id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.661 Rolnummer: A. 187450/X-13691 Zaak: Arrest 209661 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-20 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:31 Fiche Arrest nr 209.661 van 10 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.661 van 10 december 2010 in de zaak A. 187.450/X-13.
- In zake : Henriette PEETERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerald Kindermans kantoor houdend te 3870 HEERS Steenweg 161 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de deputatie van de provincieraad van LIMBURG -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 12 maart 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 10 januari 2008 van de deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij het beroep van Henriette Peeters, ingesteld tegen de beslissing van 19 oktober 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen houdende weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor het herinrichten van twee wooneenheden en een handelspand op een perceel gelegen te Eisden (Maasmechelen), Pauwengraaf, kadastraal bekend sectie D, nr. 801/a, niet wordt ingewilligd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. X-13.691-1/12 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 mei
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ellen Marès, die loco advocaat Gerald Kindermans verschijnt voor de verzoekende partij, en Inge Willems, bestuurssecretaris, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekster is eigenaar van een onroerend goed op het perceel gelegen aan de Pauwengraaf 13 te Maasmechelen, kadastraal bekend sectie D, nr. 801/a. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Limburgse Maaskant, vastgesteld bij koninklijk besluit van 1 september 1980, is het betrokken perceel gelegen in woongebied. Het is tevens gelegen in het gebied van het bijzonder plan van aanleg “Pauwengraaf - Herziening en Uitbreiding”, goedgekeurd bij besluit van 18 september 2007 van de bevoegde Vlaamse minister (hierna: het nieuwe BPA). Volgens de stedenbouwkundige voorschriften van het nieuwe BPA zijn de gebouwen waarop de aanvraag betrekking heeft deels gelegen in zone voor gesloten bebouwing en deels in zone voor economische nevenactiviteiten. X-13.691-2/12
- Ten tijde van de stedenbouwkundige aanvraag was het betrokken perceel gelegen in het gebied van het bijzonder plan van aanleg “Pauwengraaf”, goedgekeurd bij besluit van 20 december 2000 van de bevoegde Vlaamse minister (hierna: het vroegere BPA). Artikel 16 van de stedenbouwkundige voorschriften van het vroegere BPA bepaalde: “Artikel 16: Zone voor economische nevenactiviteiten a. Bestemming Zone voorbehouden voor handel, huisnijverheden en diensten die het stil en gezond karakter van de omgeving niet schaden. Woonvertrekken zijn niet toegelaten. De uitgeoefende functies staan in relatie met de functie van de gelijkvloerse bouwlaag behorend bij de voorliggende zone voor hoofdgebouwen. Deze zone, behalve de zone gemerkt A, mag maar bebouwd worden voor zover de voorliggende zone voor hoofdgebouwen gerealiseerd is teneinde geen openingen in de straatwand te krijgen. Het inrichten van parkeerplaatsen behorend bij de tertiaire functie is toegelaten. (…)”.
- Op 31 augustus 2007 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekster bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen de aanvraag in voor het herinrichten van een bestaande toestand tot twee wooneenheden en een handelspand op het betrokken perceel. In de beschrijvende nota motiveert zij haar aanvraag als volgt: “Dit te verbouwen en te herinrichten gebouw is een bestaand gebouw. Oorspronkelijk maakte het deel uit van één geheel met het rechts naastliggende gebouw (zie daartoe de lay-out van de raamstructuur en het dak.) Ook de achtergelegen gebouwen waren toegankelijk vanuit een doorgang met toegangsdeur vanaf de Pauwengraaf. Langs achter waren en zijn deze gebouwen nog steeds toegankelijk vanaf de Mie Merckenstraat (dit voor parking van auto) Het geheel is gelegen in het BPA Pauwengraaf en behelst het herinrichten, zonder uitbreiding van het bestaande gebouw. Het aanpassen aan het hedendaagse comfort (sanitair en elektriciteit) en het individualiseren van de verwarming. Het geheel wordt opgedeeld in een commercieel gedeelte langs de Pauwengraaf en twee woongelegenheden, die ieder een aparte toegang hebben; - Woongelegenheid 1 heeft haar toegang, wc, keuken en living gelijkvloers terwijl de slaapkamer en badkamer op het verdiep zijn. X-13.691-3/12 - Woongelegenheid 2 heeft zijn toegang op het gelijkvloers, niet achter het commerciële gedeelte en bezit de living en keuken boven het commerciële gedeelte (de vloer is uit beton wat goed is voor de brandveiligheid) en een dressing met badkamer langs achter. Drie slaapkamers zijn ingericht in het dakverdieping Het geheel is langs de voorkant een gesloten bebouwing, terwijl langs achter de achterbouw een halfopen karakter heeft, samen met de gebuur rechts, die dat ook heeft”.
- Op 14 september 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen de stedenbouwkundige vergunning voor de gevraagde werken. In het besluit wordt onder meer overwogen: “Bepaling van het plan dat van toepassing is op de aanvraag Overwegende dat het perceel gelegen is binnen de grenzen van een bijzonder plan van aanleg Pauwengraaf - wijziging 5, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 22/12/2000 in een zone voor gesloten bebouwing; dat dit BPA op dit ogenblik in herziening is gesteld; dat het voorgestelde ontwerp anticipeert op deze wijziging en zonder dat dit in strijd is met de nog geldende voorschriften van het BPA Pauwengraaf”.
- Op 9 oktober 2007 schorst de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de verleende stedenbouwkundige vergunning op grond van de volgende redenen: “Voor het gebied waarin de aanvraag gelegen is, bestaat er het op datum van 20.12.2000 bij besluit van de minister goedgekeurd bijzonder plan van aanleg Pauwengraaf, niet zijnde een bijzonder plan van aanleg, bedoeld in artikel 15 van (het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996); De beslissing van het college van burgemeester en schepenen is met dit plan niet in overeenstemming op volgend punt: De woongelegenheid in de achtergebouwen is gelegen binnen een zone voor economische nevenactiviteiten. Volgens artikel 16 ‘zone voor economische nevenactiviteiten’ zijn woonvertrekken in deze zone niet toegelaten. Deze zone is voorbehouden voor handel, huisnijverheden en diensten die het stil en gezond karakter van de omgeving niet schaden”.
- Op 19 oktober 2007 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen de voormelde beslissing van 14 september 2007 in te trekken en de stedenbouwkundige vergunning te X-13.691-4/12 weigeren met verwijzing naar de motivering van de schorsingsbeslissing van 9 oktober 2007 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. Tegen deze weigeringsbeslissing stelt de verzoekster administratief beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Limburg.
- Op 6 december 2007 stelt de 3de directie Infrastructuur, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Natuur, sectie 3.2.1 Ruimtelijke Ordening - Vergunningen een nota op ten behoeve van de deputatie van de provincieraad van Limburg, waarin de aanvraag ongunstig wordt geadviseerd.
- Op 11 december 2007 vindt een hoorzitting plaats over de aanvraag.
- Bij de bestreden beslissing van 10 januari 2008 beslist de deputatie van de provincieraad van Limburg het beroep van de verzoekster, ingesteld tegen de voormelde beslissing van 19 oktober 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen niet in te willigen en geen stedenbouwkundige vergunning te verlenen. De bestreden beslissing is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat het beroep ertoe strekt een stedenbouwkundige vergunning te verkrijgen voor het herinrichten van de bestaande toestand tot twee wooneenheden en een handelspand, voor een gebouw aan de Pauwengraaf te Eisden; dat het gebouw een woon- en handelshuis betreft, aan straatzijde in gesloten bebouwing, met een bouwvolume van 2 bouwlagen en een zadeldak; dat achter dit hoofdvolume 2Z zich een achterbouw bevindt, in halfopen bebouwing tegen de linker perceelsgrens, met 2 bouwlagen onder een plat dak; dat de totale bouwdiepte ca. 27,90 m bedraagt; dat het ontwerp gelijkvloers een winkelruimte voorziet aan straatzijde en een achtergelegen woongelegenheid, die één slaapkamer en badkamer op de verdieping heeft, en een tweede woongelegenheid als duplex in het verdiepingsvolume van de hoofd- en achterbouw; Overwegende dat aanvankelijk door het college van burgemeester en schepenen de stedenbouwkundige vergunning werd verleend; dat na de schorsing ervan door de gemachtigde ambtenaar deze vergunning werd ingetrokken; Overwegende dat volgens het goedgekeurd gewestplan Limburgs Maasland (sic) het perceel gesitueerd is in een woongebied; dat overeenkomstig artikel 5 § 1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de X-13.691-5/12 ontwerpgewestplannen en gewestplannen, de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven; dat overeenkomstig artikel 19 van bovenvermeld koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, ook al is de aanvraag niet strijdig met de bestemming van het gewestplan, de vergunning evenwel slechts wordt afgegeven zo de uitvoering van de werken en handelingen verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; Overwegende dat de ordening ter plaatse bepaald is met het BPA ‘Pauwengraaf’, goedgekeurd bij ministerieel besluit d.d. 18 september 2007; dat volgens het betreffende bestemmingsplan het perceel begrepen is in een zone voor gesloten bebouwing, verder gespecificeerd met de aanduidingen WI en Z, en binnen een zone voor economische nevenactiviteiten; dat aan de zijde van de Mie Merkenstraat het perceel eveneens begrepen is binnen een bouwstrook, namelijk een zone voor gesloten bebouwing met aanhorigheden; dat het tussenliggende perceelsdeel bestemd is als zone voor publieke parking, en begrepen is binnen een onteigeningsplan; dat het perceel geen deel uitmaakt van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een goedgekeurde verkaveling; Overwegende dat het plan bestaande toestand geen bestemmingen van de vertrekken vermeldt; dat in dit opzicht het onduidelijk is wat het huidige gebruik van het gebouw inhoudt; dat volgens inlichtingen van de gemeentelijke dienst bevolking er op dit ogenblik voor kwestieus adres slechts één inschrijving bestaat in de bevolkingsregisters; Overwegende dat het ontwerp woonruimten van twee woongelegenheden omvat in de zone voor economische nevenactiviteiten; dat overeenkomstig de betreffende bestemmingsvoorschriften in art. 1.
- wonen in deze zone niet is toegelaten; dat deze zone voorbehouden is voor handel, diensten, ambachtelijke activiteiten - op voorwaarde dat zij het rustige karakter van de omgeving niet schaden en in relatie staan met de functie van de gelijkvloerse bouwlaag van de voorliggende zone voor hoofdgebouwen -, alsook voor parkeerplaatsen; dat bestemmingswijzigingen niet kunnen worden toegestaan met toepassing van artikel 49 van het decreet van 18 mei 1999 (en latere wijzigingen) houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (lees: het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996); dat de afwijkingsmogelijkheid volgens artikel 49 enkel bestaat voor de voorschriften in verband met de afmetingen, de plaatsing en het uiterlijk van de bouwwerken en in verband met de perceelsafmetingen; Overwegende dat ook de voorgestelde perceelsinrichting met groenaanleg en parkeerplaatsen bereikbaar vanaf de Mie Merkenstraat niet beantwoordt aan de ordening van het BPA; X-13.691-6/12 Overwegende dat wegens de strijdigheid met de vigerende voorschriften het ontwerp niet voor vergunning in aanmerking komt; (…)”. IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- In een enig middel wordt de schending aangevoerd van artikel 145bis, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van de materiële motiveringsplicht. De verzoekster betoogt dat het nieuwe BPA pas werd goedgekeurd bij besluit van 18 september 2007 van de bevoegde Vlaamse minister en dat het derhalve nog niet bestond op het ogenblik van het inwilligen van haar aanvraag op 14 september 2007 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen. In het intrekkings- en weigeringsbesluit van 19 oktober 2007 verwees het college naar het vroegere BPA. Er werd in de voorgaande administratieve procedure derhalve niet verwezen naar het nieuwe BPA. De bestreden beslissing motiveert niet waarom thans de intrekking wordt goedgekeurd, steunend op een BPA waarmee geen rekening kon worden gehouden bij het totstandkomen van het ingetrokken besluit en gaat niet in op de argumenten van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen in het intrekkingsbesluit. In geval van intrekking moet de overheid zich in de situatie plaatsen die van toepassing was op het dossier bij de eerste beoordeling door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen. Bijgevolg maakt de bestreden beslissing een foutieve toepassing van de regelgeving. De verzoekster betwist voorts de motivering van de bestreden beslissing in zoverre wordt gesteld dat het bij de aanvraag horende plan geen bestaande toestand vermeldt van de vertrekken en dat onduidelijk is wat het huidige gebruik van het gebouw inhoudt, aangezien dit tijdens de hoorzitting werd toegelicht en uit een bijgebracht attest van de ambtenaar van de burgerlijke X-13.691-7/12 stand van de gemeente Maasmechelen blijkt dat op het betrokken adres een familie woont. Het motief in de bestreden beslissing dat de voorgestelde perceelinrichting met groenaanleg en parkeerplaatsen niet beantwoordt aan de ordening van het bijzonder plan van aanleg, is een loutere stelling die niet wordt toegelicht. In de bestreden beslissing wordt niet ingegaan op de argumenten die de verzoekster in haar beroepschrift heeft aangevoerd en wordt de argumentatie van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar ongenuanceerd en zonder enige motivering overgenomen. De bestreden beslissing bevat geen verwijzing naar het advies van 6 december 2007 van de 3de directie van het provinciebestuur, waarop de beslissing is gebaseerd en dat door de verwerende partij voor het eerst in de memorie van antwoord wordt vermeld. Ten slotte wordt in de bestreden beslissing niet gemotiveerd waarom te dezen toepassing moest worden gemaakt van het nieuwe BPA en wordt niet vermeld dat dit BPA dateert van na het nemen van de initiële vergunningsbeslissing door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen. Beoordeling
- Wat betreft de aangevoerde schending van artikel 145bis, § 1 DRO, moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat de bestreden beslissing geen rechtsgrond vindt in dit artikel. De verzoekster maakt evenmin concreet aannemelijk op welke wijze de bestreden beslissing het aangevoerde artikel schendt. Haar betoog dat de bestreden beslissing ten onrechte toepassing zou maken van het nieuwe BPA, doet aan die vaststelling geen afbreuk. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van artikel 145bis, § 1 DRO, is het derhalve niet ontvankelijk.
- Gelet op het suppletoir karakter van de motiveringswet, wordt de schending ervan geacht te zijn afgeleid uit de schending van het toentertijd geldende artikel 53, § 3, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), dat aan de deputatie, wanneer zij uitspraak doet over een bouwaanvraag, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze opgelegd in de motiveringswet. X-13.691-8/12 De materiële motiveringsplicht houdt in dat de administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. De motieven kunnen niet alleen blijken uit de overwegingen van de bestreden beslissing zelf, maar ook uit de stukken van het administratief dossier.
- In zoverre de verzoekster betoogt dat het “duidelijk (is) dat de (verwerende partij) in graad van beroep moet oordelen over de al dan niet goedkeuring van het besluit (van 19 oktober 2007) van het college van burgemeester en schepenen”, gaat zij voorbij aan de draagwijdte van het georganiseerd administratief beroep bij de deputatie, zoals bepaald in artikel 53, § 1 van het gecoördineerde decreet. Wanneer de deputatie over een op grond van het toentertijd geldende artikel 53, § 1 van het gecoördineerde decreet ingesteld beroep uitspraak doet, beschikt zij ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep over dezelfde beoordelingsbevoegdheid als voordien het college van burgemeester en schepenen. Zij doet derhalve uitspraak op grond van een eigen beoordeling van de eisen gesteld door de plaatselijke ordening en is daarbij niet gebonden door argumenten die zijn aangevoerd en adviezen die zijn gegeven in de voorafgaande administratieve procedure. Als orgaan van het actief bestuur is de beroepsinstantie ertoe gehouden de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik dat zij over het beroep uitspraak doet. Artikel 2, § 1 van het gecoördineerde decreet bepaalt het volgende: “(…) Alle voorschriften van de plannen van aanleg hebben dezelfde bindende kracht, ongeacht of zij grafisch zijn voorgesteld of niet. De plannen hebben verordenende kracht. Zij blijven gelden totdat zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening. Er mag alleen van worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald. (…)”. Artikel 21, vijfde lid van het gecoördineerde decreet luidt als volgt: X-13.691-9/12 “Het plan treedt in werking 15 dagen na de bekendmaking van het besluit tot goedkeuring bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad”. Het besluit van 18 september 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, waarbij het nieuwe BPA werd goedgekeurd, werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 oktober
- Het nieuwe BPA is bijgevolg in werking getreden op 27 oktober
- Hieruit volgt dat ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing het nieuwe BPA van kracht was en dat de bestreden beslissing derhalve terecht toepassing heeft gemaakt van dit bijzonder plan van aanleg. In zoverre de verzoekster betoogt dat de bestreden beslissing niet motiveert waarom toepassing wordt gemaakt van het nieuwe BPA, bekritiseert zij enkel de toepassing van de temporeel toepasselijke wet. Overigens verplicht noch de formele motiveringsplicht, noch het materieel motiveringsbeginsel de verwerende partij ertoe de motieven van de motieven van haar besluit te reveleren.
- De verzoekster betwist niet dat het betrokken perceel binnen het gebied van het nieuwe BPA gelegen is. Ze betwist evenmin dat haar aanvraag strijdt met de bepalingen van artikel 1.11 van dit BPA. Artikel 1.11 van de stedenbouwkundige voorschriften van het nieuwe BPA luidt als volgt: “Art. 1.
- Zone voor economische nevenactiviteiten Bestemming Handel op voorwaarde dat zij het rustige karakter van de Diensten omgeving niet schaden en in relatie staan met de functie van de gelijkvloerse bouwlaag van de voorliggende zone voor hoofdgebouwen Ambachtelijke op voorwaarde dat zij het rustige karakter van de activiteiten omgeving niet schaden en in relatie staan met de functie van de gelijkvloerse bouwlaag van de voorliggende zone voor hoofdgebouwen Wonen niet toegelaten Parkeerplaatsen het inrichten van parkeerplaatsen horend bij de tertiaire functie is toegelaten met een maximale oppervlakte gelijk aan de bebouwde oppervlakte in deze zone en de bijbehorende zone voor hoofdgebouwen”. X-13.691-10/12 Hieruit volgt dat de bestreden beslissing terecht overweegt dat de betrokken stedenbouwkundige aanvraag niet voor vergunning in aanmerking komt wegens strijdigheid met de geldende bestemmingsvoorschriften van het nieuwe BPA. Dit motief volstaat om de bestreden beslissing te verantwoorden. De kritiek van de verzoekster op de overige weigeringsmotieven van de bestreden beslissing, met name dat “het plan bestaande toestand geen bestemmingen van de vertrekken vermeldt” en dat “de voorgestelde perceelsinrichting met groenaanleg en parkeerplaatsen (…) niet beantwoordt aan de ordening van het BPA”, betreft derhalve kritiek op overtollige motieven. Kritiek op overtollige motieven kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.
- Wat betreft het advies van 6 december 2007 van de 3de directie Infrastructuur, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Natuur, sectie 3.2.1 Ruimtelijke Ordening - Vergunningen, verbiedt geen van de aangevoerde bepalingen of beginselen de overheid die in beroep belast is met het onderzoek van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, om ter voorbereiding van haar beslissing een beroep te doen op haar diensten en zich een advies te laten verschaffen door die diensten. Evenmin is die overheid ertoe gehouden dat advies ter kennis te brengen van de aanvrager. Overigens moet met de verzoekster worden vastgesteld dat de verwerende partij in de bestreden beslissing de motieven van dit advies tot de hare heeft gemaakt. Om de zo-even uiteengezette redenen, maakt de verzoekster niet aannemelijk dat de bestreden beslissing is gesteund op ondeugdelijke motieven. De kritiek van de verzoekster aangaande dit advies is bijgevolg niet van aard de wettigheid van de bestreden beslissing aan te tasten. Het enig middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-13.691-11/12
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.691-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.661 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div