id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.862 Rolnummer: A. 188320/X-13785 Zaak: Arrest 209862 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-30 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:34 Fiche Arrest nr 209.862 van 20 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.862 van 20 december 2010 in de zaak A. 188.320/X-13.785. In zake : Adrian OUDE HENDRIKMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Masureel kantoor houdend te 1030 BRUSSEL Wijnheuvelenstraat 227 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJK GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Monique Kestemont-Soumeryn en Jan Bouckaert kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de n.v. INFRABEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche en Filip Lahaye kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 mei 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 21 maart 2008 van de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest waarbij aan de n.v. INFRABEL de stedenbouwkundige vergunning wordt afgeleverd tot uitbreiding van lijn 124 naar vier sporen tussen de Vleeskersenstraat en de gewestgrens, het oprichten van een halte op het kruispunt van lijn 26 en het slopen van het gebouw van de halte Linkebeek. X-13.785-1/26 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 16 september 2008. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Patrick Masureel, die verschijnt voor de verzoeker, advocaat Pieter Vandenheede, die loco advocaten Monique Kestemont-Soumeryn en Jan Bouckaert verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Leopold Schellekens, die loco advocaten Frederik Vandendriessche en Filip Lahaye verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-13.785-2/26 III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij dient op 25 oktober 2007 (datum van het ontvangstbewijs) bij het bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest een in het Frans opgestelde stedenbouwkundige aanvraag in voor het uitvoeren van infrastructuurwerken in functie van de: - aanleg van een derde en een vierde spoor ten oosten van de twee bestaande sporen, op een betonnen plaat, tussen de onderdoorgang van de Vleeskersenstraat en de gewestgrens (station van Linkebeek). Om de lijn te kunnen uitbreiden tot vier sporen, worden twee nieuwe wissels voorzien ter hoogte van de Noordkriekenstraat; - aanpassing van het tracé van de bochten die de lijn 124 verbinden met de lijn 26; - bouw van een nieuwe halte op de lijn 124, ter hoogte van de kruising met de lijn 26. Deze halte staat in verbinding met de bestaande stopplaats van lijn 26, waarvan de perrons werden doorgetrokken in de richting van St-Job; - heraanleg van de halte van Linkebeek: afbraak van het bestaande stationsgebouw en aanleg van parkings op een afdekplaat over de 4 sporen ten zuiden van de Godshuizenlaan; - verbreding van de volgende 5 kunstwerken (afbraak/wederopbouw): bovenkruising van de Lindenlaan, spoorviaduct voor de kruising van de lijnen 124 en 26, spoorviaduct voor de kruising van lijn 124 en de verbindingsbocht naar lijn 26, bovenkruising van de Godshuizenlaan, bovenkruising van de Horzelstraat; - aanleg van een nieuwe parking met 47 plaatsen ter hoogte van de kruising van de lijnen 124 en 26; - heraanleg van de openbare ruimten ter hoogte van de halten van Moensberg en Linkebeek; - heraanleg van het kruispunt dat wordt gevormd door het Maassquare, de Stationstraat en de Kasteelstraat; - installatie van een draineersysteem voor het ballastbed over heel het tracé van lijn 124, de aanleg van een drassig gebied in Moensberg inbegrepen; - bouw van een nieuw schakelstation op de hoek van de Lindenlaan en de Horzelstraat; X-13.785-3/26 - plaatsing van geluidswerende muren langs de lijn 124. 3.2. Volgens het bij de voornoemde aanvraag gevoegde “algemeen situatieplan” is het projectgebied voor het grootste gedeelte gelegen op het grondgebied van de gemeente Ukkel en voor een kleiner gedeelte, meer bepaald ter hoogte van het station Linkebeek, op het grondgebied van de gemeente Linkebeek. Het bij de aanvraag horende plan van de “bestaande toestand - halte Linkebeek” toont dat de grens tussen beide voornoemde gemeenten loopt door het bestaande stationsgebouw van de halte Linkebeek, waarbij het grootste deel van het gebouw gelegen is op het grondgebied van de gemeente Linkebeek. Het plan “toekomstige toestand-algemene inplanting- halte Linkebeek” toont dat de aanvraag voorziet in de afbraak van het voornoemde stationsgebouw en het op die plaats aanplanten van bomen en struiken. 3.3. Bij de aanvraag is een “synthesedocument” gevoegd, dat zowel in het Frans als in het Nederlands is opgesteld. De inleiding van dit document bevat de volgende toelichting : “Dit document is geen volledige reproductie van het dossier voor de aanvraag om stedenbouwkundige vergunning. Bedoeling is om een samenvatting van de grafische elementen van het genoemde dossier in een gemakkelijk reproduceerbare vorm ter beschikking te stellen van het publiek. Men vindt er enerzijds verkleinde bovenaanzichten van het project en anderzijds de verschillende dwarsprofielen die werden uitgevoerd langs de geplande spoorbedding. In antwoord op een geheel pertinente opmerking van omwonenden tijdens het openbaar onderzoek bij de procedure voor het verkrijgen van een certificaat, wordt elk profiel uitgevoerd met dubbele schaal: • een overzicht, doorgaans op schaal 1/500, die het mogelijk maakt het project te positioneren tov de naburige woonzone en de afstand te schatten waarop de (nieuwe) infrastructuur is ingeplant; • een zicht op schaal 1/200, gecentreerd op de elementen van het project, teneinde de details van de inrichting te kunnen onderscheiden. Overwegende dat bepaalde niet-grafische documenten waarvan de levering werd gevraagd volgens de voorwaarden van het certificaat, een duidelijk publiek karakter vertoonden, werden deze vertaald en bij dit document gevoegd. Het betreft voornamelijk een beschrijvend document betreffende de uitvoeringsvoorwaarden van de werf. X-13.785-4/26 Gezien het grote belang van de milieuproblematiek en, daarbinnen, het luik betreffende de geluidshinder, heeft de aanvrager op eigen initiatief aan de acoustici van de persoon die belast is met de effectenstudie gevraagd om hun model opnieuw te doen draaien, met het project zoals het werd onderworpen aan de vergunning. Op die manier kan het publiek nagaan of de voorwaarden van de milieuovereenkomst effectief worden nageleefd door het project. Ten slotte, omvat dit document hierna een beknopte beschrijving van de beschouwde infrastructuur zowel op fysiek vlak als op het vlak van werking (hoofdzakelijk voor de stopplaatsen). Wat de volgende aspecten (daarentegen) betreft: • de doelstellingen van de aanvraag in functie van de evolutie van de bestaande situatie; • de beschrijving van de effecten van het project op de bestaande toestand; • de vermelding van de geldende wettelijke en reglementaire voorschriften; wordt de geïnteresseerde lezer gevraagd kennis te nemen van de effectenstudie of deze te herlezen”. De “effectenstudie”, waar in de hierboven weergegeven toelichting naar wordt verwezen, is in het Frans geredigeerd. Evenwel is ook voorzien in een niet-technische samenvatting van de effectenstudie in het Nederlands. 3.4. Naar aanleiding van de voornoemde aanvraag wordt door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ukkel een openbaar onderzoek georganiseerd van 19 november 2007 tot en met 19 december 2007. Tijdens het openbaar onderzoek richt de verzoeker volgende brief aan de gemeente Ukkel: “Betreft: Aanvra(a)g INFRABEL tot het op vier sporen brengen van de lijn 124 Ik heb mij naar uw Gemeente begeven om kennis te nemen van het dossier van bovenvermelde aanvraag. Het hoofddocument, getiteld ‘Demande de permis d’urbanisme - Note de presentation générale’, is in het Frans opgesteld. Daar ik Nederlandstalig ben, heb ik naar de Nederlandstalige versie van dit document gevraagd en het antwoord van de ambtenaar was dat het enkel in het Frans bestond ! De Nederlandstalige burgers van uw Gemeente kunnen zich dus geen klare idee van (…) de inhoud van de aanvraag en ik vind dit onaanvaardbaar. X-13.785-5/26 In deze omstandigheden maak ik alle voorbehoud voor wat betreft de regelmatigheid van het dossier. (…) PS : Ik vestig tevens uw aandacht op het feit dat bij het eerste openbaar onderzoek de effectenstudie in de Nederlandse taal ook niet beschikbaar was”. 3.5. Op 9 januari 2008 brengt de overlegcommissie een voorwaardelijk gunstig advies uit. 3.6. Op 31 januari 2008 deelt de gemeente Ukkel aan het bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest mee dat het college van burgemeester en schepenen, in zijn zitting van 22 januari 2008, een voorwaardelijk gunstig advies heeft verleend met betrekking tot de aanvraag. 3.7. Op 21 maart 2008 verleent de gemachtigde ambtenaar met een in het Frans gestelde beslissing aan de tussenkomende partij de gevraagde stedenbouwkundige vergunning onder voorwaarden. Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 4.1. De tussenkomende partij werpt de volgende exceptie op : “10. Om ontvankelijk te zijn, moet een verzoekschrift tot vernietiging een ontvankelijke uiteenzetting van de middelen bevatten die tegen de bestreden beslissing worden aangevoerd. Tussenkomende partij stelt echter vast dat zowel het eerste als het tweede onderdeel van het enige door verzoeker opgeworpen middel onontvankelijk zijn. Immers, om ontvankelijk te zijn dient een middel overeenkomstig een vaste rechtspraak van Uw Raad ‘te bestaan uit een voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel naar het oordeel van de verzoekende partij door de bestreden beslissing wordt geschonden’ (…). 11. Verzoeker geeft echter geen voldoende en duidelijke omschrijving van de wijze waarop de rechtsregel naar zijn oordeel zou worden X-13.785-6/26 geschonden door de bestreden beslissing, zodat (beide onderdelen van) het middel om die reden onontvankelijk is. De toelichting bij het middel van verzoeker heeft vooreerst immers enkel betrekking op de vermeende onwettigheid van de documenten van het aanvraagdossier, te weten de aanvraag tot stedenbouwkundig attest d.d. 31 december 2002, de presentatienota van de aangepaste aanvraag tot stedenbouwkundig attest alsook de effectenstudie, en de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning d.d. 24 oktober 2007. Zelfs indien -bij onmogelijkheid- zou worden aangenomen dat de stukken uit het aanvraagdossier onwettig zijn, is vast te stellen dat verzoeker in ieder geval niet aangeeft waarom deze vermeende onwettigheid ook tot de onwettigheid van de bestreden beslissing moet leiden. Het middel is dan ook niet ontvankelijk, nu vaststaat dat onderhavige procedure er niet toe strekt de voormelde documenten te doen vernietigen, doch integendeel uitsluitend tot doel heeft de onwettigheid van de stedenbouwkundige vergunning vast te stellen. In zijn verzoekschrift verduidelijkt verzoeker bovendien geenszins in welke mate de in het middel omschreven wettelijke bepalingen een verplichting in hoofde van de verwerende partij zouden meebrengen om de documenten van het aanvraagdossier en de stedenbouwkundige vergunning zowel in het Frans als het Nederlands op te stellen. Verzoeker geeft dan ook geenszins aan waarom de betrokken bepalingen in casu zouden geschonden zijn. Verzoeker geeft ook nergens in concreto aan waarom de bestreden beslissing de artikelen 1, 18, 19 en 35 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de artikelen 146, 147, 149 en 150 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, of artikel 6 of 9 van richtlijn 85/337/EEG, gewijzigd door richtlijn 2003/35/EG, zouden schenden. Ook om die reden is het middel niet ontvankelijk 12. Bij gebreke aan enig ontvankelijk middel, is ook het verzoek tot vernietiging op zich niet-ontvankelijk. Enkel al om die reden moet het worden afgewezen. Het is dan ook slechts ten overvloede dat tussenkomende partij hierna ingaat op de ongegrondheid van het middel”. 4.2. De verwerende partij stelt dienaangaande het volgende : “9. Zowel het eerste als het tweede onderdeel zijn onontvankelijk. In welke mate er uit de in het middel omschreven wettelijke bepalingen een verplichting zou volgen tot het opstellen van de documenten van het aanvraagdossier en de stedenbouwkundige vergunning in zowel het Frans als het Nederlands en waarom deze bepalingen in casu zouden geschonden zijn, wordt niet uiteengezet door verzoeker. Verzoeker geeft nergens in concreto aan waarom de bestreden beslissing de artikelen 18, 19 en 35 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de artikelen 146, 147, 149 en 150 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, of artikel 6 of 9 van richtlijn 85/337/EEG, gewijzigd door richtlijn 2003/35/EG, zouden schenden. 10. Overeenkomstig de vaste rechtspraak van Uw Raad dient een middel, om ontvankelijk te zijn, ‘te bestaan uit een voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze X-13.785-7/26 waarop die rechtsregel naar het oordeel van de verzoekende partij door de bestreden beslissing wordt geschonden’ (…). Vast te stellen is dat verzoekende partij geen voldoende en duidelijke omschrijving heeft gegeven van de wijze waarop de rechtsregel naar oordeel wordt geschonden, zodat het middel onontvankelijk is. 11. Daarenboven heeft het stedenbouwkundig attest zelf slechts een informatieve waarde. Enerzijds is het geen aanvechtbare administratieve akte. Anderzijds is het geen voorbereidende akte. In de mate dat het middel gericht is tegen de (aanvragen tot) stedenbouwkundige attesten, is het evenzeer onontvankelijk. 12. Het is dan ook slechts voor zoveel als nodig dat verwerende partij ingaat op de ongegrondheid van het middel”. Beoordeling 5.1. Luidens artikel 2, § 1, 3° van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement) moet het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen bevatten. Onder een middel in de zin van artikel 2, § 1, 3° van het algemeen procedurereglement moet worden begrepen een voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden rechtsregel of het geschonden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden beslissing wordt geschonden. Dit betreft een substantieel vormvoorschrift dat ertoe strekt de verwerende, en desgevallend de tussenkomende, partij in de mogelijkheid te stellen zich tegen de grieven van de verzoeker te verdedigen en de Raad van State toe te laten deze grieven te onderzoeken. Slechts wanneer deze doelstelling in het gedrang komt, moet tot de onontvankelijkheid van het middel worden besloten. 5.2. In het eerste middelonderdeel van het enige middel voert de verzoeker onder meer de schending aan van de “artikelen 1, 18, 19 en 35 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken”. Met betrekking tot die geschonden geachte bepalingen wordt verduidelijkt dat de aanvraag, de effectenstudie evenals het bestreden besluit niet in het Nederlands “voor het publiek beschikbaar” waren, maar “in het Frans (waren) opgesteld”. X-13.785-8/26 In tegenstelling tot wat de verwerende en de tussenkomende partij voorhouden, omvat de uiteenzetting van het middel wel degelijk minstens één middelonderdeel waarin voldoende duidelijk wordt aangegeven welke rechtsregels en op welke wijze deze rechtsregels geschonden worden geacht. Overigens zijn de verwerende en de tussenkomende partij erin geslaagd om het middel vrij omstandig te beantwoorden. Hieruit blijkt dat zij in hun rechten van verdediging niet werden geschaad. De excepties worden verworpen. V. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 6.1. De verzoeker voert in het enige middel onder meer de schending aan van de artikelen 1, 18, 19 en 35 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna: de bestuurstaalwet) en van de artikelen 146, 147, 149 en 150 van het Brussels Wetboek voor Ruimtelijke Ordening (hierna: BWRO). In het verzoekschrift wordt het middelonderdeel als volgt toegelicht : “(…) De aanvraag tot stedenbouwkundig attest van 31 december 2002, de presentatienota van de aangepaste aanvraag tot stedenbouwkundig attest en de effectenstudie, die onderworpen waren aan een openbaar onderzoek van 10 januari 2005 tot en met 8 februari 2005, werden opgesteld in het Frans, met uitzondering van de ‘synthesenota’ van de aanvraag tot stedenbouwkundig attest. De aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning van oktober 2007, met uitzondering van het ‘synthesedocument’, was opgesteld in het Frans. Ook de stedenbouwkundige vergunning van 23 maart 2008 was enkel in het Frans opgesteld. Terwijl Eerste onderdeel De essentiële documenten van het dossier die onontbeerlijk zijn om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen, zoals de aanvraag en de effectenstudie, moeten voor het publiek beschikbaar zijn in het Frans en in het Nederlands. (…) Toelichting Eerste (onderdeel) X-13.785-9/26 1. Art. 18 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt : ‘De plaatselijke diensten, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd zijn, stellen de berichten, mededelingen en formulieren die voor het publiek bestemd zijn op in het Nederlands en in het Frans’. Art. 19 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt : ‘Iedere plaatselijke dienst van Brussel-Hoofdstad gebruikt in zijn betrekkingen met een particulier de door deze gebruikte taal, voor zover die taal het Nederlands of het Frans is’. Art. 35, § 1 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt : ‘Iedere gewestelijke dienst waarvan de werkkring :
- a)ofwel uitsluitend gemeenten uit Brussel-Hoofdstad;
- b)ofwel gemeenten uit Brussel-Hoofdstad en tevens gemeenten uit het Nederlandse of het Franse taalgebied of uit beide gebieden bestrijkt; valt onder dezelfde regeling als de plaatselijke diensten die in Brussel-Hoofdstad gevestigd zijn’. 2. Deze beschikkingen zijn dus van toepassing op de instantie die het openbaar onderzoek organiseert met betrekking tot het afleveren van een stedenbouwkundig attest of van een stedenbouwkundige vergunning - of het nu de gemeentelijke overheid of de gemachtigde ambtenaar is -. Deze instantie moet, tijdens het openbaar onderzoek, alle essentiële documenten die onontbeerlijk zijn om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen, waaronder de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning of attest en de effectenstudie, ter beschikking stellen van het publiek (…). 3. Verzoeker heeft kunnen vaststellen tijdens de openbare onderzoeken van de aanvragen tot stedenbouwkundig attest en stedenbouwkundige vergunning dat in deze zaak de aangehaalde bepalingen niet geëerbiedigd werden (…). Zowel de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken als de aangehaalde bepalingen van het BWRO wat betreft de speciale regeling van openbaarmaking werden geschonden waardoor de Nederlandstalige inwoners niet konden deelnemen aan de openbare onderzoeken. 4. Ook de stedenbouwkundige vergunning die werd afgeleverd, moet voor het publiek beschikbaar zijn in het Frans en in het Nederlands”. 6.2. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij onder meer hetgeen volgt: “7. Verzoeker is van oordeel dat de aangehaalde bepalingen geschonden zijn aangezien de aanvraag tot stedenbouwkundig attest, de presentatienota van de aangepaste aanvraag tot stedenbouwkundig attest en de effectenstudie opgesteld werden in het Frans, m.u.v. de synthesenota bij de aanvraag tot stedenbouwkundig attest. Ook de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning (m.u.v. de synthesenota) en de bestreden X-13.785-10/26 beslissing zelf zijn in het Frans opgesteld. Dit terwijl ‘de essentiële documenten van het dossier die onontbeerlijk zijn om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen, zoals de aanvraag en de effectenstudie, […] voor het publiek [moeten] beschikbaar zijn in het Frans en in het Nederlands’ en ‘de voorwaarden van de participatie van het publiek vereisen dat de essentiële documenten van het dossier (...) beschikbaar zijn in de toepasselijke officiële taal of talen’ (verzoekschrift tot nietigverklaring, pg. 4-5). In een eerste onderdeel gaat verzoeker in op de vermeende schending van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Verzoekende partij merkt op dat overeenkomstig de artikelen 18, 19 en 35 §1 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de instantie die het openbaar onderzoek organiseert in het kader van een aanvraag tot stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning, alle essentiële documenten die onontbeerlijk zijn om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen, waaronder de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning of attest en effectenstudie, ter beschikking moet stellen van het publiek. De aangehaalde bepalingen zouden tijdens het openbaar onderzoek niet geëerbiedigd zijn, net als de aangehaalde artikelen van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening wat betreft de speciale regeling van openbaarmaking (artikelen 146, 147, 149 en 150). De stedenbouwkundige vergunning die werd afgeleverd, zou beschikbaar moeten zijn in het Frans en het Nederlands. (…) (
- b)Betreffende de ongegrondheid van het middel (
- i)Eerste onderdeel 13. Verzoeker wijst er in een eerste onderdeel op dat de aanvraag tot stedenbouwkundig attest, de effectenstudie, de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning en de verleende stedenbouwkundige vergunning in het Frans waren opgesteld. Op te merken is alvast dat bij de aanvraag tot stedenbouwkundig attest en bij de effectenstudie respectievelijk een synthesenota in het Nederlands en een niet-technische samenvatting in het Nederlands was gevoegd. Bij de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning was eveneens een Nederlandstalige versie van het synthesedocument beschikbaar en waren aanduidingen op de plannen, in de legende, en op de fotoreportage zowel in het Nederlands als het Frans aangebracht. In die mate mist het middel dat essentiële informatie voor het publiek niet in het Nederlands beschikbaar zou zijn, in elk geval feitelijke grondslag. 14. In elk geval volgt er uit de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken geen enkele wettelijke verplichting om de documenten in het kader van (een aanvraag tot) stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest in het Nederlands en het Frans op te stellen en ter beschikking van het publiek te houden. Verzoeker verwijst bij de toelichting van het eerste onderdeel naar de volgende bepalingen van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken: X-13.785-11/26 - Artikel 18 : ‘De plaatselijke diensten, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd zijn, stellen de berichten, mededelingen en formulieren die voor het publiek bestemd zijn in het Nederlands en in het Frans. De bekendmakingen die betrekking hebben op de burgerlijke stand worden echter uitsluitend gedaan in de taal van de akte waarmee zij in verband staan’. - Artikel 19: ‘Iedere plaatselijke dienst van Brussel-Hoofdstad gebruikt in zijn betrekkingen met een particulier de door deze gebruikte taal, voor zover die taal het Nederlands of het Frans is. Er wordt echter aan een privaat bedrijf dat in een gemeente zonder speciale regeling uit het Nederlandse of het Franse taalgebied gevestigd is, in de taal van de gemeente geantwoord’. - Artikel 35 § 1: ‘Iedere gewestelijke dienst waarvan de werkkring :
- a)ofwel uitsluitend gemeenten uit Brussel-Hoofdstad;
- b)ofwel gemeenten uit Brussel-Hoofdstad en tevens gemeenten uit het Nederlandse of het Franse taalgebied of uit beide gebieden bestrijkt; valt onder dezelfde regeling als de plaatselijke diensten die in Brussel-Hoofdstad gevestigd zijn’. Verzoeker lijkt dus van oordeel dat de vergunningverlenende overheid onderworpen is aan de regeling voor de gewestelijke dan wel plaatselijke diensten. Nog los van het feit dat uit de aangehaalde bepalingen geenszins kan worden afgeleid dat de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning (of stedenbouwkundig attest) en effectenstudie die een aanvrager indient of een stedenbouwkundige vergunning zelf, zowel in het Nederlands als het Frans zou moeten worden opgesteld, is vast te stellen dat het niet hoger vermelde artikelen zijn die het taalgebruik in hoofde van de vergunningverlenende overheid in casu bepalen. 15. De bestreden vergunning is verleend door de gemachtigde ambtenaar, werkzaam binnen het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In tegenstelling tot wat verzoeker meent, is deze onderworpen aan de bepalingen van de wetten op de talen in bestuurszaken die gelden voor ‘centrale diensten’. Artikel 32 §1, eerste lid van de Wet van 16 juni 1989 houdende diverse institutionele hervormingen (B.S. 17 juni 1989) bepaalt immers dat de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en van het Verenigd College het Nederlands en het Frans als bestuurstaal gebruiken. De gemachtigde ambtenaar van de administratie Ruimtelijke Ordening is te beschouwen als een gecentraliseerde dienst van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Artikel 32 bepaalt verder in het derde lid, als volgt: ‘De artikelen 50 en 54, hoofdstuk V, afdeling 1, de bepalingen die het gebruik van het Duits betreffen uitgezonderd, en de hoofdstukken VII en VIII, van [de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken] zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde diensten’. Dit brengt met zich mee dat de voormelde diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering onderworpen zijn aan dezelfde regeling als de ‘diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt’ zoals omschreven in hoofdstuk V van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, en meer bepaald de ‘centrale diensten’’. X-13.785-12/26 Centrale diensten in de zin van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken worden beschouwd als ‘diensten waarvan leiding uitgaat en die instaan voor eenheid in de administratieve rechtspraak’, zoals bijvoorbeeld de ministeries (dit in tegenstelling tot de uitvoeringsdiensten waarvan geen leiding uitgaat en die niet instaan voor de eenheid in de administratieve rechtspraak). Voor wat het taalgebruik in het bestuurszaken betreft, is de gemachtigde ambtenaar derhalve onderworpen aan de bepalingen van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken die gelden voor de centrale diensten De bepalingen inzake plaatselijke en gewestelijke diensten waarvan verzoeker in zijn middel d schending aanvoert, zijn dan ook niet relevant. In elk geval ligt geen schending van de aangehaalde bepalingen voor. 16. Afdeling I, artikel 41 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt dat de centrale diensten voor hun betrekkingen met de particulieren gebruik maken van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend. Artikel 42 van de voormelde wetten bepaalt dan weer dat de centrale diensten de akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in die van de drie talen, waarvan de belanghebbende particulier het gebruik vraagt. Deze bepalingen kunnen in casu evenwel geen toepassing vinden, aangezien de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning, de NV Infrabel, zijnde een NV van publiek recht, niet kwalificeert als een particulier (noch een privé-bedrijf). De NV Infrabel is ingedeeld bij de autonome overheidsbedrijven (zie Wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, artikel 1, § 4, 2°). In overeenstemming met artikel 36 §1 van deze wet is de NV Infrabel onderworpen aan het toepassingsgebied van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Terwijl een spoorwegstation zelf als een plaatselijke dienst kan worden beschouwd', dienen de centrale diensten van de NV Infrabel die de aanvraag hebben ingediend, in elk geval gekwalificeerd te worden een dienst waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt en meer bepaald als een centrale dienst in de zin van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken (een dienst waarvan leiding uitgaat en die instaat voor eenheid in de administratieve rechtspraak). Aangezien de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning zelf kwalificeert als een centrale dienst, moet het taalgebruik dan ook beoordeeld worden vanuit de betrekkingen tussen twee centrale diensten. Het taalgebruik binnen deze relatie is niet uitdrukkelijk in de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken geregeld. Er wordt wel aangenomen dat het taalgebruik tussen centrale diensten geregeld wordt door de art. 39 §1 en art. 17 §1, A 6° en B, 1° van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken 17. Aldus is de regeling van de wetten van 18 juli 1966 voor het taalgebruik van centrale diensten in hun binnendiensten en in hun betrekkingen met gewestelijke en plaatselijke diensten naar analogie van toepassing. Artikel 39 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt dat ‘in hun binnendiensten en in hun betrekkingen met de gewestelijke en plaatselijke diensten uit Brussel-Hoofdstad, (...) de X-13.785-13/26 centrale diensten zich [gedragen] naar artikel 17 §1, met dien verstande dat de taalrol bepalend is voor het behandelen van de zaken vermeld onder A, 5° en 6°, en B, 1° en 3° van deze bepaling’. Artikel 17 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt voorts als volgt: ‘1. In zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en in zijn betrekkingen met de andere diensten van Brussel-Hoofdstad gebruikt iedere plaatselijke dienst, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd is, zonder een beroep op vertalers te doen, het Nederlands of het Frans, volgens navolgend onderscheid A. Indien de zaak gelocaliseerd of localiseerbaar is: (...) 6° uitsluitend in Brussel-Hoofdstad: de hierna onder B voorgeschreven taal; B. Indien de zaak niet gelocaliseerd of niet localiseerbaar is en : 1° een ambtenaar van de dienst betreft : de taal van diens toelatingsexamen of bij ontstentenis van zulk examen de taal van de groep waartoe betrokkene behoort op grond van zijn hoofdtaal; 2° door een particulier is ingediend : de door deze gebruikte taal; 3° geen van de gevallen onder 1° en 2° zich voordoet : de taal van het toelatingsexamen van de ambtenaar aan wie de zaak wordt opgedragen. Indien de ambtenaar geen toelatingsexamen heeft afgelegd, gebruikt bij zijn hoofdtaal.’. Toepassing van deze bepalingen betekent derhalve dat het taalgebruik in casu is bepaald door de taalrol van de behandelende ambtenaar van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning. De gemachtigde ambtenaar die de bestreden vergunning verleende, de heer André Vital, behoort tot de franse taalrol. De stedenbouwkundige vergunning diende dan ook niet in het Nederlands te worden verleend. Verder volgt uit de bepalingen van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken geenszins een verplichting om de documenten van het aanvraagdossier (waaronder de effectenstudie) ook in het Nederlands ter beschikking (
- te)stellen t.a.v. het publiek. Wel dienen de berichten en mededelingen t.a.v. het publiek in het Nederlands en het Frans te gebeuren (artikel 18 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken: de plaatselijke diensten die in Brussel-Hoofdstad gevestigd zijn, stellen de berichten, mededelingen en formulieren die voor het publiek bestemd zijn in het Nederlands en het Frans). Deze bepaling is in elk geval nageleefd: de gemeente Ukkel ging over tot een tweetalige bekendmaking van het openbaar onderzoek (…)”. 6.3. In haar memorie repliceert de tussenkomende partij hetgeen volgt: “(
- a)Betreffende de vermeende schending van de Bestuurstaalwetgeving X-13.785-14/26 (
- i)De aangehaalde wetsbepalingen uit de Taalwet Bestuurszaken zijn niet toepasselijk op de bestreden beslissing en de overige handelingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 14. Verzoeker verwijst bij de toelichting van het eerste onderdeel naar de volgende bepalingen van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken: - ‘Artikel 18: De plaatselijke diensten, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd zijn, stellen de berichten, mededelingen en formulieren die voor het publiek bestemd zijn in het Nederlands en in het Frans. De bekendmakingen die betrekking hebben op de burgerlijke stand worden echter uitsluitend gedaan in de taal van de akte waarmee zij in verband staan’. - ‘Artikel 19: Iedere plaatselijke dienst van Brussel-Hoofdstad gebruikt in zijn betrekkingen met een particulier de door deze gebruikte taal, voor zover die taal het Nederlands of het Frans is. Er wordt echter aan een privaat bedrijf dat in een gemeente zonder speciale regeling uit het Nederlandse of het Franse taalgebied gevestigd is, in de taal van de gemeente geantwoord’. - ‘Artikel 35 § 1: Iedere gewestelijke dienst waarvan de werkkring :
- a)ofwel uitsluitend gemeenten uit Brussel-Hoofdstad;
- b)ofwel gemeenten uit Brussel-Hoofdstad en. tevens gemeenten uit het Nederlandse of het Franse taalgebied of uit beide gebieden bestrijkt; valt onder dezelfde regeling als de plaatselijke diensten die in Brussel-Hoofdstad gevestigd zijn’. Verzoeker gaat er dus van uit dat de vergunningverlenende overheid onderworpen is aan de regeling voor de gewestelijke dan wel de plaatselijke diensten. Nog los van het feit dat uit de aangehaalde bepalingen geenszins kan worden afgeleid dat de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning (of stedenbouwkundig attest) en de effectenstudie die een aanvrager indient, of de stedenbouwkundige vergunning zelf; zowel in het Nederlands als het Frans zouden moeten worden opgesteld, wenst tussenkomende partij te wijzen op het feit dat het taalgebruik in hoofde van de vergunningverlenende overheid in casu niet wordt geregeld door de voormelde bepalingen. 15. De bestreden vergunning werd meer bepaald verleend door de gemachtigde ambtenaar, werkzaam binnen het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In tegenstelling tot wat verzoeker meent, is deze ambtenaar onderworpen aan de bepalingen van de wetten op de talen in bestuurszaken welke gelden voor de ‘centrale diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering’. Het taalregime voor die diensten is niet terug te vinden in de aangehaalde artikelen van de Bestuurstaalwet, maar wel in artikel 32 van de Wet van 16 juni 1989 houdende diverse institutionele hervormingen (B .S. 17 juni 1989). Dit artikel 32 bepaalt ter zake in het derde lid, als volgt: ‘De artikelen 50 en 54, hoofdstuk V, afdeling 1, de bepalingen die het gebruik van het Duits betreffen uitgezonderd, en de hoofdstukken VII en VIII, van [de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken] zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde diensten’. Via deze verwijzing worden op de centrale X-13.785-15/26 diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de voorschriften uit de bestuurstaalwet toegepast die gelden voor de ‘diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt’. Het gaat daarbij meer specifiek om de ‘centrale diensten’. De gemachtigde ambtenaar is voor wat het taalgebruik in bestuurszaken betreft, derhalve onderworpen aan artikel 32 van de Wet van 16 juni 1989 en via verwijzing de bepalingen van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken die gelden voor de centrale diensten. De bepalingen inzake plaatselijke en gewestelijke diensten, waarvan verzoeker in zijn middel verkeerdelijk de schending aanvoert, zijn dan ook niet relevant. Enkel al om die reden moet het middel, in de mate het betrekking heeft op een schending van de artikelen 1, 18, 19 en 35 van de bestuurstaalwet, worden verworpen. (
- ii)Ondergeschikte orde: regime van toepassing op centrale diensten 16. Ten overvloede kan er bovendien op worden gewezen dat het taalregime dat in deze wel toepasselijk was op de vergunningsverlenende overheid, allerminst vereiste dat de stedenbouwkundige vergunning (de enige bestreden beslissing), noch de overige vermeldde documenten in het Nederlands en Frans moesten worden gesteld. 17. Het in deze toepasselijke regime is — zoals voormeld, via verwijzing in de wet van 16 juni 1989 — het regime van de centrale diensten uit de Bestuurstaalwet. Overeenkomstig afdeling I, artikel 41 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken maken de centrale diensten voor hun betrekkingen met de particulieren gebruik van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend. Artikel 42 van de voormelde wetten voorziet verder dat de centrale diensten de akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen dienen op te maken in die van de drie talen, waarvan de belanghebbende particulier het gebruik vraagt. Geen van die bepalingen is in deze strikt genomen echter van toepassing. De aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning, de NV Infrabel (een NV van publiek recht), kan strikt genomen immers niet beschouwd worden als een particulier (noch als een privé-bedrijf) in de voormelde zin. Infrabel is in deze daarentegen, als n.v. van publiek recht, te beschouwen als een dienst waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt en aldus als een ‘centrale dienst’ in de zin van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken (een dienst waarvan leiding uitgaat en die instaat voor eenheid in de administratieve rechtspraak). Vermits de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning aldus zelf kwalificeert als een centrale dienst, dient het taalgebruik dan ook te worden beoordeeld vanuit de betrekkingen tussen twee centrale diensten. Vast te stellen is dat het taalgebruik binnen deze relatie niet uitdrukkelijk wordt geregeld in de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Hieruit volgt dat de keuze van het taalgebruik door de betrokken overheid vrij is. Overeenkomstig artikel 30 G.W. is het gebruik van de in België gesproken talen immers vrij, en kan het taalgebruik niet worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken. Bij gebreke aan een uitdrukkelijke wettelijke regeling stond het de vergunningverlenende overheid en Infrabel X-13.785-16/26 dan ook vrij de taal te kiezen die ze hanteerden voor hun aanvraag en het afleveren van de vergunning. In ondergeschikte orde, zou hoogstens kunnen worden aangenomen dat centrale diensten voor hun onderlinge taalgebruik per analogie toepassing moeten maken van de regeling voor het taalgebruik ‘in binnendienst’ (artikelen 39 §1 en 17 §1, A 6° en B, 1° van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken) 6. In dat geval diende in casu - hetgeen ook gebeurde - het Frans te worden gebruikt. Artikel 39 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt immers dat ‘in hun binnendiensten en in hun betrekkingen met de gewestelijke en plaatselijke diensten uit Brussel- Hoofdstad, (...) de centrale diensten zich [gedragen] naar artikel 17 §1, met dien verstande dat de taalrol bepalend is voor het behandelen van de zaken vermeld onder A, 5° en 6°, en B, 1° en 3° van deze bepaling’. Artikel 17 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken luidt verder als volgt: ‘1. In zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en in zijn betrekkingen met de andere diensten van Brussel-Hoofdstad gebruikt iedere plaatselijke dienst, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd is, zonder een beroep op vertalers te doen, het Nederlands of het Frans, volgens navolgend onderscheid A. Indien de zaak gelocaliseerd of localiseerbaar is: (...) 6° uitsluitend in Brussel-Hoofdstad: de hierna onder B voorgeschreven taal; B Indien de zaak niet gelocaliseerd of niet localiseerbaar is en : 1° een ambtenaar van de dienst betreft de taal van diens toelatingsexamen of bij ontstentenis van zulk examen de taal van de groep waartoe betrokkene behoort op grond van zijn hoofdtaal; 2° door een particulier is ingediend : de door deze gebruikte taal; 3° geen van de gevallen onder I° en 2° zich voordoet : de taal van het toelatingsexamen van de ambtenaar aan wie de zaak wordt opgedragen. Indien de ambtenaar geen toelatingsexamen heeft afgelegd, gebruikt bij zijn hoofdtaal’. Toepassing van voormelde bepalingen doet derhalve besluiten dat het taalgebruik voor de vergunning die wordt afgeleverd aan Infrabel in casu zou worden bepaald op grond van de taalrol van de ambtenaar die de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning behandelt. Bij navraag bij de Gewestelijke diensten blijkt dat de gemachtigde ambtenaar die de bestreden vergunning verleende, meer bepaald de heer André Vital, zou behoren tot de Franse taalrol. Hieruit volgt dat de stedenbouwkundige vergunning die door hem als ambtenaar werd afgehandeld en verleend dan ook in het Frans (en enkel in het Frans) moest worden verleend. Wel diende de gemeente Ukkel de berichten en mededelingen t.a.v. het publiek in het Nederlands en het Frans te laten gebeuren. Zulks volgt uit het bepaalde in artikel 18 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, luidens hetwelk de plaatselijke diensten die in Brussel- Hoofdstad gevestigd zijn, de berichten, mededelingen en formulieren die voor het publiek bestemd zijn in het Nederlands en het Frans opstellen. Ter zake dient te worden vastgesteld dat deze bepaling is in casu ook effectief X-13.785-17/26 werd nageleefd: de gemeente Ukkel ging over tot een tweetalige bekendmaking van het openbaar onderzoek (…). 18. Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing en het openbaar onderzoek wel degelijk conform de wettelijke taalvereisten werden opgesteld. Er ligt dan ook geen schending voor de bestuurstaalwetgeving”. 6.4. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker als volgt: “13. De Raad van State heeft reeds geoordeeld dat de gemachtigde ambtenaar een ‘gewestelijke dienst’ is in de zin van de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken (…). Het dossier dat aan openbaar onderzoek onderworpen wordt, dient beschouwd als een mededeling aan het publiek, aangezien het uitgaat van een administratieve overheid en erop gericht is de opmerkingen van het publiek te ontvangen zodat de overheid met volle kennis van zaken een beslissing kan nemen. Het dient daarom zowel in het Frans als in het Nederlands gesteld te zijn. 14. Indien er zou moeten beschouwd worden dat de gemachtigde ambtenaar onder de ‘centrale diensten’ valt, voorziet artikel 32 van de wet van 16 juni 1989 houdende diverse institutionele hervormingen de toepassing van met name afdeling 1 van hoofdstuk V van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. In dit opzicht bepaalt artikel 40 lid 1 : ‘De berichten en mededelingen die de centrale diensten aan het publiek richten door bemiddeling van de plaatselijke diensten, zijn onderworpen aan de taalregeling die ter zake aan genoemde diensten bij deze gecoördineerde wetten wordt opgelegd’. De oplossing is dus identiek : de mededelingen aan het publiek moeten in het Frans en in het Nederlands gesteld zijn. 15. Deze oplossing is de logica zelve : de overheid die het openbaar onderzoek organiseert met het oog op het afleveren van een stedenbouwkundige vergunning moet alle essentiële documenten van het dossier in het Frans en in het Nederlands ter beschikking stellen van het publiek, d.w.z. alle documenten die onontbeerlijk zijn om een beslissing te kunnen nemen met kennis van zaken, en met name de stukken met betrekking tot de milieu-effectbeoordeling (…). De bijzondere maatregelen van publiciteit die georganiseerd worden met toepassing van het BWRO moeten aan deze vereiste beantwoorden”. 6.5. In zijn laatste memorie insisteert de verzoeker er onder meer op dat de aanvraag en de effectenstudie “essentiële stukken van het aanvraagdossier (zijn) die onontbeerlijk zijn voor het nemen van een beslissing met kennis van zaken”. X-13.785-18/26 6.6. In haar laatste memorie voert de verwerende partij onder meer het volgende aan: “Het is juist dat de gemeente Ukkel in casu haar ‘mededelingen en berichten’ zowel in het Nederlands als het Frans moest opstellen. Dat is precies wat de gemeente heeft gedaan : het openbaar onderzoek werd in beide landstalen bekendgemaakt. Het is deze bekendmaking die als ‘bericht’ of ‘mededeling’ ten aanzien van het publiek in de zin van artikel 18 van de bestuurstaalwet kwalificeert. De berichten en mededelingen aan het publiek die van de gemeente uitgaan, beperken zich in het kader van het openbaar onderzoek onvermijdelijk tot de mededeling dat in het kader van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning een openbaar onderzoek wordt georganiseerd en dat het dossier ter inzage van het publiek ligt tijdens dat openbaar onderzoek. Het ‘bericht’ of de ‘mededeling’ van de gemeente strekt zich niet uit tot de stukken van het aanvraagdossier die door of in opdracht van de aanvrager werden opgemaakt en in het kader van het openbaar onderzoek ter inzage liggen. Bovendien zou de redenering van verzoekende partij die in zekere zin wordt bijgetreden door het auditoraat tot al te vergaande en overigens met de bestuurstaalwet onverzoenbare gevolgen leiden. Immers, niet uit het oog te verliezen is dat er van de betrokken stukken van het aanvraagdossier slechts één originele taalversie bestaat, in casu de (F)ranstalige versie. Stukken die worden opgesteld in het kader van het aanvraagdossier (aanvragen tot stedenbouwkundig attest en tot stedenbouwkundige vergunning, milieueffectenstudies en -rapporten) situeren zich immers in de verhouding tussen de aanvrager en de vergunningverlenende overheid en zijn aldus, wat betreft de taal waarin deze documenten dienen te zijn gesteld, onderworpen aan het taalregime dat op deze verhouding van toepassing is (in dit geval het Frans). De verplichting van de gemeente om een voorafgaandelijk openbaar onderzoek te organiseren en in het kader daarvan het aanvraagdossier ter inzage te leggen, impliceert dus niet dat een document dat op basis van het toepasselijke taalregime slechts in één bepaalde taal mag worden opgesteld, in het kader van het openbaar onderzoek vervolgens ook in een andere taal moet worden vertaald en ter inzage worden gelegd. Het is niet omdat een gemeente, in het kader van de ruimtelijke ordeningsof leefmilieuwetgeving aan derden inzage kan of moet verlenen van aanvraagdossiers, dat de stukken van die dossiers plots verworden tot ‘berichten of mededelingen aan het publiek’. Indien de redenering van verzoekende partij logisch wordt doorgetrokken, dan valt niet goed in te zien waarom zij ook niet zou gelden voor alle overheidsdocumenten die, los van vergunningsaanvragen, aan de openbaarheid van bestuur zijn onderworpen. Alle overheden dienen in beginsel - op grond van de openbaarheid van bestuur - op eenvoudig verzoek aan iedere derde inzage te verlenen van alle bestuursdocumenten die zij in hun bezit hebben. Vanuit deze optiek, zijn alle documenten die aan een overheid worden overgemaakt dus vroeg of laat bestemd om aan de openbaarheid te worden onderworpen en bijgevolg te worden meegedeeld. X-13.785-19/26 Een en ander zou er dan toe leiden dat al die documenten dan in het Brussels Gewest zouden moeten worden vertaald en zo nodig op verzoek van derden zowel in het Nederlands als het Frans ter beschikking zouden moeten worden gesteld. Het spreekt voor zich dat zulks al te ver zou gaan. Bovendien volgt uit de taalwetgeving dat beide taalversies originele versies moeten zijn en de ene geen vertaling mag zijn van de andere taalversie indien een overheid gehouden is om bepaalde documenten of beslissingen zowel in het Nederlands als het Frans op te stellen. Die regel zou in casu dus niet kunnen worden nageleefd, zodat in de redenering van verzoekende partij de bestuurstaalwet nog steeds niet zou kunnen worden nageleefd indien het dossier in beide landstalen ter beschikking zou moeten worden gesteld. Van de documenten die in het kader van het openbaar onderzoek ter beschikking worden gesteld, zal in beginsel enkel een eentalige versie (mogen) bestaan. Dit geldt des te meer omdat tal van die documenten kunnen uitgaan van personen die niet aan enige taalverplichting onderworpen zijn en derhalve vrij zullen kiezen in welke taal ze deze overmaken aan de overheid. Van zulke documenten zal dus haast steeds slechts een originele versie in één taal bestaan. De enige mogelijkheid voor de overheid om die stukken in beide landstalen ter beschikking te stellen, bestaat in het vertalen van de originele taalversie naar de andere taal. Maar ook op die wijze zou dan nog niet voldaan zijn aan de vereiste dat deze documenten - als berichten en mededelingen van een Brusselse gemeentelijke overheid - zowel in het Nederlands als in het Frans als origineel zouden moeten bestaan. Hetgeen voorafgaat doet besluiten dat de bestuurstaalwet op een zinvolle en redelijke manier moet worden geïnterpreteerd. De stukken van een aanvraagdossier, waaronder een milieueffectenstudie, die in het kader van een openbaar onderzoek ter inzage moeten worden gelegd, kwalificeren niet als een ‘mededeling of bericht aan het publiek’. 9. Overigens zou de interpretatie van de bestuurstaalwet door verzoekende partij nog niet tot de nietigheid van de bestreden beslissing moeten leiden. Vooreerst wordt niet aangetoond waarom de (vermeende) niet-naleving van een taalverplichting in het kader van het openbaar onderzoek dan wel tot de nietigheid van de uiteindelijke vergunning zou moeten leiden. Zulks geldt des (
- te)meer nu verzoeker, zoals het auditoraatsverslag ook bevestigt (…), wel degelijk de mogelijkheid heeft gehad om kennis te nemen van de inhoud van het aanvraagdossier en er aldus reële mogelijkheden tot inspraak in de besluitvormingsprocedure zijn geweest. Het doel van het openbaar onderzoek werd hoe dan ook bereikt. De auditeur oordeelt in dat kader dan ook terecht dat verzoekende partij niet aanvoert, laat staan aannemelijk maakt, dat de integrale versie van de effectenstudie onontbeerlijk was om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen, en derhalve evenmin dat het vanuit verzoekers optiek vereist zou zijn geweest deze volledig in het Nederlands beschikbaar te stellen. Terecht wordt dan ook in het auditoraatsverslag besloten dat verzoeker de gegrondheid van zijn middel niet genoegzaam aantoont”. X-13.785-20/26 6.7. In haar laatste memorie ontwikkelt de tussenkomende partij een gelijkaardige argumentatie als in de hiervoor geciteerde laatste memorie van de verwerende partij. Beoordeling 7.1. Artikel 32, § 1 van de wet 16 juni 1989 houdende diverse institutionele hervormingen (hierna: de wet 16 juni 1989) luidt als volgt: “Art. 32. § 1. De gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve en van het Verenigd College gebruiken het Nederlands en het Frans als bestuurstaal. (…) De artikelen 50 en 54, hoofdstuk V, afdeling 1, de bepalingen die het gebruik van het Duits betreffen uitgezonderd, en de hoofdstukken VII en VIII, van dezelfde wetten, zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde diensten”. De artikelen 1, § 4 en 36, § 1 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven luiden als volgt: “Artikel 1. (…) § 4. De organismen die (...) zijn ingedeeld bij de autonome overheidsbedrijven zijn : (…) 2° N.M.B.S. Holding, Infrabel en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen; (…) Art. 36. § 1. De autonome overheidsbedrijven, (…), zijn onderworpen aan de bepalingen van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966”. De bestuurstaalwet stelt het volgende: “ HOOFDSTUK III. - Gebruik van de talen in de plaatselijke diensten. (…) Afdeling III. - Brussel-Hoofdstad. Art. 17. § 1. In zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en in zijn betrekkingen met de andere diensten van Brussel-Hoofdstad gebruikt iedere plaatselijke dienst, die in Brussel- X-13.785-21/26 Hoofdstad gevestigd is, zonder een beroep op vertalers te doen, het Nederlands of het Frans, volgens navolgend onderscheid : A. Indien de zaak gelocaliseerd of localiseerbaar is : 1° uitsluitend in het Nederlands of in het Franse taalgebied : de taal van dat gebied; 2° tegelijk in Brussel-Hoofdstad en in het Nederlandse of het Franse taalgebied : de taal van dat gebied; 3° tegelijk in het Nederlandse en in het Franse taalgebied : de taal van het gebied waar de zaak haar oorsprong vindt; 4° tegelijk in het Nederlandse en in het Franse taalgebied en in Brussel- Hoofdstad, wanneer zij haar oorsprong vindt in een van de eerste twee gebieden : de taal van dat gebied; 5° tegelijk in het Nederlandse en in het Franse taalgebied en in Brussel- Hoofdstad, wanneer zij haar oorsprong vindt in deze laatste : de hierna onder B voorgeschreven taal; 6° uitsluitend in Brussel-Hoofdstad de hierna onder B voorgeschreven taal; B. Indien de zaak niet gelocaliseerd of niet localiseerbaar is en : 1° een ambtenaar van de dienst betreft : de taal van diens toelatingsexamen of bij ontstentenis van zulk examen de taal van de groep waartoe betrokkene behoort op grond van zijn hoofdtaal; 2° door een particulier is ingediend : de door deze gebruikte taal; 3° geen van de gevallen onder 1° en 2° zich voordoet : de taal van het toelatingsexamen van de ambtenaar aan wie de zaak wordt opgedragen. Indien de ambtenaar geen toelatingsexamen heeft afgelegd, gebruikt bij zijn hoofdtaal. (…) Art. 18. De plaatselijke diensten, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd zijn, stellen de berichten, mededelingen en formulieren die voor het publiek bestemd zijn in het Nederlands en in het Frans. De bekendmakingen die betrekking hebben op de burgerlijke stand worden echter uitsluitend gedaan in de taal van de akte waarmee zij in verband staan. Art. 19. Iedere plaatselijke dienst van Brussel-Hoofdstad gebruikt in zijn betrekkingen met een particulier de door deze gebruikte taal, voor zover die taal het Nederlands of het Frans is. Er wordt echter aan een privaat bedrijf, dat in een gemeente zonder speciale regeling uit het Nederlandse of het Franse taalgebied gevestigd is, in de taal van de gemeente geantwoord. (…) HOOFDSTUK IV. - Gebruik van de talen in de gewestelijke diensten. (…) Art. 35. § 1. Iedere gewestelijke dienst waarvan de werkkring :
- a)ofwel uitsluitend gemeenten uit Brussel-Hoofdstad;
- b)ofwel gemeenten uit Brussel-Hoofdstad en tevens gemeenten uit het Nederlandse of het Franse taalgebied of uit beide gebieden bestrijkt; valt onder dezelfde regeling als de plaatselijke diensten die in Brussel- Hoofdstad gevestigd zijn. § 2. Iedere gewestelijke dienst waarvan de werkkring gemeenten uit de vier taalgebieden van het land bestrijkt, is onderworpen aan de taalregeling X-13.785-22/26 die in hoofdstuk V wordt voorgeschreven voor de uitvoeringsdiensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt. (…) HOOFDSTUK V. - Gebruik van de talen in de diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt. Afdeling I. - Centrale diensten. Art. 39. § 1. In hun binnendiensten en in hun betrekkingen met de gewestelijke en plaatselijke diensten uit Brussel-Hoofdstad, gedragen de centrale diensten zich naar artikel 17, § 1, met dien verstande dat de taalrol bepalend is voor het behandelen van de zaken vermeld onder A, 5° en 6°, en B, 1° en 3°, van genoemde bepaling. (…) Art. 42. De centrale diensten stellen de akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in die van de drie talen waarvan de belanghebbende particulier het gebruik vraagt. (…) HOOFDSTUK VII. - Sancties. Art. 58. Zijn nietig alle administratieve handelingen en verordeningen, die naar vorm of naar inhoud, strijdig zijn met de bepalingen van deze gecoördineerde wetten”. 7.2. In het middel beklaagt de verzoeker zich erover dat de aanvraag, de effectenstudie evenals het bestreden besluit niet in het Nederlands “voor het publiek beschikbaar” waren, maar “in het Frans (waren) opgesteld”. 7.3. Het taalgebruik van de tussenkomende partij bij het voorbereiden, het opstellen en het indienen van de aanvraag en de daarbij horende effectenstudie moet worden aanzien als taalgebruik van een centrale dienst in haar binnendiensten en in haar betrekkingen met de verwerende partij, die moet worden gekwalificeerd als een gewestelijke dienst uit Brussel- Hoofdstad in de zin van artikel 39, § 1 van de bestuurstaalwet. De verwerende partij wordt niet van de laatstgenoemde kwalificatie beroofd door het enkele feit dat het geciteerde artikel 32 van de wet van 16 juni 1989 haar wat haar eigen taalgebruik betreft onderwerpt aan de bepalingen van de bestuurstaalwet die gelden voor de centrale diensten. 7.4. Krachtens artikel 39, § 1 van de bestuurstaalwet diende de tussenkomende partij zich voor haar aanvraag te gedragen naar artikel 17, § 1 van de bestuurstaalwet. Anders dan de voornoemde partijen aannemen is de betreffende aanvraag geen zaak die uitsluitend in het administratief X-13.785-23/26 arrondissement Brussel-Hoofdstad gelokaliseerd of lokaliseerbaar is. Uit de gegevens van de zaak (randnr. 3.2) blijkt dat de zaak tegelijk in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad (gemeente Ukkel) en in het Nederlandse taalgebied (gemeente Linkebeek) gelokaliseerd of lokaliseerbaar is. Artikel 17, § 1, A, 2° van de bestuurstaalwet legt in dergelijk geval het gebruik van het Nederlands op. 7.5. Het taalgebruik van de verwerende partij bij het voorbereiden en het nemen van het bestreden besluit moet worden aanzien als taalgebruik in haar binnendiensten en taalgebruik bij het afgeven van een vergunning. Zoals de verwerende en de tussenkomende partij erkennen onderwerpt artikel 32 § 1 van de wet 16 juni 1989 de verwerende partij aan artikel 39, § 1 van de bestuurstaalwet, dat op zijn beurt artikel 17, § 1, A, 2° van de bestuurstaalwet toepasselijk maakt. Om de hiervoor uiteengezette redenen (randnr. 7.4) legt die laatste bepaling in onderhavig geval het gebruik van het Nederlands op. Dat de bestreden vergunning in het Nederlands diende gesteld te zijn, wordt ook bevestigd door artikel 42 van de bestuurstaalwet op grond waarvan de verwerende partij de vergunningen moet stellen in de taal van de aanvraag. Er kan niet worden ingestemd met het argument van de verwerende partij en de tussenkomende partij als zou de verwerende partij de vrijheid hebben gehad om in het Frans te beschikken omdat in bedoeld artikel 42 enkel gewag wordt gemaakt van een “particulier” en de tussenkomende partij niet als zodanig zou kunnen worden gekwalificeerd. Deze interpretatie van artikel 42 zou, in het licht van het feit dat artikel 17 van de bestuurstaalwet het gebruik van het Nederlands oplegt, indruisen tegen de grondwettelijk gewaarborgde gelijkheid van het Nederlands en het Frans in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Anders dan de tussenkomende partij voorhoudt kunnen de tussenkomende partij en de verwerende partij, die aan de bestuurstaalwet onderworpen diensten zijn, zich ter zake niet beroepen op de grondwettelijk gewaarborgde taalvrijheid. 7.6. Het bestreden besluit is onwettig omdat het in het Frans werd gesteld. Aan het voorstaande wordt geen afbreuk gedaan door de door de verwerende partij aangehaalde elementen dat bij de aanvraag “een X-13.785-24/26 Nederlandstalige versie van het synthesedocument beschikbaar (was)” en dat de “aanduidingen op de plannen, in de legende, en op de fotoreportage zowel in het Nederlands als het Frans (waren) aangebracht”. Het middelonderdeel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van 21 maart 2008 van de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest waarbij aan de n.v. INFRABEL de stedenbouwkundige vergunning wordt afgeleverd tot uitbreiding van lijn 124 naar vier sporen tussen de Vleeskersenstraat en de gewestgrens, het oprichten van een halte op het kruispunt van lijn 26 en het slopen van het gebouw van de halte Linkebeek. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-13.785-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.785-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.862 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div