← België

Arrest 209779 - Overheidsopdrachten - 16/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.779 Rolnummer: A. 198245/XII-6417 Zaak: Arrest 209779 - Overheidsopdrachten - 16/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-17 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:33 Fiche Arrest nr 209.779 van 16 december 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 209.779 van 16 december 2010 in de zaak A. 198.245/XII-6417 In zake: Marc BRACKEVA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Joost Bosquet kantoor houdend te Antwerpen Jan van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE VERVOERSMAATSCHAPPIJ DE LIJN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Jochen Honnay kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de CVBA DE MEUTER & CORSTJENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leen De Vuyst kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 17 november 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Raad van Bestuur van de Vlaamse Vervoersmaatschappij De Lijn van 22 september 2010 zoals genotificeerd op 4 november 2010 en waarbij de opdracht voor aanneming van diensten tot invordering van administratieve geldboeten overeenkomstig het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2001 XII-6417- 1/14 betreffende de exploitatie en de tarieven van de VVM werd gegund aan het gerechtsdeurwaarderskantoor De Meuter & Corstjens”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 december 2010, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jochen Honnay, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Leen De Vuyst, die loco advocaat David D’Hooghe verschijnt voor de tussenkomende partij partij, zijn gehoord. Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn (hierna: De Lijn) schrijft een algemene offerteaanvraag uit voor een overheidsopdracht voor diensten, meer bepaald de inning van administratieve geldboetes overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 betreffende de exploitatie en de tarieven van de VVM. XII-6417- 2/14 3.
  5. De opdracht wordt op 28 april 2009 gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen en op 29 april 2009 in het Publicatieblad van de Europese Unie. 3.
  6. Het toepasselijke bestek voorziet in de volgende gunningscriteria: - bedrag van de offerte 30 punten - kwaliteit van de ondersteuning 20 punten - gemak van gebruik van het 10 punten voorgestelde informaticasysteem - organisatie van de invordering 20 punten - efficiëntie en effectiviteit bij de 20 punten uitvoering van de opdracht 3.
  7. Op 2 juni 2009 wordt een informatievergadering gehouden. Onder meer komt daar de vraag aan bod hoe de op te geven prijs zich verhoudt tot de vaste tarieven van de gerechtsdeurwaarders overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 november 1976 tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen (B.S., 8 februari 1977). Daarop antwoordt De Lijn : “De gerechtskosten worden sowieso betaald door De Lijn en dienen noch in de vaste noch in de variabele kosten te worden opgenomen. U zal worden beoordeeld op uw eigen commerciële inschatting van vaste en variabele kosten die u daarbuiten wenst aan te rekenen.” 3.
  8. De opening van de offertes vindt plaats op 19 juni
  9. Acht inschrijvers dienden een offerte in, waaronder verzoekende partij en de cvba De Meuter & Corstjens. XII-6417- 3/14 3.
  10. Op 18 november 2009 beslist verwerende partij om de opdracht toe te wijzen aan het gerechtsdeurwaarderkantoor cvba De Meuter & Corstjens. 3.
  11. Op 19 november 2009 beslissen de bevoegde regerings- commissarissen om voormelde beslissing te schorsen. 3.
  12. Bij brief van 2 december 2009 deelt de bevoegde minister mee dat hij de voormelde beslissing van de raad van bestuur van De Lijn van 18 november 2009 vernietigt. 3.
  13. Volgens het toepasselijke gunningsverslag (stuk 4 van het administratief dossier) zijn de volgende offertes getoetst aan de gunningscriteria uit het bestek, wat leidt tot de volgende scores: Naam Score Score Score Kwaliteit Gebruik Organisati Efficiëntie Totaal vaste verantwoording variabele onder- voorgesteld e en prijs variabele prijs prijs steuning ICT invorderin effectiviteit systeem g bij uitvoering max 15 max 7,5 max 7,5 max 20 max 10 max 20 max 20 max 100 1 9,99 2,5 6,9 8 2 12 8 49,39 2 15 5,5 6,75 20 8 16 16 87,25 3 0,3 3,5 7,5 8 4 8 4 35,3 4 0,75 4,5 7,5 12 6 4 4 38,75 5 0,375 7,5 7,125 16 8 4 8 51 6 0,435 7,5 7,275 16 8 16 16 71,21 7 0,105 4,5 7,465 8 4 4 4 32,07 In totaal behaalt de cvba De Meuter & Corstjens 87,25/100 en verzoekende partij 71,21/
  14. 3.
  15. Op 22 september 2010 beslist de raad van bestuur van De Lijn om de opdracht toe te wijzen aan de cvba De Meuter & Corstjens, in overeenstemming met het verslag. 3.
  16. Van deze beslissing wordt op 4 november 2010 per e-mail kennis gegeven aan verzoekende partij. XII-6417- 4/14 IV. Tussenkomst
  17. Met een op 1 december 2010 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de cvba De Meuter & Corstjens om in het geding te mogen tussenkomen. Zij is de begunstigde van de bestreden beslissing en heeft er dan ook belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Dienvolgens moet haar verzoek worden ingewilligd. V. De schorsingsvoorwaarden
  18. Overeenkomstig artikel 17, '' 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VI. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  19. Een tweede middel is genomen uit de schending van artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, van artikel 110, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, “de verplichting tot het verzoeken van prijsverantwoording bij een substantieel afwijkende prijszetting”, van artikel 10 van het bestek, “de formele motiveringsplicht zoals neergelegd in art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van XII-6417- 5/14 bestuurshandelingen”, en het “zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”. Verzoekende partij klaagt meer bepaald aan dat de aanbestedende overheid naar aanleiding van de beoordeling van de offertes geen verantwoording heeft gevraagd aan de gekozen inschrijver nopens de klaarblijkelijk abnormale prijszetting gehanteerd voor de vaste prijs van het dossier hoewel diens prijs (0,10 euro / dossier) substantieel en kennelijk afweek van de gemiddelde prijszetting (4,18 euro / dossier) en van de prijszetting van de drie middelste inschrijvers (2 euro, 3,5 euro en 4 euro per dossier). Beoordeling 7.
  20. De wijze van prijsbepaling wordt in het bijzonder bestek omschreven onder punt 2.
  21. Hieruit blijkt onder meer dat de op te geven vaste prijs de elektronische, schriftelijke en telefonische communicatie met De Lijn en met de overtreder (in binnen- en buitenland), opstelling en opvolging van de afbetalingsplannen, collectieve schuldenregelingen, dossiers buitenland, rapportering aan De Lijn, algemene ondersteuning, en informaticabijstand, onder andere de kostprijs van de prestaties van een informaticus van de dienstverlener die bij de Lijn de bestaande software desgevallend moet aanpassen, moet omvatten. In verband met het subgunningscriterium “vaste prijs” en de wijze van beoordeling ervan bevat het bestek (blz. 14) nog de volgende bepaling: “Bedrag van de offerte (te vermelden op het inschrijvingsformulier): 30 punten - A. Een vaste prijs voor de behandeling en opvolging van de dossiers met inbegrip van elektronische, schriftelijke en telefonische communicatie met De lijn en met de overtreder (in binnen- en buitenland), opstelling en opvolging van de afbetalingsplannen, collectieve schuldenregelingen, dossiers buitenland, rapportering aan De Lijn, algemene ondersteuning, informaticabijstand (de kostprijs van de prestaties van een informaticus van de dienstverlener die bij XII-6417- 6/14 de Lijn de bestaande software desgevallend moet aanpassen) – (prijs per dossier): 15 punten - B. Een variabele prijs uitgedrukt als percentage van het effectief ingevorderde bedrag 15 punten Puntentoekenning: Voor het onderdeel A gebeurt de puntentoekenning volgens de formule: 10 x Prijs van de laagste regelmatige offerte Prijs van de offerte Hierbij mag de voorgestelde prijs nooit lager zijn dan 0,
  22. Offertes met abnormaal lage prijzen worden geweerd. Voor het onderdeel B gebeurt de puntentoekenning naargelang de variabele kost de weerspiegeling is van het engagement om een zo effectief mogelijke invordering te bekomen. De inschrijver dient het aangeboden percentage te verantwoorden in functie van zijn voorgestelde werkwijze”. 7.
  23. Bij de beoordeling van de vaste prijs bevat de gunningsverslag de volgende overwegingen. “Puntentoekenning volgens de formule: 10 x prijs van de laagste regelmatige offerte prijs van de offerte Het bestek vermeldt bij de toepassing van deze formule dat de voorgestelde prijs nooit lager [mag] zijn dan 0,1 en dat offertes met abnormaal lage prijzen worden geweerd. M.a.w. voor prijzen lager dan € 0,1 wordt onderzocht of er sprake kan zijn van een abnormaal lage prijs”. 7.
  24. Op het eerste gezicht lijkt verzoekende partij niet aan te tonen dat de aanbestedende overheid te dezen de plicht had de in het middel bedoelde bevraging te verrichten. In de eerste plaats blijkt dat de gekozen inschrijver een vaste prijs van € 0,10 (zonder btw) per dossier biedt, waarmee op het eerste gezicht lijkt te zijn voldaan aan voormelde besteksbepaling waarin gesteld wordt dat de voorgestelde prijs nooit lager mag zijn dan 0,
  25. Dit minimumbedrag blijkt overigens overgenomen te zijn uit een eerder bestek van de Lijn van
  26. Voorts dient te worden vastgesteld dat, zoals blijkt uit het bestek en het verslag van de informatiesessie van 2 juni 2009 die gehouden werd door de XII-6417- 7/14 aanbestedende overheid, de gerechtskosten noch in de vaste, noch in de variabele kosten dienden te worden opgenomen. Daarnaast valt op te merken dat de als vertrouwelijk neergelegde offerte van de gekozen inschrijver zelf reeds een uitgebreide prijsverantwoording lijkt te bevatten. Uit deze offerte blijkt ook dat de gekozen inschrijver in zijn offerte uitdrukkelijk bevestigt en uiteenzet waarom de door hem opgegeven vaste prijs van 0,10 euro per dossier de elektronische, schriftelijke en telefonische communicatie met De Lijn en met de overtreder (in binnen- en buitenland), opstelling en opvolging van de afbetalingsplannen, collectieve schulden- regelingen, dossiers buitenland, rapportering aan De Lijn, algemene ondersteuning, en informaticabijstand, onder andere de kostprijs van de prestaties van een informaticus van de dienstverlener die bij de Lijn de bestaande software desgevallend moet aanpassen, omvat zoals gevraagd in het bestek. Ten slotte lijkt op het eerste gezicht te kunnen worden aangenomen dat, afgezien van voormelde kosten die volgens het bestek verplicht dienden te worden opgenomen in de vaste prijs, het aan de inschrijvers zelf toe kwam om hun vaste en variabele prijs te zetten. Op de informatievergadering van 2 juni 2009 werd dienaangaande uitdrukkelijk gesteld dat de gerechtskosten noch in de vaste, noch in de variabele kosten dienen te worden opgenomen en dat de inschrijvers zullen worden beoordeeld op de eigen commerciële inschatting van vaste en variabele kosten die men daarbuiten wenst aan te rekenen. Hierbij lijkt er op het eerste gezicht een omgekeerd evenredig verband te kunnen worden vastgesteld tussen de opgave van de vaste en variabele prijs. Inschrijvers die een lage vaste prijs hebben geboden, hebben in het algemeen een relatief hogere variabele prijs opgeven, inschrijvers die een hogere vaste prijs hebben geboden, hebben een relatief lagere variabele prijs opgegeven. Naast verzoekende partij die volgens het gunningsverslag een vaste kost van 0,10 euro per dossier en een variabele kost van 10 % zou hebben geboden, blijkt nog een andere inschrijver een lage vaste kost, namelijk 0,15 euro per dossier en een vrij hoge variabele kost van 8 % te hebben geboden. In een nota van de juridische XII-6417- 8/14 dienst van De Lijn van 20 augustus 2010 wordt in dit verband overigens opgemerkt dat geargumenteerd kan worden dat de door kantoor De Meuter ingediende vaste dossierprijs niet als abnormaal laag beschouwd diende te worden, maar in combinatie met de hoge variabele prijs aanleiding geeft tot een gemiddelde kostprijs. Zelf merkt tussenkomende partij op dat zij, door in een vaste kost van 0,10 euro per dossier te voorzien en een variabele kost van 10 %, vooral ingezet heeft op vergoedingen gerelateerd aan de daadwerkelijke inning van de boetes, en zichzelf aldus sterker responsabiliseert dan indien zij al de kosten in het kader van een opdracht wenst vergoed te zien met een vaste dossierkost. In het licht van de gegeven omstandigheden, kan aldus op het eerste gezicht niet worden aangenomen dat verwerende partij de in het middel aangevoerde rechtsnormen zou hebben geschonden door geen prijsverantwoording te vragen aan de gekozen inschrijver wat de vaste prijs betreft. Het feitelijk uitgangspunt van verzoekende partij, dat de gekozen inschrijver een “klaarblijkelijk abnormale prijszetting” hanteerde, wordt in de huidige stand van de procedure door de Raad immers niet bijgetreden. Nu verzoekende partij geen abnormale prijszetting heeft aangetoond, lijkt op het eerste gezicht evenmin te zijn bewezen dat de gunningsbeslissing op dit punt niet zou hebben voldaan aan de formele-motiveringsverplichting, minstens lijkt niet welk belang verzoekende partij bij een nietigverklaring op grond van een gebrek in de formele motivering te dezen zou hebben. Het tweede middel is niet ernstig. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  27. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, van artikel 115 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten XII-6417- 9/14 voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, “en de daarin vervatte verplichting tot bekendmaking van objectieve gunningscriteria voorzien van relatief gewicht”, “voorgaande bepalingen op zich genomen en richtlijnconform geïnterpreteerd”, “de formele motiveringsplicht zoals neergelegd in art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”, en “het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur”. Het middel wordt opgesplitst in twee onderdelen. 8.
  28. In een eerste onderdeel voert verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing, bij het hanteren van de vooraf aangekondigde gunningscriteria en hun relatief gewicht wat betreft het eerste gunningscriterium “bedrag van de offerte” - subgunningscriterium “variabele prijs”, twee subsubgunningscriteria hanteert (“verantwoording variabele prijs” en “bedrag/percentage variabele prijs”) zonder dat deze voorafgaandelijk in het bestek of de aankondiging van de opdracht werden vermeld en zonder dat dienaangaande hun relatief gewicht (elk 7,5 punten) bij voorbaat en voor de opening der offertes werd vastgesteld, zodat zulks voor het eerst bij de beoordeling van de inschrijvingen werd gedaan. Zij meent dat zij bij uitstek een belang heeft bij dit middelonderdeel nu het strekt tot het aankaarten van de miskenning van een gunningscriterium op 30 punten, waarbij haar offerte duidelijk een tot 3,3 x betere bieding heeft geformuleerd voor de variabele prijszetting (3% in vgl. met 10%), waardoor zonder een verdere opdeling in subsubgunningscriteria een evenredige omzetting had geleid tot een volledig andere quotering voor het eerste gunningscriterium en de kans voor verzoekende partij als meest voordelige te worden gerangschikt. De verplichting voor de beide subgunningscriteria van de globale prijs eenzelfde mate van gestrengheid te hanteren bij de beoordeling en een zelfde relatief belang te hechten aan de beide subgunningscriteria, leidt volgens verzoekende partij tot een herschikking van de puntentoebedeling voor dit gehele eerste gunningscriterium waarop de Raad van State niet vermag vooruit te lopen. Het krachtens het middel abstraheren van een bepaald onderdeel van de huidige XII-6417- 10/14 beoordeling van de globale prijs, zou volgens verzoekende partij immers tot een andere totaalscore leiden voor dit gehele eerste gunningscriterium. Het voorgaande geldt volgens haar eens te meer nu wordt vastgesteld dat ook de formule die als methodologie voor het subgunningscriterium “vaste prijs” werd aangekondigd diende te worden bijgestuurd in functie van het maximaal te begeven punten, waardoor een gewijzigde methodologie die voor de beide onderdelen van de prijs een gelijklopende vertaling dient in te houden, aanleiding zou geven tot een volledige ander score op 30 punten die toestaat de finale rangschikking te wijzigen. 8.
  29. In een tweede onderdeel stelt verzoekende partij dat de bestreden beslissing bij de bekrachtiging van het juryverslag aangaande het eerste gunningscriterium niet de evenredige vertaling vormt van de verdiensten van de offertes in de mate dat voor het subgunningscriterium vaste prijs de relatieve afstand tussen twee inschrijvers verhoudingsgewijze groter wordt beoordeeld dan de relatieve afstand tussen twee inschrijvers betreffende het subgunningscriterium “variabele prijs”, hetgeen tot het afvlakken van het subgunningscriterium “variabele prijs” heeft geleid, terwijl beide subgunningscriteria krachtens het bestek eenzelfde waardering hadden verkregen. Bovendien zou er sprake zijn van een schending van de formele motiveringsplicht nu noch de inschrijver noch de Raad van State in redelijkheid kunnen nagaan op welke wijze de uit de offertes in redelijkheid af te leiden elementen aanleiding hebben gegeven tot een globale prijszetting voor het eerste gunningscriterium of een score voor het subgunningscriterium “variabele prijs”. Beoordeling 9.
  30. Op het eerste gezicht dient te worden vastgesteld dat verzoekende partij niet de beoordelingsmethode van het eerste subgunningscriterium, namelijk de “vaste prijs”, als dusdanig betwist. De reden hiervoor lijkt voor de hand te liggen nu verwerende partij hiervoor slechts toepassing heeft gemaakt van de in het bestek aangekondigde beoordelings- methode, zij het met aanpassing van een materiële vergissing in de formule (het getal 10 in de formule werd vervangen door 15, gelet op het optrekken van de wegingscoëfficiënt in het finale bestek van 10 naar 15). Verzoekende partij lijkt in XII-6417- 11/14 haar middel slechts aan te voeren dat door de wijze van beoordeling met het tweede subcriterium “variabele prijs” de waarde van dat subcriterium ten opzichte van het eerste subcriterium “vaste prijs” zou worden afgezwakt. 9.
  31. Het eerste middel lijkt, in zijn beide onderdelen, dan ook in essentie betrekking te hebben op de beoordeling van het tweede subcriterium van het eerste gunningscriterium, met name de variabele prijs, waaraan een weging van 15 punten op een totaal van 100 punten wordt toegekend. Aangezien reeds geoordeeld werd dat het tweede middel niet ernstig is en verzoekende partij noch de beoordelingsmethode van het eerste subgunningscriterium van het eerste gunningscriterium betwist -met weging 15-, noch de beoordeling van de overige vier gunningscriteria waaraan in totaal een weging van 70 punten wordt toegekend, dient op het eerste gezicht echter te worden vastgesteld dat verzoekende partij geen belang heeft bij het eerste middel. Gelet op de niet-betwiste puntentoekenning voor de overige criteria en het niet-ernstig bevinden van het tweede middel, lijkt immers te moeten worden vastgesteld dat de beide onderdelen van het eerste middel niet van aard zijn om de rangschikking van de offertes in het voordeel van verzoekende partij te wijzigen. Op het eerste gezicht lijkt het immers dat, zelfs indien het subgunningscriterium “variabele prijs” niet werd opgesplitst in een score voor het percentage van de variabele prijs enerzijds en de verantwoording van die variabele prijs anderzijds, en indien voor het criterium variabele prijs aan de gekozen inschrijver 0/15 punten zou worden toegekend, tegenover 15/15 punten aan verzoekende partij, de offerte van de gekozen inschrijver nog steeds als meest voordelige inschrijver zou verschijnen. 9.
  32. In de mate dat verzoekende partij ter terechtzitting nog in het kader van haar belang bij dit middel bijkomend aanvoert dat, indien zij had geweten dat het tweede subcriterium zou worden beoordeeld, op de wijze zoals het is gebeurd, zij een andere offerte zou hebben ingediend met een andere prijszetting XII-6417- 12/14 voor zowel vaste als variabele prijs -zij voert zulks overigens niet expliciet aan in haar verzoekschrift- kan nog het volgende worden opgemerkt. Daargelaten de vraag naar het al dan niet afdoende proportioneel karakter van de beoordelingsmethode voor de variabele prijs en de mogelijkheid tot vaststelling post factum van de wegingscoëfficiënt voor het geboden percentage en de verantwoording ervan, lijkt het dat in het bijzonder bestek reeds werd bepaald dat de puntentoekenning voor de variabele kost zou gebeuren naar gelang de variabele kost de weerspiegeling is van het engagement om een zo effectief mogelijke invordering te bekomen en dat de inschrijver het aangeboden percentage diende te verantwoorden in functie van zijn voorgestelde werkwijze. Het lijkt op het eerste gezicht dan ook niet onvoorzienbaar geweest te zijn voor de inschrijver dat het tweede subcriterium “variabele prijs” zowel op het percentage als op de verantwoording zou worden beoordeeld. Zowel verzoekende partij als tussenkomende partij lijken alvast dergelijke verantwoording te hebben toegevoegd in hun offerte. Overigens blijkt uit het gunningsverslag dat de verantwoording van verzoekende partij als uitstekend werd beoordeeld (7,5/7,5) tegenover goed voor de gekozen inschrijver (5,5/7,5) zodat het feit dat de verantwoording afzonderlijk werd beoordeeld haar op het eerste gezicht niet lijkt te hebben benadeeld. Evenmin lijkt op het eerste gezicht het standpunt van verzoekende partij te kunnen worden gevolgd waar zij stelt dat de inschrijvers erop mochten rekenen dat de opgave van een bepaald percentage van aan te rekenen kosten in de variabele prijs op gelijkwaardige wijze zou worden beoordeeld als de opgave van een forfaitaire kost per dossier (vaste prijs) nu beide een gelijk relatief gewicht hadden verkregen. Vastgesteld lijkt immers te moeten worden dat de beoordelingsmethode onder de vorm van een formule in het bestek enkel was aangekondigd wat betreft het subcriterium “vaste prijs” en dat voor het subcriterium “variabele prijs” een andere wijze van puntentoekenning werd aangekondigd. 9.
  33. Het eerste middel lijkt niet ontvankelijk bij gebrek aan belang en is dus niet ernstig. XII-6417- 13/14 VII. Besluit
  34. Nu beide middelen niet ernstig zijn bevonden is meteen niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief moeten zijn vervuld wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING
  35. Het verzoek van de cvba De Meuter & Corstjens tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  36. De Raad van State verwerpt de vordering.
  37. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 december 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6417- 14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.779 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.224.738 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.