id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.748 Rolnummer: Zaak: Arrest 209748 - Varia (economische zaken) - 14/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-15 Raadplegingen: 271 - laatst gezien 2026-07-01 23:36 Fiche Arrest nr 209.748 van 14 december 2010 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : afvoering Buitengewone herstelvergoeding (weigering) Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 209.748 van 14 december 2010 in de zaken A. I. 65.921/IX-2136 II. 65.954/IX-2135 In zake : I.
- Ann VAN DER PERRE
- Pierre SCHOEMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen II. de BVBA ABATROS AIR ACADEMY, waarvan het faillissement afgesloten is, verzoekers tot gedinghervatting:
- Ann VAN DER PERRE
- Pierre SCHOEMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Van Hoorebeke kantoor houdend te Gent Coupure Rechts 162 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep ingeschreven onder het nr. 65.921/IX-2136, ingesteld op 11 oktober 1995, strekt tot de veroordeling van het Vlaamse Gewest, op grond van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, tot betaling van 17.500.000 Belgische frank (433.813,67 euro), te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift, aan de verzoekers Ann Van Der Perre en Pierre Schoemans. IX-2136-1/20 Het beroep ingeschreven onder het nr. 65.954/IX-2135, ingesteld op 13 oktober 1995, strekt tot de veroordeling van het Vlaamse Gewest, op grond van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, tot betaling van 35.000.000 Belgische frank (867.627,34 euro), te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift, aan de BVBA Abatros Air Academy. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 177.705 van 10 december 2007 werden de debatten heropend en werd het door de auditeur-generaal aan te wijzen lid van het auditoraat ermee belast de zaak verder te onderzoeken. Eerste auditeur Jos Stevens heeft in beide zaken een aanvullend verslag opgesteld. Met een op 11 december 2008 gedateerd verzoekschrift vragen Ann Van Der Perre en Pierre Schoemans het geding te hervatten in de zaak A. 65.954/IX-
- De verzoekende partijen in de zaak A. 65.921/IX-2136 en de verzoekers tot gedinghervatting in de zaak A. 65.954/IX-2135 hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft in beide zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 januari
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Lindemans, die verschijnt voor de verzoekende partijen in de zaak A. 65.921/IX-2136 en voor de verzoekers tot gedinghervatting in de zaak A. 65.954/IX-2135, en advocaten Karel Van Hoorebeke en Ann De Bie, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jos Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-2136-2/20 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten en de procedure 3.
- Bij akte verleden op 24 juli 1980 richten Ann Van Der Perre en Pierre Schoemans de BVBA Abatros Air Academy op, met als doel “alle handeling- en welke rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de luchtvaart alsook de aankoop, de verwezenlijking en de uitbating van elke vestiging met betrekking tot dit doel”. Er wordt gepreciseerd dat de vennootschap onder meer “scholing [zal] kunnen verlenen, het luchttransport van personen en goederen uitvoeren, overgaan tot het aankopen, verkopen, huren of verhuren van alle zaken welke rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de luchtvaart, onder meer van vliegtuigen”. De BVBA Abatros Air Academy heeft op het vliegveld te Grimbergen opleidingen gegeven aan privé- en beroepspiloten. Zij beschikte daarvoor onder meer over twee concessies verleend door de Regie der Luchtwegen, de ene voor het gebruik van een verharde oppervlakte van 280 m2 voor het stationeren van vliegtuigen (concessieakte nr. AD/CO/02/4106/2079), de andere voor het gebruik van een onoverdekte oppervlakte van ca. 350 m2 voor het oprichten van een chalet (concessieakte nr. AD/CO/02/4106/2054ter). 3.
- In het kader van een nieuw beheer van de luchthavens die onder de bevoegdheid vielen van het Vlaamse Gewest, maakt de Vlaamse Minister van Openbare Werken op 19 september 1991 zijn beslissing bekend om de uitbating van het vliegveld Grimbergen vanaf 1 januari 1992 te beëindigen. Bij schrijven van dezelfde dag verzoekt hij de Regie der Luchtwegen onverwijld over te gaan tot het opzeggen van alle concessiecontracten met betrekking tot het vliegveld. De Regie geeft hieraan, wat de twee genoemde concessieovereenkomsten met de BVBA Abatros Air Academy betreft, gevolg met brieven van 26 september 1991, waarbij de concessies met ingang van 1 januari 1992 beëindigd werden. Tegen de genoemde beslissing van de minister tot het sluiten van het vliegveld te Grimbergen en tegen de opzeggingen door de Regie der Luchtwegen van een aantal andere concessies werden door twee andere concessiehouders vorderingen tot schorsing en beroepen tot nietigverklaring bij de IX-2136-3/20 Raad van State ingesteld. De vorderingen tot schorsing zijn verworpen bij arresten nr. 38.381, nv Rodo, en nr. 38.382, Belgian Flight School, van 20 december 1991; de beroepen tot nietigverklaring zijn verworpen bij arresten nrs. 40.228 en 40.229, Belgian Flight School, van 8 september 1992, en nr. 48.925, nv Rodo, van 6 september
- De verzoekende partijen in de thans voorliggende zaak hebben geen beroep ingesteld. Ten gevolge van het opwerpen van een belangenconflict door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering was de uitvoering van de beslissing tot sluiting van de luchthaven inmiddels geschorst, met name tot 17 april
- In die periode kon de BVBA Abatros Air Academy haar activiteiten verder uitoefenen. 3.
- Nadat de Vlaamse minister beslist heeft om de uitbating van het vliegveld vanaf 17 april 1992 stop te zetten, en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering een nieuw belangenconflict heeft opgeworpen, dagvaardt de nv Rodo, één van de andere concessiehouders, het Vlaamse Gewest op 22 april 1992 in kort geding, ten einde de heropening van het vliegveld te Grimbergen te horen opleggen. De BVBA Abatros Air Academy is in dat geding vrijwillig tussengekomen. Bij beschikking van 30 april 1992 legt de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel aan het Vlaamse Gewest verbod op om de beslissing tot sluiting van het vliegveld uit te voeren zolang het tweede belangenconflict nog aanhangig is. Tegen die beschikking stelt het Vlaamse Gewest hoger beroep in. Bij arrest van 27 mei 1992 beslist het Hof van Beroep te Brussel, na vastgesteld te hebben dat het Overlegcomité Regering-Executieven op 5 mei 1992 had geoordeeld dat een beslissing slechts eenmaal het voorwerp van een belangenconflict kan uitmaken, dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond is. De oorspronkelijke vordering wordt dienvolgens ongegrond verklaard. Het vliegveld is vervolgens op 29 mei 1992 effectief gesloten. 3.
- Met twee afzonderlijke brieven van 21 juni 1995, de ene namens de verzoekers Van Der Perre en Schoemans, de andere namens de BVBA Abatros Air Academy, dienen de verzoekers bij de Vlaamse regering een verzoek in tot vergoeding van buitengewone schade, geleden ten gevolge van de sluiting van het vliegveld te Grimbergen. De schade wordt voor elk van de verzoekers Van Der Perre en Schoemans geraamd op 17,5 miljoen Belgische frank (433.813,67 euro), IX-2136-4/20 en voor de BVBA Abatros Air Academy op 35 miljoen Belgische frank (867.627, 34 euro). Op 16 augustus 1995 antwoordt de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening “niet te kunnen ingaan op [het] verzoek”, op grond dat “de schade die [de verzoekers] beweren te hebben geleden, [...] niet [werd] veroorzaakt door de administratieve overheid”. Met een op 11 oktober 1995 ingediend verzoekschrift vorderen de verzoekers Van Der Perre en Schoemans dat de Raad van State de verwerende partij zou veroordelen tot betaling aan elk van hen van een bedrag van 17,5 miljoen Belgische frank (433.813,67 euro), te vermeerderen met de intresten. Met een op 13 oktober 1995 ingediend verzoekschrift vordert Meester Dubaere, optredend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de BVBA Abatros Air Academy, dat de Raad van State de verwerende partij zou veroordelen tot betaling van een bedrag van 35 miljoen Belgische frank (867.627, 34 euro), te vermeerderen met de intresten. 3.
- Bij schrijven van 30 juli 1996 deelt de toenmalige raadsman van de curator mee in de zaak A. 65.954/IX-2135 dat het faillissement van de BVBA Abatros Air Academy bij vonnis van de Rechtbank van koophandel te Brussel van 14 mei 1996 afgesloten is, waardoor de vroegere bestuurders opnieuw aan het hoofd van hun vennootschap zijn gesteld. Hij deelt tevens mee dat de vennootschap het geding dat door de curator is ingesteld, wenst voort te zetten. 3.
- Ter zitting van 12 november 2007 verklaart de toenmalige raadsman van de curator, die tevens de raadsman is van de verzoekers in de zaak 65.921/IX-2136, dat hij niet meer optreedt voor de BVBA Abatros Air Academy. De zaak A. 65.921/IX-2136 IV. De ontvankelijkheid van de vordering De exceptie van de verwerende partij IX-2136-5/20
- In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid op. Zij voert aan dat de verzoekers via hun raadsman met een aangetekende brief van 21 juni 1995 een verzoek tot het verkrijgen van een herstelvergoeding hebben gericht aan de Vlaamse Regering. Dit is volgens de verwerende partij niet de administratieve overheid zoals bedoeld in artikel 11, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De verwerende partij besluit dat “het verzoek tot het verkrijgen van een herstelvergoeding derhalve niet ontvankelijk is, nu het niet werd voorafgegaan door een geldig verzoek, gericht tot de bevoegde administratieve overheid”. Beoordeling
- Uit het administratief dossier blijkt dat de raadsman van de verzoekers bij aangetekende brief van 21 juni 1995 aan de voorzitter van de Vlaamse Regering, zijnde de Minister-President, een verzoek tot het verkrijgen van een herstelvergoeding heeft gericht. Dit schrijven werd vervolgens overgemaakt aan de toenmalige Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, die op 16 augustus 1995 het volgende antwoordt: “Geachte Heer, In antwoord op uw brief, ((dd.) 21.09.95 (21.06.95)), moet ik u helaas meedelen niet te kunnen ingaan op uw verzoek. De schade die uw kliënten beweren te hebben geleden, werd niet veroorzaakt door de administratieve overheid.”
- Uit dit antwoord van de verwerende partij blijkt dat zij zich niet aansprakelijk acht voor de schade die de verzoekers beweren te hebben geleden, wat niet betekent dat laatstgenoemden zich niet hebben gericht tot de terzake bevoegde overheid. De verwerende partij schrijft niet dat het verzoek van de verzoekers niet ontvankelijk is, en evenmin dat zij niet de bevoegde administratieve overheid is, bedoeld in artikel 11, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
- De exceptie kan bijgevolg niet worden aangenomen. IX-2136-6/20 IX-2136-7/20 V. De gegrondheid van de vordering in de zaak A. 65.921/IX-2136 Standpunt van de partijen
- De verzoekers zetten in hun verzoekschrift vooreerst uiteen wat naar hun oordeel de inhoud en de draagwijdte is van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij houden voor dat voornoemd artikel inhoudt dat de schade buitengewoon moet zijn. Dit is, aldus de verzoekers, “elk abnormaal uitzonderlijk nadeel dat uit zijn aard of belang de hinder overtreft of de gewone opofferingen die het leven in de maatschappij en het vredelievend behoud dezer maatschappij vergen”. De geleden schade moet bijgevolg abnormaal, direct en zeker zijn en bovendien welbepaalde personen treffen. Dit is volgens de verzoekers het geval, omdat geen enkele andere vliegschool te Grimbergen, in zoverre er al andere vergelijkbaar met Abatros zouden hebben bestaan, zo getroffen is door de tenuitvoerlegging van de beslissing tot sluiting van het vliegveld en door de nakomende aarzelingen voor gedeeltelijke heropening. Dankzij uitwijkmogelijkheden naar Wallonië hebben de andere vliegscholen, met (een) veel beperktere infrastructuur en omzeggens uitsluitend Franstalige leerlingen, de schade immers kunnen beperken en opvangen. Geen enkele andere inrichting die voor haar activiteiten gebruik maakte van het vliegveld te Grimbergen heeft vergelijkbare problemen gekend en vergelijkbare schade geleden. De verzoekers stellen, wat de verschillende schadeposten betreft, dat wegens de aard van de schadevergoeding en wegens gedeeltelijk dubbel gebruik tussen de post “winstderving”, de posten “inkomensderving” en de posten kapitaalverlies, het bedrag van de schadevergoeding zou kunnen herleid worden tot de helft, zijnde afgerond 70 miljoen Belgische frank (1.735.254,67 euro). Aan de BVBA Abatros Air Academy zou dan toekomen een bedrag van 35 miljoen Belgische frank (867.627,34 euro), terwijl Ann Van der Perre en Pierre Schoemans elk voor 17,5 miljoen Belgische frank (433.813,67 euro) zouden worden vergoed.
- In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat de verzoekers zelf verantwoordelijk zijn voor de door hen aangevoerde schade, IX-2136-8/20 zodat er geen aanleiding kan zijn om hen in billijkheid enige schadevergoeding toe te kennen. Om dat standpunt te adstrueren wijzen zij in essentie op de wijze waarop de BVBA Abatros Air Academy bestuurd werd door de verzoekers. Zij doet gelden dat de uitgevoerde investeringen gericht waren op één enkel vliegveld, met name dat van Grimbergen, en dat deze investeringen onzeker waren, in die zin dat de verleende concessies een precair karakter vertoonden, daar zij konden worden beëindigd op initiatief van elke partij, mits naleving van een opzeggingstermijn van drie maanden. De verwerende partij voert voorts aan dat “een zaak drijven op zulke precaire en labiele basis [...] een zeer risicovolle onderneming [is], waarvoor [de verzoekers] als vennoten van de BVBA Abatros de volle verantwoordelijkheid dragen, nu zij op geen enkel ogenblik pogingen hebben ondernomen om een concessieovereenkomst te bekomen voor een vaste termijn of met een langere opzeggingstermijn”. Bovendien, zo stelt de verwerende partij, “blijkt [...] uit de termen van de concessiecontracten [op voldoende wijze] dat de verleende concessies ten allen tijde konden ingetrokken [...] of geschorst worden zonder dat hiervoor enige schadevergoeding zou kunnen geëist worden”. Zij wijst in dat verband op de algemene voorwaarden van de concessiecontracten, meer bepaald op de artikelen 2, alinea B, 11 en
- De verwerende partij besluit dat in voorliggende zaak geen sprake is van buitengewone schade omdat zij niet abnormaal, noch direct en zeker is. Bijgevolg gaat het om een voorzienbare schade met een andere oorzaak dan de sluiting van het vliegveld te Grimbergen.
- In hun memorie van wederantwoord laten de verzoekers in essentie gelden dat de verleende concessie de enige mogelijkheid was om op het vliegveld van Grimbergen via de vennootschap BVBA Abatros Air Academy een handelsactiviteit te ontplooien, dat de mogelijkheid van delocalisatie werd overwogen en ook gedeeltelijk werd uitgevoerd, evenwel zonder het gewenste resultaat. Zij volharden dat het te dezen gaat om zekere en rechtstreekse schade die voor vergoeding in aanmerking komt. IX-2136-9/20 Beoordeling
- Voor de beoordeling van de vordering tot buitengewone herstelvergoeding dient te worden nagegaan of de aangevoerde schade onvoorzienbaar, abnormaal en geïndividualiseerd is en of zij een direct en zeker karakter vertoont. Een en ander hangt samen met de vraag of de handelsactiviteit die de verzoekers via de BVBA Abatros Air Academy hebben ontplooid een precair karakter vertoonde.
- Uit het administratief dossier en de stukken gevoegd bij het verzoekschrift kan vooreerst worden opgemaakt dat de Vlaamse minister van Openbare Werken op 19 september 1991 zijn beslissing bekend heeft gemaakt om de uitbating van het vliegveld te Grimbergen vanaf 1 januari 1992 te beëindigen. Bij schrijven van dezelfde dag verzoekt hij de Regie der Luchtwegen onverwijld over te gaan tot het opzeggen van alle concessiecontracten met betrekking tot het vliegveld. Het blijkt dat de Regie aan dit verzoek gevolg heeft gegeven, wat de twee concessieovereenkomsten met de BVBA Abatros Air Academy betreft, met brieven van 26 september 1991, waarbij de concessies tegen 1 januari 1992 beëindigd werden.
- Opdat er sprake zou zijn van buitengewone schade moet zij niet te voorzien zijn. Als de schade voorzienbaar was en zij deed zich toch voor, dan betekent dit immers dat zij te wijten is aan onvoorzichtig, nalatig of minstens lichtzinnig gedrag van de schadelijders. De BVBA Abatros Air Academy had tot doel “alle handelingen welke rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de luchtvaart alsook de aankoop, de verwezenlijking en de uitbating van elke vestiging met betrekking tot dit doel; zij zal scholing kunnen verlenen, het luchttransport van personen en goederen uitvoeren, (...).” De BVBA heeft zich enkel gevestigd met haar activiteiten op het vliegveld te Grimbergen. IX-2136-10/20 In de concessieovereenkomsten is bepaald dat aan de concessie een einde kan worden gemaakt mits een schriftelijke opzegging van ten minste drie volle kalendermaanden. Bijgevolg vertoonde de concessieverlening een uiterst precair karakter. Het getuigt niet van voorzichtig handelen de activiteiten te beperken tot één enkel vliegveld op basis van dergelijke precaire concessieverlening. De voorzichtigheid vereiste dat beslissingen inzake investeringen voor scholing en luchttransport, geconcentreerd op één enkel vliegveld, moesten gebaseerd zijn op voldoende sluitende waarborgen zodat de activiteiten op dat ene vliegveld voldoende lang konden worden uitgeoefend, in elk geval lang genoeg om het bedrag van de investeringen te kunnen recupereren. Dit was duidelijk niet het geval. Een concessieverlening ingevolge overeenkomsten waarin een opzegtermijn van drie maanden is gestipuleerd en waarin nog andere bepalingen voorkomen inzake ambtshalve intrekking en schorsing op gelijk welk ogenblik, biedt die waarborgen niet zodat er in voorliggend geval geen sprake is van voorzichtig handelen in hoofde van de zaakvoerders van voormelde BVBA. Voorts blijkt dat de verzoekers op eigen risico de investeringen in voornoemde vennootschap stelselmatig hebben verhoogd, waarbij zij zich bewust moesten zijn van het ondernemersrisico dat zij daarbij konden lopen, gelet op het precair karakter van voornoemde concessieovereenkomsten. Bovendien blijkt dat de verzoekers nalieten om enig initiatief te nemen om de beëindiging van de concessies aan te vechten. Dezelfde vaststelling geldt voor wat de overheidsbeslissing betreft, die aan voornoemde beëindiging ten grondslag ligt. Bijgevolg is de schade die elk van de verzoekers aanvoeren voorzienbaar en is zij niet abnormaal en kon zij worden vermeden door tijdig de passende maatregelen te nemen, temeer daar niet is bewezen dat de verzoekers hun bedrijfsactiviteit niet elders konden uitoefenen. IX-2136-11/20 Het voorzienbaar karakter van de aangevoerde schade wordt immers getoetst aan het gedrag van een normaal voorzichtig persoon geplaatst in dezelfde omstandigheden. Gelet op de feitelijke antecedenten van de zaak kan in redelijkheid worden gesteld dat de verzoekers geen blijk hebben gegeven van een normaal voorzichtig handelen vermits zij niet de nodige initiatieven namen om hun bedrijf te behoeden voor voorzienbare gebeurtenissen en risico’s die het gevolg zijn van de bepalingen van de afgesloten concessieovereenkomst en van het niet spreiden van de bedrijfsrisico’s. De schade is evenmin abnormaal, vermits zij voortvloeit uit de opzegging van de concessieovereenkomsten die de verzoekers hadden afgesloten, waarvan zij de inhoud, de betekenis en de draagwijdte kenden en konden voorzien dat zij op elk ogenblik konden worden opgezegd. De aangevoerde schade heeft, zoals gezegd, bijgevolg geen abnormaal karakter en was evenmin onvoorzienbaar.
- De vordering van de verzoekers in de zaak A. 65.921/IX-2136 is bijgevolg ongegrond. De zaak A. 65.954/IX-2135 VI. De verzoekende partij in de zaak A.65.954/IX-2135
- In het tussenarrest nr. 177.705 van 10 december 2007 heeft de Raad van State het volgende overwogen met betrekking tot het bestaan van de verzoekende partij in onderhavige zaak : “
- Bij schrijven van 30 juli 1996 deelt de toenmalige raadsman van de curator mee dat het faillissement van de bvba ABATROS AIR ACADEMY bij vonnis van de Rechtbank van koophandel te Brussel van 14 mei 1996 gesloten is, waardoor de vroegere bestuurders opnieuw aan het hoofd van hun vennootschap zijn gesteld. Hij deelt tevens mee dat de vennootschap het geding dat door de curator is ingesteld, wenst voort te zetten. Ter zitting verklaart de toenmalige raadsman van de curator, die tevens de raadsman is van de verzoekers in de zaak 65.921/IX-2136, dat hij niet meer optreedt voor de bvba ABATROS AIR ACADEMY. IX-2136-12/20 Onder de toepassing van de Faillissementswet van 18 april 1851,die boek III van hetWetboek van Koophandel vormde, had de sluiting van het faillissement niet het verdwijnen van de rechtspersoon tot gevolg, maar bleef deze integendeel bestaan tot aan zijn vereffening. Te dezen is echter niet duidelijk of de vennootschap nog bestaat, dan wel of ze ondertussen vereffend is. Evenmin is duidelijk of er een geldige hervatting van het geding is geweest. Er bestaat aanleiding om de debatten te heropenen, opdat de vennootschap, na kennisgeving van het voorliggende arrest aan haar laatst gekende maatschappelijke zetel, in voorkomend geval de nodige opheldering terzake kan verlenen.”
- Met een schrijven van 29 februari 2008 deelt de raadsman van de curator over het faillissement van de verzoekende partij aan de auditeur-verslaggever mee dat de rechtspersoon ingevolge het vonnis van 14 mei 1996 van de rechtbank van Koophandel te Brussel en bij toepassing van de bepalingen van de wet van 18 april 1851 op het faillissement, de bankbreuk en de opschorting van betaling (hierna: de oude faillissementswet) inderdaad is blijven bestaan, doch dat daarbij rekening moet worden gehouden met de bepalingen van de faillissementswet van 8 augustus 1997 (hierna: de nieuwe faillissementswet), in werking getreden op 1 januari
- Het voortbestaan van de gefailleerde rechtspersoon, een toekomstig gevolg van een onder de oude faillissementswet ontstane toestand, ressorteert met ingang van 1 januari 1998 onder de nieuwe faillissementswet. Op grond van de bepalingen van deze wet is de gefailleerde rechtspersoon uit het rechtsverkeer verdwenen na de sluiting van het faillissement. Zodoende bestaat de BVBA Abatros Air Academy niet meer, minstens vanaf 1 oktober 2002, en hield haar passieve rechtspersoonlijkheid op te bestaan, minstens vanaf 30 september
- De raadsman van de curator stelt dat de rechten van de BVBA Abatros Air Academy als gevolg hiervan automatisch zijn overgegaan op de vennoten, zijnde de verzoekers in de zaak A.65.921/IX-
- Alle activa die op 1 oktober 2002 nog niet waren gerealiseerd of verdeeld, behoren in onverdeeldheid toe aan de vennoten van de gefailleerde BVBA. In ondergeschikte orde, en voor zover de Raad van oordeel zou zijn dat de BVBA Abatros Air Academy toch nog zou bestaan, bij toepassing van het oud artikel 536 van het Wetboek van Koophandel, vraagt de raadsman van de curator van het faillissement dat de procedure zou worden verdergezet. IX-2136-13/20
- Artikel 73, tweede en derde lid, van de nieuwe faillissementswet luidt als volgt: “De beslissing tot sluiting van de verrichtingen van het faillissement brengt de ontbinding van de rechtspersoon en de onmiddellijke sluiting van de vereffening mee wanneer wordt vastgesteld dat het actief ontoereikend is om de vermoedelijke kosten voor het beheer en de vereffening van het faillissement te dekken. Artikel 185 van het Wetboek van vennootschappen is van toepassing.” Artikel 185 van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999 luidt onder meer als volgt: “Zijn geen vereffenaars benoemd, dan worden de vennoten-zaakvoerders in de vennootschappen onder firma of in de commanditaire vennootschappen, de leden van de raad van bestuur of de leden van de directieraad in een Europese vennootschap of Europese coöperatieve vennootschap alsook de bestuurders of de zaakvoerders in de naamloze vennootschappen, in de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, in de coöperatieve vennootschappen en in de economische samenwerkingsverbanden ten aanzien van derden als vereffenaars beschouwd. […].”
- De nieuwe faillissementswet van 8 augustus 1997 is in werking getreden op 1 januari
- Voormelde bepalingen van artikel 73 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen, zijn in werking getreden op 1 oktober
- In beginsel worden de gevolgen van het faillissement van de BVBA Abatros Air Academy, zoals uitgesproken door de Rechtbank van koophandel te Brussel op 14 mei 1996, bepaald door de “oude faillissementswet” van 18 april
- Met de raadsman van de curator van het faillissement van de BVBA Abatros Air Academy moet echter worden vastgesteld dat het voortbestaan van de gefailleerde rechtspersoon na de sluiting van het faillissement een toekomstig gevolg is van de onder de vroegere wet ontstane toestand, zodat de voormelde bepalingen van artikel 73 van de faillissementswet van toepassing zijn. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie is een nieuwe wet in beginsel van toepassing, niet alleen op de toestanden die na haar inwerkingtreding zijn ontstaan, maar evenzeer op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden, die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, met IX-2136-14/20 dien verstande dat de toepassing van de nieuwe wet geen afbreuk vermag te doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (Cass., 27 april 2007, A.R.C.06.0363.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.4; Cass., 24 april 2008, A.R. C.06.0353.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.11). Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de BVBA Abatros Air Academy niet langer bestaat en dat haar rechthebbenden, zijnde de verzoekers in de zaak A.65.921/IX-2136, de rechten en plichten van de uit het rechtsverkeer verdwenen rechtspersoon hebben overgenomen. In die omstandigheden rijst de vraag in welke mate door de rechtsopvolgers een tijdige en rechtsgeldige gedinghervatting werd gedaan. VII. De hervatting van het geding Standpunt van de partijen
- In zijn verslag besluit de auditeur-verslaggever dat de rechthebbenden van de uit het rechtsverkeer verdwenen rechtspersoon hebben nagelaten om het geding te hervatten op het ogenblik dat zij rechthebbenden zijn geworden, of binnen een daaropvolgende redelijke termijn, zodat de zaak van de rol moet worden afgevoerd.
- Op 11 december 2008, na het auditoraatsverslag in de zaak A.65.921/IX-2136 te hebben ontvangen, waarin onder meer wordt vastgesteld dat de BVBA Abatros Air Academy niet meer bestaat, dienen de verzoekers in die zaak, de vennoten van de gefailleerde BVBA, een verzoek tot gedinghervatting in, in de zaak A. 65.954/IX-
- In hun laatste memorie schrijven de rechthebbenden van de verzoekende partij vooreerst dat het algemeen procedurereglement van de Raad van State niet exhaustief bepaalt wanneer de hervatting van geding vereist is, aangezien artikel 55 van dat reglement enkel betrekking heeft op het overlijden van een natuurlijke persoon en artikel 58 het enkel heeft over “andere gevallen waarin grond bestaat tot hervatting van het rechtsgeding”, zonder te specifiëren op welke gevallen de hervatting betrekking heeft. De rechtspraak van de Raad van State terzake is, volgens hen, zeer verdeeld. Hoewel op basis van het verslag van de Regent wordt verdedigd dat zelfs in de gevallen waar het burgerlijk procesrecht geen hervatting IX-2136-15/20 van geding vereist, voor de Raad van State “andere regels” van toepassing zijn, dient volgens de rechthebbenden van de verzoekende partij evenwel vastgesteld te worden dat die “regels” jurisprudentiële antwoorden zijn op vragen die niet door de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch door de procedurereglementen worden beantwoord. De rechthebbenden van de verzoekende partij houden voor dat er in casu geen aanleiding is om tot gedinghervatting over te gaan, aangezien zij als vennoten van rechtswege de rechtsopvolgers van de gefailleerde vennootschap zijn. Voor zover de Raad van State toch een formele gedinghervatting zou vereisen, stellen zij dit gedaan te hebben, vooreerst bij brief van 29 januari 2008 gericht aan de auditeur-verslaggever na het tussenarrest nr. 177.705 van 10 december 2007 en ten slotte bij formeel verzoekschrift van 11 december
- Voor de gedinghervatting is, zo voegen zij daaraan toe, niet in een vervaltermijn voorzien. Volgens rechtspraak van de Raad van State kan de gedinghervatting worden gedaan tot aan de sluiting van de debatten, zodat het laattijdig verklaren van de gedinghervatting uitgesloten is. Voor de vervalregeling die bepaalde rechtspraak in de Raad van State hanteert ontbreekt volgens de verzoekers tot gedinghervatting elke rechtsgrond. Tevens hebben de verzoekers tot gedinghervatting steeds doen blijken van een belangstelling voor de zaak en geschiedde de gedinghervatting op correcte wijze, daar artikel 58 van het algemeen procedurereglement niet in een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste voorziet. Bovendien heeft de Raad in het verleden, met zijn arrest De Nys, nr. 193.329 van 14 mei 2009 geoordeeld dat de jurisprudentie met betrekking tot de ontvankelijkheid onredelijk stringent is. De verzoekers tot gedinghervatting laten gelden dat de Raad in het verleden meermaals geoordeeld heeft dat de uitvoeringsbevoegdheid van wetten en decreten niet zonder meer inhoudt dat de uitvoerende overheid ontvankelijkheidsvereisten voor administratieve beroepen met disproportionele sancties kan invoeren, zodat niet valt in te zien hoe de Raad zichzelf de bevoegdheid toeëigent om zonder enige rechtsgrond gedingbeslissende ontvankelijkheidsvereisten toe te passen inzake de hervatting van geding. IX-2136-16/20 Tot slot besluiten de verzoekers tot gedinghervatting dat de vraag rijst of artikel 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat enkel aan de Koning de bevoegdheid verleent om in een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit de rechtspleging voor de Raad van State te regelen, niet discriminatoir wordt toegepast ten aanzien van procespartijen voor de Raad van State die geconfronteerd worden met procedureaangelegenheden waarvoor het procedurereglement niet in een gedetailleerde regeling en evenmin in een sanctieregeling voorziet en waarop door de Raad jurisprudentieel gecreëerde sancties worden toegepast, terwijl anderzijds procespartijen die voor de Raad geconfronteerd worden met procedureaangelegenheden die wel geregeld zijn in het procedurereglement enkel kunnen getroffen worden door de duidelijk in dat reglement voorgeschreven sancties. Volgens de verzoekers tot gedinghervatting dient hieromtrent een prejudiciële vraag gesteld te worden aan het Grondwettelijk Hof. Minstens dient een “uitspraak van de Algemene Vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak te (worden) bekomen over de vraag naar de termijn waarbinnen het geding moet worden hervat.”
- In haar laatste memorie schrijft de verwerende partij dat in casu een gedinghervatting noodzakelijk was ingevolge het faillissement van de BVBA Abatros Air Academy en dat een rechtsgeldige en tijdige gedinghervatting ontbreekt, zodat de zaak van de rol dient te worden afgevoerd. De omstandigheid dat artikel 58 van het algemeen procedurereglement niet in een termijn voorziet, ontslaat er diegenen die een geding wensen te hervatten niet van om dit zo spoedig mogelijk te doen. Het verzoek tot gedinghervatting van 11 december 2008 komt dan ook onredelijk lang nadat de verzoekende partijen in de zaak A.65.954/IX-2135 de rechthebbenden zijn geworden van de gefailleerde BVBA. Verschillende gebeurtenissen dienden de vennoten ertoe te hebben aangezet om tot gedinghervatting over te gaan, onder meer het afsluiten van het faillissement, de vaststelling in het tussenarrest nr. 177.705 van 10 december 2007 dat het “onduidelijk was of er een geldige hervatting van het geding is geweest” en de vragen vanwege de auditeur-verslaggever van 14 januari 2008 en 16 januari 2008 aangaande het lot van huidige procedure. IX-2136-17/20 Beoordeling
- In tegenstelling tot wat de verzoekers tot gedinghervatting aanvoeren, neemt de omstandigheid dat zij van rechtswege rechtsopvolgers zijn van de gefailleerde vennootschap niet weg dat zij, indien zij de ingeleide rechtsvordering van hun rechtsvoorganger wensen voort te zetten, krachtens de artikelen 55 en 58 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, een formeel verzoek tot hervatting van het geding moeten indienen.
- In hun laatste memorie vragen de verzoekers tot gedinghervatting om in dat verband aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Artikel 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State stelt in algemene termen de aangelegenheden vast die zeker in het besluit waarbij de rechtspleging wordt geregeld moeten worden opgenomen en bepaalt voor enkele van deze aangelegenheden de minimale grenzen waaraan de Koning zich moet houden. De wet zelf regelt aldus de procedureregeling niet; een mogelijke discriminatie kan dan ook enkel gelegen zijn in de bepalingen waarmee de wet uitvoering gekregen heeft. Het Grondwettelijk Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over discriminaties die gelegen zijn in een uitvoeringsbesluit van een wettelijke bepaling. In de mate dat de Raad van State zelf bevoegd is om uitspraak te doen over het discriminatoir karakter van een bepaling van het algemeen procedurereglement, wordt vastgesteld dat de verzoekers zich in hun hoedanigheid van verzoekers tot gedinghervatting beklagen over de ontstentenis van exhaustieve regeling ter zake, met het gevolg dat de rechtspleging door de rechtspraak geregeld wordt, terwijl de verzoekers die een annulatieberoep indienen, wel degelijk terugvallen op een vooraf bepaalde procedure. De discriminatie die zij aanklagen ligt aldus in de ontstentenis van regeling van hun situatie, maar daaraan kan de Raad van State niet remediëren, tenzij door in ieder geval afzonderlijk een bepaalde houding aan te nemen die vervolgens een jurisprudentiële waarde kan krijgen. Daarmee miskent de Raad van State het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet. IX-2136-18/20
- Artikel 55 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bepaalt : “Zo, vóór de sluiting der debatten, één der partijen komt te overlijden, bestaat er grond tot hervatting van het rechtsgeding. Behoudens spoedeisend geval, wordt de rechtspleging geschorst gedurende de termijn die aan de erfgenamen wordt toegekend om inventaris op te maken en te beraadslagen.” Artikel 58 van voormeld besluit bepaalt: “In de andere gevallen waarin grond bestaat tot hervatting van het rechtsgeding, geschiedt zulks door een verklaring ter griffie.”
- Artikel 58 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalt geen termijn waarbinnen een verzoekschrift tot hervatting van het geding moet worden ingediend. Dit ontslaat degenen die het geding wensen te hervatten er echter niet van om met de vereiste diligentie te handelen en het verzoekschrift tot hervatting van het geding zo spoedig mogelijk in te dienen. De gecoördineerde wetten op de Raad van State voorzien niet in de mogelijkheid om, zoals door de verzoekers tot gedinghervatting lijkt te worden gesuggereerd, dienaangaande een prejudiciële vraag aan de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak te stellen. Te dezen werd een akte tot gedinghervatting ingediend op 11 december 2008, zijnde meer dan zes jaar na de uiterste datum waarop de gefailleerde BVBA heeft opgehouden te bestaan en meer dan één jaar na de uiterste datum waarop haar passieve rechtspersoonlijkheid is uitgedoofd. Dit komt als onredelijk lang voor, temeer daar, zoals de verwerende partij terecht voorhoudt, verschillende gebeurtenissen de vennoten ertoe moesten hebben aangezet om tot gedinghervatting over te gaan, onder meer het afsluiten van het faillissement, de vaststelling in het tussenarrest nr. 177.705 van 10 december 2007 dat het “onduidelijk was of er een geldige hervatting van het geding is geweest” en de vragen vanwege de auditeur-verslaggever geformuleerd in zijn brieven van 14 januari 2008 en 16 januari 2008 aangaande het lot van onderhavige procedure. IX-2136-19/20 Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekers tot gedinghervatting niet met de vereiste diligentie hun medewerking aan het normale procesverloop hebben verleend.
- Gelet op wat voorafgaat wordt de zaak van de rol afgevoerd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep in de zaak A. 65.921/IX-
- De zaak A. 65.954/IX-2135 wordt van de rol afgevoerd.
- De verzoekers in de zaak A. 65.921/IX-2136 en de verzoekers tot gedinghervatting in de zaak A. 65.954/IX-2135 worden verwezen in de kosten van de beroepen, begroot op 297,48 euro, elk voor één vierde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 december 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-2136-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.748 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.