id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.663 Rolnummer: A. 192234/X-14143 Zaak: Arrest 209663 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-16 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 05:31 Fiche Arrest nr 209.663 van 10 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.663 van 10 december 2010 in de zaak A. 192.234/X-14.143. In zake : 1. Jan CNOPS 2. Bernard HERBERT 3. Paul VAN DE VELDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carlos De Wolf en Karolien Beke kantoor houdend te 9680 MAARKEDAL Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : de n.v. MATEXI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Roelandts en Laurent Proot kantoor houdend te 9000 GENT Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 15 april 2009, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 18 december 2008 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende de inwilliging van het beroep van de n.v. Astridcenter tegen het besluit van 11 augustus 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem waarbij de verkavelingsvergunning wordt geweigerd voor een perceel gelegen aan de Pontstraat/Kerkweg te Sint-Martens-Latem (Deurle), kadastraal bekend sectie A, nr. 213/g. X-14.143-1/43 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 29 juni 2009. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2010. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Van Parys, die loco advocaten Carlos De Wolf en Karolien Beké verschijnt voor de verzoekende partijen, bestuurssecretaris Kaat Van Keymeulen, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Liesbet Linthout, die loco advocaten Bert Roelandts en Laurent Proot verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-14.143-2/43 III. Feiten 3.1. Op 20 mei 2008 (datum van het ontvangstbewijs) dient Serge Vermeersch namens de n.v. Astridcenter, de n.v. Meerver en de cons. Vermeersch, een aanvraag in voor het verkavelen van een grond gelegen aan de Pontstraat (gewestweg) en de Kerkweg (voetweg) te Sint-Martens-Latem (Deurle), kadastraal bekend sectie A, nr. 213/g, in twee loten bestemd voor eengezinswoningen. 3.2. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen in een woonparkgebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. Het is wel gelegen binnen de grenzen van het beschermd dorpsgezicht “Deurle Dorpskom”. 3.3. De betrokken aanvraag is een gewijzigde versie van een verkavelingsaanvraag voor hetzelfde perceel, die werd geweigerd zowel door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem, bij besluit van 9 juli 2007, na ongunstig advies van het Agentschap Onroerend Erfgoed, als door de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, bij besluit van 6 maart 2008, wegens het te ingrijpende karakter van de aanpassingen die aan de oorspronkelijke aanvraag werden aangebracht om te voldoen aan de opgeworpen bezwaren. 3.4. Tijdens het openbaar onderzoek dat over de aanvraag wordt gehouden worden twee bezwaarschriften ingediend, waaronder één door de huidige verzoekende partijen. 3.5. De Agentschappen Infrastructuur, Wegen en Verkeer, en Onroerend Erfgoed, brengen respectievelijk een gunstig en een voorwaardelijk gunstig advies uit over de aanvraag. X-14.143-3/43 3.6. Bij besluit van 11 augustus 2008 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem de gevraagde verkavelingsvergunning. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Het openbaar onderzoek Wettelijke bepalingen Het BVR van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, gewijzigd bij besluit van 30 april 2001 en 8 maart 2002 is van toepassing op de aanvraag. Het openbaar onderzoek werd gehouden overeenkomstig de bepalingen van bovenvermeld BVR en leverde 2 bezwaarschriften op. Inventaris van de ingediende schriftelijke en mondelinge bezwaren In eerste bezwaarschrift wordt opgemerkt dat de aanvraag de toets met de goede plaatselijke ordening niet doorstaat. Indiener bezwaar verwijst hiervoor naar de bepalingen en verordeningen van het KB van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen, de ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997, art.. 6.1.2.1.4 en het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Het bezwaar heeft vooral betrekking op de bouwwijze (2 afzonderlijke woningen) en de ruimtelijke en visuele impact ten aanzien van de aanpalende bewoners. In het tweede bezwaarschrift wordt aandacht gevraagd voor behoud van het rustgevend en groen karakter van de tuinzone palend aan voornoemde voetwegel en om geen bouwwerken toe te laten in de bouwvrije zone van 8m tussen de perceelsgrens en de op te richten woning. Voorstel van antwoord op de bezwaren Eerste bezwaar Los van de overweging dat een ministeriële omzendbrief geen verordenende kracht heeft en dat de ruimtelijke structuurplannen geen beoordelingsgrond vormen voor werken en handelingen, bedoeld in artikelen 99 en 101 (DRO 18.05.1999, art. 19§6) lijkt een opsplitsing in 2 loten (5,93 won/
(2008)werd een vorig voorstel voor 2 bouwloten in beroepsfase geweigerd door de deputatie ondermeer wegens te omvangrijke bouwvolumes en perceelsbezetting’. De deputatie kwam tot de volgende conclusie: ‘Voorliggend ontwerp werd t.o.v. van de vorige aanvraag op verschillende punten aangepast, zo is er een bouwlaag minder, is een toegang voorzien op het eigen perceel, en is achteraan 8 m voorzien. Er wordt daarenboven een architecturale eenheid gewaarborgd. De voorgestelde verkaveling leidt tot een bebouwing die zich integreert in deze omgeving. Er wordt op een eigentijdse manier omgegaan met de aldaar aanwezige bebouwingswijzen zonder in een conflictarchitectuur te moeten resulteren. Binnen de voorschriften wordt gesteld dat 200 m² de maximale bebouwing is op te richten in de bouwzones, alsook dat 12,50 % de maximale bezettingsgraad is. Dit kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden, wat dient uitgeklaard te worden door het schrappen van de bepaling i.v.m. de maximale bebouwbare oppervlakte van 200 m². De bezwaren dienen derhalve als ongegrond te worden geëvalueerd.’ X-14.143-26/43 Tot slot werden volgende voorwaarden opgelegd: ‘uit de stedenbouwkundige voorschriften dient het zesde gedachtenstreepje van het deel B Bouwwerken ‘De grondoppervlakte van de gebouwen, op te richten in de bouwzones, bedraagt maximum 200 m². Voor lot 1 is dit met inbegrip van het aan de bouwzone van lot 1 grenzende bijgebouw, op te richten op lot 2’ evenwel te worden geschrapt, en appellant dient, zoals voorzien in de ontworpen rooilijn, de grond aan de kant van de Pontstraat en tot 0,5 m achter de plantlijn van de haag langs de Kerkweg gratis af te staan aan de gemeente’. Het zal duidelijk zijn dat in de tweede aanvraag in belangrijke mate werd tegemoetgekomen aan de bezwaren van de buurtbewoners en de opmerkingen van het schepencollege en dat eveneens werd rekening gehouden met het advies van het Agentschap R-O Vlaanderen - Onroerend Erfgoed. De buurtbewoners kunnen hun bezwaren naar voor brengen, maar de deputatie beslist uiteindelijk na een grondig onderzoek van het dossier, evenals een onderzoek ter plaatse en na de aanvragers gehoord te hebben of de bezwaren gegrond zijn en of er aanpassingen gebeurd zijn om tegemoet te komen aan deze gegronde bezwaren. In dit dossier oordeelde zij dat dit inderdaad wel degelijk gebeurd is. Verzoekende partijen verwijzen tot slot ook naar het verslag van de dienst Ruimtelijke ordening en stedenbouw van het provinciebestuur. Dit verslag, dat de resultaten weergeeft van het onderzoek ter plaatse en dat trouwens in belangrijke mate in het besluit werd opgenomen, vormt slechts één aspect bij de beoordeling van een dossier door de deputatie die, vooraleer een beslissing te nemen, ook alle andere stukken van het dossier bestudeert en eveneens rekening houdt met wat op de hoorzitting wordt naar voor gebracht. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat de deputatie met zorg heeft gehandeld, oog heeft gehad voor de bezwaren, voor de uitgebrachte adviezen, voor de motieven van het schepencollege en van de appellanten, voor de toestand ter plaatse. Al deze gegevens zijn terug te vinden in het besluit waarin de deputatie duidelijk en afdoende heeft aangeduid waarom zij van mening was dat de vergunning kon worden verleend”. 4.3. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen: “Verzoekende Partijen menen dat de argumenten van Verwerende Partij niet kunnen overtuigen. Vooreerst, wat de niet verordenende kracht van de Omzendbrief van 8 juli 1997 betreft, lijkt Verwerende Partij uit het oog te verliezen dat voormelde omzendbrief niet de grondslag vormt van het eerste onderdeel van het eerste en enige middel van Verzoekende Partijen, doch wordt gekoppeld aan de schending van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, zoals goedgekeurd bij koninklijk besluit van 14 september 1997 alsook aan artikel 6 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972, die wel als wettigheidstoetsen dienen te worden beschouwd. X-14.143-27/43 Het GRSP Sint - Martens - Latem vormt zelfs geen onderdeel van het eerste en enige middel van Verzoekende Partijen. Benadrukt dient hierbij evenwel te worden dat, niettegenstaande noch de Omzendbrief van 8 juli 1997 noch het GRSP Sint - Martens - Latem, op zich een afdoende grondslag vormen tot vernietiging van de Bestreden Beslissing, niets zich ertegen verzet dat voormelde elementen wel als bijkomende motieven worden aangewend ter staving van het middel van Verzoekende Partijen. Meer nog, een burger mag toch verwachten dat een overheid de door haar vooropgestelde krijtlijnen en/of het door haar gevoerde beleid, naleeft binnen het kader van haar uitvoerende macht en m.a.w. bij het nemen van haar beslissingen. Dit is een toepassing van het vertrouwensbeginsel, d.i. ‘een beginsel van behoorlijk bestuur dat inhoudt dat gerechtvaardigde verwachtingen die door het bestuur bij de rechtsonderhorigen zijn gewekt, zo enigszins mogelijk moeten worden gehonoreerd, op gevaar af anders het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden.’ (…). In het GRSP Sint - Martens - Latem werd, voor woonparken/woonbossen een duidelijke maatstaaf van ongeveer 5 woningen per hectare vooropgesteld (…). Het Terrein wordt opgesplitst in twee loten van slechts 1.843m² en 1.528m² en is bijgevolg in strijd met de bepalingen van het GRSP. Verwerende Partij lijkt zich te verschuilen achter de bepalingen van de Omzendbrief van 8 juli 1997 om tot een afdoende kavelgrootte te besluiten. Verwerende Partij lijkt evenwel uit het oog te verliezen dat, in tegenstelling tot het GRSP Sint - Martens - Latem, de Omzendbrief van 8 juli 1997 van toepassing is op alle woonparkgebieden in het Vlaams Gewest en bijgevolg niet is afgestemd op de noden van het betrokken gebied! In tegenstelling tot wat Verwerende Partij lijkt te insinueren in haar nota verwerende partij, zijn Verzoekende Partijen niet gekant tegen de ontwikkeling van het Terrein, doch wensen zij enkel dat bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met de onmiddellijke omgeving en dat inzonderheid het Terrein werd ontwikkeld met respect voor de ruimtelijke draagkracht. Niettegenstaande door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint - Martens - Latem duidelijk de krijtlijnen werden vastgelegd waarbinnen zij de ontwikkeling van het Terrein realiseerbaar achtten, dienden Verzoekende Partijen, samen met het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint - Martens - Latem, vast te stellen dat ook in de (nieuwe) Verkavelingsaanvraag van de nv Astridcenter, niet werd tegemoetgekomen aan de bezwaren van de buurtbewoners, noch aan de voorwaarden, zoals vooropgesteld door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens- Latem (…). Vooreerst dient te worden vastgesteld dat, zoals reeds uitvoerig gemotiveerd, de door het college van burgemeester en schepenen vooropgestelde voorwaarde inzake terreinbezetting, met name ‘een maximale terreinbezetting per lot (terrassen, speel- en tuinaccommodatie...inbegrepen) van 12,5% van de netto oppervlakte (na X-14.143-28/43 grondafstand)’, in de Verkavelingsaanvraag op generlei wijze wordt gerespecteerd. De stedenbouwkundige voorschriften bij de Verkavelingsaanvraag luiden dienaangaande als volgt: ‘De maximale bebouwde terreinbezetting bedraagt 12,50 % per lot (na grondafstand). De strikt noodzakelijke verhardingen (zoals tuinpaden, opritten, toegangen edm.), terrassen (maximum 50 m² per lot) en zwembaden (maximum 30 m² per lot) zijn toegelaten in de bouwzones en/of in de zone voor koeren en hovingen en zijn niet in deze maximale terreinbezettingsgraad inbegrepen. Alle hier bedoelde verhardingen en terrassen evenals de centrale toegangsweg dienen in waterdoorlatende materialen te worden uitgevoerd.’ De loten hebben, zoals reeds eerder aangegeven, overeenkomstig de gegevens van de Verkavelingsaanvraag, een oppervlakte van respectievelijk 1.528m² en 1.843m². Op het lot 1 is bijgevolg, overeenkomstig het advies van uw college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint - Martens - Latem (…) en dit rekening houdende met de gratis grondafstand, een maximale terreinbezetting mogelijk van 191 m² (incl. terrassen) en op lot 2 een maximale terreinbezetting van 230,38 m² (incl. terrassen), wat mathematisch overeenstemt met een maximale terreinbezetting van 250m² per 2000 hectare. In de Verkavelingsaanvraag wordt de voormelde maximale terreinbezetting van 12,5% (incl. de voorziene beperkingen) evenwel ruimschoots overschreden. Waar voor bijvoorbeeld lot 1 slechts een maximale terreinbezetting van 191m² (incl. terrassen) is toegelaten, voorziet de Verkavelingsaanvraag in: - maximale bebouwbare oppervlakte van 200m² - excl. terras 50m² - excl. zwembad 30m² - excl. oprit/tuinpaden... 25m²(hypothetisch) 305m² Verzoekende Partijen kunnen dan ook niet anders dan vaststellen dat de 12,5% regel in de Verkavelingsaanvraag en bijgevolg de Bestreden Beslissing, geenszins wordt nageleefd. Het verweer van Verwerende Partij stellende dat ‘de ministeriële omzendbrief het heeft over een bebouwbare oppervlakte van 250m² op een kavel van 1.000 à 2.000m² en niet van een bebouwbare oppervlakte op een terrein van 3.730m²’, is dan ook niet ter zake dienend. Het kan immers niet ernstig worden betwist dat de vooropgestelde bebouwbare oppervlakte van 250m², nog afgezien van de bedenkingen bij de opsplitsing van het Terrein, evenmin per lot worden nageleefd. De visuele impact van de Verkavelingsaanvraag zou volgens Verwerende Partij ook worden geminimaliseerd gelet op de beperking van de bebouwing tot één bouwlaag alsook de integratie van grote stroken voor koeren, hovingen en voortuinstroken. Verzoekende Partijen betwisten evenwel niet dat de toegelaten hoogte van bebouwing overeenstemt met de bebouwing in de onmiddellijke omgeving. Niet de bouwhoogte doch de terreinbezetting (d.i. de X-14.143-29/43 bebouwings- en verhardingsgraad) zorgen voor de overschrijding van de ruimtelijke draagkracht! Tevens lijkt Verwerende Partij uit het stedenbouwkundig voorschrift dat ‘het oprichten van vrijstaande bergplaatsen, autobergplaatsen, serres en tuinhuisjes niet is toegelaten en dat de tuinoppervlakte maximaal als siertuin met groenaanleg dient te worden voorzien of behouden’, af te leiden dat naar een ‘maximale integratie van de gebouwen in het omgevende groen’ wordt gestreefd. Verwerende Partij gaat evenwel voorbij aan het gegeven dat in de stedenbouwkundige voorschriften bij de Verkavelingsaanvraag uitdrukkelijk werd bepaald dat, verhardingen zoals tuinpaden, opritten en toegangen, alsook terrassen en zwembaden, zijn toegelaten in de ‘zone voor koeren en hovingen’. Bovendien is enkel sprake van een verbod van ‘vrijstaande’ constructies waardoor, sensu stricto, aanbouw niet, a priori, lijkt te kunnen worden uitgesloten. Meer nog, zoals reeds aangegeven, is in de Verkavelingsaanvraag bovendien uitdrukkelijk voorzien dat voormelde verhardingen niet in de 12,5% terreinbezetting dienen te worden begrepen (en dit in strijd met het ongunstig advies van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar d.d. 24 juli 2008 (…) en de Weigeringsbeslissing (…)). Het is Verzoekende Partijen dan ook een raadsel hoe Verwerende Partij kan staande houden dat naar een ‘maximale integratie van de gebouwen in het omgevend groen’ wordt gestreefd. Verder wordt door Verwerende Partij nog overwogen dat ‘zowel in de stedenbouwkundige voorschriften als in de motiveringsnota bij de aanvraag (wordt) bepaald dat de woningen met een landelijk of residentieel karakter een architecturale eenheid zullen moeten vormen’. Uit de motiveringsnota bij de Verkavelingsaanvraag blijkt evenwel, zoals uw Raad zal kunnen vaststellen, dat van ‘een bebouwing onder een geconcentreerde vorm’, zoals vooropgesteld door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint - Martens - Latem in haar weigeringsbeslissing dd. 9 juli 2007 geen sprake is (…). Een motivering waarom het verlaten van het concept van twee geclusterde woningen kan worden verantwoord (en dit in strijd met het ongunstig advies van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar dd. 24 juli 2008 (…) en de Weigeringsbeslissing (…)) is in de Bestreden Beslissing niet voorhanden. Evenmin wordt in de Bestreden Beslissing enige verantwoording gevonden voor de afwijking op de voorwaarde inzake terreinbezetting, met name ‘een maximale terreinbezetting per lot (terrassen, speel, en tuinaccommodatie…inbegrepen) van 12,5% van de netto oppervlakte (na grondafstand), zoals vooropgesteld door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint - Martens - Latem. Verzoekende Partijen dienen zich dan ook met klem te verzetten tegen de overweging van Verwerende Partij dat ‘Het zal duidelijk zijn dat in de tweede aanvraag in belangrijke mate werd tegemoetgekomen aan de bezwaren van de buurtbewoners en de opmerkingen van het schepencollege (...)’. Een degelijke insinuatie is ronduit misleidend en vormt geenszins een waarheidsgetrouwe weergave van de feiten. X-14.143-30/43 Tenslotte stelt Verwerende Partij wat het advies van de heer Gert De Cock (van de dienst Ruimtelijke Ordening van Verwerende Partij) betreft: ‘Dit verslag, dat de resultaten weergeeft van het onderzoek ter plaatse en dat trouwens in belangrijke mate in het besluit werd opgenomen, vormt slechts één aspect bij de beoordeling van een dossier door de deputatie die, vooraleer een beslissing te nemen, ook alle andere stukken van het dossier bestudeert en eveneens rekening houdt met wat de op de hoorzitting werd naar voor gebracht’. Zoals reeds aangegeven, overwoog de heer Gert De Cock, in zijn advies d.d. 29 oktober 2008 wat de toetsing van de Verkavelingsaanvraag aan de ‘goede ruimtelijke ordening’ betreft: ‘2.4.3. De goede ruimtelijke ordening De voorgestelde verkaveling leidt tot een buitenschalige bebouwing tegenover de omgeving die gekenmerkt wordt door landelijke woningen van meestal één bouwlaag onder zadeldak met beperkte bebouwde oppervlakte. (Het) voorgestelde gewijzigde project komt slechts zeer gedeeltelijk tegemoet aan (
- de)weigeringsgrond zoals geformuleerd in het weigeringsbesluit van 6 maart 2008 van de Deputatie namelijk inzake de reductie van de kroonlijsthoogte en het groeperen van de toegangen naar de pontweg toe; doch gaat voorbij aan het feit dat de impact van de bezettingsgraad te groot werd bevonden en de toenmaals ingediende bezwaren door de Deputatie gegrond werden bevonden, ondermeer stellende: ‘dat bovendien de ruimtelijke impact van een aan elkaar sluitende koppelbouw voor twee wooneenheden, geringer is dan bij een klassieke verkaveling in twee loten voor vrijstaande woningen, ...’. In dit voorstel van verkaveling werd niet voorzien in een koppelbouw, maar in twee afzonderlijke woningen die langs de pontweg een gevellengte realiseren van 25m en langs de Kerkweg een gevelfront van 30m lang, nogmaals gevolg door een gevel tot 20m lang met ertussen, blijkens de figuratieve plannen die werden toegevoegd, een ruimte van 6m die beide gevels met muurtjes edm. aan elkaar verbindt. Aldus ontstaat langsheen de Kerkweg een bebouwd gevelfront van 56m, met één hoofdgevel tot 30m en een andere tot 20m lang. Zulks valt niet te rijmen met het begrip ‘woonpark’, noch met de bebouwing in de omgeving links en rechts van het perceel die bestaat uit woningen met gevels tot 15m lengte (langste maat), dewelke zullen geconfronteerd worden met dit buitenschalig geheel. In dit verkavelingsvoorstel gaat het derhalve helemaal niet om twee gekoppelde woningen, maar om aan elkaar verbonden ééngezinswoningen met disharmonische gevellengten tegenover de omgeving. Het verkavelingsvoorstel verstoort aldus op ernstige wijze het evenwicht tussen de naburige erven. Binnen de voorschriften wordt gesteld dat 200m² de maximale bebouwing is alsook 12,50 % de maximale bezettingsgraad, doch een hele waaier aan bebouwingen, verhardingen en inrichtingen (oa. een terras van 50m³ (sic), een zwembad van 30m³ (sic), opritten, X-14.143-31/43 tuinpaden, nutsgebouwen en voorzieningen van 20m³ (sic), kunnen worden gerealiseerd doch worden mathematisch uitgesloten uit deze beperkingen, waardoor makkelijk meer dan 100m³ (sic) per lot aan extra terreinbezetting met bebouwing kan worden ingenomen. Zulks is niet aanvaardbaar. De visie van het college van burgemeester en schepenen, waarbij vooropgesteld wordt dat de bebouwing dient te worden opgericht in geconcentreerde vorm, als daadwerkelijk gekoppelde woningen komt overeen met de door de Deputatie in haar besluit van 6 maart 2008 naar voren gebrachte evaluatie. In die zin is ook een terreinbezetting van 12,50 % van de perceelsoppervlakte, na grondafstand, verdedigbaar indien deze perceelsbezetting wel degelijk slaat op de totaliteit van de combinatie van gebouwen, inrichtingen en verhardingen. Deze verkavelingswijziging creëert bovendien een ernstig precedentsgevaar binnen de thans zeer geslaagd harmonieus bebouwde woonparkomgeving, met beperkte terreinbezetting aan de rand van het centrum van Deurle. De bezwaren dienen derhalve ook als gegrond te worden geëvalueerd’. (…) Zonder enige verantwoording dienaangaande werd de toetsing aan ‘de goede ruimtelijke ordening’ in de Bestreden Beslissing plots positief geëvalueerd: 2.4.3 De goede ruimtelijke ordening Voorliggend ontwerp werd t.o.v. van de vorige aanvraag op verschillende punten aangepast, zo is er een bouwlaag minder, is een toegang voorzien op het eigen perceel, en is achteraan 8 m voorzien. Er wordt daarenboven een architecturale eenheid gewaarborgd. De voorgestelde verkaveling leidt tot een bebouwing die zich integreert in deze omgeving. Er wordt op een eigentijdse manier omgegaan met de aldaar aanwezige bebouwingswijzen zonder in een conflictarchitectuur te moeten resulteren. Binnen de voorschriften wordt gesteld dat 200 m. de maximale bebouwing is op te richten in de bouwzones, alsook dat 12,50 % de maximale bezettingsgraad is. Dit kan op verschillende manieren geïnterpreteerd te worden, wat dient uitgeklaard te worden door het schrappen van de bepaling i.v.m. de maximale bebouwbare oppervlakte van 200 m². De bezwaren dienen derhalve als ongegrond te worden geëvalueerd. 2.5 Conclusie’. Op basis van welke elementen de Verkavelingsaanvraag plots de toets aan de goede ruimtelijke ordening wel kan doorstaan, is Verzoekende Partijen totaal onduidelijk. Noch in de Bestreden Beslissing, noch in het administratief dossier is dienaangaande enige motivering voorhanden en dit niettegenstaande ‘deze vermeende elementen’ toch van die aard zouden moeten zijn om én de Weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem (…) én het ongunstig advies d.d. 24 juli 2008 van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar (…), én de bezwaren van Verzoekende X-14.143-32/43 Partijen (…) én het verslag van de heer Gert De Cock d.d. 29 oktober 2008 (…) te weerleggen. Uw Raad zal dan ook, samen met Verzoekende Partijen, dienen vast te stellen dat het verweer van Verwerende Partij, zoals opgenomen in haar nota verwerende partij d.d. 22 juli 2009, geenszins kan overtuigen”. 4.4. In haar memorie van toelichting laat de tussenkomende partij gelden wat volgt: “De stellingen van de verzoekende partijen kunnen niet overtuigen. 1.1. Aangaande de bestaanbaarheid met de gewestplanbestemming woonparkgebied (woningdichtheid en bebouwbare oppervlakte) Vooreerst menen de verzoekende partijen dat de bestreden vergunningsbeslissing zou strijden met artikel 6 van het gewestplannenbesluit en artikel 6.1.2.1.4 van de ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997 houdende toelichting bij het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. De oppervlakte van de percelen van de vergunde verkaveling (resp. 1.843 m² en 1.528 m²) zou onvoldoende groot zijn in het licht van die bepalingen. Bovendien zou in het GRS van Sint-Martens-Latem zijn ingeschreven voor dergelijke gebieden een woningdichtheid van ongeveer 5 woningen per ha zijn voorzien, hetzij 2.000 m² per kavel. Verder zou de in de ministeriële omzendbrief voorgeschreven maximale bebouwbare oppervlakte van 250 m² per kavel worden overschreden (en zelfs ‘quasi verdubbeld’) door de opsplitsing van het terrein in twee ‘kleine’ kavels. Die redenering mist juridische grondslag. Vooreerst moet duidelijk zijn dat omzendbrieven (en dus ook de hier geschonden geachte ministeriële omzendbrief van 28 juli 1997) volgens vaste rechtspraak van uw Raad op zich geen bindende kracht hebben (…). Verder is het duidelijk dat de bestreden vergunningsbeslissing niet kan worden getoetst aan de bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Sint-Martens-Latem. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 2.1.2 § 7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (voormalig artikel 19 § 6 DRO) en werd reeds herhaaldelijk bevestigd door uw Raad (…). In de mate dat het middel de rechtstreekse schending van die bepalingen aanvoert, is het -derhalve - ontegensprekelijk ongegrond. Bovendien staat vast dat de bestreden verkavelingsvergunning bestaanbaar is met de gewestplanbestemming woonparkgebied. Overeenkomstig artikel 6.1.2.1.4 van het gewestplannenbesluit zijn de woonparken ‘gebieden waarin de gemiddelde woningdichtheid gering is en de groene ruimten een verhoudingsgewijs grote oppervlakte beslaan’. Welnu, de bestreden verkavelingsvergunning laat twee ruime percelen toe met een oppervlakte van resp. 1.843 m² en 1528 m² met een maximale bebouwingsgraad van 12,5 %, uitgezonderd de terrassen, strikt noodzakelijke verhardingen en eventuele zwembaden. Het staat vast dat een dergelijk lage bebouwingsgraad voldoet aan bovenvermeld voorschrift van het gewestplannenbesluit. De woningdichtheid bedraagt immers slechts 5,4, X-14.143-33/43 resp. 6,5 woningen per ha. Bovendien zullen de groene ruimten gelet op de lage bebouwingsgraad van 12,5 % verhoudingsgewijs uiteraard een grote oppervlakte beslaan. Zelfs indien rekening wordt gehouden met de maximale verharding in functie van de terrassen, de overige noodzakelijke verhardingen (inrit garage en tuinpaden, die hier - zoals de verzoekende partijen zelf aangeven - wordt vastgelegd op 25 m²) en de maximale oppervlakte van het zwembad, blijft het zo dat de groene ruimten verhoudingsgewijs een grote oppervlakte blijven behouden: Totale Maximale bebouwde Terrassen, Verhouding oppervlakte oppervlakte (12,5 %) verhardingen bebouwing/groene ruimte + zwembad Lot 1 1.528 m² 191 m² 105 m² 296 m²/1.528 m² (19,3 %) Lot 2 1.843 m² 230,37 m² 105 m² 335,37 m²/1.843 m² (18,2 %) Het staat vast dat een maximale totale verhardingsgraad van resp. 19,3 % en 18,2 % - waarbij volledigheidshalve mag worden opgemerkt dat de noodzakelijke verhardingen én de terrassen moeten worden aangelegd in waterdoorlatende verhardingen - voldoende waarborgt dat verhoudingsgewijs de grootste oppervlakte van het terrein zal ingenomen worden door groene ruimtes, zodat de aanvraag ontegensprekelijk bestaanbaar is met de gewestplanbestemming woonparkgebied. Het gegeven dat de ministeriële omzendbrief een maximale bebouwingsgraad van 250 m² voorschrijft, is -zoals eerder gezegd - irrelevant, nu die omzendbrief geen bindende kracht heeft. In dat verband mag worden benadrukt dat uw Raad reeds eerder bevestigde dat uit het enkele feit dat de bebouwde en verharde oppervlakte van een perceel zou toenemen tot bijna een derde van de perceelsoppervlakte (i.e. 33,3 %), niet kon worden besloten tot de schending van artikel 6.1.2.1.4 van het gewestplannenbesluit (…). Mutatis mutandis - en wetende dat de verharde oppervlakte hier nog geen 20 % van de totale perceelsoppervlakte bereikt - moet dan ook worden besloten dat de aanvraag ontegensprekelijk bestaanbaar is met de gewestplanbestemming woonparkgebied. Voor zoveel als nodig, wenst de tussenkomende partij overigens nog op te merken dat - zelfs indien zou moeten worden uitgegaan van de normen van de ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997, quod non - ontegensprekelijk wordt voldaan aan de overige normen, t.t.z. de minimale kaveloppervlakte tussen 1.000 tot 2.000 m² (hier 1.528 m² en 1.843 m²) en een woningdichtheid van 5 à 10 woningen per ha (hier 5,4, resp. 6,5 woningen per ha). De stellingen en insinuaties van de verzoekende partijen dat het zou gaan om ‘gigantische bouwwerken op een kleine(
- re)perceelsoppervlakte’, die een totale stijlbreuk zouden vormen ten opzichte van de bestaande omgeving, zijn eenvoudigweg fout. Er is dan ook geen schending van artikel 6.1.2.1.4 van het gewestplannenbesluit. De aanvraag is bestaanbaar met de gewestplanbestemming woonparkgebied. 1.2. Aangaande de vermeende schending van de motiveringsplicht Verder poneren de verzoekende partijen dat de bestreden vergunningsbeslissing niet afdoende zou zijn gemotiveerd wat betreft X-14.143-34/43 enerzijds de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening en anderzijds de weerlegging van de door de verzoekende partijen geformuleerde bezwaren en de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van Sint-Martens-Latem. Zo zou de motivering ten aanzien van de bebouwingstypologie en de maximale bezettingsgraad bestaan uit inhoudsloze stijlformules en niet draagkrachtig zijn voor de bestreden beslissing. Ook die stelling mist feitelijke en juridische grondslag. Uitgangspunt is dat principieel aan de motiveringsplicht is voldaan als de uitspraak over het bouwberoep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, zodat blijkt of kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. Het is hierbij niet vereist dat de deputatie of de Vlaamse regering, als organen van actief bestuur, alle tot staving van het administratief beroep aangehaalde middelen of argumenten rechtstreeks en punt na punt moeten beantwoorden. (…) Evenzeer staat vast dat uw Raad in de uitoefening van het haar opgedragen wettigheidstoezicht haar beoordeling van de goede plaatselijke ordening niet in de plaats kan stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Uw Raad kan derhalve slechts een marginale toetsing uitoefenen op de naleving van de motiveringsplicht. Vertrekkend van die uitgangspunten, moet in alle redelijkheid worden geoordeeld dat de bestreden beslissing wel degelijk afdoende is gemotiveerd. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt immers duidelijk dat de deputatie het dossier in zijn totaliteit heeft beoordeeld. Zo wordt in de bestreden beslissing expliciet gewezen op de volgende zaken: - de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 11 augustus 2008 tot weigering van de kwestieuze verkavelingsvergunning, met een extensieve weergave van de weigeringsargumenten van het schepencollege; - de planologische situering volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone in woonparkgebied met de vermelding van hetgeen in woonparkgebied toelaatbaar is; - de vermelding van de ligging in het beschermd dorpgezicht ‘Dorpskom van Deurle’ en van het voorwaardelijk gunstig advies van het Agentschap Onroerend Erfgoed; - de verwijzing naar het openbaar onderzoek en de twee ingediende bezwaren (met een samenvatting van de inhoud van de bezwaarschriften); - een gedetailleerde omschrijving van het vergunde verkavelingsproject (oppervlakte loten, maximale bebouwbare oppervlakte, bouwzone, bouwhoogte, afsluitingen, etc.); - een gedetailleerde omschrijving van de omgeving van het verkavelingsproject (situering in de omgeving en omschrijving van de aanpalende bebouwing en wegenis); - een samenvatting van de argumentatie van de appellant (nv ASTRIDCENTER); X-14.143-35/43 - de watertoets, waaruit blijkt dat geen schadelijke effecten te verwachten vallen op het vlak van de waterhuishouding én dat wordt voldaan aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening van 1 oktober 2004 inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater; - een toets aan de planologische voorschriften, waaruit blijkt dat het project bestaanbaar is met de gewestplanbestemming woonparkgebied; - een toets aan de goede ruimtelijke ordening, waaruit blijkt dat het project wel degelijk aanvaardbaar is in het licht van de omgeving en de ingediende bezwaren derhalve ongegrond zijn. In ieder geval staat derhalve vast dat de deputatie de aanvraag in zijn totaliteit en grondig heeft onderzocht, dat zij hierbij is uitgegaan van (…) juiste gegevens en na een beoordeling van alle noodzakelijke elementen tot het besluit is gekomen dat de aanvraag aanvaardbaar was. Verder moet worden vastgesteld dat er geen sprake kan zijn van een kennelijke onredelijke beoordeling omtrent de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening. De deputatie overwoog - aangaande dit aspect als volgt: ‘(...) Voorliggend ontwerp werd t.o.v. de vorige aanvraag op verschillende punten aangepast, zo is er een bouwlaag minder, is een toegang voorzien op het eigen perceel, en is achteraan 8m voorzien. Er wordt daarenboven een architecturale eenheid gewaarborgd. De voorgestelde verkaveling leidt tot een bebouwing die zich integreert in deze omgeving. Er wordt op een eigentijdse manier omgegaan met de aldaar aanwezige bebouwingswijzen zonder in een conflictarchitectuur te moeten resulteren. Binnen de voorschriften wordt gesteld dat 200 m² de maximale bebouwing is op te richten in de bouwzones, alsook dat 12,50 % de maximale bezettingsgraad is. Dit kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden, wat dient uitgeklaard te worden door het schrappen van de bepaling i.v.m. de maximale bebouwbare oppervlakte van 200 m². De bezwaren dienen derhalve als ongegrond te worden geëvalueerd.’ Welnu, uit deze overwegingen én de eerdere omschrijving van het project en de omgeving moet worden afgeleid dat de deputatie - (logischerwijs) in tegenstelling tot de bezwaarindieners en het college van burgemeester en schepenen - van oordeel was dat het project aanvaardbaar was (zie ook uiteenzetting onder punt 1.1 aangaande de verhouding groene ruimte/bebouwde oppervlakte en de kennelijke bestaanbaarheid met de bestemming woonparkgebied). Die beoordelingsbevoegdheid behoort tot de appreciatiebevoegdheid van de deputatie, terwijl niet blijkt dat de deputatie die bevoegdheid op een kennelijk onredelijke manier zou hebben uitgeoefend. Zij heeft immers duidelijk gewezen op de wijziging van het eerder ingediende (en geweigerde) verkavelingsproject, vermindering met een bouwlaag, de op het eigen perceel voorziene toegang, de ruimere afstand tot de achterste perceelsgrens en is op basis van het onderzoek van het haar voorgelegde dossier tot het besluit gekomen dat het project zich inpast in de omgeving. X-14.143-36/43 Dat de deputatie hierbij niet woordelijk of punt voor punt de eerdere weigeringsmotieven van de gemeente of de bezwaren van de bezwaarindieners heeft weerlegd, klopt, maar is evenmin noodzakelijk in het licht van de op haar rustende motiveringsplicht (zie de hierboven geciteerde rechtspraak van uw Raad en de rechtsleer in dat verband). Punt is immers dat de deputatie blijk heeft gegeven van een gedegen onderzoek van het dossier én van een bepaalde beoordeling van de inpasbaarheid van het verkavelingsproject in de omgeving. Dat de visie van de deputatie niet dezelfde visie is dan die van de gemeente en de bezwaarindieners, klopt (en is uiteraard perfect mogelijk), maar is ontegensprekelijk een opportuniteitskwestie, waaromtrent uw Raad zich niet kan uitspreken. Zo is het perfect toegelaten dat de deputatie van oordeel is dat een bezettingsgraad van 12,5 % (exclusief terrassen, noodzakelijke verhardingen en zwembaden) aanvaardbaar is - zeker indien, zoals in casu, de maximale totale bezettingsgraad van het terrein dan nog meer dan aanvaardbaar is - terwijl de gemeente, de bezwaarindieners en de provinciale administratie dit niet aanvaardbaar vinden. Dit is uiteraard niet kennelijk onredelijk, zeker niet indien - zoals hierboven uiteengezet – de verhouding bebouwde oppervlakte groene ruimte nog steeds meer dan aanvaardbaar is voor woonparkgebied. De visie van de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing zou zijn aangetast door een motiveringsgebrek, is dan ook fout. De deputatie heeft de verkavelingsaanvraag grondig onderzocht en is op basis van een correcte beoordeling van de feiten tot de (redelijke) beslissing gekomen dat de aanvraag verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. Meteen staat ook vast dat er geen sprake kan zijn van enige schending van het vertrouwens-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel”. 4.5. In haar laatste memorie laat de tussenkomende partij nog gelden wat volgt: “Het zij herhaald dat het uitgangspunt moet zijn dat principieel aan de motiveringsplicht is voldaan als de uitspraak over het bouwberoep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, zodat blijkt of kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. Het is hierbij niet vereist dat de deputatie of de Vlaamse regering, als organen van actief bestuur, alle tot staving van het administratief beroep aangehaalde middelen of argumenten rechtstreeks en punt na punt moeten beantwoorden. (…). Bij zijn beoordeling gaat de auditeur volledig voorbij aan dat uitgangspunt en vertrekt hij van een meer verregaande motiveringsplicht in hoofde van de deputatie. In essentie poneert de auditeur dat de deputatie alle bezwaren van de verzoekende partijen - die deels werden bijgetreden door de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar - puntsgewijs had moeten weerleggen. Dit is een fout uitgangspunt en gaat in tegen de X-14.143-37/43 hierboven geciteerde rechtspraak van uw Raad. Het volstaat derhalve dat de deputatie de met de goede ruimtelijke ordening verband houdende redenen vermeldt, waarop haar beslissing is gesteund. Welnu, de deputatie heeft in casu wel degelijk die redenen vermeld en (
- is)in redelijkheid tot het besluit gekomen dat de aanvraag verenigbaar was met de goede ruimtelijke ordening. De visie van de auditeur dat de motivering slechts zou bestaan uit een aantal algemeenheden, kan niet worden bijgetreden. De tussenkomende partij herhaalt dat de deputatie in haar beslissing wees op de volgende elementen: - de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 11 augustus 2008 tot weigering van de kwestieuze verkavelingsvergunning, met een extensieve weergave van de weigeringsargumenten van het schepencollege; - de planologische situering volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone in woonparkgebied met de vermelding van hetgeen in woonparkgebied toelaatbaar is; - de vermelding van de ligging in het beschermd dorpgezicht ‘Dorpskom van Deurle’ en van het voorwaardelijk gunstig advies van het Agentschap Onroerend Erfgoed; - de verwijzing naar het openbaar onderzoek en de twee ingediende bezwaren (met een samenvatting van de inhoud van de bezwaarschriften); - een gedetailleerde omschrijving van het vergunde verkavelingsproject (oppervlakte loten, maximale bebouwbare oppervlakte, bouwzone, bouwhoogte, afsluitingen, etc.); - een gedetailleerde omschrijving van de omgeving van het verkavelingsproject (situering in de omgeving en omschrijving van de aanpalende bebouwing en wegenis); - een samenvatting van de argumentatie van de appellant (nv ASTRIDCENTER); - de watertoets, waaruit blijkt dat geen schadelijke effecten te verwachten vallen op het vlak van de waterhuishouding én dat wordt voldaan aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening van 1 oktober 2004 inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater; - een toets aan de planologische voorschriften, waaruit blijkt dat het project bestaanbaar is met de gewestplanbestemming woonparkgebied; - een toets aan de goede ruimtelijke ordening, waaruit blijkt dat het project wel degelijk aanvaardbaar is in het licht van de omgeving en de ingediende bezwaren derhalve ongegrond zijn. De deputatie heeft derhalve wel degelijk de bezwaren van de verzoekende partijen en van het college van burgemeester en schepenen mee betrokken in haar besluitvorming, maar is - na onderzoek van het volledige dossier - in alle redelijkheid tot het besluit gekomen dat die bezwaren niet konden worden weerhouden en dat de aanvraag conform was met de goede ruimtelijke ordening. Dat de motivering van dat standpunt eerder summier is, klopt, maar is - rekening houdend met de hierboven X-14.143-38/43 vermelde uitgangspunten - op zich geen tekortkoming aan de op de deputatie rustende motiveringsplicht”. Beoordeling 4.6. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de betrokken percelen volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone zijn gelegen in woonpark. Artikel 6. 1.2. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen bepaalt onder meer wat volgt: “Art. 6. 1.2. Aangaande de woongebieden kunnen de volgende nadere aanwijzingen worden gegeven: 1.2.1. De woningdichtheid: Onder woningdichtheid van een op het plan begrensd gebied wordt het aantal woningen per hectare verstaan; (...) 1.2.1.4. De woonparken zijn gebieden waar de gemiddelde woningdichtheid gering is en de groene ruimten een verhoudingsgewijs grote oppervlakte beslaan”. 4.7. Voor het gebied, waarin het betrokken bouwperceel is gelegen, bestaat geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Het maakt evenmin deel uit van een vergunde niet vervallen verkaveling. In dat geval is het de taak van de vergunningverlenende overheid om geval per geval te onderzoeken of de aanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening, overeenkomstig een beginsel dat kan worden afgeleid uit artikel 43, § 2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), en dat eveneens uitdrukkelijk is opgenomen in de bepaling van artikel 19, derde lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, dat bepaalt: “De vergunning wordt evenwel, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of het ontwerp-gewestplan, slechts afgegeven zo de X-14.143-39/43 uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening”. 4.8. De Raad van State vermag zijn beoordeling van de eisen van de goede plaatselijke aanleg niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 4.9. Artikel 53, § 3, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt: “§ 3. De beslissingen van de bestendige deputatie en van de Vlaamse Regering worden met redenen omkleed”. Artikel 55 van hetzelfde decreet bepaalt onder meer: “§ 1. De artikelen 43, 44, 46, 51, 52 en 53 zijn mede van toepassing op de verkavelingsvergunning. (...)”. 4.10. De door voormeld artikel 53, § 3, eerste lid opgelegde motiveringplicht houdt in dat de deputatie, wanneer zij over een beroep uitspraak doet, in haar beslissing duidelijk en concreet de redenen dient te vermelden waarop zij haar beslissing steunt, in casu waarom zij van oordeel is dat de aanvraag in overeenstemming is met zowel de gewestplanbestemming woonpark als met de goede plaatselijke ordening. Uit de in voormelde bepaling opgelegde motiveringsverplichting volgt tevens dat alleen met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden. 4.11. Uit de hiervoor vermelde gegevens van de zaak blijkt dat niet alleen in het verslag van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, bijgetreden door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente X-14.143-40/43 Sint-Martens-Latem, maar ook nadien in het verslag van de provinciale dienst Ruimtelijke ordening en Stedenbouw die de aanvraag in beroep heeft onderzocht, op grond van concrete en precieze gegevens eigen aan de zaak wordt geoordeeld dat de aanvraag niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en de vergunning derhalve niet kan worden verleend. In die omstandigheden dient de deputatie, wanneer zij van oordeel is dat de aanvraag toch verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, concreet en precies aan te geven waarop zij haar beslissing steunt. Deze motieven moeten steun vinden in het dossier en afdoende zijn. 4.12. Het bestreden besluit is, na het letterlijk hernemen van de punten 2.1. tot en met 2.4.1. van “2. De verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening” van het verslag van de provinciale dienst Ruimtelijke ordening en Stedenbouw (zie hiervoor onder randnr. 3.8.), gemotiveerd als volgt: “2.4.2 De juridische aspecten De aanvraag voldoet principieel aan de gewestplanbestemming zoals hoger beschreven. 2.4.3 De goede ruimtelijke ordening Voorliggend ontwerp werd t.o.v. van de vorige aanvraag op verschillende punten aangepast, zo is er een bouwlaag minder, is een toegang voorzien op het eigen perceel, en is achteraan 8 m voorzien. Er wordt daarenboven een architecturale eenheid gewaarborgd. De voorgestelde verkaveling leidt tot een bebouwing die zich integreert in deze omgeving. Er wordt op een eigentijdse manier omgegaan met de aldaar aanwezige bebouwingswijzen zonder in een conflictarchitectuur te moeten resulteren. Binnen de voorschriften wordt gesteld dat 200 m² de maximale bebouwing is op te richten in de bouwzones, alsook dat 12,50 % de maximale bezettingsgraad is. Dit kan op verschillende manieren geïnterpreteerd te worden, wat dient uitgeklaard te worden door het schrappen van de bepaling i.v.m. de maximale bebouwbare oppervlakte van 200 m²). De bezwaren dienen derhalve als ongegrond te worden geëvalueerd. 2.5 Conclusie Vergunning tot wijziging van de verkavelingsvergunning kan voorwaardelijk worden verleend volgens de ingediende plannen, uit de stedenbouwkundige voorschriften dient het zesde gedachtenstreepje van het deel B Bouwwerken ‘De grondoppervlakte van de gebouwen, op te richten in de bouwzones, bedraagt maximum 200 m². Voor lot 1 is dit met inbegrip van het aan de bouwzone van lot 1 grenzende bijgebouw, op te richten op lot 2’ evenwel te worden geschrapt. Volgende voorwaarde wordt bijkomend opgelegd : ‘Appellant dient, zoals voorzien in de ontworpen X-14.143-41/43 rooilijn, de grond aan de kant van de Pontstraat en tot 0,5m achter de plantlijn van de haag langs de Kerkweg gratis af te staan aan de gemeente.’ Overwegende uit hetgeen voorafgaat dient geconcludeerd te worden dat het beroep kan ingewilligd worden onder voornoemde voorwaarden”. 4.13. Er dient te worden vastgesteld dat het de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening is beperkt tot stijlformules en algemeenheden, en aldus geen afdoende motivering bevat inzake de verenigbaarheid van de verkavelingsaanvraag met de goede ruimtelijke ordening. 4.14. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van het besluit van 18 december 2008 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende de inwilliging van het beroep van de n.v. Astridcenter tegen het besluit van 11 augustus 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem waarbij de verkavelingsvergunning wordt geweigerd voor een perceel gelegen aan de Pontstraat/Kerkweg te Sint-Martens-Latem (Deurle), kadastraal bekend sectie A, nr. 213/g. 2. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 525 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-14.143-42/43 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-14.143-43/43 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.663 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div