← België

Arrest 209859 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 20/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.859 Rolnummer: A. 186522/IX-5811 Zaak: Arrest 209859 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 20/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-04 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-30 05:34 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 209.859 van 20 december 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 209.859 van 20 december 2010 in de zaak A. 186.522/IX-5811 In zake : Patrick VAN ALPHEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Van Grieken kantoor houdend te Brussel Vossendreef 6 bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 28 december 2007, strekt tot de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 29 oktober 2007 waarbij Patrick Van Alphen bij tuchtmaatregel voor veertien dagen uit zijn ambt ontheven wordt. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 205.495 van 21 juni 2010 zijn de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat ermee gelast het onderzoek van de zaak voort te zetten. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. De partijen hebben een laatste memorie ingediend. IX-5811-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 december 2010. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Simon Menschaert, die loco advocaat Geert Van Grieken verschijnt voor de verzoeker, en kolonel militair administrateur Arnaud De Decker, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn uiteengezet in het arrest nr. 205.495 van 21 juni 2010. IV. Verder onderzoek van de middelen A. Tweede middel Standpunt van de partijen 4. De verzoeker voert aan dat het bestreden besluit op onwettige motieven berust, dat zijn rechten van verdediging of zijn recht om gehoord te worden geschonden zijn en dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet nageleefd werd. Hij ontwikkelt het middel als volgt: In het bestreden besluit wordt verwezen naar het voorstel van de korpscommandant en naar het feit dat de verzoeker geen IX-5811-2/15 verweer heeft doen gelden, maar in de procedure is geen mogelijkheid van verweer voorzien. Hij heeft zich met een verweerschrift van 18 oktober 2007 verweerd tegen het voorstel om hem van ambtswege te ontslaan, maar hij heeft zich niet kunnen verweren tegen de strafverzwaring die in de loop van de tuchtprocedure naar voren is gekomen: de korpscommandant had op 18 september 2007 een tijdelijke ambtsontheffing van twee dagen voorgesteld en uiteindelijk is hem een tijdelijke ambtsontheffing van veertien dagen opgelegd. De verwerende partij heeft onzorgvuldig gehandeld doordat het oorspronkelijk voorstel van twee dagen schorsing op basis van hetzelfde dossier gewijzigd werd in een voorstel van ontslag van ambtswege; tegen dat voorstel heeft hij zich op 18 oktober 2007 verdedigd, maar het bestuur heeft dan naar het oorspronkelijk voorstel teruggegrepen en dat oorspronkelijk voorstel verzwaard, zonder de verzoeker hierin nog te kennen. In ieder geval is het verweer van de verzoeker niet ter kennis van de minister gebracht. 5. De verwerende partij antwoordt daar in essentie op: - dat het voorstel van 18 september 2007 om aan de verzoeker twee dagen TATM op te leggen wel degelijk de mogelijkheid vermeldt om een verweerschrift in te dienen, maar dat de verzoeker dit nagelaten heeft; - dat het verweerschrift van de verzoeker van 18 oktober 2007 wel degelijk aan de minister voorgelegd werd. 6. De verzoeker herhaalt in zijn memorie van wederantwoord dat het bestreden besluit uitdrukkelijk stelt dat hij geen verweer heeft laten gelden terwijl hij in zijn verzoekschrift duidelijk heeft aangetoond dat dit wel het geval is geweest. 7. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat het dossier van de zaak wel degelijk het bewijs bevat dat de verzoeker zich verweerd heeft en dat de minister van dat verweer kennis gekregen heeft en er ook op geantwoord heeft. Zij oppert de mening dat de verwijzing, in het bestreden besluit, naar het gebrek aan verweer ofwel een materiële fout betreft ofwel verwijst naar IX-5811-3/15 het gebrek aan verweer tegen het oorspronkelijk tuchtstrafvoorstel van de korpscommandant van 18 september 2007. Beoordeling 8. De verzoeker kan niet voorhouden dat hij onwetend was van de mogelijkheid om zich te verweren tegen het voorstel van tuchtstraf -twee dagen tijdelijke ambtsontheffing- geformuleerd door de korpscommandant. Immers, dat voorstel is geformaliseerd op een binnen de Krijgsmacht wel bekend “model B” en het typeformulier daarvan vermeldt uitdrukkelijk in voetnoot 7 dat “betrokkene ALTIJD een verweerschrift (mag) indienen”. 9. De verzoeker heeft bij de kennisneming, op 26 september 2007, van het voorstel van de korpscommandant van 18 september 2007 om hem twee dagen te schorsen geen verweer geboden. Hij heeft dat verweer wel geboden -met name op 18 oktober 2007- ten aanzien van het daarop gevolgd voorstel van de Chef van de divisie Coördinatie en Evaluatie & Personeel van 9 oktober 2007, waarbij het voorstel van de korpscommandant om de verzoeker voor twee dagen te schorsen werd omgebogen in een voorstel om hem voor een onderzoeksraad te laten verschijnen met het oog op zijn ontslag van ambtswege en waarbij aan de verzoeker formeel was medegedeeld dat hij zijn verweer kon laten geworden vóór 18 oktober 2007. De verzoeker heeft zich aldus in de tuchtzaak die tegen hem was opgestart daadwerkelijk verdedigd. Dat hij dit slechts gedaan heeft nadat de Chef Personeel het voorstel had geformuleerd om een veel zwaardere straf op te leggen dan de initieel door de korpscommandant voorgestelde, vermindert die vaststelling niet. De verwijzing in het bestreden besluit dat de verzoeker “geen verweer laat gelden” strookt derhalve niet met de werkelijkheid, maar daarom is het bestreden besluit niet onwettig. IX-5811-4/15 10. Het dossier is vervolgens door de divisie Personeel op 24 oktober 2007 aan de minister van Landsverdediging overgemaakt met de aanbeveling om hetzij door een procedure bij de onderzoeksraad “een diepgaand onderzoek te laten voeren”, hetzij “op basis van het korpsonderzoek en het feit dat het gebeuren zich afspeelde in internationaal milieu” een TATM van 7 dagen op te leggen. In de “beknopte analyse” in de desbetreffende nota van de Chef Personeel wordt vermeld dat de verzoeker wel degelijk verweer heeft laten gelden en blijkens de “opgave der aanhangsels” bij die nota is toen ook het “verweerschrift Faber Inter (advocatenvennootschap) van 18 okt 07” doorgestuurd. De minister beschikte dus in ieder geval over het verweer van de verzoeker. Uit een aantal vermeldingen in het bestreden besluit blijkt dat hij er ook rekening mee gehouden heeft. Aldus beperkt hij, zoals door de verzoeker gevraagd, de tuchtfeiten tot het moedwillig schade aanrichten aan een tennisterrein, overweegt hij dat een officier “in alle omstandigheden de kalmte (moet kunnen) bewaren”, hetgeen duidelijk een antwoord is op het verweer van de verzoeker dat wegens de woordenwisseling die hij met de secretaris van de tennisvereniging had gehad “zijn ketel overkookte” en hij de beschadigingen aan het tennisterrein aanbracht, en verduidelijkt hij ook dat het betalen van een boete op het politiekantoor en het vergoeden van de schade -elementen die in het verweerschrift waren aangebracht- geen beletsel moeten zijn om een statutaire maatregel te treffen. 11. Met zijn voorstel om de verzoeker voor een onderzoeksraad te laten verschijnen met het oog op zijn ontslag overrulede de chef Personeel het initieel voorstel van de korpscommandant en moest de verzoeker zich daartegen verdedigen. Hij heeft dit ook gedaan. Hij kan aldus niet verrast geweest zijn door het besluit om hem voor 14 dagen te schorsen. Over het opleggen van deze lichtere tuchtstraf diende de verzoeker niet afzonderlijk gehoord te worden. 12. Het middel is niet gegrond. IX-5811-5/15 B. Derde middel Standpunt van de partijen 13. Onder de hoofding “machtsoverschrijding, onwettige motieven, evenals schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en schending van de formele motiveringsplicht ingesteld bij de wet van 21 juli 1991” stelt de verzoeker dat in het bestreden besluit overwogen wordt “dat de reeds ontvangen boete, een eventuele rechtsvervolging of het vergoeden van materiële schade, het nemen van statutaire maatregelen niet uitsluit”, terwijl het onderzoek van de informatiecommissie van 13 september 2007 had aanbevolen om geen bijkomende maatregelen te nemen vooraleer de uitslag van de strafrechtelijke vervolging bekend zou zijn. Hij vraagt zich af waarom de minister geen rekening gehouden heeft met de seponering van de strafvordering, hetgeen nochtans een wezenlijk beoordelingselement is voor de beslissing over de strafmaat. De verwerende partij kan niet voorhouden dat de seponering hem niet bekend was, aangezien dit gegeven sinds 23 oktober 2007 bekend was. 14. Volgens de verwerende partij moet de geviseerde passage uit het bestreden besluit in die zin gelezen worden dat de tuchtprocedure losstaat van de gerechtelijke procedure, dat niet wordt begrepen hoe zulks de motiveringsplicht kan schenden en dat de onwettigheid van het betrokken motief het gehele besluit nog niet vitieert. 15. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt de verzoeker nog dat uit het bestreden besluit niet opgemaakt kan worden of de minister rekening gehouden heeft met de seponering van de strafzaak. Het seponeren van de strafzaak sluit een tuchtactie niet uit, maar zij heeft er wel een invloed op. 16. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog dat de administratieve overheid enkel gebonden is door uitspraken van de vonnisgerechten waarin de feiten bewezen worden bevonden. Te dezen heeft de IX-5811-6/15 minister enkel aangegeven dat de tuchtprocedure losstaat van de strafprocedure; dit betekent dat hij ook in geval van seponering een tuchtstraf kan opleggen en dat een seponeringsbeslissing geen invloed moet hebben op de zwaarte van de tuchtstraf. In dit geval bevat het bestreden besluit een uitvoerige motivering waarin specifieke elementen worden belicht die het gegeven van de seponering van het strafdossier in het niets doet verdwijnen. Beoordeling 17. Een tuchtprocedure staat, behoudens andersluidende wettelijke bepaling, los van de strafprocedure die mogelijk omtrent dezelfde feiten gevoerd wordt. Te dezen had de informatiecommissie, die het korpsonderzoek gevoerd had, in haar aanbevelingen van 13 september 2007 voorgesteld om het parket in te lichten over de feiten en het onderzoek op strafgebied af te wachten, maar de minister moest zich door die aanbeveling niet gebonden achten. 18. Het bestreden besluit verwijst inderdaad naar “een eventuele rechtsvervolging”, waarmee de minister lijkt aan te geven dat hij geen kennis had van of geen rekening wenste te houden met de seponeringsbeslissing van de federale procureur die op 23 oktober 2007 aan het bestuur was overgemaakt. Bij gebrek aan reglementaire verplichting daaromtrent, was de minister niet gehouden om het afwikkelen van het tuchtdossier uit te stellen totdat het strafonderzoek afgelopen was. Niets belette hem aldus, voor zover hij zich voldoende ingelicht kon achten, de tuchtprocedure los van het strafonderzoek te voeren. In dit geval heeft de minister aldus op basis van het dossier, samengesteld door de administratie, de tuchtzaak van de verzoeker toegespitst op de tekortkoming van 18 mei 2007 -de moedwillige vernielingen aan een tennisterrein- en heeft hij op grond van een eigen redenering, die in het bestreden besluit wordt weergegeven, voor dat feit een tuchtstraf opgelegd. Dat hij daarbij geen rekening gehouden heeft met het gegeven dat de gerechtelijke overheden op strafgebied geen gevolg zouden geven aan de zaak, maakt die tuchtstraf niet onwettig, voor IX-5811-7/15 zover de eigen motivering van de minister dit tuchtstrafbesluit terdege verantwoordt, hetgeen de verzoeker eigenlijk niet betwist en hetgeen afgaand op de redenering die de minister in het bestreden besluit vermeldt, ook moeilijk te betwisten valt. De minister moest dan ook niet verduidelijken waarom hij de seponeringsbeslissing buiten zijn beoordeling hield. 19. Het middel is niet gegrond. C. Vierde middel Standpunt van de partijen 20. De verzoeker voert de schending aan van artikel 182 van de Grondwet en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd en in samenlezing met artikel 182 van de Grondwet. Er is volgens hem ook reden om artikel 23 van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten. Hij adstrueert het middel als volgt: Het bestreden besluit verwijst naar de artikelen 14 en 17 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepofficieren van de Krijgsmacht en naar artikel 23 van het koninklijk besluit van 7 april 1959. Artikel 17 van de wet is uiterst summier gesteld: er wordt niet bepaald wanneer de erin voorziene tuchtmaatregel opgelegd kan worden, hoelang hij mag duren en over welke procedurele bescherming de betrokken beroepsofficier geniet; artikel 23 van het koninklijk besluit van 7 april 1959 bepaalt enkel in welke gevallen een tijdelijke ambtsontheffing opgelegd kan worden. Omdat de gevallen waarin een officier tijdelijk uit zijn ambt ontheven kan worden door een koninklijk besluit worden bepaald en de rechten van de verdediging niet gewaarborgd worden, is de regeling strijdig met artikel 182 van de IX-5811-8/15 Grondwet dat een optreden van de wetgever vereist en moet zij overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing blijven. De regeling voor de tijdelijke ambtsontheffing, waarvan hier toepassing gemaakt is, steekt schril af tegen de regeling van de schorsing bij ordemaatregel -artikel 18 van de wet van 1 maart 1958, ingevoerd door de wet van 15 februari 2005-, waarin de wetgever zelf de essentiële elementen van het besluitvormingsproces -het waarom, de duurtijd, de procedure- geregeld heeft. Volgens de verzoeker is er reden om in dit geval aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de overeenstemming van artikel 17 van de wet van 1 maart 1958 met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en met artikel 182 van de Grondwet, enerzijds doordat de wetgever enkel het beginsel van de schorsing bij tuchtmaatregel instelt en de gevallen waarin die maatregel kan opgelegd worden voorts bij koninklijk besluit worden bepaald, en anderzijds doordat de wetgever de schorsing bij ordemaatregel van een beroepsofficier wel geregeld heeft zoals artikel 182 van de Grondwet voorschrijft. 21. De verwerende partij antwoordt daarop dat uit het feit dat de wetgever de problematiek van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel geregeld heeft, niet afgeleid mag worden dat op dezelfde wijze gehandeld moet worden voor de tuchtmaatregel van de tijdelijke ambtsontheffing. Zij stelt ook dat het beginsel nullum crimen sine lege niet geldt in het tuchtrecht, zodat de wetgever de tuchtvergrijpen niet moet bepalen en er niets onregelmatigs is aan het feit dat de Koning op algemene wijze een opsomming geeft van de gevallen waarin de tuchtstraf kan worden opgelegd. 22. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker nog dat, zo de wetgever de procedure voor het opleggen van een ordemaatregel nauwkeurig bepaalt, dit a fortiori ook moet gelden voor de tuchtvervolging. 23. In zijn laatste memorie benadrukt de verzoeker nog dat er geen evidente verklaring bestaat voor het feit dat er een uitgewerkte wettelijke regeling IX-5811-9/15 bestaat voor de ordemaatregel van de voorlopige schorsing terwijl dergelijke regeling niet bestaat voor de nochtans meer ingrijpende maatregel van de tuchtrechtelijke schorsing van de beroepsofficier. Beoordeling 24. Artikel 23 van het koninklijk besluit van 7 april 1959 bepaalt in welke gevallen een tijdelijke ambtsontheffing kan worden opgelegd. Volgens de verzoeker moest dergelijke bepaling krachtens artikel 182 van de Grondwet door de wetgever uitgevaardigd zijn en moet zij bij het onderzoek van de onderhavige zaak krachtens artikel 159 van de Grondwet, buiten toepassing gelaten worden. Dat aspect van het middel valt samen met de vraag naar de onderscheiden regelingsbevoegdheid van de wetgevende, respectievelijk de uitvoerende macht ten aanzien van de rechten en de verplichtingen van de militairen. 25. Artikel 182 van de Grondwet stelt dat de rechten en de verplichtingen van de militairen door de wet worden bepaald. Ook artikel 167, § 1, tweede lid, van de Grondwet, waarin bepaald wordt dat de Koning het bevel voert over de Krijgsmacht, kan mogelijk van belang zijn voor deze tuchtaangelegenheid. Artikel 17 van de wet van 1 maart 1958 voorziet in de mogelijkheid van de tuchtrechtelijke schorsing en bepaalt welke overheid die beslissing moet nemen: in de regel is dit de Koning, maar in geval de schorsing minder dan een maand bedraagt, is de minister van Landsverdediging bevoegd. Artikel 17 is uitgevoerd door artikel 23 van het koninklijk besluit van 7 april 1959 dat bepaalt: “De op nonactiviteitsstelling bij tuchtmaatregel kan toegepast worden op de officier die een veroordeling heeft opgelopen, die herhaalde tuchtstraffen heeft ondergaan, die gestraft is geweest voor een ernstig vergrijp, die een ernstig feit onverenigbaar met de staat van officier heeft begaan die, om tuchtredenen, het voorwerp is geweest van een voorstel tot definitieve ambtsontheffing. Wanneer een hiërarchische autoriteit met een rang ten minste gelijk aan die van korpscommandant van oordeel is dat een officier op non-activiteit bij IX-5811-10/15 tuchtmaatregel moet worden gesteld, zendt zij langs hiërarchische weg een gemotiveerd voorstel aan de Minister van Landsverdediging. Wanneer de Minister van Landsverdediging het initiatief tot de maatregel meent te moeten nemen, raadpleegt hij vooraf de hiërarchische autoriteiten.” 26. Het bestreden besluit is genomen door de minister van Landsverdediging; zij vindt haar rechtsgrond in de voormelde reglementaire bepalingen. De verzoeker is van oordeel dat die reglementaire bepalingen de artikelen 10, 11 en 182 van de Grondwet, samen gelezen, miskennen omdat de wetgever zelf het systeem van de tijdelijke ambtsontheffing van de beroepsmilitairen niet nader uitgewerkt heeft maar de gevallen waarin de tijdelijke ambtsontheffing kan opgelegd worden door de Koning bepaald zijn en omdat de wetgever in geen bepalingen heeft voorzien om de rechten van de verdediging van de betrokken militairen te waarborgen. Hij acht ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden in de mate artikel 17 van de wet van 1 maart 1958 het systeem van de tijdelijke ambtsontheffing slechts rudimentair heeft uitgewerkt, terwijl artikel 18 van dezelfde wet voorziet in een uitvoerige regeling voor de preventieve schorsing in het kader van een tuchtvordering; een beroepsofficier die preventief geschorst wordt zou aldus een betere bescherming genieten dan een beroepsofficier die tijdelijk uit zijn ambt ontheven wordt. 27. Het behoort het Grondwettelijk Hof te oordelen of artikel 17 van de wet van 1 maart 1958 de voormelde grondwettelijke bepalingen miskent doordat de wetgever de aangelegenheid onvoldoende nauwkeurig geregeld heeft, en de Koning aldus in de mogelijkheid gesteld heeft om op grond van zijn algemene uitvoeringsbevoegdheid in de plaats van de wetgever de nadere regels vast te stellen die hijzelf had moeten aannemen. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof wordt daarover de door verzoeker voorgestelde vraag gesteld, aangepast met een bijkomende verwijzing naar artikel 167, § 1, tweede lid, van de Grondwet en duidelijkheidshalve opgesplitst. IX-5811-11/15 D. Vijfde middel Standpunt van de partijen 28. De verzoeker voert de schending van het evenredigheids- beginsel aan. Hij stelt dat oorspronkelijk in het informatief verslag was gesteld dat zowel een strafvervolging als een disciplinaire maatregel niet in verhouding stonden tot de gepleegde feiten, dat de korpscommandant voorgesteld heeft hem voor twee dagen uit het ambt te ontheffen maar dat de minister uiteindelijk besloten heeft om hem veertien dagen te schorsen. Die straf is niet in verhouding tot de ten laste gelegde feiten, zeker nu de minister slechts één feit in zijn besluit betrokken heeft en dit feit afgaat op een verklaring die niet behoorlijk bewezen werd. 29. De verwerende partij verwijst in haar antwoord naar de marginale toetsingsbevoegdheid waarover de Raad van State beschikt en stelt dat de minister in dit geval vooral acht geslagen heeft op een aantal specifieke omstandigheden, met name dat een officier de kalmte moet bewaren en het goede voorbeeld moet geven, dat een hoofdofficier zich voorbeeldig moet opstellen en zijn land met eer moet vertegenwoordigen bij het uitvoeren van opdrachten in internationaal verband en dat de verzoeker ter gelegenheid van vroegere internationale opdrachten ook reeds bestraft werd. Met die bijzondere elementen voor ogen kan de opgelegde straf niet kennelijk onredelijk genoemd worden. 30. In zijn memorie van wederantwoord wijst de verzoeker er nog op dat de minister ten onrechte aangenomen heeft dat hij geen verweer geboden heeft en dat die onwettigheid nog beter de onredelijkheid van de opgelegde tuchtstraf aantoont. IX-5811-12/15 Beoordeling 31. Waar de verzoeker erop wijst dat de minister verkeerdelijk aangenomen heeft dat hij geen verweer geboden heeft, gaat dit argument terug naar het tweede middel, waar uiteengezet is dat de minister wel degelijk rekening gehouden heeft met het verweer van de verzoeker. 32. De verzoeker verwijst in het kader van dit middel naar het gegeven dat het in aanmerking genomen tuchtfeit niet behoorlijk bewezen was, omdat het steunt op een verklaring uit de tweede hand. In het kader van dit vijfde middel kan daarmee geen rekening gehouden worden, omdat de vraag naar het bewijs van de tenlastelegging de vraag naar de kennelijke onevenredigheid tussen de opgelegde straf en de gepleegde feiten voorafgaat; met andere woorden het middel van de evenredigheid van de straf gaat uit van het gegeven dat het bestuur de feiten voor behoorlijk bewezen kon houden. Het bestreden besluit is, om de ernst van de aangehouden tenlastelegging te bewijzen, uitvoerig gemotiveerd: aan de verzoeker wordt ten kwade geduid dat hij een gedrag tentoongespreid heeft dat een hoofdofficier onwaardig is en dat niet strookt met de kalmte die van dergelijk militair in het kader van militaire operaties mag worden verwacht; er wordt voorts op gewezen dat dergelijk onaangepast gedrag de faam van Defensie bezoedelt, dat de verzoeker door de UN-autoriteiten van verdere acties uitgesloten is en ten slotte wordt de verzwaring van de straf ten opzichte van het voorstel van de korpscommandant verantwoord. Met die motivering voor ogen kan niet besloten worden tot de kennelijke onevenredigheid van de opgelegde tuchtstraf met de feiten. 33. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. Het tweede, derde en vijfde middel zijn niet gegrond. IX-5811-13/15 2. De debatten worden heropend. 3. Aan het Grondwettelijk Hof worden volgende prejudiciële vragen gesteld: - Schendt artikel 17 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de Krijgsmacht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd en samen gelezen met de artikelen 182 en 167, § 1, tweede lid, van de Grondwet, doordat het artikel slechts bepaalt dat een beroepsofficier tijdelijk van zijn ambt ontheven kan worden en de overheid aanwijst die de maatregel kan opleggen, zonder een nadere regeling te bevatten van de gevallen waarin de tijdelijke ambtsontheffing kan opgelegd worden en van de rechten van de verdediging van de betrokken beroepsofficier, en het aldus voor de beroepsofficieren een regeling invoert die hen op discriminerende wijze de waarborgen ontneemt die door artikel 182 van de Grondwet op algemene wijze aan de militairen worden gegarandeerd. - Schendt artikel 17 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de Krijgsmacht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat een beroepsofficier die tijdelijk uit zijn ambt ontheven wordt niet dezelfde waarborgen geniet als deze welke door artikel 18 van dezelfde wet worden toegekend aan de beroepsofficier die het voorwerp uitmaakt van een preventieve schorsing. 4. Na ontvangst van het arrest van het Grondwettelijk Hof, zullen de partijen door de griffie van de Raad van State uitgenodigd worden om binnen de dertig dagen hun standpunt met betrekking tot de gegrondheid van het vierde middel uiteen te zetten. 5. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt ermee gelast, rekening houdend met het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de prejudiciële vraag en de bijkomende memorie(
  2. s)van de partijen, het onderzoek van het vierde middel voort te zetten. IX-5811-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 december 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5811-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.859 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.495 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.700 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.