tection="none"> Print
ze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20
cember 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.869 Rolnummer: Zaak: Arrest 209869 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 20/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-22 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:34 Fiche Arrest nr 209.869 van 20
cember 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van
beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.869 van 20
cember 2010 in
zaken A. 181.635/X-13.209 (I) A. 181.636/X-13.210 (II). In zake : I.
v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU (BBL) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Bienstman kantoor houdend te 9000 GENT Vlaanderenstraat 78 bij wie woonplaats wordt gekozen II.
v.z.w. GENTS MILIEUFRONT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Bienstman kantoor houdend te 9000 GENT Vlaanderenstraat 78 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I. + II. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door
Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen : I. + II. 1.
Vlaamse Vervoermaatschappij
LIJN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen X-13.209-13.210-1/62 2.
n.v. INFRABEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Donatienne Ryckbost en Emmanuel Ryckbost kantoor houdend te 8400 OOSTENDE E. Beernaertstraat 80 bij wie woonplaats wordt gekozen 3.
n.v. NMBS HOLDING 4.
n.v. EUROSTATION bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Pieter Jan Vervoort kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen 5.
stad GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvie Kempinaire kantoor houdend te 9051 GENT Putkapelstraat 105 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1.
beroepen, ingesteld op 9 maart 2007, strekken tot
nietigverklaring van: a. het besluit van 15
cember 2006 van
Vlaamse regering houdende
finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan”, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 2007, b. het besluit van 19
cember 2006 van
gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan
n.v. INFRABEL
stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een vernieuwd stationscomplex “Gent Sint-Pieters” met tram- en busstation, tunnel en parking en bijhorende elementen op gronden, gelegen aan het Koningin Maria Hendrikaplein te Gent, kadastraal bekend sectie I, nrs. 647/t, 649/59c, 649/58b, 649/59f, 649/52f, 649/52e, 649/53a, 649/52c en 649/59g, en c. het besluit van 19
cember 2006 van
gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan
administratie Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen
stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het aanleggen van een X-13.209-13.210-2/62 verbindingsweg vanaf
Sint-
nijslaan (stationssite) naar
R4 Grote Ring Noord te Gent. II. Verloop van
rechtspleging 2. Bij arrest nr. 183.357 van 26 mei 2008 zijn beide zaken gevoegd en zijn
vorderingen tot schorsing van
tenuitvoerlegging van
bestreden beslissingen verworpen.
verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van
rechtspleging ingediend.
verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en
verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend.
tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 2 september 2008.
tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld.
verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
verwerende partij en
tweede,
rde,
vierde en
vijfde tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
partijen zijn opgeroepen voor
terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 september 2010. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. X-13.209-13.210-3/62 Advocaat Sylvia D’hooge, die loco advocaat Thomas Bienstman verschijnt voor
verzoekende partijen, advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor
verwerende partij, advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor
eerste tussenkomende partij, advocaat Donatienne Ryckbost, die verschijnt voor
tweede tussenkomende partij, advocaat Matthias Valkeniers, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor
rde en
vierde tussenkomende partij, en advocaat Sylvie Kempinaire, die verschijnt voor
vijfde tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van
bepalingen op het gebruik
r talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van
wetten op
Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Wat
feitelijke gegevens van
zaak betreft, kan worden verwezen naar
uiteenzetting ervan in het hiervoor vermelde arrest nr. 183.357 van 26 mei 2008. IV. Ontvankelijkheid van
beroepen In
zaak 181.635 4.1.
vijfde tussenkomende partij werpt op dat het beroep niet ontvankelijk is aangezien “geen beslissing van het bevoegde orgaan van
VZW BBL” voorligt. Zij zet
ze exceptie uiteen als volgt: “Ongeldige beslissing van
Raad van Bestuur. Uit
laatste publicatie in het Belgisch Staatsblad blijkt dat
Raad van Bestuur samengesteld is uit 20 leden. X-13.209-13.210-4/62 Blijkt dat er volgens
notulen van verzoekende partij 22 leden aanwezig zijn, en twee afwezig om
zogenaamde beslissing te nemen om huidige procedure te starten. Bij nazicht blijkt dat
volgende personen Lode Conings, Jan Turf en Bram Claeys geen lid zijn van
Raad van Bestuur (zie publicatie op 27.11.2006 verslag van
AV van 21 oktober 2006).
Raad van Bestuur was dus niet rechtsgeldig samengesteld en daardoor zijn er beïnvloedingen geweest van
rden,
rhalve is
beslissing niet rechtsgeldig. Wegens het niet voorleggen van een rechtsgeldige beslissing om in rechte op te treden is
vordering onontvankelijk”. 4.2.
ze exceptie wordt door
verzoekende partij niet beantwoord. 4.3. Uit een door
verzoekende partij neergelegd uittreksel uit het “Verslag van
bijeenkomst van
Raad van Bestuur van BBL, gehouden op donderdag 25 januari 2007” blijkt dat
beslissing “om bij
Raad van State een procedure in schorsing en vernietiging in te stellen” tegen
voormelde administratieve beslissingen werd genomen mede door personen die blijkens
in het Belgisch Staatsblad van 27 november 2006 bekendgemaakte beslissing van
algemene vergadering van
v.z.w. BBL tot benoeming en herbenoeming van
bestuurders, géén
el uitmaakten van
Raad van Bestuur. Er dient dan ook te worden vastgesteld dat
beslissing om in rechte te treden werd genomen door een onregelmatig samengestelde raad van bestuur, en
ze beslissing
rhalve niet rechtsgeldig is. 4.4.
exceptie is gegrond. 4.5. Het beroep is niet ontvankelijk. In
zaak 181.636 A. Hoedanigheid en belang 4.6.
verwerende partij werpt op dat
verzoekende partij in het verzoekschrift tot nietigverklaring zelf aangeeft dat zij een milieuvereniging is X-13.209-13.210-5/62 “die reeds jaren ijvert voor
bescherming van het leefmilieu (en dat haar) werkingsgebied (zich) situeert (…) binnen
stad Gent en
buurgemeenten”, dat uit het verzoekschrift ook blijkt dat haar hoedanigheid minstens samenvalt met
behartiging van het algemeen belang. Ook
eerste tussenkomende partij werpt op dat
doelstelling van “het behoud,
bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van
samenleving, waarbij voldaan wordt aan
behoeften van
huidige generatie, zonder dat daarbij
behoeften van
volgende generaties in het gedrang komen” niet beantwoordt aan het vereiste dat het maatschappelijk doel niet mag samenvallen met het algemeen belang, en dat bij
beoordeling van
vereiste kwaliteit niet
territoriale werkingssfeer, maar wel
algemeenheid van
doelstelling bepalend is, en dat het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot
rechter inzake milieuaangelegenheden, gedaan te Aarhus op 25 juni 1998, daaraan niets afdoet.
tweede tussenkomende partij voegt hieraan toe dat
projectontwikkeling
zelfde maatschappelijke doelstellingen nastreeft als
ze ingeschreven in
statuten van
verzoekende partij, zodat zij niet van het rechtens vereiste belang getuigt, en dat niet wordt aangetoond dat
bestreden beslissingen een effect hebben op het gehele of een groot
el van het in
statuten bepaalde werkingsgebied.
rde,
vierde en
vijfde tussenkomende partij werpen een gelijkaardige exceptie op. 4.7.
verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens
wet van 27 juni 1921 betreffende
verenigingen zonder winstoogmerk,
internationale verenigingen zonder winstoogmerk en
stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of
doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Wanneer een v.z.w, die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor
Raad van State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en
rhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij optreedt ter verdediging van een collectief belang, dat haar maatschappelijk doel door
bestreden handeling kan worden geraakt, en dat niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd (R.v.St., Algemene X-13.209-13.210-6/62 vergadering van
afdeling bestuursrechtspraak, Coomans e.a, nr. 187.998 van 17 november 2008). 4.8. Uit artikel 1, § 4 van
statuten van
v.z.w. GENTS MILIEUFRONT blijkt dat
werking van
vereniging zich vooral richt op
fusiegemeenten Gent en
buurgemeenten, en bij uitbreiding
provincie Oost-Vlaanderen. Zij kan ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor
vervulling van het maatschappelijk doel. Daarbinnen streeft ze blijkens artikel 2 van
statuten het volgende doel na: “§1.
vereniging heeft tot doel het behoud,
bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van
samenleving, waarbij voldaan wordt aan
behoeften van
huidige generatie, zonder dat daarbij
behoeften van
volgende generaties in het gedrang komen. §2.
ze doelstelling omvat: - het behoud, het herstel,
ontwikkeling en het beheer van
biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; (...) - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor
milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel,
ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder, ..., - het bereiken van een beleid gericht op
bescherming van
gezondheid van
mens; (...)”. 4.9. Het maatschappelijk doel is voldoende duidelijk en specifiek. Gelet op
ze doelstellingen kan niet worden gesteld dat het maatschappelijk doel van
verzoekende partij samenvalt met
behartiging van het algemeen belang zelf.
bestreden besluiten betreffen
ontwikkeling van
stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan met inbegrip van
aanleg van een grote pendelparking en een nieuwe verbindingsweg met
R4 en met aanzienlijke milieueffecten. Een
rgelijke ontwikkeling kan het X-13.209-13.210-7/62 maatschappelijk doel van
verzoekende partij rechtstreeks en ongunstig raken, zodat zij er belang bij heeft
vernietiging van
ze besluiten te vorderen. 4.10.
exceptie kan niet worden aangenomen. 4.11. Met “verzoekende partij” wordt hierna bedoeld,
v.z.w. GENTS MILIEUFRONT. Enkel die excepties die betrekking hebben op
v.z.w. GENTS MILIEUFRONT, worden hierna nog onderzocht. B. Ratione temporis 4.12. In het verzoekschrift laat
verzoekende partij gelden dat zij, wat het tweede en het
rde bestreden besluit betreft, bij schrijven van 4 januari 2007 om een afschrift van
beide vergunningen heeft verzocht en dat zij op 11 januari 2007 een afschrift ervan heeft ontvangen, zodat
termijn om tijdig een beroep tot nietigverklaring in te stellen, is verstreken op 12 maart 2007. 4.13.
eerste tussenkomende partij betwist
tijdigheid van
vordering in zoverre gericht tegen
stedenbouwkundige vergunningen van 19
cember 2006: “Verzoekende partij stelt met een brief dd. 4 januari 2007 om een afschrift van
beide vergunningen te hebben verzocht. (...) Verzoekster weet minstens sinds 4 januari 2007 dat
bestreden stedenbouwkundige vergunningen waren afgegeven”.
ze exceptie wordt bijgevallen door
rde,
vierde en
vijfde tussenkomende partij, die als begindatum verwijzen naar 3 januari 2007, datum van
aanplakking. 4.14. Aangezien een stedenbouwkundige vergunning noch bekendgemaakt, noch aan
rden betekend dient te worden, gaat voor een belanghebbende
rde
in artikel 4 van het besluit van
Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van
rechtspleging voor
afdeling bestuursrechtspraak van
Raad van State bepaalde beroepstermijn van zestig X-13.209-13.210-8/62 dagen in met
dag waarop hij kennis heeft van
vergunning. Opdat
termijn voor een belanghebbende
rde zou beginnen te lopen vanaf het ogenblik dat hij feitelijk kennis heeft van een vergunning, is enkel vereist dat hij een voldoende kennis heeft van het bestaan,
aard en
draagwijdte van
vergunning, niet dat hij op dat ogenblik kennis heeft van
precieze inhoud ervan, noch van het griefhoudend karakter ervan, noch van alle mogelijke onwettigheden die er zouden aan kleven. 4.15. Het schrijven van 4 januari 2007, opgenomen als stuk 12 in
bundel die bij het verzoekschrift is gevoegd, luidt als volgt: “Geachte, We vernamen dat er recent bouwvergunningen werden afgeleverd voor het project Gent-Sint-Pieters. Het
creet inzake
openbaarheid van bestuursdocumenten geeft ons
mogelijkheid om als vzw een afschrift van bestuursdocumenten op te vragen. We zouden graag beschikken over een kopij van
stedenbouwkundige vergunningen voor · Vernieuwd Stationscomplex met tram- en busstation, tunnel en parking en bijhorende elementen - Bouwheer: Infrabel (ref: 2006/00175) · Verbindingsweg naar en van R4 - Bouwheer: Vlaams Gewest (AWV) (ref: 2006/00177)”. Voormeld schrijven van 4 januari 2007, in samenlezing met
stukken 10 en 11, gevoegd bij het inleidend verzoekschrift en bevattende
bezwaarschriften van
verzoekende partij ingediend tijdens het openbaar onderzoek over
beide aanvragen, geven blijk van een voldoende kennis in hoofde van
verzoekende partij op datum van 4 januari 2007 van het bestaan,
draagwijdte en
aard van
betrokken stedenbouwkundige vergunningen.
beroepstermijn van zestig dagen is
rhalve op dat ogenblik ingegaan. Aangezien het beroep tot nietigverklaring pas op 9 maart 2007 is ingesteld, is het laattijdig. 4.16.
excepties zijn gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk wat het tweede en het
rde bestreden besluit betreft. Met “het bestreden besluit” wordt hierna enkel het eerste bestreden besluit bedoeld. X-13.209-13.210-9/62 C. Beslissing om in rechte te treden 4.17.
rde en
vierde tussenkomende partij werpen op dat
verzoekende partij niet aantoont dat
beslissing om in rechte te treden is genomen overeenkomstig
statuten: “(…) volgens artikel 5 § 4 van
statuten (worden)
notulen van
vergaderingen van
Raad van Bestuur (…) opgesteld en ondertekend ‘door
voorzitter en een ander lid van
Raad van Bestuur’. Vastgesteld moet worden dat het uittreksel van
notulen van
vergadering van
Raad van Bestuur van 8 januari 2007 waarin besloten werd om
vordering tot schorsing en vernietiging in te stellen slechts is ondertekend door
beweerde voorzitter alleen”.
ze exceptie wordt bijgetreden door
vijfde tussenkomende partij, die bovendien toevoegt: “Er wordt geen beslissing voorgelegd van
Raad van Bestuur zelf, evenmin kan uit
notulen opgemaakt worden of
Raad van Bestuur met meerderheid of unanimiteit heeft gestemd. (…)
beslissing van
Raad van Bestuur (...) is (...) ongeldig wegens strijdige belangen tussen
Raad van Bestuur en
VZW”. 4.18. Artikel 5, Sectie 2, §§3 en 4 van
statuten luidt als volgt: “§3.
Raad van Bestuur kan slechts beraadslagen en besluiten, wanneer ten minste
meerderheid van zijn leden aanwezig of vertegenwoordigd is op
vergadering.
besluiten worden genomen bij eenvoudige meerderheid van stemmen van
aanwezige of vertegenwoordigde bestuurders. Bij staking van stemmen, wordt het voorstel geacht verworpen te zijn. §4. Er worden notulen, opgesteld en ondertekend door
voorzitter en een ander lid van
Raad van Bestuur, bewaard in een notulenregister dat ter inzage zal zijn van
Werkende Leden die hun inzagerecht zullen uitoefenen overeenkomstig
door bij K.B. vastgelegde modaliteiten”. 4.19.
bevoegdheid tot het ondertekenen van stukken dient te worden onderscheiden van
eigenlijke beslissingsbevoegdheid. Uit
stukken 2 en 3 gevoegd bij het inleidend verzoekschrift blijkt afdoende dat
Raad van Bestuur regelmatig was samengesteld. Gelet
aangehaalde § 3 is bovendien niet ter zake of
beslissing al dan niet met unanimiteit is genomen. Een eenvoudige meerderheid van stemmen volstaat. Het feit dat het uittreksel van
X-13.209-13.210-10/62
sbetreffende notulen enkel zou zijn ondertekend door
voorzitter, doet aan
rechtsgeldigheid van
beslissing tot in rechte treden, geen afbreuk. Voorts wordt
beweerde strijdigheid van belangen tussen
Raad van Bestuur en
v.z.w. niet aangetoond. 4.20.
excepties kunnen niet worden aangenomen. V. Onderzoek van
middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5.1. In een eerste middel voert
verzoekende partij
schending aan “van
wettelijke normen voor fijn stof en stikstofoxiden”. Zij zet dit middel uiteen als volgt: “D.l.l. Inhoud van
wettelijke bepalingen D.1.1.1. Europese regelgeving 17.
relevante bepalingen inzake luchtkwaliteit opgenomen in VLAREM II en die in het volgende punt worden uiteengezet, vormen
omzetting van Europese regelgeving.
Richtlijn 96/62/EG van
Raad van 27 september 1996 inzake
beoordeling en het beheer van
luchtkwaliteit, schetst een globaal kader waarmee
EU in
toekomst
luchtkwaliteit niet enkel wenst te beoordelen (meten en toetsen), maar ook wenst te beheren (goede luchtkwaliteit in stand houden, slechte luchtkwaliteit verbeteren) (hierna ‘
Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit’).
ze Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit vormt samen met een aantal dochterrichtlijnen
basis voor het kwaliteitsbeleid lucht binnen
Europese Unie. In
ze dochterrichtlijnen worden voor een 13-tal polluenten luchtkwaliteitsnormen (grenswaarden en in een aantal gevallen alarmdrempels) vastgelegd. Een van
ze dochterrichtlijnen is
Richtlijn 1999/30/EG van
Raad van 22 april 1999 betreffende
grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende
eltjes en lood in
lucht (hierna ‘
Richtlijn Grenswaarden’).
Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit heeft als algemene doelstelling
grondbeginselen van een gemeenschappelijke strategie (kader) te formuleren die erop gericht is: X-13.209-13.210-11/62 - doelstellingen voor
luchtkwaliteit te omschrijven en vast te stellen, teneinde schadelijke gevolgen voor
gezondheid van
mens en het milieu als geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen; -
luchtkwaliteit op basis van gemeenschappelijke methoden en criteria te beoordelen; - te beschikken over adequate informatie over
luchtkwaliteit en ervoor te zorgen dat
bevolking daarover wordt ingelicht, o.a. door middel van alarmdrempels; - goede luchtkwaliteit in stand te houden en die in andere gevallen te verbeteren.
ze doelstellingen zijn letterlijk overgenomen in artikel 2.5.3.
Vlaamse Regering ter bescherming van het milieu milieukwaliteitsnormen vast die bepalen aan welke kwaliteitseisen
onderdelen van het milieu moeten voldoen binnen
termijnen die zij bepaalt. Milieukwaliteitsnormen bepalen
maximaal toelaatbare hoeveelheden verontreinigingsfactoren in
atmosfeer, het water en
bodem. Artikel 2.2.4 DABM geeft aan dat bovenvermelde milieukwaliteitsnormen kunnen worden vastgelegd in
vorm van grenswaarden en richtwaarden. Verder bevat dit artikel een
finitie van het begrip grenswaarde: ‘Grenswaarden mogen, behoudens in geval van overmacht, niet worden overschreden. Onverminderd
overige bepalingen van dit
creet, bepalen
verordeningen die ze vaststellen
maatregelen die door
daartoe aangewezen overheden moeten worden getroffen bij overschrijding of dreigende overschrijding ervan, teneinde
erdoor beschermde belangen te beveiligen’. 19.
milieukwaliteitsnormen inzake
luchtkwaliteit zijn opgenomen in het Besluit van
Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna ‘VLAREM II’). Artikel 2.1.l., §1 VLAREM II stelt dat
in het besluit opgenomen milieukwaliteitsnormen
kwaliteitseisen bepalen waaraan het betrokken onderdeel van het milieu (in casu lucht) in heel het Vlaamse Gewest moet voldoen. 20.
artikelen 2.5.4.2, § 1 en 2.5.4.3, § 1 VLAREM II bepalen dat
overheid
nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat
concentraties in
lucht van enerzijds (
eltjes (PM10) niet worden overschreden. In Bijlage 2.5.5.2 van VLAREM II zijn
grenswaarden inzake stikstofoxiden en stikstofdioxide vastgesteld op (i) een jaargrenswaarde voor
bescherming van vegetatie van 30 μg/m; NOx (geen overgangsperiode) en (ii) een jaargrenswaarde voor
bescherming van
gezondheid van
mens die bepaald is op 40 μg/m; NO2 vanaf 1 januari X-13.209-13.210-12/62 2010 (en gradueel te bereiken in
periode tussen 1 januari 2001 en 1 januari 2010). (iii) In Bijlage 2.5.5.3 van VLAREM II zijn
grenswaarden voor zwevende
eltjes vastgesteld in een eerste fase op een daggemiddelde voor
bescherming van
gezondheid van
mens van 50 μg/m; PM10 vanaf 1 januari 2005 die maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden en een jaargemiddelde grenswaarde voor
bescherming van
gezondheid van 40 μg/m; PM10 met ingang van 1 januari 2005. In een tweede fase zijn
grenswaarden vastgesteld op een daggemiddelde van 50 μg/m; PM10 vanaf 1 januari 2010 die maximaal 7 keer per jaar mag worden overschreden en een jaargemiddelde grenswaarde 20 μg/m; PM10 met ingang van 1 januari 2010 (gradueel te bereiken in
periode tussen 1 januari 2005 en 1 januari 2010). D.1.
Europese Richtlijnen als ‘een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld teneinde schadelijke gevolgen voor
gezondheid van
mens en/of voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, als het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden’. 22.
grenswaarden inzake luchtkwaliteit vormen een dwingend toetsingskader ook bij
opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen en
afgifte van stedenbouwkundige vergunningen. Artikel 2.1.2. VLAREM II bepaalt immers dat
milieukwaliteitsnormen, vastgelegd in
vorm van grenswaarden, door
overheid worden gehanteerd bij het plannen en bij het realiseren van haar beleid. Artikel 1.2.l., §3 DABM bepaalt daarenboven: ‘
in §1 en §2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij
uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met
sociaal-economische aspecten,
internationale dimensie en
beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens’. Artikel 4 van het
creet van 18 mei 1999 houdende
organisatie van
ruimtelijke ordening geeft tot slot duidelijk aan dat ‘
ordening die in plannen wordt vastgelegd, moet gericht zijn op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij
ruimte beheerd wordt ten behoeve van
huidige generatie, zonder dat
behoeften van
toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden
ruimtelijke behoeften van
verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met
ruimtelijke draagkracht,
gevolgen voor het leefmilieu en
culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op
ze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke X-13.209-13.210-13/62 kwaliteit’. Dit impliceert dat milieukwaliteitsnormen ook bindend zijn bij
vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen. D.1.
afkorting PM, hetgeen staat voor ‘particulate matter’. Een cijfer geeft
diametergrootte van
stofdeeltjes aan. PM10 en PM2.5 zijn
meest besproken fracties. PM10-
eltjes hebben een grootte van 10 micrometer (µm, een duizendste millimeter) en PM2,5-
eltjes hebben een grootte van 2,5 micrometer.
PM10- fractie bestaat grotendeels uit mechanisch gevormde
eltjes die in
lucht worden gebracht door antropogene of natuurlijke activiteiten (bv. opwaaiend landbouwstof).
ze
eltjes zijn grotendeels onoplosbaar en hebben een levensduur van enkele minuten tot uren. Ze migreren hooguit enkele tientallen kilometers.
PM 2,5-fractie bestaat vooral uit
eltjes ontstaan door condensatie van verbrandingsproducten (bv. uitlaatgassen van een automotor). Ze zijn grotendeels oplosbaar, hebben een levensduur van enkele weken en kunnen duizenden kilometers afleggen. 24.
belangrijkste bron voor
uitstoot van fijn stof is het autoverkeer. Vooral
uitlaatgassen van dieselmotoren bevatten veel stof. Zeker in een stad heeft autoverkeer het hoogste aandeel, omdat auto’s in het stedelijk verkeer meer remmen, stilstaan en optrekken, wat extra vervuilend is. In
stad wordt ook meer ‘koud’ gereden. Een katalysator werkt immers pas na enkele kilometers wanneer
motor is opgewarmd. Om het fijn stof probleem op te kunnen lossen is volgens
WGO een combinatie van maatregelen nodig. Zo moet via technische ingrepen gewerkt worden aan het verbeteren van
uitstoot van het wegverkeer, bijvoorbeeld door roetfilters te plaatsen op dieselwagens. Volgens
WGO zullen
rgelijke technische ingrepen op zich niet volstaan, omdat
milieuwinst die daarmee geboekt wordt teniet zal gaan door
groei van het autoverkeer (...). Daarom zijn volgens
WGO ook maatregelen nodig die
groei van het autoverkeer in
hand houden, samen met maatregelen voor een betere doorstroming en meer openbaar vervoer.
WGO wijst specifiek op
noodzaak om bij ruimtelijke plannen (‘urban planning’) terdege rekening te houden met
problematiek van luchtvervuiling (...). 25. Fijn stof heeft een zeer grote invloed op
menselijke gezondheid. 26.
laatste jaren werden in Europa, Noord en Zuid Amerika en in Azië een groot aantal studies over
relatie tussen PM10, PM2,5 en gezondheid uitgevoerd. Reden hiervoor is
groeiende bezorgdheid over
rol en
bijdrage van PM10 en PM2,5 tot ernstige gezondheidseffecten en mortaliteit, zelfs bij concentraties die soms onder
bestaande normen liggen. Momenteel wordt fijn stof gezien als één van
belangrijkste luchtverontreinigende stoffen die leiden tot nadelige acute en chronische gezondheidseffecten. X-13.209-13.210-14/62 27. Uit die studies blijkt dat acute gezondheidseffecten kunnen optreden, zelfs na kortdurende blootstelling, bij gevoelige groepen zoals kinderen, ouderen en patiënten met astma, chronische bronchitis of longemfyseem. Grootschalige epidemiologische studies in Noord-Amerika en Europa hebben verbanden aangetoond tussen
verandering in dagelijks gemiddelde concentraties aan PM en korte termijn gezondheidseffecten (COMEAP, 1998, Burnett, 1998 en
lfino, 1997). Bij korte episodes (24 uur) van luchtvervuiling worden bestaande gezondheidsproblemen zoals luchtweginfecties ernstiger. Het aantal spoedopnames voor luchtwegklachten neemt ook toe, evenals het aantal acute sterfgevallen, vaak bij ouderen met reeds verzwakte hart- en longfuncties. Andere acute gezondheidseffecten zijn afname van longfunctie, toename van luchtwegklachten zoals piepen, hoesten en kortademigheid, verergering van astma, meer gebruik van bronchodilatoren en toename van chronische luchtwegaandoeningen (bv. bronchitis). Bij
meeste mensen zijn
ze effecten omkeerbaar. Zodra
luchtverontreiniging afneemt, keert
normale toestand terug. 28. Naast acute effecten kan langdurige blootstelling aan fijn stof leiden tot onherstelbare chronische gezondheidsschade. Onderzoek naar chronische effecten toont aan dat verlaging van
longfunctie blijvend kan zijn, evenals verergering van chronische luchtwegklachten. Volgens het uitgebreid onderzoek van onder meer
WGO zorgt fijn stof op lange termijn voor een vermindering van
longfunctie, een toename van chronische luchtwegaandoeningen, een toename van hart- en vaatziekten, een toename van het aantal kankers en meer algemeen een kortere levensverwachting (…). 29. Het milieurapport Vlaanderen geeft inzake
gezondheidseffecten van blootstelling aan fijn stof
volgende tabel: Tabel 9: Kwantitatieve schatting van gezondheidseffecten in Vlaanderen: gebruikte risicofuncties toename van gezondheidsschade % toename per bron 10µg/m³ PM101 acute effecten ▪ niet-accidentele sterfte 0,6 % (0,4 % - 0,8 %) Katsouyanni et al., 2001 ▪ ziekenhuisopnames wegens astma 1,1 % (0,3 % - 1,7 %) Atkinson et al., 2001 en COPD ▪ ziekenhuisopnames wegens 0,9 % ( 0,6 % - 1,3 %) Atkinson et al., 2001 algemene luchtwegklachten (+65 jaar) ▪ ziekenhuisopnames wegens 0,5 % (0,2 % - 0,8 %) Meta-analyse op basis van hartklachten Le Tetre et al., 2002 ▪ gebruik van bronchodilatoren tegen 2,3 % (0,7 % - 3,9 %) Roemer et al., 1993 astma (kinderen) ▪ prevalentie van acute bronchitis 40 % (8,7 % - 99%) Braun-Fahrlander et al., 1997 (kinderen) chronische effecten ▪ cardiopulmonaire sterfte 6 % (4 % - 8%) Pope et al., 2002
belangrijkste bron van verloren gezonde levensjaren: (DALY's) 2002 2003 2004 totaal 33 248 (100 %) 35 908 (100 %) 32 726 (100 %) totaal PM10 & PM2,5 22 300 (67 %) 25 518 (71 %) 22 388 (68,4 %) totaal ozon 785 (2 %) 879 (2 %) 791 (2,4 %) totaal geluid 6 528 (20 %) 6 528 (18 %) 6 528 (20 %) totaal kankerverwekkende 2 039 (6,2 %) 2 032 (6 %) 2 009 (6 %) stoffen (uitgezonderd PM10) totaal Pb 1 601 (5 %) 974 (3 %) 980 (3 %) DALY/inwoner/jaar 0,006 0,006 0,0055 DALY/inwoner/70 jaar 0,41 0,44 0,40 Bron: Milieurapport Vlaanderen, MIRA-T 2006, milieu-indicatoren, zie ook www.milieurapport.be Een Nederlandse studie toont een verband aan tussen het overlijden als gevolg van een long- of hartziekte en het wonen dichtbij een drukke verkeersweg. Voor mensen die op minder dan 100 meter van
snelweg of minder dan 50 meter van een drukke stadsweg woonden was het risico op sterfte door hart- en vaatziekten en longaandoeningen ongeveer twee keer zo hoog (Hoek et al., 2002). Ook Amerikaanse epidemiologische studies zoals
‘ACS study’ en
‘Six Cities Study’ vinden een significant verband tussen langetermijnblootstelling aan zwevend stof (vooral PM2,5 en sulfaten) en vervroegde sterfte (Pope et al., 1995; Dockery et al., 1993). Een Europees onderzoek uitgevoerd in 23 steden komt tot
conclusie dat jaarlijks 16.926 vroegtijdige overlijdens kunnen voorkomen worden als
fijn stof niveaus beperkt zouden worden tot 15 µg/m3 in elke stad. 31. Op grond van
huidige kennis van zaken aangaande
gezondheidseffecten gaat
WGO zelfs zover te stellen dat voor fijn stof zelfs geen veilige drempelwaarde waaronder geen nadelige effecten meer voorkomen, zodat het moeilijk en ethisch
licaat wordt om hier zelf een grens of een doelstelling te bepalen. Dit werd recent door
WGO bevestigd. D.1.4. Overschrijding van
grenswaarden: schending van
wettelijke bepalingen 32. Zoals hierboven vermeld is
belangrijkste bron voor
uitstoot van fijn stof het autoverkeer. 33.
verwezenlijking van het GRUP Gent Sint-Pieters en
stedenbouwkundige vergunningen R4-link en Stationscomplex zullen zorgen voor aanzienlijk meer autoverkeer en bijgevolg voor aanzienlijk meer fijn stof in
lucht. 34.
ondergrondse parking en
verbindingsweg zullen volgens het MER een sterk aanzuigende werking van het verkeer hebben, meer bepaald van 1.575 wagens per uur, of bijna 10.000 wagens per dag. Daar komt nog het verkeer bij voor
kantoren en
woningen. In het oostelijk
el van
X-13.209-13.210-16/62 Koningin Fabiolalaan bijvoorbeeld zal
verkeersintensiteit toenemen van 131 wagens per uur per richting vandaag naar 618 wagens per uur en per richting in
toekomst. Ook in heel wat andere straten rond het station zal het autoverkeer gevoelig drukker worden. Dat verkeer zal volgens het MER onvermijdelijk extra luchtvervuiling veroorzaken in
woonbuurten rond het station. Uit het MER blijkt zwart op wit dat hierdoor
luchtkwaliteitsnormen constant zullen worden overschreden. Uit het MER blijkt immers dat zowel voor NOx (stikstofoxiden) als voor PM10 (fijn stof)
toepasselijke grenswaarden niet worden bereikt. Wat fijn stof betreft wordt
jaargrenswaarde voor
bescherming van
gezondheid van
mens, zoals van toepassing vanaf 1 januari 2005 (gemiddelde van 40 µg/m³) thans overschreden (een gemiddelde waarde van 46.25 µg/m³). Wat stikstofoxiden betreft wordt
jaargrenswaarde voor
bescherming van
vegetatie (jaargemiddelde van 30 µg/m³) tevens overschreden (gemiddelde van 33,08 µg/m³)(…) 35. Hierna wordt meer specifiek ingegaan op
overschrijding van
grenswaarden inzake fijn stof. In het MER wordt hieraan, gezien het belang ervan, een afzonderlijk luik gewijd (…). 36. Zoals reeds uiteengezet, bedraagt
grenswaarde voor fijn stof 50 µg/m³ als daggemiddelde, dat vanaf 1 januari 2005 maximaal 35 keer per jaar mag overschreden worden (jaargemiddelde van 40 µg/m³) (vanaf 1 januari 2010 is dat zelfs maximaal 7 keer en geldt 20 µg/m³ als jaargemiddelde). 37.
te verwachten emissies werden in het MER gemodelleerd met behulp van het CAR-model. Op
ze wijze wordt een berekening gemaakt op straatniveau. (…). Ter illustratie wordt hieronder een schets gegeven van
berekeningen van
huidige en toekomstige overschrijdingen van
fijn stof norm, zoals in het MER weergegeven: Straat Overschrijdingen Overschrijdingen 2004 2015 St-
nijslaan West 48 50 (+2) St-
nijslaan Oost 49 68 (+19) Kon. Fabiolalaan 42 57 (+15) Rijsenbergstraat ? 48 (?) Kon. Boudewijnstr. 44 62 (+18) Kon. Albertlaan 62 69 (+7) Voskenslaan 92 62 (-30) Eigen tabel, samenvatting van
resultaten uit het MER (…) In
ze berekening is daarenboven nog geen rekening gehouden met
emissies van het verkeer dat erbij komt voor
kantoren en
woningen in
zones B en C, waar er aparte parkeerplaatsen worden voorzien.
ontwikkeling van
stationsomgeving werd nooit bekeken in een ruimere context, in het bijzonder in het licht van
ontwikkeling van
site Flanders Expo. X-13.209-13.210-17/62 Evenmin werd rekening gehouden met
ze naburige projectontwikkeling, zoals bijvoorbeeld rond
site Flanders Expo. Het MER stelt eenvoudig weg dat
ontwikkeling van
site Flanders Expo slechts een geringe invloed zal hebben op
stationsomgeving op het vlak van het wegverkeer. Het MER besluit dat
effecten bijgevolg te verwaarlozen zijn (…). Niet alleen verzoekende partij, maar tevens
Cel MER is van oordeel dat dit een zeer voorbarige en bovendien onjuiste gevolgtrekking betreft: ‘Bij
beschrijving van
effecten van ontwikkelingsscenario ‘Ontwikkeling van
site Flanders Expo’ is vermeld dat ‘
ontwikkeling van
site slechts een geringe invloed zal hebben op het vlak van wegverkeer op
stationsomgeving’. Dit is wel vooruitlopen op
afloop van
MER van Flanders Expo, maar
melding ‘
effecten zijn bijgevolg te verwaarlozen’ kan zeker niet hard gemaakt worden’ (…). Niettegenstaande het feit dat
berekeningen reeds aantonen dat er op permanente wijze een overschrijding zal zijn van
fijn stof normen, zijn
ze berekeningen nog een onderschatting.
te verwachten overschrijdingen zullen aldus nog groter zijn dan voorspel(d) in het MER. 38. Het weze tot slot nog opgemerkt dat in het MER
waarden worden getoetst aan
vandaag geldende dag- en jaargrenswaarden, terwijl een verscherping van
grenswaarden zal optreden met ingang van 1 januari
grenswaarde voor fijn stof die geldt vanaf 1 januari 2005 tot 1 januari 2010, met name 50 µg/m³ PM10 als daggemiddelde en die maximaal 35 keer per jaar mag overschreden worden (jaargemiddelde van 40 PM10). Echter, vanaf 1 januari 2010 zal
strengere norm van 50 µg/m³ PM10 die slechts maximaal 7 keer per jaar mag worden overschreden van toepassing zijn (jaargemiddelde van 20 µg/m³ PM10). Men had dan ook een vergelijking dienen te maken met
norm die geldt vanaf 1 januari 2010 om
situatie in het jaar 2015 correct te kunnen beoordelen, hetgeen niet gebeurde. 40. Op grond van
in het
el D.1.
grenswaarden (te) worden getoetst en kan, wanneer er al een overschrijding plaatsvindt van
grenswaarden (zoals te
zen) - en ongeacht
oorzaak daarvan - of wanneer blijkt dat een grenswaarde door
realisatie van een plan of project wordt overschreden (zoals eveneens te
zen), dat plan of project niet worden toegestaan. D.1.5. Besluit 41.
bestreden besluiten schenden
aangehaalde wettelijke bepalingen omdat ze: • wat betreft het GRUP Gent Sint-Pieters goedkeuring verleent aan een ruimtelijke ontwikkeling die voor gevolg heeft dat
X-13.209-13.210-18/62 grenswaarden inzake PM10, NOx en NO2 in
stationsbuurt op blijvende wijze zullen overschreden worden. • wat betreft
stedenbouwkundige vergunningen, rechts(t)reeks als gevolg zullen hebben dat
grenswaarden inzake PM10, NOx en NO2 in
stationsbuurt op blijvende wijze zullen overschreden worden. • geen concrete maatregelen bevatten die waarborgen dat
grenswaarden op
data dat zij van toepassing zijn, zullen worden geëerbiedigd, door bijvoorbeeld saneringsmaatregelen te treffen ten aanzien van andere bronnen die bijdragen tot luchtverontreiniging in
buurt, zodat globaal genomen
grenswaarden zullen in acht genomen worden”. Beoordeling 5.2. In een eerste middel voert
verzoekende partij
schending aan van “
wettelijke normen voor fijn stof en stikstofoxiden”. Ontvankelijkheid 5.3.
tweede,
rde en
vierde tussenkomende partij werpen op dat, gelet op
inwerkingtreding van
nieuwe Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en
Raad van 20 mei 2008 betreffende
luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (hierna: Richtlijn 2008/50/EG) en
bepalingen van
ze richtlijn waarin onder meer een vrijstellingsregeling is voorzien van
verplichting om
grenswaarden voor PM10 na te leven, zich
vraag stelt of
verzoekende partij nog doet blijken van een actueel belang bij het middel. 5.4. Op 20 mei 2008 is
Richtlijn 2008/50/EG aangenomen door het Europees Parlement en
Raad.
ze richtlijn is overeenkomstig artikel 34 ervan in werking getreden op
dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van
Europese Unie, met name 11 juni 2008. Overeenkomstig artikel 33 van
ze richtlijn doen
lidstaten
nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 11 juni 2010 aan
ze richtlijn te voldoen. In
preambule van
Richtlijn 2008/50/EG wordt onder meer overwogen wat volgt: X-13.209-13.210-19/62 “(...)
Raad van 27 september 1996 inzake
beoordeling en het beheer van
luchtkwaliteit, Richtlijn 1999/30/EG van
Raad van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende
eltjes en lood in
lucht, Richtlijn 2000/69/EG van het Europees Parlement en
Raad van 16 november 2000 betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in
lucht, Richtlijn 2002/3/EG van het Europees Parlement en
Raad van 12 februari 2002 betreffende ozon in
lucht en Beschikking 97/101/EG van
Raad van 27 januari 1997 tot invoering van een regeling voor
onderlinge uitwisseling van informatie over en gegevens van meetnetten en meetstations voor luchtverontreiniging in
lidstaten dienen grondig te worden herzien teneinde
nieuwste ontwikkelingen op het gebied van
volksgezondheid en
wetenschappelijke kennis alsook
door
lidstaten opgedane ervaring daarin te verwerken. Ten behoeve van
duidelijkheid,
vereenvoudiging en
administratieve efficiëntie is het daarom passend dat
ze vijf besluiten door één enkele richtlijn en, waar nodig, door uitvoeringsmaatregelen, worden vervangen. (...)
lucht met voldoende nauwkeurigheid kunnen worden bepaald, en indien overschrijdingen geheel of gedeeltelijk te wijten zijn aan
ze natuurlijke bijdragen, mogen ze, wanneer wordt beoordeeld of
grenswaarden voor
luchtkwaliteit worden nageleefd, onder
in
ze richtlijn beschreven voorwaarden, buiten beschouwing worden gelaten. Overschrijdingen van grenswaarden van zwevende
eltjes PM10 die toe te schrijven zijn aan het strooien van zand of zout op
wegen in
winter kunnen, wanneer wordt beoordeeld of
grenswaarden voor
luchtkwaliteit worden nageleefd, ook buiten beschouwing worden gelaten, op voorwaarde dat er redelijke maatregelen zijn getroffen om
concentraties te verlagen.
nalevingstermijn voor
grenswaarden voor
luchtkwaliteit op te schorten in gevallen waarin zich, ondanks
tenuitvoerlegging van passende maatregelen ter bestrijding van
verontreiniging, in specifieke zones en agglomeraties acute nalevingsproblemen voordoen. Elke opschorting voor een bepaalde zone of agglomeratie dient vergezeld te gaan van een door
Commissie te beoordelen uitvoerig plan dat
naleving tegen het einde van
herziene nalevingstermijn garandeert. Het bestaan van
nodige communautaire maatregelen die het in
Thematische Strategie ter vermindering van emissies aan
bron gekozen streefniveau weerspiegelen is van belang voor een doeltreffende uitstootvermindering binnen het tijdskader dat in
ze richtlijn wordt vastgesteld in verband met
naleving van
grenswaarden en er moet rekening mee worden gehouden bij
beoordeling van verzoeken tot uitstel van
nalevingstermijnen. (...) X-13.209-13.210-20/62
concentraties van verontreinigde stoffen in
lucht
geldende streefwaarden voor luchtkwaliteit of grenswaarden, verhoogd met tijdelijke overschrijdingsmarges, overschrijden. Stoffen die
lucht verontreinigen komen uit allerlei bronnen en activiteiten. Ter garantie van een goede samenhang tussen
diverse beleidslijnen dienen
ze luchtkwaliteitsplannen, waar mogelijk, samenhangend te zijn en te worden geïntegreerd met
plannen en programma’s die zijn voorbereid krachtens Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en
Raad van 23 oktober 2001 inzake
beperking van
emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in
lucht door grote stookinstallaties, Richtlijn 2001/81/EG en Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en
Raad van 25 juni 2002 inzake
evaluatie en
beheersing van omgevingslawaai. Er zal tevens terdege rekening worden gehouden met
doelstellingen voor
luchtkwaliteit in
ze richtlijn wanneer vergunningen voor industriële activiteiten worden verleend ingevolge Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en
Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging.
maatregelen aangeven die op korte termijn dienen te worden genomen wanneer er gevaar bestaat voor overschrijding van één of meer alarmdrempels, teneinde dat gevaar te verkleinen en
duur van een
rgelijk voorval te beperken. Wanneer dit gevaar bestaat voor één of meer grens- of streefwaarden kunnen
lidstaten, zo nodig, actieplannen voor
korte termijn opstellen. Wat ozon betreft, moeten
ze kortetermijnactieplannen rekening houden met Beschikking 2004/279/EG van
Commissie van 19 maart 2004 betreffende een leidraad voor
uitvoering van Richtlijn 2002/3/EG van het Europees Parlement en
Raad betreffende ozon in
lucht. (...)”.
grenswaarden voor PM10 worden bepaald in
bijlage XI.
ze grenswaarden komen overeen met
thans geldende grenswaarden: Middelingstijd Grenswaarde Overschrijdingsmarge Datum waarop
grenswaarde moet zijn bereikt Eén dag 50 μg/m;; mag niet 50 % 1 januari 2005 vaker dan 35 keer per kalenderjaar worden overschreden Kalenderjaar 40 μg/m; 20 % 1 januari 2005 Overeenkomstig het principe van artikel 13, lid 1 van
Richtlijn 2008/50/EG zorgen
lidstaten ervoor, dat
niveaus van PM10 in
X-13.209-13.210-21/62 lucht in
gehele zones en agglomeraties
in bijlage XI vastgestelde grenswaarden niet overschrijden.
concrete regeling van
mogelijkheid van opschorting van
nalevingstermijn voor
grenswaarden, is vastgesteld in artikel 22: “2. Wanneer in een bepaalde zone of agglomeratie overeenstemming met
in bijlage XI genoemde grenswaarden voor PM10 niet kan worden bereikt wegens locatiespecifieke dispersiekarakteristieken, ongunstige klimaatomstandigheden of grensoverschrijdende bijdragen, is
lidstaat uiterlijk tot 11 juni 2011 vrijgesteld van
verplichting om die grenswaarden toe te passen mits aan
voorwaarden van lid 1 (dit is het opstellen van een luchtkwaliteitsplan overeenkomstig artikel 23) is voldaan en
betreffende lidstaat aantoont dat op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau, alle passende maatregelen genomen zijn om
uiterste tijdstippen na te leven. 3. Wanneer een lidstaat (...) lid 2 toepast, zorgt hij ervoor dat
overschrijding van
grenswaarde voor elke verontreinigende stof niet meer bedraagt dan
maximale overschrijdingsmarge die voor
betrokken verontreinigende stof in bijlage XI is vastgesteld. 4. Wanneer (...) lid 2 volgens een lidstaat van toepassing is, stelt hij
Commissie daarvan in kennis en
elt hij het in lid 1 bedoelde luchtkwaliteitsplan mede, met inbegrip van alle relevante gegevens die
Commissie nodig heeft om te beoordelen of aan
sbetreffende voorwaarden is voldaan. (...) Wanneer
Commissie binnen negen maanden na
ontvangst van
kennisgeving geen bezwaren heeft gemaakt, wordt aan
sbetreffende voorwaarden voor toepassing van lid 1 of lid 2 geacht te zijn voldaan. Indien bezwaren worden gemaakt, kan
Commissie van lidstaten verlangen dat luchtkwaliteitsplannen worden aangepast of vervangen door nieuwe”. 5.5.
Richtlijn 2008/50/EG blijkt thans nog niet omgezet in het interne recht. Overeenkomstig artikel 31 van voornoemde richtlijn worden
Richtlijn 96/62/EG van
Raad van 27 september 1996 inzake
beoordeling en het beheer van
luchtkwaliteit (hierna: Kaderrichtlijn 96/62/EG) en
Richtlijn 1999/30/EG van
Raad van 22 april 1999 betreffende
grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende
eltjes en lood in
lucht (hierna: Dochterrichtlijn 1999/30/EG) met ingang van 11 juni 2010 ingetrokken en laat
ze intrekking
op
lidstaten rustende verplichtingen inzake
termijnen voor omzetting of toepassing van die richtlijnen onverlet. X-13.209-13.210-22/62 5.6. Overeenkomstig het principe van artikel 13, lid 1 van
Richtlijn 2008/50/EG zorgen
lidstaten ervoor, dat
niveaus van PM10 in
lucht in
gehele zones en agglomeraties
in bijlage XI vastgestelde grenswaarden niet overschrijden. Er dient te worden vastgesteld dat
bestaande grenswaarden ongewijzigd zijn behouden.
omstandigheid dat volgens
Mededeling van
Commissie van 26 juni 2008 (COM
finitief) inzake kennisgevingen van uitstel van tijdstippen waarop aan grenswaarden moet worden voldaan en vrijstelling van
verplichting om bepaalde grenswaarden toe te passen overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 2008/50/EG, voor
vrijstelling van
verplichting om
grenswaarden voor PM10 toe te passen, het voormelde artikel 22 niet eerst in het nationale recht dient te worden omgezet, neemt niet weg dat dient te worden aangetoond dat op heden met toepassing van
voormelde bepaling een uitstel voor het voldoen aan
grenswaarden werd verkregen. Dit blijkt niet het geval. Uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat
verzoekende partij ook na
inwerkingtreding van
Richtlijn 2008/50/EG belang behoudt bij het middel waarin wordt aangevoerd dat een reeds bestaande overschrijding van
grenswaarden een overheid gebiedt een ruimtelijk uitvoeringsplan dat volgens haar aanleiding geeft tot een verdere/blijvende overschrijding van diezelfde grenswaarden, niet vast te stellen. 5.7.
exceptie kan niet worden aangenomen. Ten gronde 5.8. Op het ogenblik dat het bestreden besluit werd vastgesteld was
juridische grondslag voor het kwaliteitsbeleid inzake lucht in
Europese Unie
Kaderrichtlijn 96/62/EG samen met vier dochterrichtlijnen. Voor stikstofdioxide en stikstofoxiden (NO2 en NOx) en fijn stof (PM10) werden normen bepaald in
Dochterrichtlijn 1999/30/EG. In
voormelde Dochterrichtlijn 1999/30/EG wordt niet enkel een grenswaarde, maar worden ook
overschrijdingsmarges bepaald.
overschrijdingsmarge is het percentage waarmee
grenswaarde onder
in
X-13.209-13.210-23/62 Kaderrichtlijn 96/62/EG vastgelegde voorwaarden kan worden overschreden.
overschrijdingsmarge neemt lineair af vanaf
startdatum tot 0% op
datum waarop aan
grenswaarde moet worden voldaan, zijnde 1 januari 2005 voor PM10 en 1 januari 2010 voor NO2. Artikel 7.1 van
Kaderrichtlijn 96/62/EG bepaalt: “
Lid-Staten nemen
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
grenswaarden worden nageleefd”. Artikel 7.3 van
ze richtlijn bepaalt: “
Lid-Staten stellen actieplannen op, waarin wordt vermeld welke maatregelen bij een dreigende overschrijding van
grenswaarden en/of
alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en
duur ervan te beperken. Al naar gelang van het geval behelzen
ze plannen controlemaatregelen en, zo nodig, schorsing van
activiteiten die bijdragen tot overschrijding van
grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer”. Artikel 8 van
zelfde richtlijn bepaalt
maatregelen die van toepassing zijn in zones waar
niveaus hoger liggen dan
grenswaarde, met name: “1.
Lid-Staten stellen
lijst op van zones en agglomeraties waar
niveaus van een of meer verontreinigende stoffen
grenswaarde, verhoogd met
overschrijdingsmarge, overschrijden. Wanneer voor een bepaalde verontreinigende stof geen overschrijdingsmarge is vastgesteld, worden
zones en agglomeraties waar het niveau van
ze verontreinigende stof
grenswaarde overschrijdt, gelijkgesteld met
in
vorige alinea bedoelde zones en agglomeraties en zijn
leden 3 tot en met 5 erop van toepassing. 2.
Lid-Staten stellen
lijst op van
zones en agglomeraties waar
niveaus van een of meer verontreinigende stoffen tussen
grenswaarde en
met
overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde liggen. 3. In
in lid 1 bedoelde zones en agglomeraties treffen
Lid-Staten maatregelen om ervoor te zorgen dat er een plan of programma wordt opgesteld en uitgevoerd dat ertoe leidt dat binnen
daarvoor gestelde termijn aan
grenswaarde wordt voldaan. Dit plan of programma, waartoe het publiek toegang dient te krijgen, bevat ten minste
in bijlage IV vermelde informatie. 4. In
in lid 1 bedoelde zones en agglomeraties waar het niveau van meer dan één verontreinigende stof hoger ligt dan
grenswaarden, zorgen
Lid-Staten voor een geïntegreerd plan voor alle betrokken verontreinigende stoffen. X-13.209-13.210-24/62 5.
Commissie controleert regelmatig
uitvoering van
krachtens lid 3 ingediende plannen of programma’s door na te gaan hoe
ze vorderen en hoe
luchtverontreiniging zich ontwikkelt. 6. Wanneer het niveau van een verontreinigende stof ten gevolge van een significante verontreiniging vanuit een andere Lid-Staat boven
met
overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde of, in voorkomend geval,
alarmdrempel ligt of dreigt te komen, plegen
betrokken Lid-Staten overleg met elkaar om een oplossing te vinden.
Commissie kan dat overleg bijwonen”. 5.9. Het besluit van
Vlaamse regering van 18 januari 2002 tot wijziging van het besluit van
Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, waarbij aan hoofdstuk 2.5 een afdeling 2.5.4 werd toegevoegd, zet voormelde richtlijnen om in het interne Belgische recht.
betrokken bepalingen van het besluit van
Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: VLAREM II) luiden als volgt: “AFDELING 2.5.4. - Beoordeling en beheer van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende
eltjes en lood. Onderafdeling 2.5.4.
minister neemt
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties van zwaveldioxide in
lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van
in bijlage 2.5.5.1,
el I, vermelde data
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.
in bijlage 2.5.5.1,
el I, bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.
alarmdrempel voor
concentraties van zwaveldioxide in
lucht is bepaald in bijlage 2.5.5.1,
el II. § 3. Om
Commissie bij te staan bij
opstelling van haar verslaggeving registreert
Vlaamse Milieumaatschappij, indien mogelijk, tot en met 31
cember 2003 gegevens over zwaveldioxideconcentraties, waarop een tienminutenmiddeling is toegepast, die ze ontvangt van een aantal meetstations die geselecteerd zijn als representatief voor
luchtkwaliteit in woongebieden in
nabijheid van
bronnen en die uurconcentraties meten. Gelijktijdig met
gegevens over
uurconcentraties rapporteert
Vlaamse Milieumaatschappij, via
geëigende kanalen, aan
Europese Commissie voor
ze geselecteerde meetstations het aantal tienminutenconcentraties van meer dan 500 mug/m3, het aantal dagen waarop die grens in het kalenderjaar werd overschreden, het aantal dagen waarop tegelijkertijd
uurconcentraties zwaveldioxide 350 mug/m3 werden overschreden, en
hoogste geregistreerde tienminutenconcentratie. X-13.209-13.210-25/62 § 4.
minister mag zones of agglomeraties aanwijzen waar
in bijlage 2.5.5.1,
el I, bedoelde grenswaarden voor zwaveldioxide als gevolg van
aanwezigheid van concentraties van zwaveldioxide van natuurlijke oorsprong in
lucht worden overschreden.
minister verstrekt
Europese Commissie overeenkomstig artikel 2.5.3.10 een lijst van al
ze zones of agglomeraties en geeft haar informatie over
daar aanwezige concentraties en bronnen van zwaveldioxide, samen met
nodige bewijzen dat
ze overschrijdingen aan natuurlijke bronnen te wijten zijn. In
ze zones of agglomeraties is
minister alleen verplicht actieplannen op te stellen als
grenswaarden voor zwaveldioxide (SO2) vanwege antropogene emissies worden overschreden. Onderafdeling 2.5.4.2. - Stikstofdioxide en stikstofoxiden. Art. 2.5.4.2. § 1.
minister neemt
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties in
lucht van stikstofdioxide en, waar van toepassing, van stikstofoxiden, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van
in bijlage 2.5.5.2,
el I, vermelde data
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.
in bijlage 2.5.5.2,
el I, bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.
alarmdrempel voor
concentraties van stikstofdioxide in
lucht is bepaald in bijlage 2.5.5.2,
el II. Onderafdeling 2.5.4.3. - Zwevende
eltjes. Art. 2.5.4.3. § 1.
minister neemt
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties van PM10 in
lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van
in bijlage 2.5.5.3 vermelde data
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.
in bijlage 2.5.5.3 bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.
Vlaamse Milieumaatschappij zorgt voor
installatie en werking van meetstations die gegevens over PM2,5-concentraties verstrekken. Het aantal stations waar PM2,5 wordt gemeten en
ligging ervan, worden zo gekozen dat die stations representatief zijn voor
PM2,5-concentraties in Vlaanderen. Als het mogelijk is, moeten
monsternemingspunten samenvallen met
stations waar PM10 wordt gemeten.
Vlaamse Milieumaatschappij
elt
Europese Commissie via
geëigende kanalen jaarlijks, uiterlijk negen maanden na afloop van elk jaar, het rekenkundig gemiddelde,
mediaan, het 98-percentiel en
maximale concentratie mee, berekend op basis van
PM2,5-metingen over 24 uur gedurende dat jaar. Het 98-percentiel wordt berekend volgens
procedure die is beschreven in bijlage I, punt 4, van beschikking 97/101/EG van
Raad van 27 januari 1997 tot invoering van een regeling voor
onderlinge uitwisseling van informatie over en gegevens van meetnetten en meetstations voor luchtverontreiniging in
lidstaten. § 3. In
krachtens artikel 2.5.3.7 opgestelde actieplannen voor PM10 en
algemene strategieën om
PM10-concentraties terug te dringen, wordt ook naar een vermindering van
PM2,5-concentraties gestreefd. § 4. Als
in bijlage 2.5.5.3 bedoelde grenswaarden voor PM10 worden overschreden doordat er concentraties van PM10 in
lucht aanwezig zijn ingevolge natuurverschijnselen waardoor er concentraties voorkomen die X-13.209-13.210-26/62 significante overschrijdingen van
normale achtergrondniveaus van natuurlijke oorsprong inhouden, stelt
minister
Europese Commissie via
geëigende kanalen daarvan overeenkomstig artikel 2.5.3.10 in kennis met
nodige bewijzen dat
rgelijke overschrijdingen aan natuurverschijnselen te wijten zijn. In
rgelijke gevallen is
minister alleen verplicht om overeenkomstig artikel 2.5.3.7, § 2, actieplannen uit te voeren wanneer
in
bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden om andere redenen worden overschreden dan door natuurverschijnselen. § 5.
minister kan zones of agglomeraties aanwijzen waar
in
bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden voor PM10 worden overschreden als gevolg van PM10-concentraties in
lucht die ontstaan als, bij het strooien van zand op wegen, in
winter opwerveling van
eltjes optreedt.
minister verstrekt
Europese Commissie een lijst van al
ze zones of agglomeraties en tevens informatie over
daar aanwezige PM10-concentraties en -bronnen. Wanneer
minister
Europese Commissie daarvan overeenkomstig artikel 2.5.3.10 in kennis stelt, levert hij
nodige bewijzen dat
ze overschrijdingen aan
rgelijke opwervelende
eltjes te wijten zijn, en dat in redelijke mate is getracht om die overschrijdingen te verlagen. In
ze zones of agglomeraties is
minister alleen verplicht actieplannen overeenkomstig artikel 2.5.3.7, § 2, uit te voeren, als
in bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden worden overschreden vanwege andere PM10-niveaus dan die welke te wijten zijn aan het strooien van zand op wegen in
winter”. Artikel 2.1.2 van VLAREM II bepaalt dat
vastgestelde milieukwaliteitsnormen door
overheid moeten worden gehanteerd bij zowel het plannen als het realiseren van het beleid. 5.10. Het middel gaat ervan uit dat het bestreden GRUP er
oorzaak van is dat
grenswaarden inzake PM10, NOx en NO2 in
onmiddellijke omgeving van het station blijvend zullen worden overschreden. Dit uitgangspunt kan niet worden bijgetreden. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bepaalt enkel
bestemming van een welomschreven gebied. Luidens het voormelde artikel 2.5.4.1, § 1 van VLAREM II neemt
minister -dit is te
zen
met
uitvoering van dit besluit belaste Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu (hierna:
minister)-
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties van zwaveldioxide in
lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van
in bijlage 2.5.5.1,
el I vermelde data,
daarin bepaalde grenswaarden niet X-13.209-13.210-27/62 overschrijden, en zijn
in bijlage 2.5.5.1,
el I, bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. Luidens het voormelde artikel 2.5.4.2, § 1 van VLAREM II neemt
minister
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties in
lucht van stikstofdioxide en, waar van toepassing, van stikstofoxiden, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van
in bijlage 2.5.5.2,
el I vermelde data,
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, en zijn
in bijlage 2.5.5.2.,
el I bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. Luidens het voormelde artikel 2.5.4.3, § 1 van VLAREM II neemt
minister
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties van PM10 in
lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van
in bijlage 2.5.5.3 vermelde data
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, en zijn
in bijlage 2.5.5.3 bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. Artikel 2.5.3.6, § 1 van VLAREM II bepaalt dat
nodige maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat
grenswaarden worden nageleefd.
van hetzelfde artikel bepaalt dat
maatregelen die bij een dreigende overschrijding van
grenswaarden en/of
alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en
duur ervan te beperken, vermeld zijn in
respectieve actieplannen vastgesteld door dit besluit, inzonderheid in
afdelingen 2.5.6 en 4.4.5, en dat al naar gelang van het geval voormelde actieplannen controlemaatregelen behelzen en, zo nodig, schorsing van
activiteiten die bijdragen tot overschrijding van
grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer. Luidens artikel 2.5.3.7, § 1 van VLAREM II stelt
Vlaamse Milieumaatschappij op basis van
resultaten van haar meetnet van
verontreiniging van
omgevingslucht
lijst op 1 van zones en agglomeraties waar
niveaus van één of meer verontreinigende stoffen
grenswaarde, verhoogd met
overschrijdingsmarge, overschrijden, en 2 van
zones en agglomeraties waar
niveaus van één of meer verontreinigende stoffen tussen
grenswaarde en met
overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde liggen. Wanneer voor een bepaalde verontreinigende stof geen overschrijdingsmarge is vastgesteld, worden
zones en agglomeraties waar het niveau van
ze X-13.209-13.210-28/62 verontreinigende stof
grenswaarde overschrijdt, gelijkgesteld met
sub 1 bedoelde zones en agglomeraties en zijn
tot en met 4 van dit artikel hierop van toepassing.
en 3 van hetzelfde artikel bepalen dat in
bedoelde zones en agglomeraties
minister maatregelen treft om ervoor te zorgen dat er een plan of programma wordt opgesteld en uitgevoerd dat ertoe leidt dat binnen
daarvoor gestelde termijn aan
grenswaarde wordt voldaan, en in geval het niveau van meer dan één verontreinigende stof hoger ligt dan
grenswaarden,
minister zorgt voor een geïntegreerd plan voor alle betrokken verontreinigende stoffen.
bepaalt dat wanneer het niveau van een verontreinigende stof ten gevolge van een significante verontreiniging vanuit een andere lidstaat of Gewest boven
met
overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde of, in voorkomend geval,
alarmdrempel ligt of dreigt te komen,
minister met
betrokken lidstaat of het betrokken Gewest overleg pleegt om een oplossing te vinden, en dat
Europese Commissie via
geëigende kanalen hiervan op
hoogte wordt gesteld en dit overleg kan bijwonen. In uitvoering van voormelde bepalingen werd het “Saneringsplan fijn stof voor
zones met overschrijding in 2003 en aanpak fijn stofproblematiek in Vlaanderen - Plan in uitvoering van
richtlijnen 96/62/EG en 1999/30/EG” van 23
cember 2005 opgesteld door
cel Lucht van het
partement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van
Vlaamse Gemeenschap. Onder punt “7. Maatregelen” wordt ter inleiding gesteld wat volgt: “Uit voorgaande hoofdstukken blijken er in Vlaanderen overschrijdingen vastgesteld te worden van
vanaf 1 januari 2005 geldende PM10 grenswaarde; in 2003 zelfs op alle meetpunten voor
daggemiddelde grenswaarde. In 2005 doen zich eveneens nog overschrijdingen van
luchtkwaliteitsnormen voor. Modellering in Vlaanderen geeft aan dat in 2010
problemen vermoedelijk niet opgelost zullen zijn. Overschrijdingen worden niet enkel in verkeersdrukke zones, maar ook in industrie-, woon- en zelfs landelijkere regio’s waargenomen en verwacht. Internationale modellering toont aan dat Vlaanderen voor wat
antropogene emissies betreft tot
‘hot spot’-gebieden van Europa behoort, ook in
toekomst
ze hoge fijn stof concentraties en overschrijdingen in Vlaanderen zijn te wijten aan eigen, lokale emissies, maar evenzeer doordat
X-13.209-13.210-29/62 luchtkwaliteit in Vlaanderen in hoge mate bepaald wordt door emissies van buitenaf.
buitenlandse bijdrage door menselijk handelen bedraagt, zoals aangegeven in 6.2, 70 - 80% aan
fijn stofconcentraties. Maatregelen die alleen in Vlaanderen worden getroffen, zijn over het algemeen niet voldoende om
luchtvervuiling gemiddeld over Vlaanderen terug te dringen. Een gecoördineerde Europese aanpak is onontbeerlijk;
problemen voor fijn stof zijn grootschalig en vrijwel onoplosbaar voor Vlaanderen alleen”. Vervolgens worden in het plan
maatregelen opgesomd die reeds genomen zijn, gepland zijn of worden en/of extra wenselijk zijn.
ze maatregelen worden onderverdeeld in 3 categorieën, met name “7.1. Generieke maatregelen”, zijnde generieke maatregelen die over het ganse Vlaamse grondgebied genomen kunnen worden ter algemene reductie van
hoge stofconcentraties, “7.
regelgeving vervat in VLAREM II moeten door
minister
nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat
in
richtlijnen bepaalde, en in VLAREM II overgenomen, grenswaarden en/of overschrijdingsmarges niet worden overschreden, en dit middels saneringsmaatregelen op internationaal, Vlaams of lokaal niveau. Uit
bepaling van artikel 2.1.2 van VLAREM II dat
vastgestelde milieukwaliteitsnormen door
overheid moeten worden gehanteerd bij zowel het plannen van het “beleid” als bij het realiseren van het “beleid” kan niet worden afgeleid dat het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan niet mogelijk is indien zou blijken dat bij
realisatie van
in dit plan voorziene bestemmingen op zichzelf genomen
overschrijding van één of meer grenswaarden mogelijk is. Het “beleid” in
zin van voormelde bepaling dient immers zo te worden opgevat dat alle maatregelen die bij het plannen en het realiseren van het beleid worden getroffen als één geheel dienen te worden beschouwd, inbegrepen ook
maatregelen die
minister verplicht is te nemen in toepassing van
voormelde artikelen 2.5.4.1, § 1, 2.5.4.2, § 1 en 2.5.4.3, § 1 van VLAREM II. X-13.209-13.210-30/62 5.12. Artikel 4 van het
creet van 18 mei 1999 houdende
organisatie van
ruimtelijke ordening (hierna : DRO), dat
el uitmaakt van “Hoofdstuk I. Doelstellingen en begrippen” van “Titel I. Inleidende bepalingen”, luidt als volgt: “
ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij
ruimte beheerd wordt ten behoeve van
huidige generatie, zonder dat
behoeften van
toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden
ruimtelijke behoeften van
verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met
ruimtelijke draagkracht,
gevolgen voor het leefmilieu en
culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op
ze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. Uit artikel 4 DRO, dat aan
bevoegde overheid een ruime appreciatiebevoegdheid laat met betrekking tot
realisatie van
“doelstellingen” van
ruimtelijke ordening, kan niet worden afgeleid dat milieukwaliteitsnormen ook bindend zijn bij
vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen. 5.13. Artikel 1.2.1, § 3 van het
creet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : DABM), dat
el uitmaakt van “Hoofdstuk II. Doelstellingen en beginselen” van “Titel I. Algemene bepalingen”, luidt als volgt: “
in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij
uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met
sociaal-economische aspecten,
internationale dimensie en
beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens”. Ook
ze bepaling, die eveneens een algemene doelstelling verwoordt, lijkt geen wettelijke verplichting in te houden voor
overheid om een ruimtelijk uitvoeringsplan niet vast te stellen en/of goed te keuren indien zou blijken dat
realisatie van
in dit plan voorziene bestemmingen op zich een overschrijding van
in VLAREM II vastgestelde grenswaarden en/of overschrijdingsmarges tot gevolg zou kunnen hebben. X-13.209-13.210-31/62 5.14. Er bestaat
rhalve op grond van VLAREM II voor
betrokken overheid geen wettelijke verplichting om in een
rgelijk geval een ruimtelijk uitvoeringsplan niet vast te stellen en/of goed te keuren. Zodanige verplichting is ook niet vervat in
Europese regelgeving.
Europese en Vlaamse regelgeving leggen bij (dreigende) overschrijding van
(door
overschrijdingsmarges gemodificeerde) grenswaarden in essentie
verplichting tot het opstellen van actieplannen op. Het beginsel dat
grenswaarden, eens ze van kracht zijn, moeten worden gerespecteerd, vertaalt zich niet per se in een absoluut verbod een ruimtelijk uitvoeringsplan dat aanleiding kan geven tot een overschrijding van
grenswaarden, vast te stellen/goed te keuren. 5.15. Alleen indien zou aangetoond worden dat bij
realisatie van een ruimtelijk uitvoeringsplan noodzakelijkerwijze
ter zake toepasselijke milieukwaliteitsnormen zouden worden geschonden, en dat dit niet kan worden voorkomen of ongedaan worden gemaakt door het opstellen, het nemen en het uitvoeren van
hierboven in
vorige randnummers bedoelde programma’s, maatregelen en acties, zouden
in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen alsnog als geschonden kunnen worden beschouwd. Dit is in casu evenwel niet het geval. 5.
verzoekende partij aan dat “
bestreden beslissingen zijn vastgesteld op basis van een wettelijk ontoereikend milieueffectenrapport”. Zij zet dit middel uiteen als volgt: X-13.209-13.210-32/62 “D.2.
milieueffecten die gepaard gaan met
uitvoering van het nulalternatief: ‘een beschrijving van
bestaande toestand van het milieu (met inbegrip van
milieukenmerken van gebieden waarvoor
gevolgen aanzienlijk kunnen zijn en van alle bestaande milieuproblemen), voorzover
tenuitvoerlegging van het voorgenomen plan of programma of van één van
onderzochte alternatieven daarvoor gevolgen kan hebben, en een beschrijving van
te verwachten ontwikkeling van dat milieu indien noch het voorgenomen plan, noch één van
alternatieven wordt uitgevoerd’ (...). D.2.1.
doelstelling van milieueffectenrapportage, bij
besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken, gelegen is in het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast
sociale, economische en andere maatschappelijke belangen. Om
ze doelstelling te realiseren bepaalt artikel 4.1.4, §2, 1 DABM dat
milieueffectenrapportage als essentieel kenmerk heeft: ‘
systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van
te verwachten, of in het geval van zware ongevallen, mogelijke gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie en van
redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor
actie of onderdelen ervan, en
beschrijving en evaluatie van
mogelijke maatregelen om
gevolgen van
voorgenomen acties op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren’ (...). In artikel 4.2.7, §l, l, c) en d) DABM staat dat een plan-MER onder meer bestaat uit een ‘schets van
beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake bescherming van het milieu’ en ‘een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en
beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede
motivatie voor
selectie van
te onderzoeken alternatieven’ (...). Verder in artikel 4.2.7, §l, 2, b) DABM staat dat het plan-MER een beschrijving en een onderbouwde beoordeling dient te bevatten van
mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen plan en programma én van
onderzochte alternatieven. Luidens artikel 4.2.7, §l, 2, e) DABM moet tevens een globale evaluatie van het voorgenomen plan of programma én
onderzochte alternatieven zijn opgenomen. Uit bovenvermelde artikelen blijkt aldus dat het zoeken naar redelijke alternatieven waaraan mogelijks minder milieueffecten verbonden zijn,
kern vormt van
plan-MER. X-13.209-13.210-33/62 Welke alternatieven precies onderzocht moeten worden in een plan-MER maakt het voorwerp uit van
richtlijnen waarover
Cel MER beslist op grond van artikel 4.2.5, §l, 2 DABM.
ze richtlijnen worden vastgesteld na bekendmaking en ter inzage legging van
kennisgeving van het voorgenomen plan-MER en na het publiek en
bevoegde administraties
gelegenheid te hebben gegeven opmerkingen te maken over
inhoudsafbakening (art. 4.2.4, § 4 DABM). Luidens artikel 4.2.5, §1, laatste lid DABM, houdt
Cel MER trouwens rekening met
ingediende opmerkingen en commentaren inzake
inhoudsafbakening van het plan-MER, inzonderheid met die welke handelen over
te onderzoeken effecten, alternatieven of maatregelen. D.2.1.3. Schending van bovenstaande wettelijke bepalingen 44.
verwerende partij heeft het bestreden GRUP Gent Sint-Pieters
finitief vastgesteld op basis van een wettelijk ontoereikend milieueffectenrapport (...): (i) het MER omvat geen volwaardig onderzoek van het nulalternatief. In het MER valt te lezen: ‘Voor
elprojecten 1 ‘Omvorming station Gent Sint-Pieters’, 2 ‘Verbetering multimodaal knooppunt voor openbaar vervoer’ en
onderdelen van
elproject 3 die een projectontwikkeling beogen, wordt het nul-alternatief dus niet onderzocht (...). (ii)
tijdens
scoping voorgestelde en voor
buurt als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven werden zonder onderbouwde verantwoording verworpen (...). Hierna worden
ze twee punten verder geanalyseerd. D.2.1.3.
‘Richtlijnen milieueffectenrapportage: Station Gent St.-Pieters en omgeving’ door
Cel MER aangenomen op 22 juni 2004, wordt uitdrukkelijk aangegeven dat
bestaande toestand van het gebied als referentietoestand moet worden beschreven (...). 46. Zoals reeds aangehaald werd evenwel besloten het nulalternatief niet te onderzoeken voor drie
elprojecten.
reden die in het MER hiervoor wordt gegeven zonder enige grondige uitleg is dat voor
ze
elprojecten ‘het nultarief ingaat tegen
beleidsvisie en dus niet beantwoordt aan
beleidsdoelstellingen’ (...). Met
ze stelling kan geenszins rekening gehouden worden daar
ze niet kan dienen als verantwoording voor het niet grondig uitwerken van het nulalternatief. Dit maakt immers een schending uit van artikel 4.1.4 DABM, die stelt dat
doelstelling van
milieueffectenrapportage specifiek gelegen is in het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast
sociale, economische en andere maatschappelijke belangen, bij
besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken.
rechtsgeldigheid van het volledige MER wordt hierdoor aangetast, evenals alle navolgende overheidsbeslissingen waarvoor dit MER
onderbouwing moet leveren, inclusief het GRUP zelf. X-13.209-13.210-34/62 D.2.1.3.
als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven grondig te onderzoeken en te beoordelen. 48.
richtlijnen van
Cel MER bepalen dat redelijke alternatieven, bestaande uit een kleinschaliger projectontwikkeling langs
Koningin Fabiolalaan, zonder R4-link en zonder ondergrondse pendelparking, maar met alternatieve P+R aan Flanders Expo, op volwaardige wijze en met
nodige diepgang moeten worden onderzocht (...). 49.
ze alternatieven werden echter niet op systematische en wetenschappelijk verantwoorde manier onderzocht. Evenmin werd een gedegen en objectieve vergelijking gemaakt met het voorgenomen plan. 50. In het MER worden
volgende nadelen m.b.t. het alternatief dat eruit bestaat dat geen pendelparking en/of verbindingsweg zou aangelegd worden (...).
ze nadelen zijn echter op feitelijk en juridisch vlak op niets (...) gestoeld: (i) Keuzereizigers worden niet aangetrokken
vooronderstelling dat het aantrekken van keuzereizigers gepaard moet gaan met
aanwezigheid van een ondergrondse parking voor ca 3.000 wagens aan het station Gent Sint-Pieters, is niet wetenschappelijk gestaafd aan
hand van onder meer cijfermateriaal. Ook het MER-verslag stelt: ‘Er wordt gesproken over
‘belangrijke groep keuzereizigers’ waarop echter geen getal kan geplakt worden. Dit geldt ook voor
‘restfractie’ die
wagen (moeten) (inderdaad tussen haakjes) gebruiken als voortransport naar het station’ (...). Het MER gaat er gemakshalve van uit, zonder enige wetenschappelijke verantwoording, dat van
2.000 pendelparkeerders er 1.000 zullen blijven proberen hun wagen te parkeren ergens in
buurt van het station, en dat 1.000 reizigers zullen afhaken en
wagen zullen nemen om naar het werk te rijden. Dit laatste zou het equivalent meebrengen van drie km file op een snelweg met drie rijstroken. Als
ze redenering wordt doorgetrokken, stelt zich
vraag welke file niet wordt veroorzaakt indien diezelfde 1.000 reizigers op het spitsuur
parking willen inrijden via slechts een rijbaan? Er is geen rekening gehouden met
reeds bestaande saturatie van
autosnelweg naar Brussel,
toename van
variabele kosten van het autogebruik en andere mobiliteitsmaatregelen (waaronder het Pegasusplan van
Lijn) die ervoor zullen zorgen dat steeds meer reizigers voor het openbaar vervoer kiezen. Onterecht stelt het MER tot slot dat zonder pendelparking
parkeerdruk in
stationsomgeving zal stijgen. Daarbij is echter geen rekening gehouden met het X-13.209-13.210-35/62 invoeren van het betalend parkeren in
stationsomgeving, waardoor reizigers eerder opteren om op te stappen in
kleinere stations in
omgeving van Gent. (ii) Geen parking ondermijnt
aantrekkingskracht van het project voor investeerders Dit argument past niet binnen een milieueffectenbeoordeling. Bovendien houdt het geen steek.
vlotte bereikbaarheid van het station voor
restf(r)actie van reizigers die sowieso steeds met
wagen komt, zou volgens het MER een belangrijk aantrekkingspunt zijn voor investeerders. Indien men
parkeerbehoefte zou voorzien op
site Flanders Expo, dan houdt dit volgens het MER een behoorlijk langer, en dus minder aantrekkelijk, reistraject in.
site Flanders Expo is nochtans zeer vlot te bereiken gezien zij onmiddellijk aansluiting heeft met
R4 en
E40. Er is een rechtstreekse en zeer vlotte verbinding (traject van maximum 10 min) tussen Flanders Expo en het station.
tram stopt aan
ingang van het station. Men kan dus bij dit alternatief bezwaarlijk spreken van een veel langere reisweg hetgeen investeerders zou afschrikken, laat staan dat dit een afdoende argument kan vormen om een parking van ca 3.000 plaatsen te bouwen aan het station zelf en een verbindingsweg aan te leggen in natuurgebied. (iii) Een park and ride parking ter hoogte van Flanders Expo is geen alternatief
stelling dat
ze P+R geen valabel alternatief is wordt niet hard gemaakt.
stad Gent promoot
ze P+R zelf voor
verplaatsingen van reizigers naar het stadscentrum. Zij kunnen hun wagen daar parkeren en met
tram naar het winkelcentrum rijden. Diezelfde tram heeft als een van
eerste haltes het Sint-Pietersstation. Waarom kan
ze reeds bestaande P+R dan niet worden gebruikt voor
pendelaars? In het MER staat dat er om
7 minuten een tram is van Flanders Expo naar het station en dat
gemiddelde overstaptijd ca 10 minuten bedraagt (3 minuten voor het parkeren, 3,5 minuten wachttijd op bus of tram en 4 minuten overstaptijd in het station zelf). Bovendien zou
reiziger dit psychologisch ervaren als een tijdverbruik van 20 minuten. Het alternatief van
P+R dient te worden vergeleken met het alternatief van
pendelparking. Volgende aspecten zijn daarbij van belang: (i) tijdens het spitsuur komt ook om
5 minuten een tram aan Flanders Expo en (ii) in het scenario met
stationsparking verliest
reiziger tevens enkele minuten tijd met het parkeren van zijn wagen in
ondergrondse parking en met het zich begeven naar het perron. Het MER toont aldus absoluut niet aan dat
P+R zeer sterk in het nadeel zou zijn ten opzichte van
ondergrondse parking.
voordelen van het alternatief van
P+R aan Flanders Expo worden niet onderzocht. In het MER worden een aantal subjectieve ongemakken opgesomd die
reizigers zouden ondervinden X-13.209-13.210-36/62 wanneer zij met
tram van Flanders Expo naar het station moeten gaan.
ze verbleken evenwel bij
milieu- en gezondheidseffecten die het alternatief van het aanleggen van een megaparking en een tweevaksverbindingweg met zich meebrengen (onder meer aantasting natuurgebied Overmeersen; problematiek fijn stof). (iv) Een verder uitgebouwd voorstadstreinnet is vooralsnog evenmin een alternatief
NMBS weigert om te investeren in
uitbouw van een voorstadstreinnet. Dit kan moeilijk worden beschouwd als een sterk onderbouwd milieuargument. (v) Geen verbindingsweg legt hoge verkeersdruk op omliggende wegen Met het alternatief van
P+R aan Flanders Expo en
uitbouw van een voorstadstreinnet zou het probleem van verkeersoverlast in
stationsomgeving zich niet stellen.
aanleg van
verbindingsweg met
R4 aan het station is dus niet
enige mogelijkheid. In het MER wordt geen afweging gemaakt met andere milieuvriendelijkere alternatieven. (vi) Geen verbindingsweg leidt niet tot verschuiving verkeer van R40 (kleine ring) naar R4 (grote ring) Dit argument toont aan dat
R4-verbindingsweg wordt aanzien als een extra ontsluitingsweg voor het centrum die veel verkeer aantrekt en waarvan
link met
R40 niet gemakkelijk is te maken. Het behoud van
bestaande noord- zuid verkeersassen (inclusief verbetering afrit Snepkaai) komt evengoed tegemoet aan
ze doelstelling met minder milieuschade. (vii) Geen verbindingsweg betekent geen suboptimale ontsluiting van
campus BME/CTL Dit argument kan geenszins van doorslaggevende waarde zijn om
verbindingsweg aan te leggen, zeker niet gelet op
ernstige milieueffecten die
aanleg van
ze weg zal meebrengen (aantasting natuurgebied Overmeersen; problematiek fijn stof - zie verder meer). Zoals het MER zelf stelt zou
verbindingsweg er voor zorgen dat er een suboptimale ontsluiting komt voor
schoolcampus. Er bestaat echter reeds een optimale rechtstreekse ontsluiting. (viii) Geen verbindingsweg leidt tot langdurige belasting Sint-
nijslaan door werfverkeer
ze overbelasting tot 2015 weegt niet op tegen
overbelasting die
verbindingsweg zelf zal meebrengen en dit niet tijdelijk, maar permanent (onder meer voor het natuurgebied Overmeersen en
gezondheidseffecten bij overschrijding van
fijn stofnormen). Daarenboven zonder
aanleg van
verbindingsweg en
aanleg van
ondergrondse megaparking zou er al veel minder werfverkeer zijn. (ix) Geen verbindingsweg betekent geen fietsverbinding naar Flanders Expo X-13.209-13.210-37/62
realisatie van een fietsverbinding is niet gekoppeld aan het aanleggen van
verbindingsweg. Het leggen van een fietsbrug over
ringvaart en een fietsverbinding langs
rand van
Overmeersen of via
Scholencampus zijn alternatieven die losstaan van
aanleg van
weg. 51. Niet alleen dient vastgesteld te worden dat
nadelen die in het MER aan
alternatieven werden gekoppeld niet correct zijn, daarenboven werden
verschillende milieuvoordelen van bepaalde aspecten van
alternatieven niet of slechts minimaal onderzocht en dus ook niet vergeleken met
effecten van die aspecten van het voorgenomen plan. Zo werden
voordelen van
alternatieven als daar zijn
vrijwaring van het gebied Overmeersen, vermijden van geluidsoverlast in grote
len van het plangebied (Sint-
nijslaan, Roosakker...), sterke vermindering van
fijnstofrisico’s...niet of slechts minimaal onderzocht. Minstens werden ze niet geplaatst met het oog op een vergelijking tegenover
grote nadelen die het voorgenomen plan heeft op
ze aspecten. Verder werd in het MER enkel een scenario onderzocht zonder parking en weg, maar ook zonder voorstedelijk openbaar vervoer als alternatieve verkeersontsluiting. Door het ontbreken van een wetenschappelijke inschatting van
mogelijke verkeerscapaciteit van een voorstedelijk openbaar vervoersnetwerk of van een park and ride vanaf Flanders Expo - met behulp van een mobiliteitsmodel, zoals bij het basisscenario - kan het alternatief niet volwaardig vergeleken worden met het basisscenario. 52. Tot slot en ter versterking van hetgeen hierboven gesteld kan verwezen worden naar het advies van GECORO dat stelt dat het voorzien van
verbindingsweg met
R4 en een ondergrondse stationsparking als negatief moet worden beoordeeld gezien
impact op het milieu,
mobiliteit en
leefbaarheid van
stationsomgeving (...): ‘
GECORO meent dat een nieuwe toegangsweg naar het Sint-Pietersstation niet strookt met het principe van
A-locatie die maximaal gericht moet zijn op
bereikbaarheid via het openbaar vervoer. Het in het RSG aan te geven aantal te voorziene parkeerplaatsen moet dan ook
kantoor- en woonfunctie bedienen en niet gebruikt worden als pendelparking. Een nieuwe toegangsweg in functie van een pendelparking impliceert een aanzuigend effect voor het verkeer en een algemene verhoging van het verkeer naar
stad. Bovendien laten
gevoeligheid van
plek en
ecologische waarden (Schoonmeersen- Sint-Pieters-Aaigem) niet toe om een nieuw wegtracé te voorzien. Het moet duidelijk zijn dat
aanpassing van het RSG rekening moet houden met
timing van het op te maken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Om te vermijden dat het RSG voor voldongen feiten zou staan, moet nu reeds het standpunt over
ze toegangsweg meegedeeld worden aan
hogere overheid. (...) Gezien
keuze van
GECORO om
verbindingsweg niet te realiseren en
suggestie om
parking op Flanders Expo als P&R-parking te laten fungeren, zal het autoverkeer niet door het hart X-13.209-13.210-38/62 van
wijk worden gehaald. Integendeel, door
aanleg van het nieuwe openbaar vervoersknoopp(u)nt aan Flanders Expo, met een vlotte tramverbinding naar het Sint-Pietersstation, wordt verkeer weggehaald uit andere (woon)straten. Ook
Voskenslaan kan dan gaan fungeren als een langzaamaan verkeersas’. D.2.1.4. Besluit 53.
bestreden beslissing schendt
wettelijke bepalingen omdat het: ● mede steunt op een MER waarin geen volwaardig onderzoek van het nulalternatief heeft plaatsgevonden (Schending van artikel 4.2.7, §l, l, f DABM); ● mede steunt op een MER waarin
tijdens
scopingsfase voorgestelde alternatieven weliswaar werden onderzocht en voor
buurt als meest milieuvriendelijk werden beoordeeld, doch werden verworpen op gronden die bezwaarlijk als wetenschappelijk verantwoord kunnen worden gekwalificeerd en die ervan getuigen dat aan het milieubelang geen evenwaardige plaats is toegekend (Schending van artikel 4.1.4 DABM, artikel 4.2.7, §l, l, c) en d) DABM en artikel 4.2.7, §l, 2, b) en e) DABM);
verwerende partij kon dan ook, op basis van het wettelijk ontoereikend MER, niet tot
finitieve vaststelling van het GRUP Gent Sint-Pieters overgaan. Aangezien tegen
goedkeuring van het MER geen afzonderlijk rechtsmiddel openstaat, kan
rechtsgeldigheid van het MER door
administratieve rechter slechts getoetst worden tezamen met het plan ten behoeve waarvan het is opgesteld”. Beoordeling 5.18. In een tweede middel voert
verzoekende partij aan dat het bestreden besluit is vastgesteld op basis van een wettelijk ontoereikend MER, doordat enerzijds het MER geen volwaardig onderzoek van het nulalternatief omvat voor
elprojecten 1 “Omvorming station Gent Sint-Pieters” en 2 “Verbetering multimodaal knooppunt voor openbaar vervoer” en voor onderdelen van
elproject 3 die een projectontwikkeling beogen, en anderzijds
tijdens
“scoping” voorgestelde en voor
buurt als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven zonder onderbouwde verantwoording worden verworpen. 5.19. Artikel 4.1.4, § 1 DABM bepaalt: X-13.209-13.210-39/62 “
milieueffect- en veiligheidsrapportage beoogt, in
besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken en/of die een zwaar ongeval teweeg kunnen brengen, aan het milieubelang en
veiligheid en
gezondheid van
mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan
sociale, economische en andere maatschappelijke belangen”. Het toentertijd geldende artikel 4.2.7, § 1, 1, c),
beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, bestaat het plan-MER ten minste uit
volgende onderdelen : 1 een algemeen
el dat
volgende informatie bevat : (...) c) een schets van
beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake
bescherming van het milieu; d) een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en
beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede
motivatie voor
selectie van
te onderzoeken alternatieven; (...) f) een beschrijving van
bestaande toestand van het milieu (met inbegrip van
milieukenmerken van gebieden waarvoor
gevolgen aanzienlijk kunnen zijn en van alle bestaande milieuproblemen), voorzover
tenuitvoerlegging van het voorgenomen plan of programma of van één van
onderzochte alternatieven daarvoor gevolgen kan hebben, en een beschrijving van
te verwachten ontwikkeling van dat milieu indien noch het voorgenomen plan of programma, noch één van
alternatieven wordt uitgevoerd; 2 een
el betreffende
milieueffecten dat
volgende informatie bevat: (...) b) een beschrijving en onderbouwde beoordeling van
mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen plan of programma en van
onderzochte alternatieven op of inzake, in voorkomend geval,
gezondheid en veiligheid van
mens,
ruimtelijke ontwikkeling,
biodiversiteit,
fauna en flora,
energie- en grondstoffenvoorraden,
bodem, het water,
atmosfeer,
klimatologische factoren, het geluid, het licht,
stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap,
mobiliteit, en
samenhang tussen
genoemde factoren;
ze beschrijving van
milieueffecten omvat
directe, en in voorkomend geval
indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en X-13.209-13.210-40/62 negatief, op korte, middellange en lange termijn van het voorgenomen plan of programma;
beoordeling van
aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van
overeenkomstig Hoofdstuk II van Titel II van dit
creet vastgestelde milieukwaliteitsnormen; (...) e) een globale evaluatie van het voorgenomen plan en programma en
onderzochte alternatieven; (...) § 2. Het plan-MER moet
in § 1 genoemde informatie slechts bevatten : 1 voorzover ze relevant is voor het stadium van het planningsproces waarin
milieueffectrapportage wordt uitgevoerd en voorzover ze relevant is in het licht van
inhoud en het
tailleringsniveau van het voorgenomen plan of programma; 2 voorzover
bestaande kennis en
bestaande effectanalyse- en beoordelingsmethodes redelijkerwijze toelaten om
ze informatie te verzamelen en te verwerken; 3 voorzover
uitvoerigheid van het voorgenomen plan of programma dit redelijkerwijze toelaat”. 5.20. Het toentertijd geldende artikel 4.2.5, §1 DABM bepaalt: “
administratie neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen na
volledigverklaring van
kennisgeving een beslissing over : 1°
inhoud van het plan-MER en
inhoudelijke aanpak van
rapportage, met inbegrip van
methodologie; 2°
bijzondere richtlijnen voor het opstellen van het plan-MER; 3°
aanstelling van
opstellers van het plan-MER, bedoeld in artikel 4.2.6. In voorkomend geval geeft
ze beslissing invulling aan artikel 4.2.7, § 2. Ze kan tevens bepalingen bevatten inzake het beknopt of niet behandelen van
minder of niet relevante milieueffecten, bedoeld in artikel 4.2.7, § 1, 2°.
administratie houdt bij haar beslissing rekening met
opmerkingen en commentaren inzake
inhoudsafbakening van het voorgenomen plan- MER van
instanties en in voorkomend geval het publiek, bedoeld in artikel 4.2.4, §§ 4 en 5, en in het bijzonder met die opmerkingen en commentaren die handelen over te onderzoeken effecten, alternatieven of maatregelen”. Wat het opstellen van het plan-MER betreft, bepaalt het toentertijd geldende artikel 4.2.6 DABM wat volgt: “§ 1. Het plan-MER wordt opgesteld onder
verantwoordelijkheid en op kosten van
initiatiefnemer. X-13.209-13.210-41/62
initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende MER-coördinator. Hij stelt aan
MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat
MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. § 2.
erkende MER-coördinator mag geen belang hebben bij het voorgenomen plan of programma of
alternatieven, noch betrokken worden bij
latere uitvoering van het plan of programma. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit en geeft in voorkomend geval leiding aan een team van medewerkers dat geheel of gedeeltelijk door
initiatiefnemer ter beschikking wordt gesteld.
erkende MER-coördinator waakt erover dat
samenstelling van het team van medewerkers het mogelijk maakt om het plan-MER op te stellen in overeenstemming met het m.e.r.-richtlijnenboek en met
in artikel 4.2.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen. § 3. Tijdens het opstellen van het plan-MER is
erkende MER-coördinator gehouden tot overleg met
administratie.
MER-coördinator moet in voorkomend geval
aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van
administratie, als aanvulling op
afgebakende inhoud en
bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, in acht nemen”. Het toentertijd geldende artikel 4.2.8, §§ 1 en 2 DABM, bepaalt wat betreft het onderzoek en het gebruik van het plan-MER, wat volgt: “§ 1.
initiatiefnemer bezorgt het voltooide plan-MER door betekening of tegen ontvangstbewijs aan
administratie. § 2.
administratie toetst het plan-MER inhoudelijk aan : 1
beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1; 2 in voorkomend geval,
overeenkomstig artikel 4.2.6, § 3, door haar verstrekte aanvullende bijzondere richtlijnen; 3
overeenkomstig artikel 4.2.7 vereiste gegevens. Het resultaat van
toetsing wordt opgenomen in het plan-MER-verslag en leidt tot
goed- of afkeuring van het plan-MER. Als
administratie het plan-MER afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het plan-MER tekortschiet.
administratie keurt het plan-MER onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst ervan, goed of af”. 5.21. Uit het dossier blijkt dat, na aanpassing van een eerste ontwerp, het plan-MER door
cel MER is goedgekeurd bij beslissing van 27 oktober 2005: “Aan
hand van
criteria die vooropgesteld werden in
betekende richtlijnen van 22 juni 2004 werd dit goedkeuringsverslag opgesteld. Het milieueffectrapport heeft
nodige invulling gegeven aan
richtlijnen die overeenkomstig artikel 4.3.5 § 1 van het
creet betreffende
X-13.209-13.210-42/62 milieueffect- en veiligheidsrapportage van 18
cember 2002 (...) werden vastgesteld. Het MER bevat voldoende informatie om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij
vaststelling van het uitvoeringsplan en
verdere besluitvorming”. 5.22. In het middel betwist
verzoekende partij
intrinsieke
gelijkheid van het MER zoals dit door
cel Mer is goedgekeurd.
Raad van State, bevoegd voor
toetsing van
wettigheid van een ruimtelijk uitvoeringsplan, is niet bevoegd, wat
intrinsieke
gelijkheid van een MER betreft, zijn beoordeling in
plaats te stellen van die van
cel Mer. In
uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd na te gaan of
cel Mer op grond van juiste feitelijke gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen, te
zen dat “(h)et MER voldoende (…) informatie (bevat) om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij
vaststelling van het uitvoeringsplan en
verdere besluitvorming”. Eerste onderdeel van het middel 5.23. In een eerste onderdeel van het middel voert
verzoekende partij aan dat het MER geen volwaardig onderzoek van het “nulalternatief” omvat voor
elprojecten 1 “Omvorming station Gent Sint-Pieters”, 2 “Verbetering multimodaal knooppunt voor openbaar vervoer” en onderdelen van
elproject 3 die een projectontwikkeling beogen. 5.24. In
richtlijnen van
cel Mer van 22 juni 2004, vastgesteld in uitvoering van het voormelde artikel 4.2.5, § 1 DABM, wordt uitdrukkelijk gesteld: “(…) Zoals dat binnen
milieueffectrapportage gebruikelijk is, wordt zo wie zo steeds het nulalternatief in
afweging meegenomen. Dit geldt in principe zowel voor het totaal als voor
verscheidene projectonderdelen. Wat
invulling van het openbaar vervoersknooppunt betreft en
stedelijke ontwikkelingspool met wonen en kantoren gaat dit nulalternatief in tegen
beleidsvisie en beantwoordt dus niet aan
beleidsdoelstellingen. X-13.209-13.210-43/62 In
ze staat tegenover dit nulalternatief wel
vraag naar
verantwoording van het volume,
grootte in volume en oppervlakte,
hoogte,
inpassing in het bestaande stedelijk weefsel, e.d. zoals uit
inspraakreacties is gebleken. Die duiding naar hiërarchie van kantoorinvulling in Gent, van fasering in
tijd (haalbaarheid, realisatiegraad, ...)
relatie met andere kantoorprojecten cfr. het ontwikkelingsscenario zoals geformuleerd in
kennisgeving en verder moet verfijnd worden o.a. op basis van
inspraakreacties,
opties uit het RSV-Gent en uit het Masterplan Flanders Expo, vraagt wel om een alternatievenafweging. (...)
stedenbouwkundige invulling is in
loop van
projectuitbouw qua volume, inpassing, vloeroppervlakte t.o.v. publieke ruimte e.d. aan wijzigingen onderhevig geweest.
ze alternatievenafweging mede met aanpassing onder invloed van het HoogbouwEffectenRapport dient duidelijk aan bod te komen Met betrekking tot
geplande ondergrondse parking dient ook het nulalternatief onderzocht te worden. Dit alternatief zou erin bestaan helemaal geen parkeerruimte te voorzien voor
gebruikers van het station, noch voor
werknemers van
in
Koningin Fabiolalaan geplande kantoorgebouwen. (...) Bij
bespreking van het
elproject 4 dient tevens het nulalternatief onderzocht te worden. Er dient m.a.w. nagegaan te worden wat
effecten zijn indien
geplande verbinding tussen
R4 en
stationsomgeving niet aangelegd wordt. (...)
alternatievenafweging dient dus ook mee uit te gaan van
relevante suggesties uit
inspraakreacties”. In het MER wordt onder “
el V. Alternatieven”, “2. Beschrijving alternatieven”, gesteld wat volgt: “(...) Een bijzonder alternatief dat in principe steeds wordt meegenomen in
effectenafweging is het zogenaamde nulalternatief. Dit geldt in principe zowel voor het totaal als voor
verschillende
elprojecten. Wat
invulling van het openbaar vervoersknooppunt betreft en
stedelijke ontwikkelingspool met woon- en kantoorfuncties gaat dit nulalternatief echter in tegen
beleidsvisie en beantwoordt dus niet aan
beleidsdoelstellingen. Hierbij moet worden opgemerkt dat
beleidsvisie en
beleidsdoelstellingen in zeer belangrijke mate gebaseerd zijn op milieu-overwegingen, met name het verhogen van
modal shift van het woon-werkverkeer van wegverkeer naar openbaar vervoer en het maximaal voorkomen van nieuw aan te snijden open ruimte. Voor
elprojecten 1 ‘Omvorming station Gent Sint-Pieters’, 2 ‘Verbetering multimodaal knooppunt voor openbaar vervoer’ en
onderdelen van
elproject 3 die een projectontwikkeling beogen wordt het nul-alternatief dus niet onderzocht. Wel zal voor
projectontwikkeling van
elproject 3 worden nagegaan of ze niet in een andere vorm kan worden gerealiseerd, bijvoorbeeld een andere lay-out, andere dimensies (...). X-13.209-13.210-44/62 Het nulalternatief wordt wel op een volwaardige wijze onderzocht voor het onderdeel ‘ondergrondse parking’ in
projectontwikkeling Fabiolalaan (
elproject 3A) en eveneens wat betreft
elproject 4 ‘Verbindingsweg R4’. Met andere woorden, in het MER worden
effecten onderzocht van het niet realiseren en het niet aanwezig zijn van zowel
ondergrondse parking als
verbindingsweg met
R4. (...)”. In het “MER-Verslag - Goedkeuring milieueffectrapport” van
cel Mer van 27 oktober 2005 wordt onder punt “1 Inleiding” vastgesteld: “(…) Aan
hand van
criteria die vooropgesteld werden in
betekende richtlijnen van 22 juni 2004 werd dit goedkeuringsverslag opgesteld. Het milieueffectrapport heeft
nodige invulling gegeven aan
richtlijnen die overeenkomstig artikel 4.3.5 § 1 van het
creet betreffende
milieueffect- en veiligheidsrapportage van 18
cember 2002 (...) werden vastgesteld. Het MER bevat voldoende informatie om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij
vaststelling van het uitvoeringsplan en
verdere besluitvorming”, en verder onder punt “4. Voorgenomen project en alternatieven”: “(…)
el V behandelt
alternatievenafweging. Het nulalternatief is geen valabel alternatief voor een aantal onderdelen van het project. Immers
inpassing en uitvoering van die onderdelen nl.
uitbouw van het multimodaal openbaar vervoersknooppunt,
verbouwing van het station en
perrons en
projectonwikkeling in
nabije omgeving van het station passen binnen een duurzaam mobiliteits-, ruimtelijk en milieubeleid. Welk volume van projectontwikkeling past bij of in
stations-omgevings-ontwikkeling cf. het RSV dat is voor interpretatie en discussie vatbaar. Dit komt dan ook verder aan bod in het HER en in
evaluatie ervan in een aantal disciplines.
afweging van het al dan niet weerhouden van alternatieven om verder aan
milieueffectbeoordeling te onderwerpen is op volwaardige wijze onderzocht voor het onderdeel ondergrondse parking en verbindingsweg er naar toe, met daarbij
variante met parking maar zonder verbindingsweg. (...)”. In
“Bijlage III Toelichtingsnota” bij het GRUP wordt onder punt “5.2. mer (milieu-effect-rapportage)” onder meer het volgende gesteld: “In
MER wordt aangegeven, zoals ook hierboven beschreven, dat het onderzochte project een concrete invulling betreft van
ruimtelijke opties zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Oost-Vlaanderen, het gemeentelijk X-13.209-13.210-45/62 Ruimtelijk Structuurplan Gent en het Mobiliteitsplan Gent.
ze beleidsplannen schetsen een expliciet kader voor
beoogde ontwikkeling van
omgeving van het Gentse Sint-Pietersstation, met inbegrip van
verbindingsweg naar
R4.
beleidskeuzes zoals geformuleerd in
ze beleidsplannen zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op milieu- overwegingen.
uitbouw van Gent Sint-Pieters als openbaar vervoersknooppunt ondersteunt
ontwikkeling van een duurzame mobiliteit en heeft een betekenis voor zowel verplaatsingen naar Gent als vanuit of via Gent. Daarnaast worden in
aangehaalde beleidsplannen
potenties van
stationsomgeving, als
uitgelezen locatie voor verdichting, onderkend: op geen enkele andere locatie zijn
mogelijkheden ter vermindering van het wegverkeer zo groot als op locaties gesitueerd aan multimodaal bereikbare knooppunten. alternatieven In
MER worden alternatieven voor het voorgenomen plan of onderdelen ervan onderzocht en ten opzichte van elkaar afgewogen. Een bijzonder alternatief is het nulalternatief. Wat
invulling van het openbaar vervoersknooppunt betreft en
stedelijk(e) ontwikkelingspool met woon- en kantoorfuncties beantwoordt dit nulalternatief echter niet aan
hierboven opgesomde beleidsplannen, op hun beurt gebaseerd op milieu- overwegingen. Bijgevolg wordt dit nulalternatief niet onderzocht. Wel is in
MER nagegaan of
voorziene projectontwikkeling niet in een andere vorm kan worden gerealiseerd, b.v. andere dimensies. Ook is het nulalternatief op een volwaardige wijze onderzocht voor het onderdeel ‘ondergrondse parking’ en ‘verbindingsweg R4’. Met andere woorden, in
MER worden
effecten onderzocht van het niet realiseren en het niet aanwezig zijn van zowel
ondergrondse parking als
verbindingsweg met
R4. Als variante is ook
situatie waarbij wel een ondergrondse parking wordt gerealiseerd, maar geen verbindingsweg, beschouwd. Naast het vermelde nulalternatief en
variante worden in
MER een aantal inrichtings- en locatiealternatieven besproken, ondermeer: -
aantakking van
verbindingsweg op het aansluitingscomplex R4/B402: met een twee-strooksrotonde of een lichtengeregeld kruispunt; -
inrichting en het tracé van
verbindingsweg: een tracé dichterbij of verder weg van
scholencampus, een fietstracé doorheen
scholencampus,
verbindingsweg in sleuf of
els ondergronds of bovengronds, met een minimaal wegprofiel, het fietspad aan oostelijke of westelijke zijde, met of zonder geluidsafscherming; - het aantal bouwlagen in
projectontwikkeling aan het Sint-
nijsplein”. Uit het voorgaande blijkt dat
niet-beschrijving op zijn milieueffecten “(w)at
invulling van het openbaar vervoersknooppunt betreft en
stedelijke ontwikkelingspool met wonen en kantoren” in overeenstemming is met “
beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1”, met name
richtlijnen van
cel Mer van 22 juni 2004, die kunnen afwijken van
onderdelen waaruit het plan-MER krachtens artikel 4.2.7, § 1 DABM moet bestaan. X-13.209-13.210-46/62 Voorts dient het plan-MER krachtens artikel 4.2.7, § 2, 1
in § 1 genoemde informatie slechts te bevatten “voorzover ze relevant is voor het stadium van het planningsproces waarin
milieueffectrapportage wordt uitgevoerd en voorzover ze relevant is in het licht van
inhoud en het
tailleringsniveau van het voorgenomen plan of programma”.
verzoekende partij stelt niet dat
ze begrenzing van
in § 1 vervatte informatieplicht buiten beschouwing moet worden gelaten. In het MER (
EL I: ALGEMENE INLICHTINGEN) wordt het project waarvoor het wordt opgemaakt, omschreven als volgt: “1. Beknopte omschrijving project Het project is gebaseerd op
ruimtelijke opties vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het Ruimtelijke Structuurplan Oost- Vlaanderen, het Ruimtelijk Structuurplan Gent en op
krachtlijnen van het Mobiliteitsplan Gent, alle goedgekeurde beleidsdocumenten. Het project omvat
herinrichting van het station en
stationsomgeving van Gent - Sint-Pieters vanuit twee basisprincipes, namelijk Gent - Sint-Pieters als knooppunt van openbaar vervoer en Gent - Sint-Pieters als stedelijk concentratiepunt. Dit project kadert in een verbeterde afwikkeling van
voorspelde groei van
mobiliteit op het niveau van
stad,
regio, het land en Europa. Concreet bestaat het project uit vier
elprojecten (zie
el III voor een uitgebreide projectbeschrijving geïllustreerd met figuren): (…)”. Er dient dan ook te worden vastgesteld dat, door
bestaande toestand niet op zijn milieueffecten te beschrijven en als referentietoestand enkel te weerhouden het project zonder het onderdeel ondergrondse parking en
verbindingsweg, in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat
door
verzoekende partij aangehaalde bepalingen DABM worden geschonden. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. Tweede onderdeel van het middel 5.25. In een tweede onderdeel betwist
verzoekende partij in wezen
beoordeling van het MER dat het project met parking en verbindingsweg
meeste milieuvoordelen biedt. Daartoe geeft zij een opsomming van
volgens het MER aan het nulalternatief -dit is het project zonder parking en verbindingsweg- verbonden milieuvoordelen en betwist zij
feitelijke en X-13.209-13.210-47/62 juridische onderbouwing van
motieven ten voordele van het weerhouden project. 5.26. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat, zoals blijkt uit het dossier,
overheid terecht, gelet op het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV), waarin verdichting van stationsomgevingen een uitdrukkelijke optie is en waarbij het station Gent Sint-Pieters uitdrukkelijk wordt vermeld als een hoofdstation waarvan
vooropgestelde perimeter van ca. 1.000 m van het gebied waar een hogere dichtheid en
lokalisatie van personenvervoergerichte activiteiten wordt nagestreefd, kan worden uitgebreid (RSV,
el 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, III.
omgeving van het Sint-Pietersstation mede op schaalniveau Vlaanderen heeft geëvalueerd. Onder punt “8. Afweging alternatieven” van
“Niet-technische samenvatting” van het MER worden
milieueffecten van het nulalternatief “geen verbindingsweg met
R4 en geen ondergrondse parking” toegelicht en een afweging gemaakt met het voorgestelde concept: “8.1 Milieueffecten nul-alternatief: ‘geen verbindingsweg, geen ondergrondse parking’ 8.1.1. Voordelen nul-alternatief Het nul-alternatief biedt volgende voordelen ten opzichte van het voorliggende projectvoorstel: . voornamelijk doordat
ondergrondse parking niet wordt gerealiseerd ontstaan beduidend minder grondoverschotten, en daardoor ook beduidend minder werfverkeer; .
impact van bemaling is aanzienlijk minder (invloedszone beperkter) maar toch blijven belangrijke effecten op het grondwaterpeil bestaan (bemaling ten behoeve van andere
elingrepen); .
bewoners ter hoogte van Roosakker en
zuidelijke zijstraten van
Sint-
nijslaan die uitlopen tot in het gebied Overmeers worden niet blootgesteld aan hogere geluidsniveau’s; .
huidige ecologische waarde van het natuurgebied Overmeers wordt niet aangetast door het project (geen inname ecotopen, geen toename van
verstoring, geen verdere versnippering); .
landschappelijke en belevingswaarde van het gebied Overmeers blijft behouden. 8.1.1.1. Minder grondoverschotten X-13.209-13.210-48/62 Bij
graafwerken ten behoeve van
aanleg van
grote ondergrondse pendelparking in
Fabiolalaan komt ongeveer 400.000 m3 grond vrij. Daarmee genereren
ze werken
grootste bijdrage aan
totale hoeveelheid grondoverschotten.
ze grondoverschotten kunnen niet ter plaatse worden aangewend en moeten bijgevolg worden afgevoerd. Afvoer per trein is volgens
NMBS niet haalbaar. Alles moet bijgevolg per vrachtwagen worden afgevoerd. Dit werfverkeer veroorzaakt vooral in
Koningin Fabiolalaan een belangrijke toename van het verkeer hoewel
leefbaarheid er niet significant wordt beïnvloed.
ze impact is er niet in geval van dit nul-alternatief. 8.1.1.2. Minder impact van bemaling Voor
realisatie van
grote ondergrondse pendelparking dient er gedurende bijna 2 jaar een grootschalige bemaling te worden uitgevoerd waarbij dagelijks tot ruim 3.000 m3 grondwater zal worden opgepompt.
zone waar een verlaging van het grondwaterpeil wordt verwacht strekt zich uit tot aan het Citadelpark. Maatregelen zullen moeten worden getroffen om droogteschade aan
beschermde platanen op het Maria Hendrikaplein, oude bomen in talrijke privé-tuinen en in het Citadelpark te voorkomen.
impact op
grondwaterafhankelijke vegetatie in het ecologisch waardevolle Overmeers-natuurgebied zou verwaarloosbaar zijn maar monitoring van
waterpeilen is strikt noodzakelijk.
ze impact is er niet in geval van dit nul-alternatief. 8.1.1.3. Minder impact op geluidsniveau’s Roosakker en omgeving Door het niet realiseren van
verbindingsweg tussen
Sint-
nijslaan en
R4 zal het omgevingsgeluid ter hoogte van Roosakker en andere woonzones grenzend aan Overmeers niet toenemen. Indien
weg er wel komt mag ter hoogte van Roosakker, en rekening houdende met
plaatsing van een geluidsscherm van 4m, een toename van het omgevingsgeluid met 5 à 6 dB(A) worden verwacht, wat als een matig tot zeer negatief effect kan worden geëvalueerd. 8.1.1.4. Ecologische waarde Overmeers blijft behouden Door het niet realiseren van
verbindingsweg treedt geen verdere
gradatie op van
natuurwaarde van Overmeers. Het geluidsklimaat wijzigt immers niet, er worden geen ecologisch waardevolle ecotopen ingenomen en het gebied ondergaat geen verdere versnippering. Hoewel
vooropgestelde compenserende maatregelen erop gericht zijn in het resterende gebied van Overmeers een verhoging van
ecologische kwaliteit te bewerkstelligen waardoor
totale ‘natuurkwaliteit’ niet zou achteruitgaan zou men in principe ook zonder verbindingsweg kunnen streven naar een verhoging van
ecologische waarde van het gebied. 8.1.1.5. Landschappelijke en belevingswaarde Overmeers blijft behouden
realisatie van
verbindingsweg leidt tevens tot een verdere afname van
landschappelijke en belevingswaarde van Overmeers. Niet-realisatie heeft tot gevolg dat
huidige waarde behouden blijft. Hoewel
vooropgestelde compenserende maatregelen er tevens op gericht zijn in het resterende gebied van Overmeers een verhoging van
landschappelijke en belevingskwaliteit te bewerkstelligen, namelijk door
inrichting van het gebied als een toegankelijk natuurpark, zou men dit streefdoel in principe ook zonder verbindingsweg kunnen nastreven. X-13.209-13.210-49/62 8.1.2. Nadelen nul-alternatief Het nul-alternatief biedt volgende nadelen ten opzichte van het voorliggende projectvoorstel: . Keuzereizigers worden niet aangetrokken . Geen parking ondermijnt aantrekkingskracht projectontwikkeling voor investeerders . Een P + R parking ter hoogte van Flanders Expo is geen alternatief . Een verder uitgebouwd voorstadstreinnet is vooralsnog evenmin een alternatief . Geen verbindingsweg legt hoge verkeersdruk op omliggende wegen . Geen verbindingsweg leidt niet tot verschuiving verkeer van R40 naar R4 . Geen verbindingsweg betekent geen oplossing voor
suboptimale ontsluiting van
campus BME/CTL . Geen verbindingsweg leidt tot langdurige belasting Sint-
nijslaan door werfverkeer . Geen verbindingsweg betekent geen directe fietsverbinding naar Flanders Expo 8.1.2.1. Keuzereizigers worden niet aangetrokken Er wordt geen aanbod gecreëerd voor een belangrijke groep keuzereizigers.
pendelparking wordt gebruikt door reizigers waarvoor geen volwaardig openbaar vervoersalternatief bestaat als
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.