id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.904 Rolnummer: A. 102435/XII-3030 Zaak: Arrest 209904 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 21/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 05:34 Fiche Arrest nr 209.904 van 21 december 2010 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 209.904 van 21 december 2010 in de zaak A. 102.435/XII-3030 In zake: Hugo VAN ROUSSELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Coulier kantoor houdend te Nieuwpoort Oostendestraat 20 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vincent Van Obberghen kantoor houdend te Vilvoorde J.B. Nowélei 13 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 maart 2001, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissingen van 13 december 2000 en 24 januari 2001, genomen door de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs, waarbij aan Hugo Van Rousselt een tuchtstraf van terbeschikkingstelling van twee jaar wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 155.470 van 23 februari 2006 is het beroep verworpen voor zover het is gericht tegen de beslissing van de kamer van beroep van 13 december 2000 en zijn de debatten voor het overige heropend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een aanvullend verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. XII-3030-1\22 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober
- Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alain Coulier, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Stéphanie Colella, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is sedert 1 januari 1976 aangesteld als leraar in de Stedelijke Academie voor Woord en Muziek te Veurne en is er sedert 1981 vast benoemd. 3.
- In de loop van het schooljaar 1998-1999 blijkt uit brieven van ouders van leerlingen, van een collega, van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en van de inspecteur voor woordkunst dat er klachten zijn over de wijze van lesgeven van verzoeker. 3.
- Tijdens de zitting van het college van burgemeester en schepenen van 25 augustus 1999 wordt aan verzoeker meegedeeld dat het niet de bedoeling is om terug te komen op de eerder gemaakte afspraak “dat geen maatregelen tegen hem zouden worden genomen mits hij, door pensionering aan te vragen of op grond van ziekteverlof niet meer voor de klas zou staan vanaf 1 september 1999”. 3.
- Het stadsbestuur zendt verzoeker op 27 augustus 1999 een aangetekend schrijven waarin hij wordt verzocht om de notulen van de zitting van 25 augustus 1999 voor akkoord te ondertekenen. Verzoeker gaat hier niet op in. XII-3030-2\22 3.
- Vanaf 1 september 1999 tot 5 juli 2000 is verzoeker afwezig wegens ziekte. Verzoeker dient hiervoor periodiek medische attesten in. 3.
- Op 17 november 1999 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Veurne om een tuchtprocedure in te stellen tegen verzoeker, “en dit om de volgende redenen”: “- Periodiek verwoorden, in de lessen, van een negatieve houding tegenover de school, de maatschappij, en het beleid; - Seksistische en racistisch getinte uitspraken in de les; - Geringe inzet, met als resultaat een laag niveau van de lessen woordkunst, door betrokkene verstrekt”. Hierbij wordt de terbeschikkingstelling als tuchtstraf voorgesteld omdat die “het best aangewezen lijkt om betrokkene, zonder noemenswaardig financieel nadeel, de toegang tot de klassen te ontzeggen” en wordt verzoeker uitgenodigd voor een hoorzitting op 20 december
- 3.
- Op 17 december 1999 ontvangt de stad Veurne een doktersattest waaruit blijkt dat verzoeker niet naar de hoorzitting kan komen. 3.
- Met een schrijven van 18 januari 2000 wordt verzoeker opnieuw uitgenodigd voor een hoorzitting op 31 januari 2000, waarna verzoeker weer een doktersattest indient. 3.
- Op de zitting van 16 februari 2000 wordt besloten om een controlegeneesheer naar verzoeker te zenden. In zijn verslag van 1 maart 2000 stemt de controlegeneesheer in met de ongeschiktheid van verzoeker tot 3 april
- 3.
- Op 5 mei 2000 vraagt het stadsbestuur van Veurne of verzoeker zich nu in staat acht om te verschijnen op een hoorzitting, zo niet wordt voorgesteld om schriftelijk zijn verweer te formuleren. 3.
- Op 29 mei 2000 deelt verzoeker mee dat hij met zijn raadsman aanwezig zal zijn op de hoorzitting en dat hij op 1 juni 2000 zijn dienst hervat. 3.
- Op de dag van de hoorzitting van 26 juni 2000 deelt verzoeker telefonisch mee dat hij niet aanwezig kan zijn en verwijst hij daarbij naar een medisch attest dat zijn ziekteverlof rechtvaardigt voor de periode van 5 juni tot 5 juli XII-3030-3\22
- In dezelfde zitting van de gemeenteraad wordt besloten om bij wijze van tuchtstraf een schorsing van vier jaar op te leggen met ingang van 27 juni
- De gemeenteraad overweegt dat “de belangrijkste van deze feiten, die [verzoeker] ten laste kunnen worden gelegd, te catalogeren vallen onder volgende noemers: “- Periodiek verwoorden, in de lessen, van een negatieve houding tegenover de school, de maatschappij, en het beleid; - Seksistische en racistisch getinte uitspraken in de les; - Geringe inzet, met als resultaat een laag niveau van de lessen woordkunst, door betrokkene verstrekt” en “dat van hogergenoemde feiten minstens de volgende van dien aard zijn, dat ze een tuchtstraf verrechtvaardigen”: “- periodiek verwoorden, in de lessen, van een negatieve houding tegenover de school, de maatschappij, en het beleid; - seksistische en racistisch getinte uitspraken in de les”. Tevens wordt besloten een klacht neer te leggen bij de rechtbank van eerste aanleg wegens racistische uitspraken. 3.
- Op 12 juli 2000 gaat verzoeker in beroep bij de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs tegen de gemeenteraadsbeslissing van 26 juni
- 3.
- Op de zitting van de gemeenteraad van 24 juli 2000 wordt de op 26 juni 2000 opgelegde tuchtstraf, wat de strafmaat betreft, ingetrokken en vervangen door de terbeschikkingstelling bij wijze van tuchtstraf voor de duur van twee jaar. Reden hiervoor is dat artikel 65, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (hierna: het rechtspositiede- creet) bepaalt dat de schorsing één jaar niet kan overtreffen. 3.
- Na kennisname van de beslissing van 24 juli 2000 stelt verzoeker op 28 augustus 2000 ook tegen deze beslissing beroep in bij de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs. 3.
- Op 29 augustus 2000 wordt door het college van burgemeester en schepenen besloten om verzoeker met ingang van 30 augustus 2000 preventief te schorsen in afwachting van een beslissing over het door hem ingestelde beroep. XII-3030-4\22 3.
- De kamer van beroep houdt een hoorzitting over de zaak op 11 oktober 2000, zonder getuigen op te roepen, en een eerste beraadslaging op 22 november
- 3.
- Op 22 november 2000 overweegt de kamer van beroep dat de eerste tuchtbeslissing “manifest onwettig was” en naderhand werd ingetrokken, dat het tweede tuchtbesluit “werd genomen zonder dat het betrokken personeelslid de gelegenheid had zijn zienswijze omtrent de ernst van de tuchtstraf aan de gemeenteraad ter kennis te brengen”, dat “met het gemeenteraadsbesluit van 24 juli 2000 enkel de tuchtmaatregel werd ingetrokken en de vaststelling van de tekortkomingen werden behouden zoals vermeld in het gemeenteraadsbesluit van 26 juni 2000”, dat “de beslissing van de gemeenteraad van 24 juli 2000 wat de tenlastelegging betreft, het besluit van 26 juni 2000 laat bestaan, maar de opgelegde tuchtmaatregel vervangt door [een] andere maatregel [en] aldus één geheel vormt met het besluit van 26 juni 2000” en dat het “aangewezen is de partijen te horen over de tekortkomingen die [verzoeker] ten laste worden gelegd alsmede over de kwalificatie van deze tenlasteleggingen”, om finaal te besluiten de debatten te heropenen, de behandeling van de zaak voort te zetten en op 13 december 2000 getuigen te horen. 3.
- Op 13 december 2000 overweegt de kamer van beroep dat de burgemeester in de pers verklaringen over de zaak heeft afgelegd die strijden met het beginsel van de onpartijdigheid in tuchtzaken zodat de beslissing van 26 juni 2000 dient te worden vernietigd, dat verzoeker niet de gelegenheid had, voorafgaand aan de uitspraak bij raadsbesluit van 24 juli 2000, om zijn zienswijze omtrent de ernst van de tuchtstraf aan de gemeenteraad ter kennis te brengen hetgeen eveneens aanleiding geeft tot de nietigverklaring van de tuchtstraf en dat de kamer van beroep in laatste aanleg uitspraak doet over het beroep met dezelfde onderzoeks- bevoegdheden als het bestuur dat in eerste aanleg de tuchtmaatregel heeft uitgesproken waarbij de kamer van beroep de beoordeling van de tuchtoverheid kan corrigeren wanneer zij naar het oordeel van de kamer van beroep te streng is uitgevallen voor het personeelslid, om dan te besluiten de behandeling voort te zetten op 24 januari 2001 en dan twintig bij name genoemde getuigen te horen, waaronder ook de inspecteur woord. Op 19 december 2000 wordt deze beslissing aan verzoeker ter kennis gebracht. XII-3030-5\22 3.
- Op 24 januari 2001 hoort de kamer van beroep de getuigen. Na de hoorzitting richt de raadsman van verzoeker een aangete- kend schrijven aan de kamer van beroep, waarin hij vraagt om de getuigen opnieuw te verhoren en schriftelijke opmerkingen te kunnen maken “alvorens de debatten definitief worden gesloten” omdat meerdere verklaringen niet met de werkelijkheid zouden overeenstemmen. Met een brief van 26 januari 2001 antwoordt de kamer van beroep dat de debatten op 24 januari 2001 gesloten zijn, dat de kamer diezelfde dag heeft beraadslaagd en beslist zodat het niet meer mogelijk is om ze te heropenen en dat bovendien ter zitting door verzoekers raadsman geen voorbehoud is gemaakt. 3.
- De bestreden beslissing van 24 januari 2001 zelf wordt met een brief van 5 februari 2001 aan verzoeker bezorgd. De kamer van beroep verwoordt het als volgt: “[...] Over de gegrondheid van de beroepen Overwegende dat om de redenen uiteengezet in de beslissing van de Kamer van Beroep dd. 22 november 2000, het beroep dat tegen het gemeenteraads- besluit van 26 juni 2000 werd ingesteld, moet worden geacht ook te zijn ingesteld tegen het gemeenteraadsbesluit van 24 juli 2000; Overwegende dat de Kamer van Beroep in de beslissing dd. 13 december 2000 heeft geoordeeld dat wegens een schending van de regel van de onpartijdigheid het gemeenteraadsbesluit van 26 juni 2000 waarbij ook de heer Van Rousselt de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van 4 jaar werd opgelegd, dient te worden vernietigd; Overwegende dat de Kamer van Beroep in de voormelde beslissing van 13 december 2000 eveneens heeft geoordeeld dat het gemeenteraadsbesluit van 24 juli 2000 eveneens dient te worden vernietigd wat de opgelegde tucht- maatregel betreft, daar de betrokkene niet de gelegenheid had, voorafgaand aan de uitspraak, zijn zienswijze omtrent de ernst van de tuchtstraf aan de gemeenteraad ter kennis te brengen; Overwegende dat, na de vernietiging van de gemeenteraadsbesluiten van 26 juni 2000 en 24 juli 2000 wat de tuchtstraf betreft, de Kamer van Beroep de tenlasteleggingen opnieuw dient te onderzoeken en zich over de zaak moet uitspreken; Overwegende dat uit de overeenstemmende getuigenverklaringen blijkt dat de heer Van Rousselt in zijn lessen meermaals uitspraken deed die door de nadrukkelijke associatie van allochtone bewoners met bepaalde toestanden in sommige Antwerpse buurten onomwonden als racistisch kunnen worden bestempeld; dat het tonen van een mes -door sommige getuigen een knipmes genoemd- en de daarmee gepaard gaande commentaar over het mogelijk gebruik van het mes, voormeld besluit nog versterkt; dat dergelijke handelwijze ontoelaatbaar is en niet kan verwacht worden van iemand met een pedagogische scholing en met meer dan 20 jaar dienst als leraar; Overwegende dat uit de klachten van ouders en leerlingen en uit de getuigenverklaringen eveneens blijkt dat de heer Van Rousselt een ondermaatse XII-3030-6\22 invulling gaf aan de lestijden daar hij tijdens de lessen, zonder aanwijsbare aanleiding, herhaaldelijk en gedurende geruime tijd uitspraken deed en verhalen vertelde die met het lesonderwerp geen uitstaans hadden en een normale lesverloop in de weg stonden; Overwegende dat de voormelde vaststellingen ernstige tekortkomingen zijn in hoofde van de heer Van Rousselt; dat hieruit blijkt dat de wijze waarop de heer Van Rousselt tijdens de periode die de Kamer van Beroep in aanmerking mag nemen, zijn taak als leraar uitoefende volstrekt ontoelaatbaar is en een zware tuchtstraf rechtvaardigt. Beslissing Gelet op de artikelen 64 tot 72 van het decreet van 27 maart 1991 betreffen- de de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, zoals gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994, 14 juli 1998, 1 december 1998 en 18 mei 1999; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, zoals gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 mei 1996, van 13 januari 1998 en 15 september 2000; Gelet op het huishoudelijk reglement van de Kamer van Beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs van 13 oktober 1999; Gelet op de hoorzittingen van 22 november 2000 en 13 december 2000 en op de tussenkomende beslissingen van dezelfde data; Gelet op de hoorzitting met getuigenverhoor van 24 januari 2001; Na beraadslaging; Met meerderheid van stemmen. Artikel 1 De beslissing van de gemeenteraad van Veurne dd. 26 juni 2000 waarbij aan de heer Hugo Van Rousselt de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van 4 jaar wordt opgelegd, wordt vernietigd. Artikel 2 Artikel 2 van de beslissing van de gemeenteraad van Veurne dd. 24 juli 2000 waarbij aan de heer Hugo Van Rousselt de tuchtstraf van de terbeschikking- stelling voor de duur van 2 jaar wordt opgelegd, wordt vernietigd. Artikel 3 Aan de heer Hugo Van Rousselt wordt de tuchtstraf van de terbeschikking- stelling voor de duur van 2 jaar opgelegd. Aldus uitgesproken te Brussel op 24 januari 2001 [...]”. IV. Onderzoek van de middelen 4.
- Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift vier middelen aan tegen “de voorbereidende beslissing van 13/12/2000”. Die middelen behoeven geen antwoord, nu in het arrest nr. 155.470 van 23 februari 2006 is vastgesteld dat die “voorbereidende beslissing” geen voor nietigverklaring vatbare rechtshandeling is. Hetzelfde tussenarrest verwierp dan ook reeds het beroep, voor zover het gericht is tegen de beslissing van de kamer van beroep van 13 december
- XII-3030-7\22 4.
- Tegen de nog in het geding zijnde beslissing van 24 januari 2001 voert verzoeker dertien vernietigingsgronden aan. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Luidens het eerste middel heeft de kamer van beroep de motiveringsplicht geschonden, door niet te antwoorden op een reeks grieven die verzoeker in het kader van de beroepsprocedure opwierp “alhoewel zij daartoe gehouden was”. Beoordeling
- Gelet op de toelichting van het middel wordt het begrepen als een schending van de formele-motiveringsplicht. Verzoeker verliest uit het oog dat de kamer van beroep zijn beroep daadwerkelijk heeft ingewilligd en de door hem bestreden beslissing van de gemeentelijke overheid heeft vernietigd -wegens schending van de hoorplicht en van het onpartijdigheidsbeginsel. In die omstandigheden was de kamer van beroep niet verplicht om nog te antwoorden op ándere wettigheidsbezwaren die verzoeker in de beroepsprocedure deed gelden tegen de beslissing waarvan beroep. Bovendien vervallen door de vernietiging ook de initiële grieven -zo met name de vraag naar de proportionaliteit van de oorspronkelijk opgelegde sanctie- terwijl de kamer van beroep een eigen beslissing in de plaats ervan stelt. Een andere vraag is of bij die beweerd onbeantwoord gebleven grieven, zoals de verjaring of de overschrijding van de redelijke-termijneis, geen wettigheidsbezwaar is te onderkennen dat ook de kamer van beroep, bij hernemen van de zaak, hetzij tot een lagere tuchtsanctie, hetzij zelfs tot een vrijspraak moest leiden. Dat is dan echter geen motiveringsgebrek in de zin van het eerste middel, en het antwoord erop zal afhangen van -en samenhangen met- het onderzoek van de wettigheid van de bestreden beslissing van de kamer van beroep, in het licht van de overige door verzoeker ertegen aangevoerde middelen. Het eerste middel kan niet tot nietigverklaring leiden. XII-3030-8\22 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is geput uit de schending van artikel 8, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding (hierna: het tuchtbesluit). Volgens verzoeker is de tuchtproce- dure geënt op klachten van de jaren zeventig, tachtig en negentig, maakten deze klachten deel uit van het tuchtdossier dat aan de gemeenteraad van Veurne werd voorgelegd, werden deze klachten ondanks zijn bezwaar op geen ogenblik uit het tuchtdossier verwijderd en heeft de gemeenteraad zich op die verjaarde klachten gesteund “zodat de kamer van beroep de tuchtstraf diende te vernietigen op die basis, welke een onherstelbare procedurefout uitmaakte”. Beoordeling
- Artikel 8, § 5, tweede lid, van het tuchtbesluit stelt: “De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten”.
- De kamer van beroep overweegt in de bestreden beslissing dat “de wijze waarop de heer Van Rousselt tijdens de periode die de Kamer van Beroep in aanmerking mag nemen, zijn taak als leraar uitoefende volstrekt ontoelaatbaar is en een zware tuchtstraf rechtvaardigt”. Verzoeker argumenteert niet -en terecht- dat de kamer van beroep zélf een sanctie heeft opgelegd op grond van verjaarde feiten. Wel betoogt hij dat de tuchtprocedure ab initio, van bij aanvang op 17 september 1999, verjaard was hetgeen een falen is dat de kamer van beroep volgens hem niet meer vermag te herstellen.
- Uit de gemeenteraadsbesluiten van 26 juni 2000 en van 24 juli 2000 blijkt dat de aan verzoeker initieel ten laste gelegde feiten steunen op “diverse klachtbrieven die het college ontving in juni 1999 omtrent de houding van [verzoeker] in het schooljaar 1998-1999, en die zich in het dossier bevinden”. Anders dan verzoeker beweert, staat de tuchtsanctie geenszins in verband met XII-3030-9\22 klachten uit eerdere decennia. Integendeel stelt het raadsbesluit van 26 juni 2000 uitdrukkelijk dat klachten “uit vroegere schooljaren [...] niet in het tuchtdossier zijn opgenomen, gelet op het feit dat de redelijkheid vereist, niet te ver in het verleden terug te gaan”. Het middel mist feitelijke grondslag. C. Derde middel
- Het derde middel werd reeds onderzocht en verworpen in het tussenarrest. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Als vierde middel voert verzoeker aan: “schending van de wettelijke notie ‘getuige’, van het principe dat niemand kan getuigen in eigen zaak, en van de rechten van verdediging, schending van artikel 72, 5/ decreet 27/03/1991”. Het grieft verzoeker dat de kamer van beroep minderjarigen heeft opgeroepen om te getuigen, daarenboven zonder bijstand van hun wettelijke vertegenwoordiger. Die personen moesten bovendien als partij worden beschouwd omdat zij briefwisseling hadden ondertekend die tegen hem gericht was. Ook is verzoeker vooraf niet op de hoogte gebracht van het precieze voorwerp van dit verhoor. Deze personen zijn niet gehoord onder eed “en [konden] dus zonder angst van enige latere sanctionering wegens meineed om het even wat [...] komen vertellen”. In de memorie van wederantwoord preciseert verzoeker dat hij niet had verwacht dat de getuigen ook verklaringen zouden afleggen over zijn beweerd ondermaats lesgeven. Ook werd volgens verzoeker “een persoon”, “iemand” gehoord -tot in de laatste memorie preciseert verzoeker niet om wie het gaat- die niet als getuige was opgeroepen. XII-3030-10\22 Beoordeling
- Artikel 72, 5/, van het rechtspositiedecreet draagt de Vlaamse regering op de tuchtprocedure te regelen met dien verstande dat de rechten van verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd. Waar verzoeker in het middel ook reeds op algemene wijze de schending van de rechten van verdediging aanvoert, voegt deze decretale bepaling daaraan niets toe maar vormt ze er eerder een beperking van, aangezien die bepaling erop neerkomt dat de rechten van verdediging exhaustief geregeld zijn in het tuchtbesluit en ze dus moeten worden nageleefd op de wijze zoals ze in dat besluit expliciet zijn geregeld. Deze opmerking geldt ook de navolgende middelen waarin schending van dezelfde decreetsbepaling wordt aangevoerd.
- Artikel 16 van het tuchtbesluit, zoals toentertijd van kracht, bepaalt dat de kamer van beroep een bijkomend onderzoek kan bevelen en ambts- halve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen kunnen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid. Bovendien kan de opgeroepen getuige zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord. Noch deze bepaling noch enig ander in het middel aangevoerd beginsel verbiedt de kamer van beroep om naast eventuele getuigen “à décharge” -getuigen ter bevrijding of ter ontlasting- ook getuigen “à charge” -getuigen die een bezwarende getuigenis afleggen- op te roepen en te horen. Voor de toelaatbaarheid van hun getuigenverhoor is het bijgevolg zonder belang of deze personen, zoals verzoeker betoogt, “partijen” of “getuigen in eigen zaak” en “geen objectieve getuigen” zijn, of “lieden die een gedirigeerde klachtenactie opzetten”. Het verhindert de kamer van beroep niet om voor elke getuige -ook eventuele slachtoffers of klachtindieners- de betrouwbaarheid van zijn of haar verhaal te waarderen, noch verzoeker om hun ongeloofwaardigheid aan te tonen. De Raad ziet niet in hoe verzoeker in zijn belangen geschaad kan zijn geweest omdat, zoals hij beweert, sommige getuigen minderjarig waren of niet vergezeld waren van hun wettelijke vertegenwoordiger. Verzoeker spreekt verwerende partij niet tegen waar deze opmerkt dat alle getuigen ten minste vijftien jaar oud waren, en dus alleszins de leeftijd des onderscheids hadden. De in het middel aangevoerde bepalingen strekken er niet toe dergelijk getuigenis als XII-3030-11\22 ontoelaatbaar te bestempelen. Ook toont verzoeker niet aan op welke grond hij mocht eisen dat enkel onder eed afgelegde getuigenissen toelaatbaar zijn.
- Tot het getuigenverhoor van de met name genoemde getuigen besliste de kamer van beroep in de tussenbeslissing van 13 december
- Naast de directeur van de academie, betrof het de inspecteur woordkunst en leerlingen of hun ouders die auteur waren van de aan verzoeker welbekende klachtbrieven in het tuchtdossier. Verzoeker kan dan ook niet overtuigen als hij beweert dat hij op 24 januari 2001 hierdoor zo verrast is geworden dat hij zijn verweer niet naar behoren kon voeren. Moge dat overigens al zo zijn geweest, dan stond het aan verzoeker om terstond, ter gelegenheid van het getuigenverhoor, zijn bezwaren daaromtrent kenbaar te maken en om vóór de sluiting der debatten om een bijkomend uitstel te verzoeken, wat hij niet heeft gedaan. De tuchtprocedure werd oorspronkelijk mede ingesteld wegens “geringe inzet, met als resultaat een laag niveau van de lessen woordkunst, door de betrokkene verstrekt”. In de aan verzoeker bekende tussenbeslissing besloot de kamer van beroep getuigen te horen “over de tekortkomingen die [verzoeker] ten laste worden gelegd alsmede over de kwalificatie van deze tenlasteleggingen”. Bij de opgeroepen getuigen was de inspecteur woordkunst wiens brief van 26 juni 1999 over verzoekers lesgeven mede tot de tuchtvervolging heeft geleid evenals, als gezien, de leerlingen en ouders die zich over verzoekers wijze van lesgeven hadden beklaagd. Dat de kamer van beroep de getuigen mede over zijn ondermaats lesgeven mocht en kon ondervragen lag dan ook in de rede, had verzoeker bijgevolg evenmin mogen verbazen en maakt alleszins geen schending uit van de door hem in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen.
- Ook het vermeende verhoor van een getuige die oorspronkelijk niet was opgeroepen heeft verzoeker destijds laten voorbijgaan zonder protest. In ieder geval toont hij thans niet aan hoe dit verhoor hem in zijn belangen heeft geschaad. Ten overvloede stelt de Raad van State vast, over de door de kamer van beroep finaal gehoorde getuigen, dat zij allen voorkomen in de lijst van op te roepen getuigen in de beslissing van 13 december 2000, met dien verstande dat in die lijst een vader van een leerling staat vermeld die blijkens de bestreden beslissing “niet aanwezig kon zijn” zodat “met het akkoord van alle partijen de moeder [werd] toegelaten als getuige”. In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker wel XII-3030-12\22 dat een en ander zijn toestemming kon wegdragen, maar hij laat na de beslissing te betwisten met een valsheidsprocedure.
- Het middel is ongegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert als vijfde middel de schending aan van de rechten van verdediging, van artikel 8, § 5, en artikel 13, § 3, van het tuchtbesluit en van artikel 72, 5/, van het rechtspositiedecreet. Hij brengt in het middel vier grieven aan: na vernietiging door de kamer van beroep van de initiële tuchtstraf is de nieuwe tuchtstraf opgelegd wegens racistische uitspraken en een ondermaatse invulling van de lestijden; verzoeker werd geen voorstel van tuchtstraf meegedeeld; de kamer van beroep neemt een nieuw element als grondslag voor het opleggen van een tuchtstraf in aanmerking; de tuchtsanctie is even zwaar als de oorspronkelijke alhoewel de kamer van beroep de seksistische uitspraken en het periodiek verwoorden van een negatieve houding tegenover de maatschappij en het schoolbeleid verwierp. Beoordeling
- De op straffe van nietigheid voorgeschreven vermeldingen op de oproeping, als bedoeld in artikel 8, § 5, van het tuchtbesluit, hebben enkel betrekking op de initiële oproeping door het schoolbestuur (“De oproeping van het personeelslid om voor de inrichtende macht te verschijnen...”). Dit artikel is bijgevolg niet van toepassing op de procedure in beroep, die in het tuchtbesluit geregeld is in de artikelen 13 en volgende. Wanneer de kamer van beroep de bestreden beslissing vernietigt en vervolgens de zaak aan een eigen beoordeling onderwerpt, schrijft geen enkele regel haar voor dat zij zoals de eerste tuchtoverheid opnieuw een oproepingsbrief moet opstellen in diezelfde vormen. De kamer van beroep heeft overigens in de tussentijdse beslissingen van 22 november 2000 en 13 december 2000 haar autonoom onderzoek uitdrukkelijk aangekondigd. Enkel heeft de kamer van beroep zich daarbij te houden aan de oorspronkelijke tenlasteleggingen. Verzoeker ontkent XII-3030-13\22 niet dat daaronder het ondermaatse niveau van de lessen te rekenen was, zodat dit geen “nieuwe grief” of “nieuw element” is. Luidens artikel 13, § 3, van het tuchtbesluit mag de kamer van beroep de tuchtsanctie niet verzwaren. Dit heeft de kamer van beroep ook niet gedaan -de opgelegde tuchtsanctie bleef gelijk- zodat deze regel niet is geschonden. De kamer van beroep beoordeelt het dossier opnieuw op zijn merites, zonder aan de motieven van het schoolbestuur gebonden te zijn. Geheel in overeenstemming hiermee oordeelde de kamer van beroep dan ook op 22 november 2000 dat het “aangewezen is de partijen te horen over de tekortkomingen die [verzoeker] ten laste worden gelegd alsmede over de kwalificatie van deze tenlasteleggingen”. Zoals de lectuur van het administratief dossier uitwijst, zijn het ook effectief dezelfde gezegdes en gedragingen van verzoeker die alle eerst door de gemeenteraad en vervolgens door de kamer van beroep als deontologisch laakbare feiten zijn gekwalificeerd. Onder voorbehoud van het artikel 13, § 3, dat als gezien niet is miskend, kan de kamer van beroep haar waardering van die feiten en de erbij passende straf autonoom bepalen.
- Het middel is ongegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
- Volgens verzoeker zijn artikel 8, § 3, van het tuchtbesluit, artikel 72, 5/, van het rechtspositiedecreet en de rechten van verdediging eveneens geschonden omdat de kamer van beroep een tuchtrechtelijke beslissing nam zonder hem vooraf gedurende tien dagen het dossier ter beschikking te stellen. Beoordeling
- Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, regelt artikel 8 van het tucht- besluit de rechten van verdediging in de procedure voor de tuchtoverheid en is deze bepaling niet toepasselijk op de procedure in beroep. In zoverre faalt het middel in rechte. XII-3030-14\22 Verzoeker kende het tuchtdossier en hij beweert niet dat hij zich na het tussenbesluit van 22 november 2000 en voor de zitting van 24 januari 2001 vergeefs bij de kamer van beroep aangeboden zou hebben om het dossier nogmaals te mogen consulteren. Hij laat na aan te tonen waarom de beweerde miskenning van zijn rechten van verdediging -mocht van een miskenning al sprake zijn- hem geschaad heeft door de te dezen gevolgde procedure door de kamer van beroep. In zoverre is verzoeker zonder belang bij het middel, voor zover het al feitelijke grondslag heeft.
- Het middel kan niet worden aangenomen. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
- Het zevende middel voert de schending aan van artikel 8, § 1, laatste lid, van het tuchtbesluit en van, alweer, de rechten van verdediging en artikel 72, 5/, van het rechtspositiedecreet, doordat de kamer van beroep met “ondermaatse invulling van de lessen” als reden voor de tuchtstraf een verwijt in aanmerking neemt dat vooraf niet werd gemeld. Beoordeling
- Het middel voegt niets toe aan de hiervoor aangevoerde en verworpen middelen en moet om dezelfde redenen worden verworpen. H. Achtste middel Uiteenzetting van het middel
- Het achtste middel is geput uit de schending van artikel 8, § 6, van het tuchtbesluit en artikel 15 van het huishoudelijk reglement van de kamer van beroep omdat het dossier geen getrouw proces-verbaal bevat van het verhoor van verzoeker, hem geen proces-verbaal ter ondertekening is voorgelegd, laat staan voorgelezen. XII-3030-15\22 Beoordeling
- Zoals hiervoor al meermaals is opgemerkt, kan de kamer van beroep artikel 8 van het tuchtbesluit niet schenden nu deze bepaling niet van toepassing is in de beroepsprocedure.
- Het tuchtbesluit noch het rechtspositiedecreet bevatten precieze regels met betrekking tot het verhoor van getuigen of het pleidooi van partijen tijdens de zitting van de kamer van beroep. Voor zover dan al artikel 15 van het huishoudelijk reglement -naar luid waarvan door de secretaris van de debatten een proces-verbaal van de debatten wordt opgesteld- een afdwingbare rechtsregel bevat, moet de Raad van State vaststellen dat bedoeld artikel 15 over de inhoud van het proces-verbaal enkel stelt dat het “ten minste de naam van de getuigen, hun leeftijd, beroep, hun woonplaats en hun verklaring of zij al dan niet bloed- of aanverwant zijn van de verzoekende of verwerende partij [vermeldt]”. Verzoeker verliest uit het oog dat er een onderscheid bestaat tussen de samenvatting van het getuigenverhoor (artikel 13 van het huishoudelijk reglement) en het proces-verbaal van de debatten, dat vooral ertoe strekt het vervuld zijn van de door de regelgeving voorgeschreven procedurehande- lingen te acteren, waarbij geen woordelijke weergave van de pleidooien vereist is, en dat voorts dienend is om zittingsincidenten te notuleren. Verzoeker vergist zich dan ook als hij ervan uitgaat dat ook zijn verweer tegen de opgelegde tuchtmaatregel verbatim genotuleerd moest worden in het proces-verbaal van de debatten.
- In die omstandigheden kan het middel hoe dan ook niet tot nietig- verklaring leiden. I. Negende middel (I) Uiteenzetting van het middel
- In het (eerste) negende middel voert verzoeker de schending aan van artikel 16, § 1, van het tuchtbesluit en van het gelijkheidsbeginsel en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. XII-3030-16\22 Verzoeker meent dat het “aanzienlijk pakket stukken” dat de stad Veurne neerlegde op de zitting van 11 oktober 2000 ambtshalve uit de debatten geweerd diende te worden, terwijl hij zich ongelijk behandeld acht omdat zijn aanvullende memorie die werd neergelegd op 22 november 2000 nergens in het dossier terug te vinden is. Beoordeling
- Op geen enkel ogenblik na 11 oktober 2000 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de door verwerende partij neergelegde stukken en de verwijdering uit de debatten ervan gevraagd. Hij mag thans niet aan de Raad van State voorleggen dat de kamer van beroep zulks ambtshalve had moeten doen. Overigens stelt de Raad van State vast dat dit “aanzienlijk pakket stukken” de tuchtoverheid hoe dan ook niet heeft gered van vernietiging van haar tuchtmaatregel door de kamer van beroep.
- Verzoeker maakt gewag van een memorie die hij neergelegd zou hebben op 22 november
- Inderdaad ontbreekt daarvan elk spoor in het administratief dossier. Maar ook verzoeker laat na om aan de Raad van State een afschrift te bezorgen van deze memorie, zodat ze voor de Raad een spookbestaan leidt. Nog minder zet verzoeker uiteen op welke wijze zijn belangen werden geschaad, in de veronderstelling dat er inderdaad zo een memorie van 22 november 2000 zou bestaan. In dat verband stelt de Raad vast dat de kamer van beroep op 22 november 2000 nog enkel besloot de debatten te heropenen en dat verzoeker blijkens het stuk 19 van het administratief dossier alleszins naderhand nog een aanvullende memorie heeft kunnen neerleggen op de zitting van 13 december
- Zo dit al niet tegenspreekt dat verzoeker ongelijk behandeld zou zijn -ook die memorie is immers niet ingediend binnen de oorspronkelijke termijnen- minstens ziet de Raad niet in, welke schade verzoeker heeft ondervonden op het vlak van zijn verdediging.
- Het middel wordt verworpen. XII-3030-17\22 J. Negende middel (II) Uiteenzetting van het middel
- Als (tweede) negende middel voert verzoeker de schending aan van artikel 57, § 1, van het rechtspositiedecreet en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij wijst erop dat hij ten tijde van de bestreden beslissing 61 jaar was. Artikel 57 van het rechtspositiedecreet stelt dat niemand ter beschikking gesteld kan worden na het einde van de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt en dertig dienstjaren telt die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen. Deze bepaling verhindert volgens verzoeker dat hij zou worden gestraft wegens de implicatie op zijn pensioeninkomsten waarvan hij een vijfde zal inboeten. De gevolgen van de terbeschikkingstelling zijn voor zestig-plussers aanzienlijk erger dan voor jongere leraren, zodat in casu van een discriminatoire maatregel gesproken kan worden. Verzoeker vraagt dat aan het Grondwettelijk Hof als prejudiciële vraag gesteld zou worden of en in welke mate de artikelen 57 en 64 van het rechtspositiedecreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden nu hun toepassing tot gevolg heeft dat een personeelslid dat een tuchtstraf van terbeschik- kingstelling ondergaat en meer dan zestig jaar is, op een meer dan nadelige manier behandeld wordt in vergelijking met een jonger personeelslid. Beoordeling
- Zoals is beschreven in het feitenrelaas was de tuchtoverheid ervan overtuigd dat verzoeker wegens de gepleegde feiten niet meer voor de klas mocht staan, hetgeen de keuze van de tuchtmaat determineert. Een eerst gekozen schorsing gedurende vier jaren werd ingetrokken, omdat de schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor hoogstens één jaar. Om het doel te bereiken, bleven dan nog enkel de uiteindelijk opgelegde terbeschikkingstelling of het ontslag over. Allicht heeft verzoeker er geen belang bij om een middel te ontwikkelen dat er feitelijk op neerkomt dat hij ontslagen had moeten zijn. Wat daar ook van zij, uit niets blijkt dat artikel 64 van het rechtspositiedecreet dat de mogelijke tuchtsancties opsomt de tuchtoverheid die een zware tuchtstraf passend acht ter bestraffing van de vastgestelde tekortkomingen aan XII-3030-18\22 de plichten, de discretionaire bevoegdheid van die overheid zou beperken in functie van de leeftijd van het betrokken personeelslid. Zoals het voorts reeds blijkt uit de redactie van artikel 56 van het rechtspositiedecreet (“Onverminderd de bepalingen betreffende de terbeschikking- stelling bij tuchtmaatregel...”) wijst artikel 57 van het rechtspositiedecreet dat hiermee samenhangt op de terbeschikkingstelling bij ordemaatregel en niet op de tuchtmaatregel. Deze bepaling van artikel 57 is, voor wat de terbeschikkingstelling betreft, bijgevolg niet van toepassing op huidige zaak en aldus is een beweerd discriminatoire gevolgtrekking niet terzake. Het middel faalt alleen reeds om die reden in rechte en er is geen reden tot prejudiciële vraagstelling aan het Grondwette- lijk Hof. K. Tiende middel Uiteenzetting van het middel
- Luidens het tiende middel is artikel 14 van de Grondwet geschonden, evenals artikel 10 van het EVRM. Volgens verzoeker praatte hij terloops twee keer over toestanden met een allochtoon karakter, eenmaal over een gebeurtenis tijdens “de opstand in Rwanda” en eenmaal “over onveiligheid op straat in sommige buurten”. Het is niet ernstig dit als racistisch te bestempelen, zonder de vrijheid van meningsuiting tekort te doen. Verzoeker merkt nog op dat van seksistische uitspraken geen sprake is en herhaalt dat de beweerde ondermaatse invulling van de lessen door de tuchtoverheid niet meer in aanmerking werd genomen. Verzoeker wijst erop dat bepaalde leerlingen -probleemleerlingen, en dus symptomatisch volgens verzoeker want abstractie makend van de duizenden wél tevreden leerlingen- over deze voorvallen voorgedrukte brieven moesten ondertekenen, dat hijzelf nooit opmerkingen kreeg van de inspectie en integendeel drie regeringsmedailles “binnenhaalde”. De straf is, mede gezien zijn jarenlange trouwe dienst, onevenredig. XII-3030-19\22 Beoordeling
- Het middel voert de schending aan van bepalingen in verband met de vrije meningsuiting, om dan bij de adstructie ervan uit te komen bij het redelijkheidsbeginsel, zoals dit in tuchtzaken verwoord wordt door het evenredig- heidsbeginsel.
- Wat de vrijheid van meningsuiting betreft, toont verzoeker niet aan op welke wijze het opleggen van de tuchtmaatregel voor laakbare opmerkingen tijdens zijn les een onverantwoorde beperking van deze vrijheid zou uitmaken. Wat verzoeker ter verdediging aanvoert, weerlegt niet de overwegingen van de kamer van beroep inzake het tonen van een knipmes, de commentaar over het gebruik ervan en de associatie (“meermaals” en “nadrukke- lijk” en niet “terloops twee keer”) met allochtone bewoners, verzoekers “herhaalde- lijk en gedurende geruime tijd” vertellen van verhalen die met het lesonderwerp geen uitstaans hebben en een normaal lesverloop in de weg stonden.
- Verzoeker kan, door in fine van een middel dat betrekking heeft op de vrije meningsuiting ook even het redelijkheidsbeginsel aan te stippen, de Raad van State er ook niet toe brengen om de discretionaire beoordeling van de kamer van beroep disproportioneel te achten.
- In het inleidend verzoekschrift neemt verzoeker nog aanstoot eraan dat de klachtbrieven een “voorgetypte typebrief” waren. Dit kan erop wijzen dat de klachten in overleg zijn opgesteld en ingediend, maar bewijst op zich nog niet dat de inhoud van de klacht ongeloofwaardig zou zijn. Overigens stelt de Raad van State vast dat er zich in het dossier evengoed handgeschreven klachtbrieven bevinden, en dat de inhoud van de brieven geenszins zo stereotiep is als verzoeker beweert en ook op concrete voorvallen ingaat. Verzoeker gaat in zijn latere procedurestukken in groter detail in op de getuigenverklaringen, die volgens hem tegenstrijdig zijn maar hem ook van bepaalde aantijgingen zouden vrijpleiten. Dit had hij in het inleidend verzoekschrift moeten ondernemen. Zijn naderhand geformuleerde bezwaren over de getuigenver- klaringen zijn onontvankelijk. XII-3030-20\22
- Het middel wordt verworpen. L. Elfde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker noemt in het elfde middel artikel 12, § 2, van het tuchtbesluit geschonden. Hij merkt op dat twee leden van de kamer van beroep, die volgens de aanwezigheidslijst van 24 januari 2001 present waren, niet als aanwezig vermeld staan op de bestreden beslissing. Zij hadden ook bij de loting betrokken moeten worden die nodig was om de pariteit onder de leden te herstellen, wat dan weer tot een andere stemuitslag had kunnen leiden. Beoordeling
- Volgens verwerende partij moesten twee van de oorspronkelijk zeven aanwezige leden de zitting verlaten voordat het tot een stemming kwam. De Raad van State moet die verklaring laten voor wat ze is, nu hiervan niets is genotuleerd. Evenwel stelt de Raad van State met verzoeker vast dat de bestreden beslissing zélf enkel gewag maakt van vijf leden, waarvan één lid werd uitgescha- keld door loting, om de voorgeschreven pariteit tussen de vertegenwoordigers van de schoolbesturen en die van de vakorganisaties te herstellen. Die bestreden beslissing wordt door verzoeker niet van valsheid beticht, zodat de Raad slechts kan vaststellen dat artikel 12, § 2, van het tuchtbesluit is nageleefd. Het middel is ongegrond. M. Twaalfde middel Uiteenzetting van het middel
- Het twaalfde middel is geput uit de schending van de artikelen 33, 37 en 40 van de Grondwet en “machtsoverschrijding”. Verzoeker zet uiteen dat de omschrijving van racistische gedragingen bepaald wordt door de wet van 12 april 1994 (versta: 30 juli 1981) tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, dat het enkel de rechterlijke macht toevalt om te oordelen of bepaalde feitelijkheden als racistisch kunnen worden bestempeld en niet een orgaan van het actief bestuur. Het was de kamer van beroep niet toegelaten om verzoeker XII-3030-21\22 als een racist te bestempelen, temeer nu elke strafrechtelijke veroordeling afwezig was en -zoals verzoeker onderstreept in zijn latere memories- nog steeds is en de aangifte door verwerende partij is geseponeerd wegens onvoldoende bewijzen. Beoordeling
- De kamer van beroep heeft binnen de hem door de decreetgever opgedragen taak, de houding en de uitlatingen van verzoeker tuchtrechtelijk beoordeeld. Uit niets blijkt dat zij aan die gedragingen een strafrechtelijke kwalificatie heeft willen geven of heeft gegeven en zij heeft door haar uitspraak de in het middel aangevoerde grondwetsbepalingen niet geschonden. Het middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 december 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-3030-22\22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.904 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.470 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.