← België

Arrest 209903 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 21/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.903 Rolnummer: A. 158132/XII-4319 Zaak: Arrest 209903 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 21/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-29 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:34 Fiche Arrest nr 209.903 van 21 december 2010 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 209.903 van 21 december 2010 in de zaak A. 158.132/XII-4319 In zake: Rita VAN DEN BERGH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout kantoor houdend te Antwerpen Ergo De Waellaan 3, bus 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:

  1. de VZW RAAD VOOR INSPECTIE EN BEGELEIDING NIET-CONFESSIONELE ZEDENLEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Riet Rombaut kantoor houdend te Hove Lintsesteenweg 740 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door Scholengroep Agora 3 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Piet Van Gheem kantoor houdend te Antwerpen Emiel Banningstraat 47 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 6 december 2004, strekt tot de nietigverklaring van: “
  4. De beslissing van de Raad van Bestuur van de R.I.B.Z. van 15 september 2004, meegedeeld met gewone brief van 5 oktober 2004, waarbij de beslissing werd meegedeeld dat er geen wijziging nodig is van de fundamentele feiten aangebracht door inspecteur-adviseur R. Joncret, zij haar vroeger standpunt behoudt en de beslissing van voornoemde inspecteur-adviseur onderschrijft [...];
  5. De beslissing van 17 juni 2003 van de inspecteur-adviseur niet-confessionele zedenleer Robert Joncret waarbij de voordracht tot aanstelling van [Rita Van den Bergh] tot leermeester niet-confessionele zedenleer wordt ingetrokken;
  6. De beslissing sine dato van [...] de Algemeen Directeur van de scholengroep Agora III van het Gemeenschapsonderwijs, waartoe de B.S. ‘Klim Op’ te Zoersel behoort, om [Rita Van den Bergh] niet aan te stellen als leermeester XII-4319-1\14 niet-confessionele zedenleer voor 8 u., voor het schooljaar 2003-2004 en derhalve de beslissing sine dato waarbij een onbekend iemand werd aangesteld in haar plaats;
  7. De beslissing sine dato van [...] de Algemeen Directeur van de scholengroep Agora III van het Gemeenschapsonderwijs, [...] om [Rita Van den Bergh] niet aan te stellen als leermeester niet-confessionele zedenleer voor 8 u., voor het schooljaar 2004-2005 en derhalve de beslissing sine dato waarbij een onbekend iemand werd aangesteld in haar plaats”. II. Verloop van de rechtspleging
  8. Bij arrest nr. 172.737 van 26 juni 2007 zijn de debatten heropend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een aanvullend verslag opgesteld. Verzoekster en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober
  9. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koenraad Maenhout, die verschijnt voor verzoekster, advocaat Riet Rombaut, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Fréderic Van Den Berghe, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest anderslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. XII-4319-2\14 III. Feiten
  11. Terecht merkt de Raad voor inspectie en begeleiding niet- confessionele zedenleer (hierna ook: RIBZ) op dat de scholengroep nalaat om een administratief dossier neer te leggen. Maar evenzeer moet de Raad van State constateren dat ook de RIBZ heeft verzuimd om, samen met haar memorie van antwoord, zijn administratief dossier aan de Raad te bezorgen. Enkel bij de laatste memorie, neergelegd na het initiële auditoraatsverslag, bezorgt de RIBZ aan de Raad enkele stukken, die evenwel enkel betrekking hebben op de -in het tussenarrest behandelde- vraag omtrent de rechtsmacht van de Raad van State. Wat de concreet aangevochten beslissingen betreft, beschikt de Raad van State bijgevolg over geen stukken vanwege de verwerende partijen. Hij gaat voort op de documenten die verzoekster bij het inleidend verzoekschrift heeft bijgevoegd en maakt toepassing van artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, naar luid waarvan “de door de verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen geacht [worden], tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn”.
  12. Verzoekster is gedurende de schooljaren 2000-2001 tot 2002-2003 voor acht uur aangesteld als leermeester niet-confessionele zedenleer aan de basisschool “Klim Op” te Zoersel, behorende tot de scholengroep Agora 3 van het Gemeenschapsonderwijs. Volgens verzoekster betreft het een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Op 29 april 2003 wordt zij door de directeur van de basisschool “Klim Op” beoordeeld als “voldoet”; diezelfde dag doet zij een aanvraag voor tijdelijke aanstelling voor het schooljaar 2003-
  13. De inspecteur-adviseur niet-confessionele zedenleer stelt na een inspectiebezoek op 5 mei 2003 een verslag op met als conclusie “ik stel mijn beoordeling uit. Een nieuwe inspectie zal volgen”. Verzoekster noteert op dit verslag er niet mee in te stemmen om volgende redenen: “Dit is volgens mij een subjectief verslag omdat er een probleemsituatie is op dit moment. Ik heb reeds 2x geprobeerd om dit conflict op humane manier op te lossen, doch zonder resultaat”. XII-4319-3\14 Na een tweede inspectiebezoek op 26 mei 2003 geeft de inspecteur-adviseur aan verzoekster op 27 mei 2003 een eindbeoordeling “onvol- doende”. Verzoekster tekent op 4 juni 2003 het inspectieverslag voor kennisname en verklaart zich niet akkoord met de beoordeling, zonder verdere opgave van redenen. Verzoekster geeft in het inleidend verzoekschrift het vervolg van de feiten aldus weer: zij “vernam dan niets meer, doch werd niet aangesteld als leermeester niet-confessionele zedenleer voor het schooljaar 2003- 2004; ondanks haar aanvraag van 29 april 2003 [voor een tijdelijke aanstelling], werd enige beslissing haar daaromtrent niet meegedeeld”. De hiervoor genoemde beoordelingen en inspectieverslagen worden aan de algemeen directeur van de scholengroep Agora opgestuurd op 17 juni 2003, waarbij de inspecteur-adviseur in het begeleidend schrijven stelt: “Op 05 mei en op 26 mei 2003 heb ik haar bezocht en geëvalueerd. Aangezien zij op 26 mei 2003 de beoordeling ‘onvoldoende’ heeft bekomen wordt haar voordracht tot aanstelling ingetrokken. Zij zal dus op 01 septem- ber 2003 niet meer in aanmerking komen voor een aanstelling als leermees- ter n.-c. zedenleer in Uw Scholengroep”. De inspecteur-adviseur draagt op 28 augustus 2003 K. Van Nerum bij de directeur van de basisschool “Klim Op” voor “als tijdelijke leermeester n.-c. zedenleer voor alle beschikbare lestijden n.-c. zedenleer in uw school” en deelt met een e-mailbericht van 30 augustus 2004 aan de directeur mee dat de aanstelling van K. Van Nerum “blijft doorlopen naar volgend schooljaar toe”. Op 26 april 2004 dient verzoekster een aanvraag in “tot het bekomen van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het schooljaar 2004-2005 voor Scholengroep 3”. In het inleidend verzoekschrift schrijft zij “en opnieuw werd haar geen enkele beslissing meegedeeld”. Op 12 mei 2004 solliciteert verzoekster rechtstreeks bij de RIBZ. De RIBZ antwoordt op 5 oktober 2004 aan verzoekster, met afschrift van de reeds geciteerde brief van de inspecteur-adviseur van 17 juni 2003 in bijlage: XII-4319-4\14 “Hiermede heb ik de eer u te melden dat de Raad van Bestuur, zoals eerder medegedeeld, in haar zitting van 15/09 ll. uw schrijven heeft onderzocht. De Raad van Bestuur is de mening toegedaan dat uw schrijven geen wijziging brengt aan de fundamentele feiten aangebracht door inspecteur-adviseur R. Joncret. Daarom behoudt de Raad zijn vroeger standpunt en onderschrijft de beslissing van voornoemd inspecteur-adviseur”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 5.
  14. Eerste verwerende partij werpt vooreerst op “dat de vordering van verzoekster onontvankelijk is, zij gaat er immers vanuit dat een nieuwe beslissing zou zijn getroffen door de vzw RIBZ, - quod non”. De Raad van State begrijpt deze exceptie als zijnde gericht tegen het eerste voorwerp van het beroep. Ook bij de bespreking van het eerste middel merkt eerste verwerende partij op dat de brief van 5 oktober 2004 op geen enkele wijze een nieuwe beslissing betreft. Het betreft overigens een ontvankelijkheidsvraag die desnoods ambtshalve onderzocht moet worden. 5.
  15. Nadat verzoekster gedurende lange tijd niets ondernam met betrekking tot haar aanstelling, schrijft zij op 12 mei 2004 een bijzonder kort briefje aan de RIBZ “om U ervan in kennis te stellen dat ik mijn kandidatuur via het internet heb ingediend”. Dit schrijven bevat niet de minste verwijzing naar de eerdere gebeurtenissen, laat staan dat het te beschouwen is als een geargumenteerd verzoek tot heroverweging van een eerdere beslissing of als een soort willig beroep bij de raad van bestuur van de RIBZ tegen de beslissing van de daartoe gemandateerde inspecteur-adviseur die het tweede voorwerp vormt van huidig annulatieverzoek. Vervolgens antwoordt de RIBZ op 5 oktober 2004 aan verzoekster dat de raad van bestuur “de mening [is] toegedaan dat uw schrijven geen wijziging brengt aan de fundamentele feiten aangebracht door inspecteur-adviseur R. Joncret” en dat hij diens beslissing “onderschrijft”. In die kennisgeving kan geen mededeling worden ontwaard van een nieuwe, aanvechtbare rechtshandeling. XII-4319-5\14 Met eerste verwerende partij -of desnoods ambtshalve- stelt de Raad vast dat het beroep niet ontvankelijk is, wat het eerste voorwerp ervan betreft. Voor zover de middelen gericht zijn tegen deze “beslissing”, worden ze hierna dan ook niet onderzocht. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  16. Het eerste middel luidt “schending van de regels inzake motive- ring”. Verzoekster merkt op dat de beslissingen inzake niet-aanstelling van verzoekster en derhalve de aanstelling van een ander niet nader gekend personeels- lid nooit meegedeeld zijn en zij “neemt aan dat ze noch wat de vorm betreft, noch wat de inhoud betreft op een behoorlijke wijze zijn gemotiveerd”. Ook de beslissing van de inspecteur-adviseur van 17 juni 2003 “is geenszins gemotiveerd”. Beoordeling
  17. Uit de korte toelichting bij het middel leidt de Raad van State af dat met de “regels inzake motivering” wordt gerefereerd aan de formele-motive- ringsplicht als bedoeld bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Deze formele-motiveringsverplichting strekt in hoofdzaak ertoe de betrokkene in kennis te stellen van de redenen waarom een voor haar ongunstige beslissing is genomen derwijze dat zij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, tegen dat besluit kan verweren door aan te tonen dat de tot uiting gebrachte motieven niet gegrond zijn. Daaruit volgt dat, wanneer de betrokkene op een andere wijze dan door de formele motivering de motieven van de bestuurshandeling heeft leren kennen en die kennisneming zich heeft voorgedaan in omstandigheden die haar recht om zich in rechte te verweren tegen die handeling niet in het gedrang brengen, te haren opzichte het doel van de formele motivering is bereikt. XII-4319-6\14
  18. De beslissing van de inspecteur-adviseur van 17 juni 2003 is aan verzoekster meegedeeld vooraleer zij het thans voorliggend beroep heeft ingesteld. Meer nog, de Raad van State kent die beslissing enkel omdat verzoekster er bij het inleidend verzoekschrift als stuk 14b een kopie van bezorgt. De inspecteur-adviseur motiveert zijn beslissing waarbij “de voordracht tot aanstelling [wordt] ingetrokken” met een verwijzing naar de evaluaties van 5 mei 2003 en van 26 mei 2003 en de vaststelling dat hij verzoekster de beoordeling “onvoldoende” heeft gegeven. Vastgesteld wordt dat verzoekster in het bezit was van de bedoelde evaluatieverslagen waarop de bestreden intrekking steunt. Ze gaan als stukken 10 en 11 bij het inleidend verzoekschrift. In die evaluaties van respectievelijk twee en vier bladzijden uitgeschreven tekst, valt over verzoekster met feitelijk gestoffeerde voorbeelden onder meer te lezen dat “van de diverse lesdoelen weinig of niets bereikt was”, dat de les bestond uit “wat losse babbels, die weinig met het onderwerp te maken hadden”, “de leerlingenkaften waren zeer zwak gestoffeerd en niet nagezien door de leerkracht”, dat de leerlingen “het onderwerp blijkbaar beu waren” en “moeilijk hun aandacht bij de les konden houden”, dat de les weinig structuur had en tien minuten uitliep, dat de schoolagenda van verzoekster niet conform de werkelijke situatie was en verzoekster dit ook aan de leerlingen moest toegeven bij het begin van de les, dat verzoekster van de les geen lesvoorbereiding kon voorleggen, dat zij getuigt van weinig pedagogisch inzicht en haar lesonderwerpen aanbrengt op een wijze in strijd met de richtlijnen, die tijdens de studiedagen verstrekt worden, dat de lessen geen afgerond geheel zijn en soms “de reinste improvisatie”. Verzoekster kan bezwaarlijk beweren niet op de hoogte te zijn geweest van de vakinhoudelijke en vaktechnische bezwaren die aan de tweede bestreden beslissing ten grondslag liggen. Nu alleszins het doel van de formele- motiveringsplicht ten aanzien van die beslissing is bereikt, is verzoekster in die mate zonder belang bij het middel. 9.
  19. Het is, gelet op het ontbreken van enig administratief dossier, onduidelijk of de weigeringen door tweede verwerende partij om verzoekster aan te stellen uitdrukkelijke beslissingen waren, dan wel telkenmale een impliciete beslissing welke moet blijken uit de aanstelling van een andere kandidaat voor het betreffende schooljaar. XII-4319-7\14 9.
  20. In het tweede geval kan het middel niet worden betrokken op de weigering, aangezien enkel uitdrukkelijke beslissingen onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 29 juli 1991 en niet de beslissingen die niet zijn geformali- seerd maar er impliciet uit afgeleid kunnen worden. 9.
  21. Indien daarentegen formeel door de tweede verwerende partij tot de niet-aanstelling van verzoekster zou zijn besloten, dan is reeds in het tussenarrest nr. 172.737 van 26 juni 2007 vastgesteld dat “het schoolbestuur nog slechts beschikt over een gebonden bevoegdheid” omdat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 86, 9/, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (het rechtspositiedecreet). Verzoekster heeft bijgevolg enkel belang bij dit middelonderdeel indien zij kan aantonen dat toch niet aan de bedoelde voorwaarden is voldaan, namelijk omdat de tweede bestreden beslissing onregelmatig is. Enkel indien verzoekster er toe komt dit met een van de volgende vernietigingsgronden aan te tonen, dient de Raad van State het middelonderdeel nog verder te bespreken.
  22. Verzoekster heeft ook maar belang erbij om de aanstelling van een andere kandidaat aan te vechten, voor zover zij aantoont dat zij onterecht van diezelfde aanstelling is uitgesloten. Het is dus ook maar in dat geval -wat een onderzoek vereist van de overige middelen- dat zij erbij belang heeft de motivering van het aanstellingsbesluit van de concurrent aan te vechten.
  23. Onder voorbehoud van wat is opgemerkt sub 10.
  24. en 11, wordt het middel verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  25. Het tweede middel luidt: “schending van de fundamentele regels inzake de rechten van verdediging”. Verzoekster voert aan dat de beslissing van de inspecteur genomen werd “zonder dat verzoekster gehoord werd”. Immers dient de beoordeling van deze inspecteur-adviseur als onbetrouwbaar te worden begrepen. Verzoekster merkt op dat zij reeds op 27 maart 2003 een ernstig conflict in hoofde van deze XII-4319-8\14 inspecteur-adviseur had gesignaleerd. Zij meent dat “men een intern beroep [had] moeten organiseren om verzoekster toe te laten op te komen tegen de beslissing van de inspecteur-adviseur”. De beoordeling door de inspecteur-adviseur is ook laattijdig, aangezien artikel 22 van het rechtspositiedecreet bepaalt dat elk tijdelijk aangesteld personeelslid moet worden beoordeeld vóór 30 april van elk schooljaar. Beoordeling
  26. De voorliggende beslissing van de inspecteur-adviseur is geen tuchtmaatregel, zodat de rechten van de verdediging er niet op van toepassing zijn.
  27. Wel kan de vraag rijzen of verzoekster de mogelijkheid moest worden gegeven om nuttig voor haar belangen op te komen, aangezien de beslissing van de inspecteur-adviseur tot intrekking van haar voordracht tot aanstelling als leermeester niet-confessionele zedenleer, die direct teruggaat op zijn evaluatie tijdens de lesbezoeken en waarvan ze het logische en quasi onvermijdelijke uitvloeisel is, onmiskenbaar gesteund is op persoonlijke gedragingen van verzoek- ster en ook een vérstrekkende impact heeft op haar beroepsloopbaan. Alleszins bestaat er geen formele regel die dit aan de RIBZ oplegt. Het staat ook niet aan de Raad van State om de RIBZ voor te schrijven op welke wijze hij daaromtrent in een welbepaalde procedure voorziet, laat staan om voor recht te stellen dat enkel een georganiseerd administratief beroep daartoe adequaat is.
  28. De Raad van State stelt te dezen vast dat de inspecteur-adviseur een eerste lesbezoek heeft afgesloten met een uitgestelde beslissing die aan verzoekster de kans gaf om met zijn uitgeschreven opmerkingen rekening te houden en dat vervolgens de door hem concreet geargumenteerde ongunstige beoordeling van 27 mei 2003 aan verzoekster ter ondertekening is voorgelegd door middel van een gestandaardiseerd formulier. Verzoekster heeft dit verslag ondertekend ter kennisneming en de voorgedrukte woorden “Ik stem ermee in” doorstreept. Onder de voorgedrukte woorden “ik stem er niet mede in om volgende redenen” heeft zij niets ingevuld. Evenmin heeft zij op een later tijdstip opmerkingen aan de inspecteur, de raad van bestuur van de RIBZ of het instellingshoofd meegedeeld omtrent die ongunstige beoordeling. Uit niets blijkt dat verzoekster bij de XII-4319-9\14 onderwijsinstelling heeft geïnformeerd over haar lot. Overigens, ook haar brief aan de RIBZ van 12 mei 2004 is, zoals gezien, ertoe beperkt om louter opnieuw te solliciteren naar een nieuwe aanstelling en ook voor de Raad van State maakt verzoekster zelfs geen aanstalten om de concrete verwijten aan haar adres te weerleggen. De Raad van State brengt voorts in herinnering dat, wanneer R. Joncret zich bemoeit met de voordracht of zelfs beslist over de voordracht van verzoekster, hij op dat ogenblik niet handelt in zijn hoedanigheid die hij als inspecteur niet-confessionele zedenleer zelf puurt uit het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken (het inspectiedecreet) en ter verwezenlijking van de hem bij het inspectiede- creet opgedragen taken, maar dat hij optreedt als gemachtigde van de bevoegde instantie, bedoeld in het rechtspositiedecreet. Te dezen wordt niet betwist dat de RIBZ zijn beoordelingsbe- voegdheid als bevoegde instantie voor de niet-confessionele zedenleer mocht delegeren, en delegeerde, aan de inspecteur-adviseur. Het voorliggende optreden van de inspecteur-adviseur moet derhalve niet worden beoordeeld vanuit de invalshoek dat het is gesteld door een ambtenaar van de Vlaamse Gemeenschap, maar wel vanuit de invalshoek dat het uitgaat van een gemachtigde van de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer. De evaluatie van 27 mei 2003 is dan ook geen louter advies van een derde aan het beslissingsorgaan. Het is precies met het oog op zijn bij delegatie genomen beslissing over de voordracht van verzoekster dat die gemachtigde van de RIBZ haar lessen mocht bijwonen en ze ook daadwerkelijk heeft bezocht. Verzoekster was na het eerste, negatief uitgevallen lesbezoek en de uitgestelde beslissing vooraf van het tweede lesbezoek op de hoogte. Zij kan in redelijkheid niet staande houden onwetend te zijn geweest van wat haar bij zo een bezoek door de inspecteur-adviseur boven het hoofd hing. In het evaluatieverslag liet de inspecteur- adviseur daarenboven verstaan dat verzoekster het schooljaar wel mocht afmaken maar dat zij voor het volgende schooljaar best al zou uitkijken “naar een ander ambt of naar een ander beroep”. XII-4319-10\14 De Raad stelt vast dat het aangekondigde tweede lesbezoek reeds aan verzoekster de mogelijkheid gaf om, in de praktijk van haar lesgeven, van haar bekwaamheid blijk te geven en aldus voor haar belangen op te komen, en vervolgens dat haar uitdrukkelijk de mogelijkheid is gegeven om schriftelijk opmerkingen te formuleren op de ongunstige evaluatie. In de hiervoor geschetste concrete omstandigheden van de zaak mocht dit volstaan, nu verzoekster -ook al stemde zij formeel niet in met de beoordeling- bewust, of met een minstens verregaande onbezonnenheid, aan die geboden mogelijkheid heeft verzaakt door noch op het formulier zelf, noch minstens binnen een redelijke termijn na ontvangst ervan haar bezwaren in een verweerschrift kenbaar te maken.
  29. De eis om een beoordeling te doen vóór 30 april van het betrokken schooljaar, geldt de beoordeling door de directeur van de onderwijsinstelling. Bij die beoordeling mag geen rekening worden gehouden met vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten, die uitsluitend de zaak zijn van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer. Er is aan de Raad van State geen regel bekend die aan die bevoegde instantie bij haar beoordeling van een personeelslid dwingende termijnen oplegt.
  30. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  31. Het derde middel luidt: “niet-mededeling van de beslissing van 17 juni 2003”. Verzoekster nuanceert die “niet-mededeling” al dadelijk door eraan toe te voegen dat de beslissing van 17 juni 2003 aan haar wél werd meegedeeld, maar enkel op 5 oktober
  32. Zij vervolgt dat die beslissing behept is met gebreken: “De R.I.B.Z. schrijft zelf in haar gerontologische code dat enkel tot een onvoldoende aanleiding kunnen geven: • Het niet-rekening houden met de principeverklaring NCZ in de uitoefening van zijn ambt; • Herhaaldelijk ingaan tegen de kinderrechten en/of de rechten van de mens; • Herhaaldelijk in de lessen of in het openbaar uitspraken doen, die in strijd zijn met de rechten van het kind en /of de rechten van de mens; XII-4319-11\14 • Herhaaldelijk algemeen observeerbare handelingen stellen in strijd met de principeverklaring Niet-Confesssionele Zedenleer; • Ernstige, blijvende vakinhoudelijke en/of vakmethodologische tekort- komingen. Noch de inspecteur-adviseur, noch de R.I.B.Z. maken aannemelijk dat verzoekster omwille van een van deze motieven een onvoldoende heeft gekregen. Uit de bestreden beslissingen blijkt dit geenszins, zodat ze dienen te worden vernietigd”. Beoordeling
  33. Verzoekster tilt eraan dat de tweede bestreden beslissing “niet”, dan wel “enkel [...] met de brief van 5 oktober 2004” aan haar is meegedeeld. Hoe betreurenswaardig dit ook mag zijn, verzoekster laat na een rechtsregel of rechtsbeginsel aan te voeren dat de Raad van State ertoe moet brengen van de weeromstuit die beslissing als onregelmatig te kwalificeren. Enkel verwijst verzoekster ter adstructie van haar middel naar een “gerontologische” code -versta wellicht een deontologische code- waarvan dan weer niet wordt aangetoond dat deze “code” voor eerste verwerende partij naast een richtsnoer van plichtenleer ook haar bindende rechtsregels zou bevatten, laat staan wat het verband is met de beweerde “niet-mededeling” van de bestreden beslissing.
  34. Het middel is dan ook geen ontvankelijk rechtsmiddel, hetgeen immers vereist dat zowel een rechtsregel of -beginsel wordt aangevoerd dat geschonden is als de beschrijving van de wijze waarop de bestreden rechtshandeling in concreto die regel of dat beginsel heeft geschonden. Ten overvloede merkt de Raad van State op dat het rechtspositiedecreet refereert aan een vakinhoudelijke en vaktechnische beoordeling en dat moeilijk kan worden betwist dat het ongunstig evaluatieverslag effectief steunt op tekortkomingen in die sfeer. XII-4319-12\14 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  35. Als vierde middel voert verzoekster aan: “aanstelling en niet (weder)aanstelling als tijdelijke met schending van de voorrangsregeling”. Zij betoogt: “Verzoekster heeft reeds aangetoond dat zij recht had op de aanstelling als tijdelijke in de betrokken scholengemeenschap als leermeester niet- confessionele zedenleer. Vermits het terzake ging om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur had verzoekster een recht onder de voorwaarden van artikel 21 van het Decreet Rechtspositie. Blijkbaar is iemand anders benoemd met miskenning van dit recht en die bovendien niet voldeed aan de rechtens vereiste kwalificaties; deze beslissing tot aanstelling alsook de beslissing om verzoekster niet aan te stellen en/of de beslissing om verzoekster niet voor te dragen dient dan ook te worden vernietigd. De bestreden beslissingen dienen dan ook te worden vernietigd”. Beoordeling
  36. Opdat het middel dat ervan uitgaat dat verzoekster recht had op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur “als leermeester niet-confessionele zedenleer” gegrond zou zijn, moet verzoekster de Raad van State overtuigen dat de intrekking van haar lesbevoegdheid als leermeester niet-confessionele zedenleer onregelmatig is. Daar is zij niet in geslaagd. Het middel kan bijgevolg niet tot nietigverklaring leiden. BESLISSING
  37. De Raad van State verwerpt het beroep.
  38. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. XII-4319-13\14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 december 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-4319-14\14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.903 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.508 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.737 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.