← België

Arrest 209853 - Penitentiair recht - 17/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.853 Rolnummer: A. 198480/XIV-32844 Zaak: Arrest 209853 - Penitentiair recht - 17/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-20 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:34 Fiche Arrest nr 209.853 van 17 december 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 209.853 van 17 december 2010 in de zaak A. 198.480/IX-7016 In zake : Michel ANNOT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te Hoeselt Tongersesteenweg 4, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carl Raymaekers kantoor houdend te Antwerpen Deken De Winterstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 11 december 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 7 december 2010 van de directeur van de gevangenis te Hasselt waarbij aan Michel Annot de tuchtstraf van een maand individueel regime wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-7016-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december 2010. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Schelstraete, die loco advocaat Jürgen Millen verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Carl Raymarkers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Hasselt. 3.2. Op 1 december 2010 wordt tegen de verzoeker volgend tuchtrapport opgesteld: “• op (datum): 01/12/2010. • om (uur): 19u00 uur • op (plaats): Douche sectie 12. • zijn volgende feiten vastgesteld: Gedetineerde Annot werd onderworpen aan een volledige kledijfouille. Tijdens het ontkleden stak gedetineerde zijn hand opvallend ver tussen zijn billen. Toen hij vervolgens zijn broek uittrok viel er een onbekend metalen voorwerp van tussen zijn billen. Ik heb vervolgens gevraagd dit voorwerp aan mij te overhandigen hetgeen gedetineerde zonder aarzelen deed. Hij vertelde er tevens bij dat het een horloge/gsm-toestel betrof. Met dit toestel kan men op internet (draadloos) + fototoestel! IX-7016-2/14 PA Schurmans Dominiek werd op de hoogte gebracht en heeft het toestel vervolgens meegenomen.” 3.3. Op 2 december 2010 wordt een nieuwe vaststelling gedaan: “Tijdens celcontrole werd een pakje ‘Graindor senseo pads strong’ aangetroffen in de cel van Annot Michel. Deze zijn in de instelling niet mogelijk om aan te kopen of te gebruiken. Tevens stelden wij vast dat de muurlat (waar tegen de wc-deur sluit) los is en er schroeven uitsteken. Op 01/12/2010 werd bij Annot een gsm gevonden, mogelijk is er een verband (verstopplaats). OMG en PBAP werden op de hoogte gebracht.” 3.4. In een brief aan de gevangenisdirecteur van 5 december 2010 schrijft de raadsman van de verzoeker: “2.1. Het tuchtrapport bevat bijgevolg geen afzonderlijke beslissing van de gevangenisdirecteur (in toepassing van art. 108 § 2 Basiswet) op basis waarvan een fouillering op het lichaam werd bevolen niettemin cliënt zich volledig diende te ontkleden in een douche. Het tuchtrapport stelt immers: gedetineerde Annot werd onderworpen aan een volledige kledijfouille. 2.2. De collectieve omzendbrief nr. 86 omschrijft een volledig onderzoek aan de kledij (volledige kledijfouille) als volgt: de gedetineerde krijgt een kleedruimte toegewezen (evt. achter een kamerscherm) de gedetineerde wordt uitgenodigd al zijn kledij te overhandigen; de beambte gaat na of alle kledij is afgegeven; de beambte controleert alle afgegeven kledij; de beambte overhandigt de gedetineerde zijn kledij, of, in voorkomend geval, de kledij van de inrichting. 2.3. Het hof van beroep te Antwerpen stelde bij arrest van 17 maart 2010 (zie bijlage) omtrent het volledig onderzoek van de kledij: De fouille van de kledij zoals die thans door gedetineerde wordt uitgevoerd, te weten met volledig ontkleden van de gedetineerde tot op het naakte lichaam zonder dat er een afzonderlijk gemotiveerde beslissing is van de directeur is prima facie dan ook strijdig met de tekst zelf van de Basiswet, met de geest van de Basiswet en met de uitdrukkelijke geformuleerde bedoelingen van de wetgever. 2.4. Het gegeven dat cliënt onderworpen werd aan een volledig onderzoek van de kledij zonder voorafgaande afzonderlijke gemotiveerde beslissing van de gevangenisdirecteur maakt dat dit in strijd was met het art. 108 Basiswet zodoende, gezien de schending van de Basiswet, geen tuchtsanctie aan cliënt opgelegd kan worden. 3. Mag ik U verzoeken dit schrijven, alsmede het in bijlage gevoegd arrest, toe te voegen aan het tuchtdossier van cliënt zodoende onder meer op basis hiervan - wanneer U in toepassing van MO 1777 een beslissing zal nemen die zowel in rechte als in feite gemotiveerd moet worden - een beslissing wordt genomen.” IX-7016-3/14 3.5. In het kader van de tegen hem opgestelde tuchtprocedure wordt de verzoeker gehoord op 7 december 2010. Het verslag van het verhoor vermeldt: “De directeur herinnert de gedetineerde aan de ten laste gelegde feiten: zie rapport dd. 01/12/2010 Hij geeft het woord aan de gedetineerde / aan zijn advocaat, die verkla(a)r(t)(en): Betr. : Ik wens geen verklaring hiervoor af te leggen. Het betreft een technische kwestie waarop mijn advocaat een uitleg wenst te doen. Ik hoop wel dat U rekening houdt met mijn voorbeeldig gedrag in de gevangenis. Adv. : De feiten zijn wat ze zijn. Er is een horloge gevonden met allerhande functies welke niet toegelaten zijn in de gevangenis, ik wil uw aandacht vestigen op het volgende : het tuchtdossier bevat een detentiefiche, uiteraard het tuchtrapport zelf, en de uitnodiging. Er is geen toelating bijgevoegd van de directie om een fouille op het lichaam uit te voeren. Ik heb het arrest bijgevoegd van het Hof van Beroep te Antwerpen van 17.03.2010. Er bestaat inderdaad een discussie wat betreft een fouille op net lichaam of een kledijfouille. Ik laat aan U of U dit arrest verwerpt of niet. U zal uw beslissing grondig moeten motiveren.” Op 7 december 2010 treft de directeur van de gevangenis de beslissing die het voorwerp vormt van de onderhavige vordering. Zij luidt als volgt: “De volgende tuchtsanctie wordt ten aanzien van de gedetineerde uitgesproken: - 1 maand individueel regime (glasbezoek, individuele wandeling, geen gemeenschappelijke activiteiten, geen gemeenschappelijke activiteiten gelet op risico smokkel verboden voorwerpen) vanaf 07/12/2010 t/m 06/01/2011, Motivering van de sanctie: - Aangezien betrokkene in het bezit is gevonden van een horloge met GSM-functies (berichten versturen, foto's versturen, foto's nemen, telefoneren); - Aangezien GSM’s en toestellen met dezelfde functies verboden zijn in de gevangenis; - Aangezien het gevonden toestel illegaal in de gevangenis is binnengesmokkeld; - Aangezien de elementen die de advocaat aanhaalt inzake de fouille ons inziens niet kloppen. De collectieve brief over de fouillle geeft immers aan dat voor een volledig onderzoek aan de kledij geen individuele motivatie vereist is. Tevens kunnen aan het arrest van het Hof van Beroep van 17.03.2010, waar de advocaat naar verwijst, geen rechten verbonden worden voor de gedetineerde die onderwerp is van deze tuchtprocedure.” IX-7016-4/14 IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. Terecht wijst de verwerende partij op enkele misslagen in het verzoekschrift, zo wat betreft het gebrek aan overeenstemming van de aanwijzing, doorheen het verzoekschrift van het voorwerp van de vordering -met name zou de aanvang van het verzoekschrift waar verwezen wordt naar de sanctie van een maand individueel regime, niet overeenstemmen met het slotgedeelte, waar sprake is van een sanctie van drie maanden telefoonverbod-, als wat betreft de vermelding van een aantal data. Die misslagen verhinderen niet dat de verwerende partij en de Raad van State op basis van de bij het verzoekschrift gevoegde kopie, het voorwerp van het verzoekschrift duidelijk hebben kunnen identificeren als de tuchtstraf van 7 december 2010 waarbij de verzoeker een maand individueel regime wordt opgelegd en dat de overige stukken die de verzoeker eveneens bij zijn verzoekschrift voegde duidelijk maken hoe de tuchtprocedure verlopen is. De verwerende partij heeft bijgevolg geen enkel nadeel kunnen ondergaan van de verkeerde vermeldingen in het verzoekschrift. 5. Er is geen reden om het verzoek wegens onduidelijkheid niet-ontvankelijk te verklaren. V. Onderzoek van de vordering 6. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. IX-7016-5/14 Ernst van het enig aangevoerd middel Standpunt van de partijen 7. De verzoeker voert de schending aan van artikel 108, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden (hierna: de basiswet). Hij stelt dat de wetgever uitgegaan is van het uitzonderlijk karakter van de fouillering op het lichaam en dat het niet zijn bedoeling was te stellen dat de gedetineerden zich bij een onderzoek aan de kledij systematisch moeten uitkleden. In zijn geval is hem een fouillering opgelegd die omschreven wordt als een volledig onderzoek aan de kledij maar die eigenlijk een fouillering op het lichaam is, aangezien hij zich volledig heeft moeten uitkleden. Hij verwijst wat dat betreft naar de kritiek van juridische commentatoren op een arrest van het hof van beroep te Brussel van 11 december 2007 en naar een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 maart 2010 waarbij ingegaan wordt op de kritiek. Hij is van oordeel dat, nu de bestreden tuchtstraf werd opgelegd op basis van een dossier waarin geen afzonderlijk gemotiveerde beslissing van de gevangenisdirecteur gevoegd werd waarbij de lichaamsfouille werd toegelaten, zij genomen is met miskenning van artikel 108, § 2, van de basiswet. 8. De verwerende partij antwoordt in haar nota met opmerkingen daarop als volgt: - de bestreden beslissing steunt niet op artikel 108, § 2, van de basiswet, maar op de vaststelling dat de verzoeker in het bezit was van een verboden toestel. Minstens mist het middel precisie. - De basiswet maakt een onderscheid tussen de fouillering op het lichaam, waarbij het lichaam onderzocht wordt en het onderzoek aan de kledij, waarbij de kledij onderzocht wordt. De fouille aan de kledij wordt nog verder opgesplitst in een summier onderzoek, een grondig onderzoek en een volledig onderzoek. In het laatste geval wordt de gedetineerde verplicht al zijn kledij af te geven, wordt discreet nagegaan of hij al zijn kleren afgegeven heeft en wordt vervolgens alle kledij onderzocht. De omstandigheid dat de gedetineerde naakt is betekent nog IX-7016-6/14 niet dat er fouillering op het lichaam gebeurt, want dan zou dat ook het geval zijn wanneer de gevangene zich doucht of zich omkleedt onder bewaking. - In dit geval is het lichaam van de verzoeker niet onderzocht, enkel zijn kledij. - Er is evident een onderscheid tussen het zich uitkleden en een daadwerkelijke exploratie van het lichaam. De basiswet beoogde de aantasting van de lichamelijke integriteit in de mate van het mogelijke te beperken en kaderde artikel 108, § 2, van de basiswet in de omstandigheid van de “intieme fouillering”, dat hij wenste aan banden te leggen. Bij dergelijke fouillering komt het ontkleden slechts zijdelings ter sprake. - Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 27 oktober 1987 het onderzoek op het lichaam geplaatst tegenover het onderzoek aan de kledij, waarbij “elke exploratie van de intieme delen of zelfs elke betasting van het lichaam uitgesloten is” en heeft dan gesteld dat “het feit dat de gedetineerde veelal verzocht wordt zich ook van zijn ondergoed te ontdoen” daaraan geen afbreuk doet. De basiswet heeft die definitie niet aangepast en de rechtspraak en rechtsleer is het onderscheid blijven koppelen aan het aantasten van het schaamtegevoel van de betrokkene. Uit rechtspraak en rechtsleer kan opgemaakt worden dat het onderscheid tussen een fouillering aan de kledij en een fouillering aan het lichaam bepaald wordt door de mate van aantasting van het schaamtegevoel van de betrokkene. Het arrest van het hof van beroep naar hetwelk de verzoeker verwijst -overigens een tussenarrest- wordt bekritiseerd, onder meer met de stelling dat ook het EHRM stelt dat enkel bijzonder ingrijpende en potentieel vernederende acties een schending uitmaken van artikel 3 EVRM en er zijn reeds rechters in kort geding die beslist hebben dat de rechten van de gedetineerde niet worden aangetast bij een volledig onderzoek aan de kledij waarbij de betrokkene naakt is. Beoordeling 9. De verzoeker wenst de nietigverklaring te verkrijgen van de tuchtmaatregel die hem werd opgelegd wegens het aantreffen van een verboden voorwerp. Volgens de verzoeker is bij de vaststelling van de feiten een IX-7016-7/14 wetsschending begaan doordat hij een fouillering op het lichaam heeft moeten ondergaan zonder dat de gevangenisdirecteur daarvoor de toelating gegeven had. Onregelmatigheden begaan bij de vaststelling van de feiten beïnvloeden de wettigheid van de tuchtprocedure die daarop gesteund is. De miskenning van artikel 108 van de basiswet kan aldus een grondslag vormen om de bestreden tuchtstraf onwettig te verklaren. Het aangevoerd middel is wel degelijk dienend. Het is ook voldoende concreet uiteengezet opdat de verwerende partij er zich, zelfs in een procedure bij hoogdringendheid, terdege zou kunnen tegen verdedigen. 10. Artikel 108, §§ 1 tot 3, van de basiswet bepaalt: “§ 1. De gedetineerde mag wanneer dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid noodzakelijk is, aan zijn kledij onderzocht worden door daartoe door de directeur gemandateerde leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door hem gegeven richtlijnen. Dit onderzoek heeft tot doel na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. § 2. Indien er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij van de gedetineerde niet volstaat om het doel, zoals omschreven in § 1, tweede lid te bereiken, kan de directeur, bij afzonderlijke beslissing, een fouillering op het lichaam bevelen, zo nodig met ontkleding en het uitwendig schouwen van de openingen en de holten van het lichaam. De fouillering op het lichaam mag enkel plaatsvinden in een gesloten ruimte bij afwezigheid van andere gedetineerden en moet uitgevoerd worden door minimum twee daartoe door de directeur gemandateerde personeelsleden van hetzelfde geslacht als de gedetineerde. § 3. Het onderzoek aan de kledij en de fouillering op het lichaam mogen geen tergend karakter hebben en dienen te geschieden met eerbiediging van de waardigheid van de gedetineerde.” 11. In de parlementaire documenten over die bepalingen (inzonderheid Parl. Doc., Kamer van Volksvertegenwoordigers, 2000-2001, stuk 50 - 1076/001) wordt aan het onderscheid tussen het onderzoek aan de kledij en de fouillering op het lichaam volgende commentaar gewijd: IX-7016-8/14

  1. a)in de toelichting bij artikel 105 dat artikel 108 van de basiswet geworden is (pag. 250): “Tussen onderzoek aan de kledij en fouillering op het lichaam bestaat een belangrijk gradueel verschil. Het onderzoek aan de kledij houdt in dat de kledij betast en doorzocht wordt met het doel na te gaan of de gedetineerde daarin of daaronder voorwerpen of substanties verborgen heeft die verboden of gevaarlijk zijn. In dat verband kan men een persoon wel van zijn overkleding laten ontdoen, zonder hem evenwel te kunnen verplichten zich te ontkleden tot op het lichaam. De fouillering op het lichaam is een maatregel die verder gaat. Deze maatregel laat niet alleen toe om de gedetineerde te verplichten zich tot op het lichaam te ontkleden, maar zelfs om de openingen en de holten van het lichaam uitwendig te schouwen. De gedetineerde kan op grond hiervan uitgenodigd worden om zijn mond te openen en te tonen dat hij hierin niets verbergt, of om zich voorover te buigen opdat de fouilleerders door uitwendige schouwing zouden kunnen nagaan of hij tussen de dijen geen voorwerpen of stoffen verbergt die verboden of gevaarlijk zijn.”
  2. b)in het algemeen deel van de memorie van toelichting bij hetzelfde artikel 105 wordt erop gewezen dat de fouillering op het lichaam, omdat zij “op zich reeds een aantasting van het eergevoel inhoudt”, “een veel ingrijpender maatregel” is dan het onderzoek aan de kledij bij bepaalde activiteiten, en derhalve niet routinematig uitgevoerd mag worden (pag. 179), en er wordt voorts gesteld (pag. 182): “De intieme fouillering van gedetineerden is, sinds het drugprobleem zijn intrede heeft gedaan in de gevangenissen, een ingeburgerde praktijk geworden, alhoewel daarvoor bezwaarlijk een wettelijke grondslag voor gevonden kan worden, wat uiteraard in contrast staat tot de strenge wetgeving die in het Wetboek van Strafvordering het onderzoek aan het lichaam regelt (art. 90bis Sv.) Teneinde te vermijden dat een praktijk, die in de realiteit van de penitentiaire praxis in sommige gevallen als een noodzaak wordt beschouwd, zich in feite toch zou doorzetten, zonder enige wettelijke grondslag, leek het verkieslijker desbetreffende een beperkende regeling voor te stellen. Artikel 105, § 2, eerste lid, bepaalt thans dat indien er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij van de gedetineerde niet volstaat om het doel, zoals omschreven in § 1, tweede lid, te bereiken, de directeur bij afzonderlijke beslissing een fouillering op het lichaam kan bevelen, zo nodig met ontkleding en het uitwendig schouwen (d.i. zonder aanraking van het lichaam, in welk geval gesproken zou moeten worden van het onderzoek aan het lichaam, dat door artikel 90bis Sv. wordt geregeld) van de openingen en de holten van het lichaam.” IX-7016-9/14 12. Uit die stukken blijkt duidelijk de bedoeling van de wetgever om de aan een gedetineerde opgelegde verplichting om zich tot op het lichaam -dit wil zeggen geheel- te ontkleden (in de Franstalige toelichting bij artikel 105 wordt gesteld: “obliger le detenu à se deshabiller complètement”), hetgeen impliceert dat zulks ook effectief gecontroleerd wordt, als een fouillering op het lichaam te beschouwen, ook wanneer er geen inspectie gebeurt van de intieme delen. Die uitlegging van de wet wordt versterkt door de vaststelling dat de wetgever ook het bevel om de mond te openen als een fouillering op het lichaam heeft aangemerkt, hetgeen evident een minder ingrijpende aantasting van het eergevoel inhoudt dan een verplichting om zich geheel naakt te laten bekijken. In het arrest van 17 maart 2010 van het hof van beroep van Antwerpen, dat de verzoeker voorlegt, wordt dan ook zeer terecht overwogen (pag. 16-17): “Het leidt geen twijfel dat de wetgever zich, bij het maken van het onderscheid tussen de paragrafen 1 en 2 van het artikel 108 Basiswet, liet leiden door de mate waarin het schaamtegevoel of het eerbaarheidsgevoel van de onderzochte persoon gekrenkt kan worden. Het leidt geen twijfel dat het schaamtegevoel of het eerbaarheidsgevoel van de te onderzoeken persoon meer gekrenkt wordt bij een volledige ontkleding naar aanleiding van een onderzoek aan de kledij dan bij een niet ontklede fouillering op het lichaam. Lezing van de voorbereidende werken op de Basiswet wijst uit dat het onderzoek van de kledij (waarvan sprake in art. 108 § 1 van de Basiswet) inhoudt dat - zonder afzonderlijke gemotiveerde beslissing van de directeur - enkel de kledij betast en doorzocht mag worden met het doel om na te gaan of de gedetineerde daarin of daaronder voorwerpen of substanties verborgen heeft die verboden of gevaarlijk zijn. In dat verband kan men een persoon wel van zijn overkleding laten ontdoen, zonder hem evenwel te kunnen verplichten zich te ontkleden tot op het naakte lichaam.” en verder (pag. 18): “Zoals hoger reeds werd uiteengezet houdt het onderzoek aan de kledij waarvan sprake in art. 108 § 1 van de Basiswet (dit wil zeggen zonder afzonderlijke gemotiveerde beslissing van de gevangenisdirecteur) slechts in dat de kledij betast en doorzocht wordt, waarbij men een persoon zich wel van zijn overkleding mag laten ontdoen, maar waarbij die persoon niet kan verplicht worden zich te ontkleden tot op het naakte lichaam. IX-7016-10/14 De fouille van de kledij zoals die thans door geïntimeerde wordt uitgevoerd, te weten met volledig uitkleden van de gedetineerde tot op het naakte lichaam zonder dat er een afzonderlijke gemotiveerde beslissing is van de directeur, is prima facie dan ook strijdig met de tekst zelf van de Basiswet, met de geest van de Basiswet en met de uitdrukkelijk geformuleerde bedoelingen van de wetgever.” 13. Het argument van de verwerende partij dat het EHRM enkel bijzonder ingrijpende en potentieel vernederende acties als een schending van artikel 3 EVRM aangemerkt heeft, doet niets af aan de vaststelling dat de wetgever duidelijk blijk gegeven heeft van de bedoeling om een ontkleding tot op het naakte lichaam als een ernstige aantasting van de persoonlijke waardigheid te beschouwen en dergelijke fouillering afhankelijk te stellen van een voorafgaande toelating van de gevangenisdirecteur. 14. Te dezen staat buiten betwisting dat de verzoeker gedwongen werd zich volledig uit te kleden zonder de vereiste voorafgaande toelating. Het middel is ernstig. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 15. De verzoeker wijst op de schending van artikel 108, § 2, van de basiswet en stelt dat de straf van één maand individueel regime een “ernstige aantasting van het recht op eerbiediging van het familie- en het gezinsleven van de verzoeker (inhoudt) en een ernstige hypotheek vestigt op het vertrouwen dat hij al dan niet binnen de gevangenis geniet en zal genieten om bijvoorbeeld terug tewerk gesteld te worden.” Hij voegt daaraan toe dat de maatregel een ernstige hypotheek legt op toekomstige uitgaansfaciliteiten en/of strafuitvoeringsmodaliteiten aangezien het gedrag in de gevangenis daarbij een belangrijke rol zal spelen. 16. Volgens de verwerende partij beperkt de verzoeker zich tot algemeenheden en toont hij niet aan waarom de tenuitvoerlegging van de straf zijn situatie dermate zal verslechteren dat de negatieve gevolgen niet door een vernietigingsarrest rechtgezet zullen kunnen worden. De verwijzing naar de IX-7016-11/14 invloed van de straf op latere uitgaansfaciliteiten en strafuitvoeringsmodaliteiten is onterecht omdat sinds de wet van 17 mei 2006 de gedragingen binnen de gevangenis geen tegenindicatie meer vormen voor het modaliseren van de strafuitvoering en is minstens hypothetisch, gelet op de data waarop hij voor uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven in aanmerking komt. Beoordeling 17. Bij de beoordeling van het nadeel moet bedacht worden dat een tuchtmaatregel tot doel heeft om de persoon die een tuchtfeit beging te doen boeten voor zijn gedrag. Er kan worden aangenomen dat een tuchtstraf zekere ongemakken meebrengt op materieel en moreel vlak zonder dat er evenwel sprake is van een ernstig nadeel. In zijn verzoekschrift mag de verzoeker er zich niet toe beperken om de gevolgen van de straf op te sommen. Hij moet met concrete elementen weergeven welke de impact is van de gevolgen van de straf op zijn persoonlijke situatie. De verzoeker dient te bewijzen dat de tenuitvoerlegging van de tuchtstraf zijn situatie dermate zal verslechteren dat de negatieve gevolgen niet door een vernietigingsarrest zullen kunnen worden rechtgezet. 18. Eén maand individueel regime vormt op zich geen nadeel dat ernstig genoeg is om een schorsing te rechtvaardigen. De ernst van het aangevoerd middel mag in beginsel niet bij het onderzoek van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betrokken worden en de Raad van State ziet geen reden om daar in dit geval anders over te oordelen. De aantasting van het recht op familiaal en gezinsleven wordt niet concreet gemaakt; minstens wordt niet aangetoond dat er geen contacten meer kunnen zijn noch wat zulks ten definitieven zal wijzigen aan de situatie van de verzoeker. Het bestaan van een moreel nadeel -teloorgaan van het vertrouwen van de directie, ook met het oog op tewerkstelling- kan niet aangenomen worden, nu de verzoeker de feiten die aan de straf ten grondslag liggen niet betwist en het beweerd moreel nadeel daarin zijn grondslag vindt. IX-7016-12/14 19. De insinuatie van de verzoeker dat hij als gevolg van de bestreden tuchtsanctie zijn kansen om uitgaansfaciliteiten en strafuitvoeringsmodaliteiten te verkrijgen, ernstig ziet slinken, is in de huidige stand van het geding hypothetisch. De verwerende partij stelt terecht dat het gedrag van de betrokkene in de gevangenis blijkens artikel 47 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf, geen tegenaanwijzing vormt die een positieve beslissing over een strafuitvoeringsmodaliteit kan verhinderen. En de verzoeker laat ook na om in zijn verzoekschrift met concrete elementen uiteen te zetten waarom de directeur de bestreden tuchtmaatregel later misschien toch in aanmerking zal nemen waardoor zijn kansen op uitgaansfaciliteiten in ernstige mate afnemen. In ieder geval kan de verzoeker bij de overheden, die in de toekomst over enige aanvraag moeten beslissen, zijn wettigheidskritiek kenbaar maken indien zij op grond van deze tuchtsanctie toch eventuele uitgaansfaciliteiten en strafuitvoeringsmodaliteiten zouden weigeren. 20. Het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt niet aangetoond. Eén van de voorwaarden waaronder de Raad van State de schorsing van het bestreden besluit kan bevelen, is niet vervuld. BESLISSING 1. De Raad van verwerpt de vordering. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. IX-7016-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 december 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-7016-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.853 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.535 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.