht om een deliberatiebeslissing aan te vechten, mag verwachten dat in de loop van de administratieve beroepsprocedure een antwoord komt dat ervan doet blijken dat zijn bezwaren ernstig in overweging zijn genomen. Daarbij moet evenwel elk orgaan dat in het kader van deze procedure een opdracht krijgt toevertrouwd, erop letten zich aan de grenzen van die opdracht te houden, zoals die zijn getrokken bij de artikelen 72 en 73 van het organisatiebesluit: de beroepscommissie adviseert, het schoolbestuur beslist om de delibererende klassenraad al dan niet opnieuw samen te roepen en die klassenraad is als enig orgaan bevoegd om te oordelen over het slagen of clausuleren van de leerling in kwestie. De beroepscommissie en naderhand het schoolbestuur mogen niet de beslissing van de delibererende klas- senraad overdoen. Als de grieven van de leerling relevant blijken en in de moti- vering van de delibererende klassenraad geen weerlegging kregen, staat er niets anders te doen dan (te adviseren om) deze klassenraad opnieuw samen te roepen.
  13. Gesteld tegenover de concrete gegevens van deze zaak geeft de hiervóór geciteerde motivering van het B-attest geen blijk van de grote omzich- tigheid waartoe een prospectieve deliberatie nochtans noopt. Zo faalt de over XII-6366- 6/9 verzoeker delibererende klassenraad om concreet aan te geven hoe de gegevens van verzoekers individuele leerlingendossier hem tot het besluit brengen dat ver- zoeker een A-attest en de toegang tot álle studierichtingen in het ASO behalve de humane wetenschappen moet worden ontzegd. De klassenraad laat het raden er- naar wat de relevantie mag zijn van het motief “[t]ekort bij vakken die behoren tot het studierichtingsprofiel”, waar verzoeker immers voor alle vakken op wiskunde na geslaagd is op jaarbasis. Terecht stelt verzoeker zich de vraag aan welke ba- sisleerstof het hem tekort schiet, als hij 61% globaal behaalt, en –zoals gezegd met uitzondering van het vak wiskunde- geen jaartekorten. Overigens is het volgens de bewoordingen van de klassenraad zelf enkel een verklaring voor de clausulering “naar een volgend jaar wetenschappen”, en is het bijgevolg al helemaal niet die- nend ter ondersteuning van de clausulering van álle ASO-richtingen behalve hu- mane wetenschappen. Een motief “Globaal resultaat: 61%” kan vanzelfsprekend al helemaal geen ondersteuning bieden om aan verzoeker een A-attest te ontzeggen of aan de clausulering, integendeel. Terecht stelt verzoeker dan ook dat de opgegeven motivering de indruk wekt dat de delibererende klassenraad enkel oog heeft gehad voor het ene tekort voor het vak wiskunde en dat hij heeft nagelaten dit tekort te relateren aan andere relevante gegevens, zoals de omvang en impact zelf van dit tekort, de concrete leerplandoelstellingen die niet zijn behaald en hun belang voor richtingen met vijf uur wiskunde, de overige resultaten of de progressie die verzoeker heeft gemaakt, of nog, de haalbaarheid om het tekort te remediëren in het tweede jaar van de tweede graad in een school met minder leerlingen en met meer individuele studiebegeleiding, zoals verzoeker voorstelt. Nochtans is het geenszins zo spon- taan en dus zonder behoefte aan enige bijkomende motivering duidelijk dat dit geheel van gegevens allerminst kan opwegen tegen het ene concreet behaalde tekort voor wiskunde. In dat verband herinnert de Raad van State eraan dat luidens artikel 57 van het organisatiebesluit, het met vrucht beëindigen van de leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden is aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of geheel van de vorming. XII-6366- 7/9
  14. De beslissing van de delibererende klassenraad, zowel om ver- zoeker geen A-attest te geven én om hem daarbij voor alle ASO-richtingen behalve humane wetenschappen te clausuleren, is bijgevolg niet wettig gemotiveerd. Die vaststelling alleen reeds had het bevoegd gezag ertoe moeten brengen om de klassenraad opnieuw samen te roepen, zodat zijn weigering eveneens onwettig is. Het valt immers alléén de delibererende klassenraad toe om over de -omvang van de- attestering van verzoeker te beraadslagen en te oordelen, zodat wat het schoolbestuur of de beroepscommissie ook zouden hebben toegevoegd aan de motivering van de delibererende klassenraad ter zake niet relevant is, want niet uitgaande van het enige daartoe door de regelgeving aangewezen orgaan. Nog minder mag de Raad van State om diezelfde reden rekening houden met bijko- mende argumenten die verwerende partij slechts mondeling op de terechtzitting naar voren brengt, of met de niet eens gedateerde verklaringen van de leerkracht wiskunde. Overigens hebben die stukken ook nog steeds enkel betrekking op de resultaten voor het vak wiskunde. Slechts ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat ook het schoolbestuur in zijn beslissing –en in zijn verweer voor de Raad van State- enkel oog heeft voor het tekort wiskunde, zonder dit tekort in het groter geheel te plaatsen en dat het schoolbestuur enkel refereert aan de clausulering voor rich- tingen met vijf uur wiskunde wijl het verleende attest, bijvoorbeeld, ook de rich- ting economie-talen en Steinerpedagogie uitsluit.
  15. Zoals de Raad van State reeds in eerdere arresten heeft geoor- deeld kan weliswaar begrip worden opgebracht voor een synthetische motivering aan het einde van het schooljaar, maar is het net het bestaan en doorlopen van de beroepsprocedure wat de school moet brengen tot nadere explicitering van een oorspronkelijk misschien te beknopte en daardoor voor de leerling onaanvaardbare motivering. Dat een klassenraad er “in de onderwijslogica” niet op voorbereid is om zijn aan het leerlingendossier gerelateerde pedagogische argumenten over de kennis en kunde van een leerling uitdrukkelijk onder woorden te brengen, zoals ter terechtzitting is betoogd, kan als verweer stellig niet worden aanvaard. Het sys- XII-6366- 8/9 tematisch, volgens aangenomen beginselen, georganiseerd overbrengen van ele- mentaire en uitgebreide kennis en kunde door daartoe aangestelde, bevoegde leerkrachten, aan afzonderlijke of daarvoor bijeenzijnde personen is de omschrij- ving die het van Dale groot woordenboek van de Nederlandse taal aan het onder- wijs geeft. Welnu, meer is het niet dat door de motiveringsplicht aan de school wordt opgelegd.
  16. Het auditoraat heeft op goede grond gemeend dat het voorlig- gende beroep slechts korte debatten vereist en er dienovereenkomstig onverwijld verslag over uitgebracht. Het middel is in de besproken mate gegrond. BESLISSING
  17. De Raad van State vernietigt de beslissing van 13 juli 2010 van de raad van bestuur van de vzw Onderwijsinrichtingen Voorzienigheid om de over Rob- bert De Wit delibererende klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen.
  18. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 9 december 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6366- 9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.650 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.