id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.785 Rolnummer: A. 193933/VII-37787 Zaak: Arrest 209785 - Jacht - Vergunningen - 16/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-23 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:33 Fiche Arrest nr 209.785 van 16 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Jacht - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 209.785 van 16 december 2010 in de zaak A. 193.933/VII-37.
- In zake : Roger DEWISPELAERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabine Wullus kantoor houdend te Ieper Rijselsestraat 140 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 september 2009, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 14 juli 2009 waarbij de weigering van de arrondissementscommissaris van Brugge van 29 oktober 2008 om aan Roger Dewispelaere een jachtverlof te verlenen voor het jachtseizoen 2008-2009, bevestigd wordt. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-37.787-1/11 Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stephan Wyckaert, die loco advocaat Sabine Wullus verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker heeft in het verleden een jachtverlof verkregen. Hij dient ook voor het jachtseizoen 2008-2009 een verzoek in om een jachtverlof te verkrijgen. 3.
- Op 29 oktober 2008 besluit de arrondissementscommissaris van Brugge hem geen jachtverlof 2008-2009 af te leveren. VII-37.787-2/11 3.
- Op 6 december 2008 stelt de verzoeker beroep in bij de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen. Hij argumenteert dat "hem in het verleden wel steeds een jachtverlof werd afgeleverd, hoewel de strafrechterlijke veroordelingen toen ook reeds bestonden", "dat deze veroordelingen nooit een beletsel zijn geweest om hem het jachtverlof te weigeren" en "dat sinds de laatste vergunning, hij geen enkel strafbaar feit heeft gepleegd en er dus ook niets verkeerd is gebeurd sedert die datum". Hij voegt eraan toe "dat hij nooit vervolgd en a fortiori dus vervolgd werd voor een inbreuk op de wapenwet of de jachtwetgeving. Dat dit laat veronderstellen dat hij steeds op correcte wijze met wapens is omgegaan en dus wel degelijk op dat vlak als een betrouwbaar persoon kan worden beschouwd. Dat de laatste veroordeling die hij opliep wegens opzettelijke slagen en verwondingen reeds dateert van 1995 en dus geen indicatie kan zijn voor zijn actueel gedrag. Dat deze veroordeling ten andere in het verleden niet het minste beletsel was om hem een jachtverlof af te leveren" en "dat de veroordelingen uit het recenter verleden, die zich allen afspelen in de economische sfeer, geen enkel uitstaans hebben met de vraag of hij geschikt of betrouwbaar is om een jachtwapen te hanteren". 3.
- Op 24 december 2008 handhaaft de arrondissementscommissaris van Brugge zijn eerdere visie om aan de verzoeker geen jachtverlof toe te kennen op basis van de volgende overwegingen : "Mijn besluit was gebaseerd op het uittreksel uit het strafregister gevoegd bij de aanvraag van betrokkene, waarbij de laatste veroordeling dateert van 5 oktober 2007 en uitgesproken werd door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk wegens vluchtmisdrijf zonder gekwetsten. In zijn beroepschrift is betrokkene redelijk selectief in de beoordeling van dit uittreksel uit het strafregister door te verwijzen naar de laatste veroordeling die hij opliep wegens opzettelijke slagen en verwondingen in
- Tussen deze en de laatste veroordeling zijn er nog tal van veroordelingen wegens allerhande overtredingen, die toch niet van die aard zijn dat ze zomaar over het hoofd kunnen worden gezien. De vaststelling dat betrokkene zich herhaaldelijk op een onverantwoorde wijze heeft gedragen, wat ernstige bedenkingen laat over VII-37.787-3/11 zijn discipline is dus niet op los zand gebouwd, maar gebaseerd op effectieve veroordelingen in de afgelopen decennia". 3.
- Op 18 februari 2009 adviseert de procureur des Konings te Ieper eveneens ongunstig. 3.
- Op 19 juni 2009 maakt de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen het dossier voor beslissing over aan het Agentschap voor Natuur en Bos. 3.
- Op 14 juli 2009 wordt de bestreden beslissing genomen waarbij de weigering van de arrondissementscommissaris van Brugge van 29 oktober 2008 bevestigd wordt. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- In zijn laatste memorie wijst de verzoeker erop dat ook de aflevering van het jachtverlof voor het jachtseizoen 2009-2010 geweigerd is bij beslissing van de arrondissementscommissaris van Brugge van 10 juli
- Hij stelt dat de gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing hem een direct en persoonlijk nadeel zou verschaffen door hem perspectief te bieden op het toekennen van een jachtverlof en dat ook de weigeringsbeslissing van het jachtverlof voor het jaar 2009-2010 erdoor nietig zou kunnen worden verklaard. Hij besluit dat het hem niet kan worden verweten dat het annulatieberoep wordt onderzocht op een ogenblik dat het jachtverlof geen gelding meer heeft.
- De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat de verzoeker geen beroep heeft aangetekend tegen de weigeringsbeslissing van de arrondissementscommissaris van Brugge van 10 juli
- Zij leidt daaruit af dat de verzoeker zich verzoent met de omstandigheid dat hij niet mag jagen en dat hij geen actueel belang heeft bij de huidige procedure. VII-37.787-4/11 Beoordeling
- Het jachtseizoen waarvoor de verzoeker een jachtverlof beoogde, is verstreken. Dit sluit echter niet uit dat de bestreden beslissing de verzoeker ook ná het jachtseizoen 2008-2009 nadeel kan berokkenen. Uit de uiteenzetting van de feitelijke gegevens van de zaak blijkt immers dat de bestreden beslissing gesteund is op feiten uit het verleden die ook aan de basis liggen van de weigering van een jachtverlof aan de verzoeker voor het jachtseizoen 2009-
- Het is aannemelijk dat die feiten door de arrondissementscommissaris, of na beroep, door de gouverneur, desgevallend het Agentschap voor Natuur en Bos, wederom in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van een gebeurlijke aanvraag door de verzoeker van een jachtverlof voor een nieuw jachtseizoen. Artikel 8, ' 2, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen (hierna : koninklijk besluit van 28 februari 1977) bepaalt : "Wordt het beroep tegen de weigering van een jachtverlof, overeenkomstig ' 1 van dit artikel ingewilligd, dan kunnen de redenen waarop de weigering gegrond was niet meer in aanmerking worden genomen bij de beslissing over een volgende aanvraag tot jachtverlof". Deze bepaling legt uitdrukkelijk een verband tussen de beslissing waarbij het administratief beroep tegen de weigering van een jachtverlof wordt ingewilligd en de beslissing over een volgende aanvraag : de redenen waarop de weigering van het jachtverlof werd gesteund, mogen niet meer in aanmerking worden genomen. Mede in het licht van deze bepaling heeft de verzoeker er belang bij, met het oog op de behandeling van een volgende aanvraag van een jachtverlof, vastgesteld te zien dat de redenen waarop de bestreden weigering van het jachtverlof werd gesteund, niet deugdelijk zijn. De verwerende partij kan niet worden bijgevallen waar zij stelt VII-37.787-5/11 dat het gebrek aan actueel belang kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de verzoeker geen beroep heeft aangetekend tegen de weigeringsbeslissing van de arrondissementscommissaris van Brugge van 10 juli
- Voornoemd artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 legt geen verplichting op om elke latere weigeringsbeslissing te bestrijden. Te dezen heeft de verzoeker derhalve nog een actueel belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van de formele motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet). Hij stelt in een eerste onderdeel dat de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd is gelet op de eenvoudige verwijzing naar ongunstige adviezen en het ontbreken van motieven ter ondersteuning van de weigering. Volgens de verzoeker laat de bestreden beslissing niet toe de feitelijke overwegingen waarop hij zijn aanvraag gebaseerd heeft, te achterhalen zodat er geen garantie is dat de zaak grondig onderzocht is en rekening is gehouden met alle feitelijke gegevens. In een tweede onderdeel voert de verzoeker aan dat in de bestreden beslissing niet is uitgegaan van alle correcte en vaststaande elementen uit het dossier en dat een kennelijk onredelijke interpretatie is gegeven aan het geheel van het dossier. Hij stelt dat zijn strafrechtelijke vervolgingen bij eerdere VII-37.787-6/11 aanvragen van het jachtverlof geen beletsel vormden, dat hij sinds het laatste jachtverlof geen strafbaar feit meer heeft gepleegd en dat hij nooit is vervolgd voor een inbreuk op de wapenwet of op de jachtwetgeving. Volgens de verzoeker kan uit zijn omvangrijk strafregister inzake misdrijven uit de economische sfeer geen slecht gedrag worden afgeleid dat hem ongeschikt of onbetrouwbaar zou maken om een jachtwapen te hanteren. Hij besluit dat het Agentschap voor Natuur en Bos de relevante feiten onvoldoende onderzocht heeft.
- De verwerende partij antwoordt, onder verwijzing naar rechtsleer en rechtspraak, dat het Agentschap voor Natuur en Bos de adviezen, waarnaar verwezen wordt in de bestreden beslissing, als bijlage heeft gevoegd zodat deze geacht worden integraal deel uit te maken van de bestreden beslissing en er aan de motiveringswet is voldaan. Voorts antwoordt zij dat een veroordeling voor een inbreuk op de wapenwet of de jachtwetgeving niet noodzakelijk is om het jachtverlof te weigeren en dat uit het strafregister van de verzoeker voldoende blijkt dat hij zich herhaaldelijk op onverantwoorde wijze heeft gedragen. Zij stelt dat er tussen 1995 en 2007 nog verscheidene veroordelingen zijn geweest en dat uit het advies van de procureur des Konings blijkt dat hij zich niet als een voorbeeldig burger gedraagt. Volgens de verwerende partij vermeldt het strafregister naast misdrijven uit de economische sfeer ook veel andere misdrijven. Zij besluit dat aangezien de verzoeker inhoudelijke kritiek uitoefent op de bestreden beslissing, hij de motieven kent en het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt.
- In de memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat de rechtspraak waarnaar de verwerende partij verwijst, weinig kan overtuigen aangezien het in algemene bewoordingen is gesteld. Hij stelt voorts dat de verwerende partij herhaaldelijk naar het strafregister verwijst zonder dit als zodanig als stuk voor te leggen, zodat de correctheid van een en ander niet kan worden nagegaan. Beoordeling VII-37.787-7/11
- De belangrijkste bestaansreden van de formele motiveringsplicht, zoals die door de motiveringswet is opgelegd, is erin gelegen dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De formele motiveringsverplichting houdt voor het bestuur evenwel niet de verplichting in alle door de verzoeker aangevoerde argumenten te beantwoorden. Wanneer een advies wordt gegeven dat door de tot beslissen bevoegde overheid wordt gevolgd en door haar als een voldoende basis voor de te nemen beslissing wordt beschouwd, is een verwijzing naar dat advies aanvaardbaar op voorwaarde dat de rechtsonderhorige volledige kennis heeft of krijgt van dat advies en dat advies zelf afdoende is gemotiveerd.
- Vastgesteld wordt dat met de bestreden beslissing de adviezen waarnaar verwezen wordt, aan de verzoeker ter kennis zijn gebracht. De aangehaalde adviezen maken duidelijk waarom het jachtverlof geweigerd wordt. De verzoeker is derhalve ruimschoots afdoende op de hoogte van de inhoud van die adviezen, zodat hij terdege in staat is ze te bekritiseren. Aan de vereisten van de formele motivering is bijgevolg voldaan. Bovendien kan de verzoeker niet worden bijgetreden in zijn stelling dat het Agentschap voor Natuur en Bos zich beperkt tot een verwijzing naar die adviezen. Uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat de beslissing van de arrondissementscommissaris van Brugge wordt bevestigd en dat de bestreden beslissing is gebaseerd op de ongunstige adviezen. Aldus maakt het Agentschap VII-37.787-8/11 voor Natuur en Bos zich de inhoud van die adviezen eigen zodat geen bijkomende overwegingen moeten worden opgegeven.
- In het tweede onderdeel gaat de verzoeker er verkeerdelijk van uit dat hij als het ware "recht" heeft op een jachtverlof aangezien hij in het verleden telkenmale een dergelijk verlof verkreeg in achtgenomen zijn ongewijzigd strafregister. Uit het administratief dossier blijkt dat "recente inlichtingen" vanwege de lokale politie aangeven dat contacten met de verzoeker niet rooskleurig zijn verlopen, dat hij arrogant is, iemand die steeds zijn eigen wil doordrijft en die in alle waters gewassen is. Diezelfde lokale politie meent dat de verzoeker niet te betrouwen is en sedert zijn vrijlating in onmin leeft met diverse buren en niet geliefd is in de omgeving. In de bestreden beslissing kon terdege met deze recente inlichtingen rekening worden gehouden gelet op het feit dat artikel 7, 3, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 voorschrijft dat jachtverloven kunnen worden geweigerd aan diegenen wier slecht gedrag, geestestoestand of vorig gedrag laat veronderstellen dat zij een slecht gebruik van hun wapens maken. De globale toestand, het omvangrijk strafregister samen met die recente inlichtingen, maken dat de beslissing tot weigering van een jachtverlof niet kennelijk onredelijk is. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept in een tweede middel de schending in van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. VII-37.787-9/11 Hij stelt dat het Agentschap voor Natuur en Bos geen rekening heeft gehouden met alle relevante precieze feiten omdat de bestreden beslissing volgens hem is genomen zonder dat afdoende kennis is genomen van de voorgelegde feiten. Hij stelt voorts dat de bestreden beslissing enkel steunt op adviezen van derden en dat disproportioneel veel aandacht is besteed aan de opgevraagde adviezen. Het jaarlijks verkrijgen van een hernieuwd jachtverlof moet volgens hem als een verkregen gunst gezien worden die zonder gewijzigde omstandigheden niet kan worden herzien.
- De verwerende partij antwoordt dat het Agentschap voor Natuur en Bos bij het afleveren van een jachtverlof over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt en dat geen enkel redelijk bestuur iemand met een dergelijk strafregister zou toelaten met jachtwapens rond te lopen. Zij stelt voorts dat het administratief dossier een uittreksel van het strafregister bevat dat het motief van de bestreden beslissing bevestigt en dat uit de diversiteit en uit de kwantiteit van de misdrijven af te leiden is dat de verzoeker niet de garanties biedt om een jachtvergunning te verkrijgen. Zij besluit dat de aangroei van het strafregister, de recente inlichtingen, de strafrechtelijke veroordelingen en het opvliegend karakter van de verzoeker factoren uitmaken die zich verzetten tegen het eerbiedigen van gebeurlijk gewekte verwachtingen in hoofde van de verzoeker.
- De verzoeker repliceert dat de gebeurlijk ruime discretionaire bevoegdheid waarover het Agentschap voor Natuur en Bos zou beschikken door haar niet wordt aangetoond en geen vrijgeleide kan inhouden om de beginselen van behoorlijk bestuur zonder meer naast zich neer te leggen om zo tot kennelijk onredelijke beslissingen te komen. Beoordeling
- De verzoeker voert in essentie aan dat hem geen jachtverlof kon worden geweigerd aangezien hij er in het verleden wel één heeft verkregen en dit VII-37.787-10/11 in achtgenomen de niet gewijzigde strafrechtelijke toestand. Zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het eerste middel, is de bestreden beslissing niet kennelijk onredelijk aangezien rekening is gehouden met alle relevante gegevens. Er is bovendien geen sprake van enig verworven recht zodat een schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De verzoeker blijft in gebreke enige onzorgvuldigheid in hoofde van het Agentschap voor Natuur en Bos aan te tonen. Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.787-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.785 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div