← België

Arrest 209878 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.878 Rolnummer: A. 193479/XIV-31291 Zaak: Arrest 209878 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-06 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 05:34 Fiche Arrest nr 209.878 van 21 december 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 209.878 van 21 december 2010 in de zaak A. 193.479/XIV-31.291 In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59 B tegen : XXX, die woont te 9990 MALDEGEM, Mevrouw Courtmanslaan 92 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, op 23 juli 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 28.898 van 19 juni 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4832 van 13 augustus 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV- 31.291-1/7 Gelet op de beschikking van 8 juli 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2010; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. JOPPEN, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat A. MOSKOFIDIS, die loco advocaat S. BUYSSE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de huidige verwerende partij op 2 januari 2009 een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 12 januari 2009 die aanvraag niet-ontvankelijk verklaart; Overwegende dat de huidige verwerende partij op 29 januari 2009 tegen de voornoemde weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 19 juni 2009 gegrond verklaart en de hoger genoemde beslissing van 12 januari 2009 vernietigt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 9ter en 39/65 van de Vreemdelingenwet en van “het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht” opwerpt; dat de verzoekende partij de motivering van het bestreden arrest citeert en in een eerste onderdeel aanvoert dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had gewezen op de noodzaak om de actuele nationaliteit te kennen teneinde in de gegrondheidsfase de medische behandeling in het land van herkomst XIV- 31.291-2/7 te kunnen beoordelen, dat de aanvankelijk bestreden beslissing was genomen op grond van het motief “dat het bewijs van de actuele nationaliteit van essentieel belang is bij de behandeling van de aanvraag aangezien ook een onderzoek dient te worden ingesteld naar de medische behandelingsmethoden in het land waarvan verzoeker de nationaliteit bezit”, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daar niet op is ingegaan doch enkel heeft vermeld dat de aanvraag ontvankelijk is wanneer een identiteitsdocument (en een medisch getuigschrift) wordt voorgelegd en dat het onderzoek betreffende de mogelijkheid van een medische behandeling in het land van herkomst in de gegrondheidsfase dient te gebeuren, dat dit juist is, dat zich echter de vraag stelt hoe de ambtenaar-geneesheer een onderzoek naar “de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst” kan doen wanneer niet blijkt welk dit land van herkomst is, dat de actuele nationaliteit daartoe essentieel is, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volledig voorbijgaat aan de vraag welk het land van herkomst is, dat de ambtenaar-geneesheer voor een onmogelijke opdracht wordt gesteld wanneer een aanvraag ontvankelijk wordt verklaard zonder dat blijkt welk het land van herkomst is, dat de wetgever voor ogen had dat de ambtenaar-geneesheer voor zijn onderzoek moet weten welk het land van herkomst is, dat het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dus kennelijk in strijd met artikel 9ter van de Vreemdelingenwet is en dat de huidige verzoekende partij geen voorwaarde aan die bepaling heeft toegevoegd; 2.
  3. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord een overzicht van de behandeling van asielaanvragen geeft en stelt dat zij moeilijkheden had om een kopie van haar paspoort te krijgen, dat het rijbewijs met paspoort een identiteitsdocument kan zijn, dat het oude dienstpaspoort een stempel “this passport is property of Ukraine” draagt en door het ministerie van Buitenlandse Zaken van Oekraïne is gegeven, dat het rijbewijs door het ministerie van Binnenlandse zaken van Oekraïne is gegeven, dat het militaire boekje de Oekraïense registratie draagt, dat de geboorteakten bevestigen dat de verzoekende partij de Poolse nationaliteit heeft en de Oekraïense nationaliteit had, dat het onbegrijpelijk is waarom de Belgische autoriteiten op 5 november 2008 de verzoekende partij naar Oekraïne wilden sturen en er dus bewijsmiddelen genoeg waren om dat te doen terwijl het nu niet zo zou zijn, dat de verwerende partij na meer dan 9 jaar legaal verblijf op het grondgebied moet worden geregulariseerd en dat zij XXX maar niet XXX is, zoals uit een kopie van het rijbewijs blijkt; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord in wezen het middel herhaalt en betreffende het eerste onderdeel toevoegt XIV- 31.291-3/7 dat de verwerende partij in de memorie van antwoord zelf stelt dat de nationaliteit van een persoon kan veranderen, dat de verwerende partij geen stukken betreffende haar voorgehouden Oekraïense nationaliteit voorlegt doch de onduidelijkheid benadrukt door ten onrechte te stellen dat zij stukken betreffende haar Oekraïens staatsburgerschap zou hebben voorgelegd en door op onbegrijpelijke wijze te stellen dat zij de Poolse nationaliteit heeft en de Oekraïense nationaliteit had doch deze na meer dan 8 jaar in België verloren is; 2.
  5. Overwegende dat de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet van de verwerende partij met een beslissing van de minister van Migratie- en Asielbeleid van 12 januari 2009 niet- ontvankelijk is verklaard op grond van de volgende motieven: “Dat de aanvraag stelt dat verzoeker het bewijs van identiteit en nationaliteit voorlegt. Dat in bijlage een dienstpaspoort wordt voorgelegd, afgeleverd door de toenmalige Unie van Socialistische Sovjetrepublieken en een rijbewijs. Dat een rijbewijs niet beschouwd kan worden als een identiteitskaart of paspoort of een daarmee gelijkgestelde waarde bezit. Dat dit document niet kan worden aanvaard als een voldoende bewijs. Dat het oude dienstpaspoort evenmin door onze diensten kan worden aanvaard. Dat inderdaad een paspoort in principe aanvaard wordt, doch dat het voorgelegde bewijsstuk ook een bewijs dient te zijn van de huidige actuele nationaliteit, niet een nationaliteit die de betrokkene vroeger zou hebben bezeten. Dat de Sovjet-Unie immers in 1991 werd ontbonden. Dat verzoeker stelt nadien de Oekraïense nationaliteit te hebben verworven. Dat betrokkene derhalve een bewijs dient voor te leggen van zijn Oekraïense nationaliteit. Dat het bewijs van de actuele nationaliteit van essentieel belang is bij de behandeling van de aanvraag aangezien ook een onderzoek dient te worden ingesteld naar de medische behandelingsmogelijkheden in het land waarvan verzoeker de nationaliteit bezit.”; Overwegende dat deze beslissing met het bestreden arrest op grond van de volgende motieven wordt vernietigd: “De kennis van de correcte, actuele nationaliteit is inderdaad van essentieel belang aangezien de gemachtigde van de minister, in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag die overeenkomstig artikel 9ter van de Vreemdelingenwet werd ingediend, in een tweede fase moet kunnen beoordelen of bepaalde medische zorgen en voorzieningen beschikbaar zijn in het land van herkomst van de aanvrager. Hierbij vestigt de Raad de aandacht op het feit dat de toepassing van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet gepaard gaat met een ontvankelijkheidsfase en een fase ten gronde. Indien een vreemdeling zijn effectieve verblijfplaats heeft in de gemeente waar zij zijn aanvraag gebaseerd op artikel 9ter van de Vreemdelingenwet indient en hij een identiteitsdocument neerlegt hetzij de onmogelijkheid aantoont om het vereiste identiteitsdocument te verwerven en een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte indient, dient zijn aanvraag ontvankelijk te worden verklaard. In een tweede fase wordt nagegaan of de medische aandoening aanleiding kan geven tot een verblijfsmachtiging in het Rijk. Verzoeker kan dan ook gevolgd worden daar waar hij stelt dat onderzoek in verband met de mogelijkheid tot medische behandeling in het land van herkomst, in de gegrondheidsfase dient te gebeuren. Nergens blijkt uit de wet de voorwaarde dat de vreemdeling zijn actuele nationaliteit dient te bewijzen opdat zijn aanvraag om machtiging tot XIV- 31.291-4/7 verblijf overeenkomstig 9ter van de Vreemdelingenwet ontvankelijk kan worden verklaard. In de bestreden beslissing wordt bijgevolg een voorwaarde toegevoegd aan de wet door te vereisen ‘dat betrokkene derhalve een bewijs dient voor te leggen van zijn Oekraïense nationaliteit’, alvorens tot een onderzoek ten gronde over te gaan.”; Overwegende dat artikel 9ter, § 1, van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocument en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op onmenselijke of vernederende behandeling waarvoor er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, een machtiging tot verblijf in het Rijk kan aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde; Overwegende dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 193/2009 van 29 november 2009 voor recht heeft gezegd dat artikel 9ter van de Vreemdelingenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt “doordat het niet toestaat dat de aanvragers van subsidiaire bescherming die zich beroepen op hun gezondheidstoestand, hun identiteit en hun nationaliteit op een andere manier aantonen dan door het overleggen van een identiteitsdocument”; dat te dezen niet de vraag aan de orde is of de aanvrager zijn identiteit op een andere wijze dan met een identiteitsdocument kan bewijzen, maar wel of het bewijs van de identiteit enkel op de identiteit in beperkte zin of ook op de nationaliteit van de aanvrager betrekking moet hebben; Overwegende dat het Grondwettelijk Hof in dat arrest erop heeft gewezen dat één van de belangrijkste doelstellingen van de wet van 15 september 2006, die de Vreemdelingenwet grondig wijzigde, het tegengaan van fraude en van misbruiken van de asielprocedure was; dat het Grondwettelijk Hof daarover het volgende heeft gesteld: “B.5.
  6. In het licht van die doelstelling is het niet onredelijk te eisen dat de betrokkene zijn identiteit kan aantonen. Bovendien dient de minister of zijn gemachtigde blijkens de in het geding zijnde bepaling, alsook blijkens de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM, grote kamer, 27 mei 2008, N. t. Verenigd Koninkrijk, §§ 32-42), te onderzoeken welke medische zorgen de betrokkene in zijn land van herkomst krijgt. Een dergelijk onderzoek vereist dat zijn identiteit en nationaliteit kunnen worden vastgesteld. B.5.
  7. Gelet op die doelstelling volstaat als bewijs van de betrokkene elk document waarvan de waarachtigheid niet ter discussie kan worden gesteld. Een identiteitsdocument dient niet te worden voorgelegd indien de identiteit op een andere wijze kan worden aangetoond. De in het geding zijnde bepaling gaat bijgevolg, door te eisen dat die persoon beschikt over een identiteitsdocument, verder dan hetgeen noodzakelijk is om de identiteit en de nationaliteit te bepalen, vermits het mogelijk is, zoals de situatie van de asielaanvragers en die van de aanvragers van de subsidiaire bescherming op grond van artikel 48/4 aantonen, de XIV- 31.291-5/7 identiteit van die personen vast te stellen zonder te eisen dat zij beschikken over een identiteitsdocument.”; Overwegende dat het Grondwettelijk Hof de ontvankelijkheidsvoorwaarde betreffende een identiteitsdocument in artikel 9ter van de Vreemdelingenwet dus zowel op de identiteit als de nationaliteit van de aanvrager betrekt, weze het met de nuancering dat het bewijs niet enkel met een identiteitsdocument moet worden geleverd; dat een paspoort uiteraard het bewijs daarvan kan vormen, ook als het inmiddels vervallen is; dat een paspoort van een niet meer bestaande staat na een lang tijdsverloop mogelijkerwijze niet volstaat, met name wanneer er ernstige twijfel over de latere nationaliteit van de betrokkene kan bestaan; dat dit tot de discretionaire beslissingsbevoegdheid van de minister, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, behoort en, bij het jurisdictionele toezicht daarop, tot de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter; Overwegende dat de vreemdelingenrechter echter niet tot het algemene besluit kon komen dat in de bij hem aangevochten beslissing “een voorwaarde (werd) toegevoegd aan de wet door te vereisen ‘dat betrokkene derhalve een bewijs dient voor te leggen van zijn Oekraïense nationaliteit’.”; dat het latere onderzoek in de gegrondheidsfase bij aanvragen op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet slechts mogelijk is wanneer de identiteit en de nationaliteit van de betrokkene kunnen worden vastgesteld; dat de ambtenaar-geneesheer uiteraard niet de mogelijkheid van een adequate medische behandeling in het land van herkomst of verblijf kan onderzoeken wanneer hij niet weet ten aanzien van welk land hij dat onderzoek moet doen; dat artikel 9ter van de Vreemdelingenwet de minister, thans de staatssecretaris, dus wel degelijk toelaat om bij ernstige twijfel aan de nationaliteit van de aanvrager, die zich in 2009 beriep op een in 1991 vervallen Sovjetrussisch paspoort en zelf onduidelijk is of hij de Oekraïense nationaliteit heeft dan wel ook deze verloren heeft en zich dan op zijn Poolse afkomst beroept, een bewijs van de voorgehouden Oekraïense nationaliteit te eisen; dat het eerste onderdeel van het eerste middel gegrond is, XIV- 31.291-6/7 BESLUIT: Artikel
  8. Vernietigd wordt het arrest nr. 28.898 van 19 juni 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  9. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  10. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig december tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV- 31.291-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.878 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.