id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.855 Rolnummer: A. 189490/X-13885 Zaak: Arrest 209855 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-23 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 05:34 Fiche Arrest nr 209.855 van 17 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.855 van 17 december 2010 in de zaak A. 189.490/X-13.
- In zake : Johannes OUDENHOVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Mallien kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Meir 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de deputatie van de provincieraad van LIMBURG -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 augustus 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 26 juni 2008 van de deputatie van de provincieraad van Limburg houdende inwilliging van het beroep van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, houdende vernietiging van het besluit van 7 april 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Maaseik en houdende weigering aan Johannes Oudenhoven van de stedenbouwkundige vergunning voor het regulariseren van het bouwen van een brug op een perceel gelegen te Maaseik, Bergerstraat, kadastraal bekend sectie C, nr. 338/b. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. X-13.885-1/7 De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september
- Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Mallien, die verschijnt voor de verzoekende partij, en Tom Roosen, bestuurssecretaris, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 30 januari 2008 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij de stad Maaseik een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het regulariseren van een brug op een perceel gelegen te Maaseik, Bergerstraat, kadastraal bekend sectie C, nr. 338/b. 3.
- Op 7 april 2008 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Maaseik de gevraagde vergunning. 3.
- Op 23 april 2008 stelt de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar bij de verwerende partij beroep in tegen de voormelde beslissing. In dit schrijven wordt gesteld dat een afschrift van dit beroepschrift aangetekend wordt verzonden naar onder meer de verzoeker. X-13.885-2/7 3.
- Op 2 juni 2008 stelt de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar een verslag op. Daarin wordt voorgesteld het beroep in te willigen en de stedenbouwkundige vergunning van 7 april 2008 te vernietigen. Blijkens de vermelding op dit stuk stemt de verwerende partij op 12 juni 2008 principieel in met het voorstel. 3.
- Op 16 juni 2008 richt de raadsman van de verzoeker een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs aan de verwerende partij met de volgende inhoud: “Betreft : verleende stedenbouwkundige vergunning aan de heer Johannes OUDENHOVEN voor een brug te Maaseik, Bergerstraat z/n, tweede afdeling, sectie C, nr. 0338B, verleend door de stad Maaseik op 7 april 2008, ref. 874.1/2008/01 - hoger beroep van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar van de provincie Limburg per aangetekende brief van 23 april 2008 ref. 8.00/72021/19960219.4 M. ref. : 70866/PM/CD U. ref. : In deze materie werd ik geraadpleegd door de titularis van de stedenbouwkundige vergunning, de heer Johannes Oudenhoven. Samen met cliënt bevestig ik dat wij voorafgaandelijk wensen gehoord te worden alvorens de bestendige deputatie een beslissing neemt in deze aangelegenheid Vóór de hoorzitting wensen wij hoe dan ook in te zien: - het ganse administratief dossier met de ingewonnen adviezen in eerste aanleg en in graad van beroep; - het samenvattend verslag van de stedenbouwkundig architect van de provincie Limburg ten behoeve van de bestendige deputatie. Bericht u ons aangaande de datum voor het inzien van het dossier, resp. de adviezen en de hoorzitting?”. 3.
- Op 26 juni 2008 beslist de verwerende partij het beroep in te willigen en de stedenbouwkundige vergunning van 7 april 2008 te vernietigen. Dit is het bestreden besluit. X-13.885-3/7 IV. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert in het eerste middel het volgende aan: “4.
- Schending van de hoorplicht, als onderdeel van de rechten van verdediging, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, in combinatie met artikel 120 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de goede ruimtelijke ordening (kortweg DORO) Doordat artikel 120 DORO stelt dat elke aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning bij een procedure voor de Deputatie van de provincie Limburg dient te worden gehoord. Doordat artikel 120 DORO eveneens stelt dat de vraag om gehoord te worden dient gesteld te worden binnen 10 dagen na indiening of kennisneming van het beroepschrift. Doordat verzoeker niet binnen de 10 dagen na kennisname van het beroepschrift heeft gevraagd om gehoord te worden, meent de Deputatie van de provincie Limburg dat verzoeker geen rechten meer kan laten gelden op zijn hoorrecht. Terwijl de miskenning van de vereisten inzake hoorplicht een schending van een substantiële vormvereiste uitmaakt, die de rechtmatigheid van de beslissing aantast. (…) Terwijl het buiten kijf staat dat verzoeker op 16 juni 2008 per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs gevraagd heeft om gehoord te worden. Terwijl artikel 120 DORO stelt dat de vraag om gehoord te worden binnen 10 dagen na kennisname van het beroepschrift dient te worden gesteld, doch het geenszins voorschrijft op straffe van nietigheid. Dat de vraag van verzoeker op 16 juni 2008 derhalve nog steeds had dienen in overweging te worden genomen. Dat de provincie Limburg dit verzoek nog op een nuttig moment heeft ontvangen, met name 10 dagen vooraleer de beslissing werd genomen. Dat verzoeker bovendien op het ogenblik dat hij in kennis werd gesteld niet in zijn woning aanwezig was, gelet dat hij allereerst diende te worden gehospitaliseerd en vervolgens buiten huis in convalescentie was. Bij het nadien terugvinden van het hoger beroep van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar diende er nog een raadsman te worden geraadpleegd die vervolgens op 16 juni 2008 betreffende brief heeft verzonden. Dat verzoeker in deze omstandigheden derhalve inroept dat zijn hoorrecht, deel uitmakend van de rechten van verdediging, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, bekeken binnen het juiste kader van art. 120 DORO, duidelijk werd miskend. Zodat in huidige omstandigheden verzoeker haar recht om gehoord te worden werd geschonden. Dat het middel derhalve gegrond is”. X-13.885-4/7 Beoordeling 5.
- Vooreerst dient te worden vastgesteld dat, wanneer zij op grond van artikel 117 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) in beroep uitspraak doet over een stedenbouwkundige vergunning, de deputatie niet optreedt als administratief rechtscollege, maar, gelet op artikel 118, tweede lid DRO, als orgaan van actief bestuur. Het recht van verdediging als zodanig is enkel van toepassing in straf- en tuchtzaken, wat hier niet het geval is. Wat dit onderdeel betreft, faalt het middel bijgevolg naar recht. 5.
- Met de verwerende partij kan bovendien worden gesteld dat het beginsel van behoorlijk bestuur met betrekking tot de hoorplicht niet geldt in zoverre er een uitdrukkelijke regeling voor is uitgewerkt. Nu, zoals de verzoeker zelf aangeeft, het toentertijd geldende artikel 120 DRO uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorziet dat “de aanvrager of zijn gemachtigde (…) op hun verzoek door de bestendige deputatie (worden) gehoord”, faalt het middel als dusdanig ook op dit punt naar recht. Evenwel moet, indien de hoorplicht door een norm is voorgeschreven, maar de inhoud van die verplichting niet nader is bepaald, het optreden van de overheid op dat vlak dan ook getoetst worden aan de verplichtingen die het bestuur op grond van het beginsel van de hoorplicht moet nakomen. 5.3.
- Het toentertijd geldende artikel 120 DRO luidt als volgt: “De aanvrager of zijn gemachtigde, het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde, de (gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar) of zijn gemachtigde of degene die beroep instelt of zijn gemachtigde worden op hun verzoek door de bestendige deputatie gehoord. Wanneer een partij vraagt om gehoord te worden, worden ook de andere partijen uitgenodigd om gehoord te worden. De vraag om gehoord te worden, moet worden ingediend binnen tien dagen na indiening of kennisneming van het beroepschrift”. De hoorplicht vormt een wezenlijk onderdeel van de in het DRO vastgestelde beroepsprocedure. Het verhoor van de aanvrager die daarom heeft verzocht, is derhalve een substantiële vormvereiste. X-13.885-5/7 5.3.
- Zoals uit de feiten blijkt, richt de raadsman van de verzoeker op 16 juni 2008 een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs aan de verwerende partij met de vraag te worden gehoord. In antwoord op dit aangetekend schrijven, bevat het bestreden besluit de volgende overweging: “Gelet op het aangetekend schrijven van advocaat Mallien, kantoor Baker & Mc Kenzie, namens de heer Oudenhoven, met het verzoek om gehoord te worden; dat deze brief van 16 juni 2008 bij de post werd afgegeven op 16 juni 2008; gelet op deze vraag om gehoord te worden, die niet werd ingediend binnen de tien dagen na kennisneming van het beroepschrift; dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 120 dit verzoek daarom niet ontvankelijk is”. 5.3.
- Niettegenstaande in het voormelde artikel 120 DRO wordt bepaald dat het verzoek om te worden gehoord “moet worden ingediend” binnen tien dagen na kennisneming van het beroepschrift, is aan het overschrijden van deze termijn geen uitdrukkelijke sanctie verbonden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt evenmin de wil van de decreetgever om het overschrijden van deze termijn te sanctioneren. Het betreft derhalve een termijn van orde. 5.3.
- Gelet op het voorgaande, wordt in het bestreden besluit op basis van de loutere vaststelling dat het verzoek om te worden gehoord “niet werd ingediend binnen de tien dagen na kennisneming van het beroepschrift” ten onrechte besloten “dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 120 dit verzoek daarom niet ontvankelijk is”. Dergelijke gevolgtrekking kan niet uit artikel 120 DRO worden gemaakt. Het bestreden besluit stelt niet dat de vraag om te worden gehoord dermate laat werd ingediend dat de normale behandeling van het beroep erdoor werd gehinderd. Waar de verwerende partij, in de memorie van antwoord, opwerpt dat zij reeds op 12 juni 2008 de principiële beslissing had genomen tot weigering van de vergunning, moet worden vastgesteld dat de weigering tot horen in het bestreden besluit niet aldus gemotiveerd is. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. X-13.885-6/7 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van 26 juni 2008 van de deputatie van de provincieraad van Limburg houdende inwilliging van het beroep van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, houdende vernietiging van het besluit van 7 april 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Maaseik en houdende weigering aan Johannes Oudenhoven van de stedenbouwkundige vergunning voor het regulariseren van het bouwen van een brug op een perceel gelegen te Maaseik, Bergerstraat, kadastraal bekend sectie C, nr. 338/b.
- Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.885-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.855 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div