id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.930 Rolnummer: A. 197205/X-14595 Zaak: Arrest 209930 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 21/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-23 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:34 Fiche Arrest nr 209.930 van 21 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 209.930 van 21 december 2010 in de zaak A. 197.205/X-14.595. In zake : 1. Ludovicus VAN DER POEL 2. Ria VAN DER POEL 3. Karen VAN DER POEL 4. Christel VAN DER POEL 5. Dirk VAN DER POEL 6. Godefridus VAN DER POEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Els Empereur kantoor houdend te 2600 BERCHEM Uitbreidingstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de gemeente STABROEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ciska Servais kantoor houdend te 2600 ANTWERPEN Roderveldlaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luc Peeters en Reiner Tijs kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Frankrijklei 93 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 27 juli 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van : a. het besluit van 1 april 2010 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Ravenhof”, definitief vastgesteld door de gemeenteraad van Stabroek in zitting van 21 december 2009, wordt goedgekeurd, X-14.595-1/24 b. het besluit van 21 december 2009 van de gemeenteraad van Stabroek waarbij het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan nr. 6 “Het Ravenhof” definitief wordt vastgesteld en waarbij het onteigeningsplan deelplan 1 “Kasteel Ravenhof” en deelplan 2 “Steentjesdreef” tot realisatie van het ruimtelijk uitvoeringsplan definitief worden vastgesteld, en c. de onteigeningsplannen gevoegd bij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Ravenhof”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een nota ingediend. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ive Van Giel, die loco advocaat Els Empereur verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Thomas Sterckx, die loco advocaat Ciska Servais verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Griet De Meyer, die loco advocaten Luc Peeters en Reiner Tijs verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-14.595-2/24 III. Feiten 3.1. Het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de eerste verwerende partij is goedgekeurd door de tweede verwerende partij op 17 juni 2004. Ter uitvoering hiervan startte de eerste verwerende partij met de opmaak van een reeks van ruimtelijke uitvoeringsplannen, zo ook voor het kasteeldomein Ravenhof. Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan nr. 6 “Het Ravenhof” (hierna : GRUP “Het Ravenhof”) omvat een ruimtelijke totaalvisie voor het kasteeldomein Ravenhof, waarbij wordt gestreefd naar een evenwicht tussen natuur, cultuur en recreatie. Het GRUP “Het Ravenhof” werkt tevens een oplossing voor de parkeerproblematiek rond het domein uit en streeft de herwaardering na van de historische Steentjesdreef. Het GRUP bestaat uit 2 deelplannen: “Kasteel Ravenhof” en “Steentjesdreef”. Aan beide deelplannen is een onteigeningsplan gekoppeld. 3.2. Op 21 mei 2008 vindt de plenaire vergadering plaats. 3.3. Op 4 februari 2009 verleent het agentschap voor Natuur en Bos een gunstig advies. 3.4. Op 27 april 2009 stelt de eerste verwerende partij het ontwerp van GRUP “Het Ravenhof” voorlopig vast. 3.5. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek, georganiseerd van 25 mei 2009 tot en met 23 juli 2009, dienen de eerste vijf verzoekende partijen bezwaar in. In essentie betwisten zij de zin van de realisatie van een parking op de gegeven locatie. De GECORO neemt in haar advies van 21 september 2009 het volgende standpunt in: X-14.595-3/24 “Het RUP is een uitvoering van de bindende bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan op het vlak van recreatie, landschap, natuurontwikkeling en de uitbouw van een fiets- en voetwegennetwerk. De gemeente heeft de mogelijkheid om in functie van de realiseerbaarheid een onteigeningsplan te koppelen aan het RUP. Het feit dat de huidige parking op eigendom van het Vlaamse gewest onderbenut is hangt samen met een foutieve inplanting en het ontbreken van infrastructurele maatregelen tegen wildparkeren. Het voorstel voor alternatieve inplanting ter hoogte van Hoogeind en het voorzien van een P&R-parking is niet meegenomen in de opdracht voor dit RUP. Er wordt op gewezen dat de voorgestelde locatie aan het Hoogeind op een te grote afstand gelegen is van het Ravenhof om functioneel te zijn voor de verenigingen die er dagelijks gebruik van zouden moeten maken. Bij de locatiekeuze voor de parking werd met diverse aspecten rekening gehouden, zoals het minimaliseren van de interferentie tussen autoverkeer enerzijds en wandelaars en fietsers anderzijds, het terugdringen van de mogelijkheden tot wildparkeren, en het zo min mogelijk aantasten van de ecologisch en landschappelijk meest waardevolle bospercelen. Het gevoelig uitbreiden van de parkeercapaciteit op de huidige locatie aan het Koetshuis, zou afbreuk doen aan de cultuurhistorische en esthetische waarde van de kasteelgebouwen en omliggende zichtlijnen. Met het RUP wordt een meer gerichte sturing van het verkeer beoogd, waarbij een verbeterde verkeersveiligheid voor de Plantinlaan door het bestuur wordt bestudeerd. De realisatie van de Steentjesdreef zal zorgen voor een betere scheiding van het fietsverkeer en het autoverkeer. De inrichting van de parking is onderdeel van de stedenbouwkundige voorschriften bij het RUP (artikel 3 - zone voor landschappelijke parking). Er is een ruime buffering voorzien van 10m breed/draadafsluiting kan heden enkel in functie van de veiligheid van de bezoekers tot 1m hoogte - voorstel dit aan te passen zodat een permanente afsluiting dient geplaatst te worden tot max. 2m hoogte naar de tuinen van de Plantinlaan toe en dat de ‘ruime buffering’ dient te bestaan uit blijvend groen tijdens zomer en winter. Aan de zijde van het bos kan de buffering bestaan uit een lage beplanting. Het oneigenlijk gebruik van de parking kan worden tegengegaan op basis van bijkomende bepalingen en restricties i.f.v. hinder en veiligheid die opgenomen worden in de voorschriften zoals: geen overnachtingsplaats, stallen van vrachtwagens niet toegestaan, ... Aanpassing van de voorschriften”. Een ander bezwaar heeft betrekking op de aanleg van de Steentjesdreef als toegangsweg naar het kasteel. Daarin wordt gesteld dat, gezien deze dreef een speciale beschermingszone doorsnijdt, het plan dient te worden onderworpen aan een “passende beoordeling”. Blijkens het administratief dossier wordt, naar aanleiding van dit bezwaarschrift, een e-mail gestuurd vanwege de stedenbouwkundige X-14.595-4/24 ambtenaar van de eerste verwerende partij naar een medewerker van het agentschap voor Natuur en Bos. Hierin staat het volgende te lezen : “Door de aanleg van de weg wordt een gebied doorsneden dat bij MB van 24 mei 2002 werd aangeduid als vleermuizenhabitat. (…) Bij het RUP-dossier werd geen ‘Passende beoordeling’ bijgevoegd. Onze vraag : Dient dit nog te gebeuren op basis van artikel 36 van het natuurbehoudsdecreet en zo ja waarom (…). De Steentjesdreef was reeds voorheen aanwezig. De brug over de Antitankgracht is daarom reeds bestaande. Het gaat enkel om het terug openstellen van”. In reactie op deze e-mail, volgt een e-mail van een medewerker van het Agentschap voor Natuur en Bos, die het volgende stelt : “Mijn inschatting is dat de nieuwe Steentjesdreef – voor zover niet verlicht en voorzien van laanbeplanting – eerder positief dan negatief zal uitdraaien voor vleermuizen. Er wordt immers een nieuw lineair element gecreëerd dat als ’t voldoet aan bovenstaande voorwaarden als verbindingselement kan dienen. Voor de inrichting van de brug over ATG is het belangrijk dat ATG niet verlicht wordt, anders verliest ze aan kwaliteit vanuit standpunt van de vleermuizen (vleermuizen mijden licht, behalve dwergvleermuizen die je wel eens rond lantaarnpalen ziet jagen)”. De GECORO neemt in haar advies van 21 september 2009 het volgende standpunt in ten aanzien van het voormelde bezwaar : “Het klopt dat de uitbreiding van de planperimeter met de Steentjesdreef, in functie van het herstel van het historisch tracé, een Speciale Beschermingszone en vleermuizenhabitat doorsnijdt. Deze aangelegenheid werd besproken met het Agentschap voor Natuur en Bos, fauna en flora, waarbij werd gestipuleerd dat de (nieuwe) Steentjesdreef, voor zover niet verlicht en voorzien van laanbeplanting, eerder positief dan negatief zal uitdraaien voor vleermuizen. Er wordt immers een nieuw lineair element gecreëerd dat als ’t voldoet aan bovenstaande voorwaarden als verbindingselement kan dienen. Voor de inrichting van de bestaande brug over de antitankgracht is het belangrijk dat antitankgracht niet verlicht wordt, anders verliest ze aan kwaliteit vanuit standpunt van de vleermuizen. Vleermuizen mijden licht, behalve dwergvleermuizen die men soms wel eens rond lantaarnpalen ziet jagen. Geen aanpassing”. X-14.595-5/24 3.6. In zitting van 21 december 2009 beslist de eerste verwerende partij het advies van de GECORO met betrekking tot het bezwaar van de verzoekende partijen te volgen, het ontwerp van GRUP “Het Ravenhof” definitief vast te stellen en de onteigeningsplannen deelplan 1 “Kasteel Ravenhof” en deelplan 2 “Steentjesdreef” tot realisatie van het ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vast te stellen. Dit is het tweede bestreden besluit. 3.7. Bij besluit van 1 april 2010 keurt de tweede verwerende partij het GRUP “Het Ravenhof” goed. Dit is het eerste bestreden besluit. Het wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 4 juni 2010. In de stedenbouwkundige voorschriften wordt in “artikel 4 : zone voor toegangsdreef” het volgende gesteld : “Specifiek voor verlichting gelden volgende voorschriften : (…) uitsluiting van lichtpollutie door een sterk afgekaderde uitstraling”. 3.8. De eerste vijf verzoekende partijen zijn mede-eigenaars van het huis en de gronden gelegen te Stabroek, aan en westelijk van de Plantinlaan, kadastraal bekend sectie A, nrs. 35/s, 36/p, 36/y en 36/w. De zesde verzoeker bewoont ter plaatse de woning gelegen Plantinlaan 6, op de percelen 35/s en 36/p. Het deelplan 1 “Kasteel Ravenhof” kleurt de percelen 36/y en 36/w in als “zone voor landschappelijke parking”. Het onteigeningsplan deelplan 1 “Kasteel Ravenhof” voorziet de inname van de percelen 36/w en 36/y. IV. Onderzoek van de vordering 4. Overeenkomstig artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden X-14.595-6/24 aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Ernst van de middelen Standpunt van de partijen 5.1. De verzoekende partijen voeren in het eerste middel het volgende aan : “Genomen uit de schending van artikel 4.2.1. van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en wegens schending van artikel 36ter §3-6 van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, artikel 2.2.2. §1, 6° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, de artikelen 4.2.5 tot 4.2.7 van het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het integratiespoor voor de milieueffectenrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan en wegens schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, Doordat tijdens de opmaakprocedure van het RUP ‘Ravenhof’, die geleid heeft tot de bestreden beslissingen, geen plan-MER werd opgemaakt, En doordat er geen onderzoek is gebeurd naar een mogelijk ‘betekenisvol’ effect op de speciale beschermingszone ‘vleermuizenhabitat historische fortengordels rond Antwerpen’ en er vervolgens geen passende beoordeling is gebeurd hiervan in een MER, En doordat de bestreden beslissingen geen motivering bevatten, waarom er geen plan-MER zou moeten worden opgemaakt en waarom er geen sprake zou zijn van een ‘betekenisvol effect’ op de speciale beschermingszone ‘vleermuizenhabitat historische fortengordels rond Antwerpen’. Terwijl verwerende partijen ingevolge artikel 4.2.1 van het DABM een plan-MER dient op te maken ingeval er een mogelijk effect is op speciale beschermingszones, en er een passende beoordeling vereist is op grond van artikel 36, ter §3 van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, en de passende beoordeling deel dient uit te maken van de delen van een RUP ingevolge artikel 2.2.2.§1, 6° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009; En terwijl verwerende partijen ingevolge artikel 36ter van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu verplicht zijn om een beoordeling te maken omtrent een al dan niet betekenisvol effect op een speciale beschermingszone, en zij dit uitdrukkelijk in de bestreden beslissing dienden te motiveren, X-14.595-7/24 En terwijl de artikelen 2 tot en met 8 van het Besluit van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectenrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan voorschrijven dat een plan-MER voltooid is, uiterlijk op het ogenblik dat de stukken voor de plenaire vergadering over het voorontwerp van het RUP worden verstuurd, En terwijl verwerende partijen er ingevolge het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel toe gehouden zijn, om de juridische en feitelijke elementen die ten grondslag liggen aan de beslissing te doen blijken, Zodat de bestreden beslissingen de artikelen 4.2.1 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 36ter van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, artikel 2.2.2. §1,6° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, de artikelen 2 tot en met 8 van het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het integratiespoor voor de milieueffectenrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel schenden; Toelichting bij het eerste middel: Het RUP ‘Ravenhof’ heeft deels betrekking op een Speciale Beschermingszone, namelijk de vleermuizenhabitat ‘historische fortengordels rond Antwerpen’. Deze speciale beschermingszone werd vastgesteld bij Ministerieel Besluit van 24 mei 2002, en wordt hieronder weergegeven op de ‘Natura 2000 kaart’ (…): (…) De aangeduide zone vormt de habitat van de Meervleermuis en de ingekorven Vleermuis, en wordt omschreven als een ‘waardevolle habitat’ voor de Meervleermuis en een ‘zeer waardevolle habitat’ voor de ingekorven Vleermuis (…). De heraanleg van de Steentjesdreef, als toegangsweg vanuit het Hoogeind naar het kasteel, en zoals opgenomen in deelplan 2 van het RUP, loopt dwars door deze Speciale Beschermingszone. Dit is niet betwist. De GECORO vermeldde terzake uitdrukkelijk in haar advies naar aanleiding van de tweede bestreden beslissing: ‘het klopt dat de uitbreiding van de planperimeter met de Steentjesdreef, in functie van het herstel van het historisch tracé, een Speciale Beschermingszone en vleermuizenhabitat doorsnijdt.’ Ook het College van Burgemeester en Schepenen van Stabroek betwist dit gegeven niet, nu zij zich in de tweede bestreden beslissing uitdrukkelijk het advies van de GECORO heeft eigen gemaakt. Als een gevolg van de ligging van een Speciale Beschermingszone binnen de perimeter van het RUP, had de impact op deze Beschermingszone grondig moeten worden beoordeeld, en had een plan- MER moeten zijn opgemaakt. Doordat dit niet gebeurd is, is het RUP onwettig, zoals in wat volgt wordt omschreven: 4.1 Verplichte beoordeling van een ‘betekenisvolle aantasting’ en een ‘passende beoordeling’ Artikel 36ter §3 van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna ‘Decreet Natuurbehoud) stelt: X-14.595-8/24 ‘§ 3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. De verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van de vergunningsplichtige activiteit een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling. Voor een plan of programma zoals gedefinieerd in artikel 4.1.1, § 1, 4°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, alsook de wijziging ervan, waarvoor, gelet op het betekenisvolle effect op een speciale beschermingszone, een passende beoordeling is vereist, wordt overeenkomstig hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid een plan- MER opgemaakt. (...) Bij de opmaak van het plan-MER of het project-MER zal de passende beoordeling worden geïntegreerd in respectievelijk het plan-MER of het project-MER, dat respectievelijk wordt opgesteld overeenkomstig hoofdstuk II of hoofdstuk III van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De Vlaamse Regering kan nadere regels van integratie en herkenbaarheid van de passende beoordeling in het milieueffectrapport bepalen. Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma niet onderworpen is aan de verplichting tot milieu-effectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project- MERrichtlijn of de plan-MERrichtlijn, vraagt de administratieve overheid steeds het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de inhoud en de vorm van de passende beoordeling.’ (…) Uit voornoemd artikel volgt met andere woorden dat een plan of programma, dat ‘betekenisvolle effecten’ kan veroorzaken op een speciale beschermingszone, moet worden onderworpen aan een ‘passende beoordeling’. Deze ‘passende beoordeling’ moet gebeuren door de ini(ti)atiefnemende overheid zelf (in casu de Gemeenteraad van Stabroek en de Deputatie van Antwerpen). Ook volgt uit voornoemd artikel dat voor een plan of programma, in de zin van artikel 4.1.1. §1, 4° van het DABM, een plan-MER moet worden opgemaakt, waarin de passende beoordeling dan kan plaatsvinden. - Betekenisvolle aantasting Artikel 2, 30° van het Decreet Natuurbehoud geeft een nadere definitie van wat onder ‘betekenisvolle aantasting’ van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone moet worden verstaan: X-14.595-9/24 ‘een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)of de habitat(
- s)waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone.’ (…) Met andere woorden, de instandhoudingsdoelstelling van een habitat dient als referentienorm te worden gebruikt voor de beoordeling of er al dan niet sprake kan zijn van een betekenisvolle aantasting. De definitie in het Decreet Natuurbehoud is conform de ontwikkelingen in de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie. ‘Instandhouding’ wordt in artikel 2, 36° van het Decreet Natuurbehoud gedefinieerd als het geheel van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of herstel van habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding’. ‘De staat van instandhouding van een habitat’ is de som van de invloeden die op de betrokken habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten in het Vlaamse Gewest (artikel 2, 44° van het Decreet Natuurbehoud). Het is hierbij belangrijk te vermelden dat het niet zeker moet zijn dat een plan een betekenisvolle aantasting van een speciale beschermingszone met zich kan meebrengen, maar wel dat dit mogelijk is. Het Europese Hof van Justitie interpreteert de noodzaak tot een habitattoets zeer strikt en heeft in haar ‘Kokkelvisserij’- rechtspraak benadrukt dat een habitattoets noodzakelijk is, van zodra op basis van objectieve gegevens (…) niet kan worden uitgesloten dat een project een betekenisvolle aantasting van de betrokken beschermingszone impliceert (...). Dit is een duidelijke benadrukking van het voorzorgsprincipe. Deze rechtspraak wordt treffend samengevat in de gevestigde rechtsleer: ‘De toepassing van de habitattoets is niet uitsluitend gekoppeld aan de zekerheid dat een betrokken activiteit een betekenisvolle aantasting van een betrokken speciale beschermingszone impliceert. Ook de kans op zulke aantasting is voldoende. Dit vormt een toepassing van het zogenaamde voorzorgsbeginsel. Gelet op dit beginsel zou het immers onaanvaardbaar zijn dat een passende beoordeling achterwege zou worden gelaten op basis van het feit dat niet met zekerheid vaststaat dat zulke effecten zich zullen voordoen. Het Hof van Justitie bevestigde deze toepassing van het voorzorgsbeginsel expliciet in haar arrest van 7 september 2004. Het Hof is van oordeel dat de toepassing van een passende beoordeling verplicht is van zodra op basis van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat een plan of project geen betekenisvolle aantasting van de betrokken speciale beschermingszone impliceert.’ (…) In casu is onbetwistbaar dat een mogelijke, negatieve beïnvloeding bestaat, nu de aanleg van de Steentjesweg tot gevolg zal hebben dat er veel X-14.595-10/24 fietsers en voetgangers in het gebied zullen passeren en er de rust zullen verstoren. Het is dan ook niet zeker of de vleermuizen, die zich net typisch op rustige en donkere plaatsen ophouden, daardoor nog een geschikte habitat zullen hebben. De bestreden beslissingen besteden geen enkele aandacht hieraan. Het kan met andere woorden niet worden uitgesloten dat het RUP een betekenisvolle aantasting met zich zal meebrengen van de Speciale Beschermingszone, waardoor een passende beoordeling vereist is. In dergelijk geval vereist artikel 36ter §4 trouwens dat in principe het plan niet kan worden goedgekeurd: ‘§ 4. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan.’ - Passende beoordeling Het Decreet Natuurbehoud, noch de Habitatrichtlijn voorzien in een definitie van wat een ‘passende beoordeling’ precies zou moeten inhouden. In de parlementaire voorbereiding van het wijzigingsdecreet van 19 juli 2002 wordt verduidelijkt dat, zo een passende beoordeling niet geïntegreerd zou moeten worden in een MER, er alleszins een schriftelijk en uitgebreid verslag moet worden opgemaakt: ‘Bij het indienen van dit voorstel van decreet bestaat er in het Vlaamse Gewest nog geen wetgeving die plannen of programma’s onderwerpt aan een verplichting tot MER in uitvoering van de plan- MER richtlijn. Indien het project of plan niet onderworpen is aan een verplichting tot MER, rijst de vraag wat in formeel opzicht als een passende beoordeling moet worden beschouwd. In elk geval is een schriftelijk en met redenen omkleed verslag van de beoordeling vereist. Indien in de schriftelijke stukken met betrekking tot een beoordeling niet duidelijk wordt gemaakt op basis van welke argumenten de uiteindelijke beslissing werd getroffen (d.w.z. indien het schriftelijke verslag niet méér dan een niet nader gemotiveerd positief of negatief oordeel over een activiteit bevat), mist de beoordeling haar doel en kan (zij) niet als ‘passend’ worden beschouwd.’ (…) Er is in het kader van de opmaak van het RUP geen dergelijk schriftelijk verslag opgemaakt, waarin de effecten op de Speciale Beschermingszone zijn geëvalueerd. Nochtans vereist ook artikel 2.2.2 §1,6° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 (hierna ‘Vlaamse Codex’), dat het overzicht van de conclusies van een passende beoordeling moet worden gegeven in een afzonderlijk schriftelijk verslag, gevoegd bij het RUP: ‘Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat: (...) X-14.595-11/24 6° in voorkomend geval een overzicht van de conclusies van:
- a)het plan-MER,
- b)de passende beoordeling.(...) Uit lezing van de bestreden beslissingen blijkt zelfs dat er geen enkel onderzoek is gebeurd naar mogelijke effecten van het RUP op de voormelde Speciale Beschermingszone. Er wordt evenmin in de bestreden beslissingen gemotiveerd waarom verwerende partijen van oordeel zouden zijn dat het RUP geen ‘betekenisvolle aantasting’ met zich zou kunnen meebrengen van de Speciale Beschermingszone. Dit alles is in strijd met de rechtspraak van Uw Raad, die vereist dat het verslag van passende beoordeling mede neerligt op het moment dat het openbaar onderzoek wordt gehouden, en potentiële bezwaarindieners er dus kennis van kunnen nemen (…) Artikel 36ter §3 van het Decreet Natuurbehoud is dan ook geschonden. 4.2 Verplicht plan-MER Er kon zelfs in casu niet volstaan worden met een ‘passende beoordeling’. Deze passende beoordeling diende te worden geïntegreerd in een plan-MER. De Omzendbrief plan-MER verduidelijkt dat er drie fasen moeten worden doorlopen, om te kunnen beoordelen of er in een concreet geval een plan-MER plicht bestaat: ‘Om al dan niet te kunnen besluiten tot een plan-MER plicht, moeten geval per geval de volgende drie fases doorlopen worden: Fase 1: in de eerste plaats moet worden nagegaan of het voorgenomen plan of programma onder de definitie valt van plan of programma zoals gedefinieerd in het DABM; Fase 2: eens vaststaat dat het voorgenomen plan of programma onder de definitie van plan of programma valt, moet worden nagegaan of het betrokken plan of programma onder het toepassingsgebied van het DABM valt. Het toepassingsgebied staat niet gelijk met de plan- MER plicht, die pas in fase 3 wordt behandeld. Dit betekent dat niet voor alle plannen en programma’s waarop het DABM van toepassing is, er een plan-MER plicht geldt. Fase 3: in deze fase wordt bepaald welke plannen en programma’s waarop het DABM van toepassing is, onder de plan-MER plicht vallen. Er vindt desgevallend een onderzoek plaats naar de noodzaak tot de opmaak van een plan-MER (=screening), meer bepaald een onderzoek of het voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben.’ 4.2.1 Eerste fase: definitie ‘plan of programma’ Onder ‘plan of programma’, dient overeenkomstig artikel 4.1.1. 4° van het DABM te worden verstaan: ‘plan of programma, met inbegrip van die welke door de Europese Unie worden medegefinancierd, alsook de wijzigingen ervan, dat:
- a)door een instantie op regionaal, provinciaal of lokaal niveau wordt opgesteld en/of vastgesteld of dat door een instantie wordt opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering te worden vastgesteld;
- b)op grond van decretale of van bestuursrechtelijke bepalingen is voorgeschreven.’ (…) X-14.595-12/24 Een gemeentelijk RUP is een ‘plan of programma’ in de zin van voornoemd artikel. Dit blijkt ten overvloede uit de Omzendbrief LNE/2007 betreffende MER van plannen en programma’s (hierna ‘Omzendbrief plan- MER’), waarin gesteld wordt dat gemeentelijke RUPs onder voornoemde categorie a te classificeren zijn (…). Het resultaat van de eerste stap is dus positief. 4.2.2 Tweede fase: toepassingsgebied plan-MER in DABM Artikel 4.2.1 van het DABM stelt: ‘Dit hoofdstuk is van toepassing op ieder plan of programma dat het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project. Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op ieder plan of programma, waarvoor, gelet op het mogelijke effect op gebieden, een passende beoordeling vereist is uit hoofde van artikel 36ter §3, eerste lid van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.’ (…) Onder 3.1. werd reeds aangetoond dat een betekenisvolle aantasting door het RUP van de betreffende Speciale Beschermingszone niet is uitgesloten, en zelfs waarschijnlijk is, en dat om die reden een ‘passende beoordeling’ diende te worden opgemaakt. Uit het tweede lid van voornoemd artikel 4.2.1. DABM blijkt dan ook dat in dit geval het RUP onder het toepassingsgebied van de plannen en programma’s valt, die moeten worden onderworpen aan een plan-MER. Dat het bestreden RUP onderworpen is aan voornoemde bepaling, kan niet betwist worden, nu deze bepaling werd ingevoegd via het wijzigingsdecreet van 27 april 2007. Dit decreet trad in werking op 1 december 2007 (cfr. artikel 13 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 betreffende MER over plannen en programma’s), en was dus onbetwistbaar van toepassing op dit RUP, waarvoor op dat moment nog geen plenaire vergadering had plaatsgevonden (de plenaire vergadering vond immers plaats op 21 mei 2008, en het RUP werd pas voorlopig vastgesteld op 27 april 2009). In artikel 13 van het voornoemde Besluit wordt trouwens geen overgangsregeling voorzien, zodat moet worden aangenomen dat de algemene overgangsregel van toepassing is dat procedurele bepalingen onmiddellijke werking hebben, ook op hangende procedures tot opmaak van een RUP. Ook het resultaat van de tweede stap is dus positief. 4.2.3 Derde fase: plan-MER plicht Gemeentelijke RUPs, die een betekenisvolle aantasting kunnen inhouden van een Speciale Beschermingszone, moeten worden onderworpen aan een plan-MER. De Omzendbrief plan-MER stelt dat voor deze categorie van projecten, voorafgaandelijk aan de opstart van de eigenlijke MER procedure, vijf vragen moeten worden beantwoord: ‘1. Heeft het plan of programma een potentiële impact op de habitats (natuurlijke habitats en habitats van een soort) qua oppervlakte, ruimtelijke spreiding, structuur en kwaliteit? 2. Heeft het plan of programma een potentiële impact op het evenwicht tussen, de verspreiding en densiteit van de soorten en populaties in zijn geheel? X-14.595-13/24 3. Heeft het plan of programma een potentiële impact op de vitale factoren hoe het SBZ fungeert als ecosysteem? 4. Heeft het plan of programma een potentiële impact op de abiotische relaties die de structuur en de functie van de SBZ bepalen? 5. Heeft het plan of programma een potentiële impact op het bereiken van een gunstig staat van instandhouding voor de desbetreffende SBZ?.’ (…) De impact van het RUP op de habitat is minstens potentieel gevaarlijk. Zo kan worden opgemerkt dat de toegenomen drukte in de habitat, die een beperkte oppervlakte heeft, tot gevolg kan hebben dat deze habitat niet langer geschikt is voor de vleermuizen. De opmaak van een plan-MER was om die reden dan ook noodzakelijk. Uw Raad stelt dat het niet opmaken van een plan-MER in het kader van de totstandkoming van een plan of programma, wanneer dit verplicht is, de wettigheid van het plan aantast (…). Conform de artikelen 2 tot en met 8 van het Besluit van 18 april 2008, betreffende het integratiespoor voor de MER, moest een plan-MER zijn opgemaakt uiterlijk op het moment van de verzending van de stukken van het voorontwerp van RUP naar de plenaire vergadering. Dit is niet gebeurd, en dus zijn de voornoemde bepalingen evenzeer geschonden. Zelfs indien er in casu geen MER-plicht zou zijn, quod certe non, dan is voornoemde bepaling nog geschonden. Nergens blijkt uit de bestreden beslissingen, of uit de documenten van de procedure tot opmaak van het RUP immers dat men zich zelfs maar de vraag heeft gesteld of er al dan niet een plan-MER diende te worden opgemaakt. Dit is strijdig met de ‘screeningsplicht’ uit artikel 4.2.1. DABM. 4.3 Bijzondere motiveringsplicht en zorgvuldigheidsbeginsel Het niet maken van een ‘passende beoordeling’ van de milieu-effecten op de Speciale Beschermingszone en het gebrek aan screening of er al dan niet een plan-MER diende te worden opgemaakt is trouwens ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht, zoals ook gewaarborgd in artikel 36ter §6 van het Decreet Natuurbehoud. Zo vereist het zorgvuldigheidsbeginsel dat een overheid op een zorgvuldige wijze haar besluitvorming voorbereidt, en dat zij dit doet op basis van alle voorhande zijnde feitelijke en juridische gegevens. Het niet nagaan of aan alle feitelijke en procedurele vereisten is voldaan, is dan ook onzorgvuldig. Tevens vereist de motiveringsplicht dat de juridische en feitelijke elementen op basis waarvan de beslissing gesteund is, vervat liggen in het dossier. Door niet te motiveren waarom zij van oordeel zou zijn dat desgevallend geen ‘betekenisvolle aantasting’ van de Speciale Beschermingszone zou voorliggen, of waarom zij van oordeel zou zijn dat geen plan-MER nodig is (zo zij dit al onderzocht zou hebben...), zijn deze beginselen geschonden. Het zij trouwens opgemerkt dat terzake ook een bijzondere motiveringsplicht geldt, ingevolge artikel 36ter §6 Decreet Natuurbehoud; ‘§ 6. De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, rekening X-14.595-14/24 met het goedgekeurde milieu-effectrapport, de passende beoordeling of het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. De overheid motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten: 1° de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven; 2° de aanvaardbaarheid van de te verwachten betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone; 3° de in het milieu-effectrapport, in de passende beoordeling of de in het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud voorgestelde compenserende maatregelen en actieve instandhoudingsmaatregelen.’ De bestreden beslissing bevat geen motivering over geen enkel van de aangehaalde punten in dit artikel, en is er dus mee strijdig. Het eerste middel is ernstig en gegrond”. 5.2. De eerste verwerende partij repliceert hierop, samengevat, dat het “van bij aanvang duidelijk (was) dat er geen plan-MER-plicht bestond, reden waarom geen enkele adviesverlenende of goedkeuring verlenende instantie daarover melding maakt” en dat “de mogelijke ‘betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone’ (…) wel degelijk (
- is)besproken”. Zij verwijst daarvoor naar het advies van het agentschap voor Natuur en Bos “(mail 8 oktober 2009)”, waaruit blijkt “dat er voor de vleermuizenhabitat geen betekenisvolle aantasting ontstaat door de aanleg van de voetgangers- en fietsersweg, indien niet wordt voorzien in verlichting en laanbeplanting”. Tevens stelt zij dat de verordenende voorschriften van het RUP daaraan tegemoet komen, zodat er van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen sprake kan zijn. Ten slotte stelt de eerste verwerende partij dat, indien een plan of programma niet onderworpen is aan de verplichting tot milieueffectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de plan-MERrichtlijn, de administratieve overheid steeds het advies vraagt van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud, en dat dit is gebeurd. 5.3. De tweede verwerende partij repliceert in dezelfde zin. X-14.595-15/24 Beoordeling 6.1.1. Artikel 4.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : DABM) luidt als volgt : “Dit hoofdstuk is van toepassing op ieder plan of programma dat het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project. Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op ieder plan of programma, waarvoor, gelet op het mogelijke effect op gebieden, een passende beoordeling vereist is uit hoofde van artikel 36ter, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu”. 6.1.2. Artikel 4.2.3, § 1 DABM luidt als volgt : “Het plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, wordt, alvorens het kan worden goedgekeurd, aan een milieu-effectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk”. Artikel 6, leden 3 en 4 van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora (hierna: de habitatrichtlijn) luidt als volgt : “3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden. 4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten X-14.595-16/24 die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd”. Artikel 6, lid 3 van de habitatrichtlijn is omgezet in het interne recht in artikel 36ter, §§ 3 en 4 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: het decreet natuurbehoud). Artikel 36ter, §§ 3 en 4 van het decreet natuurbehoud luidt als volgt : “§ 3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. De verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van de vergunningsplichtige activiteit een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling. Voor een plan of programma zoals gedefinieerd in artikel 4.1.1, § 1, 4°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, alsook de wijziging ervan, waarvoor, gelet op het betekenisvolle effect op een speciale beschermingszone, een passende beoordeling is vereist, is hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid van toepassing. Indien een vergunningsplichtige activiteit overeenkomstig artikel 4.3.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid onderworpen is aan de verplichting tot opmaak van een project-MER, wordt overeenkomstig hoofdstuk III van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid een project-MER opgemaakt. Bij de opmaak van het plan-MER of het project-MER zal de passende beoordeling worden geïntegreerd in respectievelijk het plan-MER of het project-MER, dat respectievelijk wordt opgesteld overeenkomstig hoofdstuk II of hoofdstuk III van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De Vlaamse Regering kan nadere regels van integratie en herkenbaarheid van de passende beoordeling in het milieueffectrapport bepalen. Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma niet onderworpen is aan de verplichting tot milieu-effectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project-MERrichtlijn of X-14.595-17/24 de plan-MERrichtlijn, vraagt de administratieve overheid steeds het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de inhoud en de vorm van de passende beoordeling. § 4. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan”. Artikel 2, 30° van het decreet natuurbehoud definieert “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als volgt: “een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)of de habitat(
- s)waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone”. 6.1.3. Uit de voormelde bepalingen volgt dat, zodra een plan of programma een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dit plan of programma dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. Voor dergelijk plan of programma dient prima facie tevens een plan-MER te moeten worden opgemaakt. Overeenkomstig artikel 36ter, § 3, 6e lid van het decreet natuurbehoud zal de passende beoordeling worden geïntegreerd in het plan-MER. 6.2. Het wordt niet betwist dat het bestreden GRUP “Het Ravenhof” deels betrekking heeft op het Habitatrichtlijngebied “Historische fortengordels van Antwerpen als vleermuizenhabitat”. Dit Habitatrichtlijngebied werd bij besluit van 24 mei 2002 van de Vlaamse regering tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de X-14.595-18/24 natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermingszones, voorgesteld als speciale beschermingszone. De Steentjesdreef, in het GRUP “Het Ravenhof” voorzien als zone voor toegangsdreef naar het kasteel Ravenhof, loopt dwars door deze speciale beschermingszone. Het dient dan ook te worden onderzocht of in casu, op grond van de voormelde bepalingen, een “passende beoordeling”, en dus tevens een plan-MER, diende te worden opgesteld. 6.3.1. Overeenkomstig artikel 36ter, § 3, 1e lid van het decreet natuurbehoud dient voor elk “plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken”, “een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone” te worden opgemaakt. Hiervoor volstaat het, volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat “de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat dit plan (…) significante gevolgen heeft voor het gebied”. In het bijzonder “bestaat dit risico wanneer op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het plan of project significante gevolgen heeft voor het gebied” (H.v.J., 7 september 2004, C-127/02). 6.3.2. In casu wordt door de verwerende partijen op het eerste gezicht niet aangetoond dat dergelijk risico niet bestaat. Vooreerst verwijzen zij naar het “advies” van het agentschap voor Natuur en Bos van 8 oktober 2009. In zoverre deze officieuze e-mail van één van de medewerkers van het agentschap voor Natuur en Bos kan worden beschouwd als een volwaardig advies in de opmaakprocedure van een GRUP, blijkt hieruit prima facie niet dat “kan worden uitgesloten dat het plan of project significante gevolgen heeft voor het gebied”. Deze e-mail stelt immers het volgende: X-14.595-19/24 “Mijn inschatting is dat de nieuwe Steentjesdreef – voor zover niet verlicht en voorzien van laanbeplanting – eerder positief dan negatief zal uitdraaien voor vleermuizen. Er wordt immers een nieuw lineair element gecreëerd dat als ’t voldoet aan bovenstaande voorwaarden als verbindingselement kan dienen. Voor de inrichting van de brug over ATG is het belangrijk dat ATG niet verlicht wordt, anders verliest ze aan kwaliteit vanuit standpunt van de vleermuizen (vleermuizen mijden licht, behalve dwergvleermuizen die je wel eens rond lantaarnpalen ziet jagen)”. Het loutere feit dat in dit advies zelf reeds voorwaarden worden vooropgesteld wat betreft de verlichting -zijnde dat er geen verlichting mag zijn-, en de laanbeplanting van de Steentjesdreef, lijkt er op te wijzen dat er sprake kan zijn van een mogelijks betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone en gevolgen voor de staat van instandhouding van de beschermde soorten die deels binnen het GRUP “Het Ravenhof” gelegen is. Ook artikel 4.3 van de stedenbouwkundige voorschriften bij het bestreden GRUP, dat “specifiek voor verlichting” voorziet in de “uitsluiting van lichtpollutie door een sterk afgekaderde uitstraling”, lijkt eerder het vermoeden te bevestigen dat er wel degelijk sprake kan zijn van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone. Bovendien lijkt dit stedenbouwkundig voorschrift niet, daargelaten het feit dat het in vage bewoordingen is geformuleerd, zoals de eerste verwerende partij beweert, tegemoet te komen aan de problematiek zoals opgeworpen in het “advies” van het agentschap voor Natuur en Bos, maar er eerder haaks op te staan, nu het stedenbouwkundig voorschrift wèl in verlichting voorziet, zij het met een “sterk afgekaderde uitstraling”. Er dient dan ook te worden vastgesteld dat, nu de verwerende partijen prima facie niet aantonen dat “op grond van objectieve gegevens (…) kan worden uitgesloten” dat het GRUP “Het Ravenhof” een betekenisvolle aantasting kan veroorzaken van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone “Historische fortengordels van Antwerpen als vleermuizenhabitat”, er wel degelijk grond toe bestond om, overeenkomstig artikel 4.2.1 DABM en artikel 36ter, § 3 van het decreet natuurbehoud, een passende beoordeling, en dus tevens een plan-MER op te maken. Het middel is ernstig. X-14.595-20/24 B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 7. De verzoekende partijen omschrijven hun moeilijk te herstellen ernstig nadeel als volgt : “Art. 8 van het Koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt: ‘Het enig verzoekschrift bevat, naast de vermeldingen die worden opgesomd in artikel 2 van de algemene procedureregeling : 3° een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op (dergelijk) nadeel aantonen;’ (…) De onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan verzoekende partij een moeilijk te herstellen (ernstig) nadeel berokkenen. Aldus heeft de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing moeilijk te herstellen ernstige nadelen in hoofde van verzoekende partijen tot gevolg. Vooreerst bestaat dit nadeel in de onteigening van de percelen 36W en 36Y op basis van het onteigeningsplan bij dit RUP. Zo dit onwettige RUP niet wordt geschorst, zullen verzoekende partijen beroofd worden van hun eigendommen. De aanleg van een parking van 200 parkeerplaatsen heeft tot gevolg dat er een aanzienlijke hinder wordt veroorzaakt ten opzichte van de woning die verzoekende partij onder 6 bewoont, en die in eigendom is van overige verzoekende partijen, en die gelegen is op het kadastrale perceel 35 S en 36 P. Het uitgangspunt van het RUP is immers dat de Kasteeldreef de primaire toegangsweg wordt tot het kasteel en dat wandelaars en bezoekers hun wagens kunnen plaatsen op de parking of kunnen worden afgezet aan de ‘kiss & ride’ zone vooraan de parking. De parking heeft een verkeersaanzuigend effect. Dit zal tot gevolg hebben dat er een aanzienlijke toename zal zijn van de verkeersbewegingen in de Plantinlaan en deze is hierop niet voorzien. De Plantinlaan is immers een smalle woonstraat ten behoeve van een woonwijk, die thans vrij weinig gebruikt wordt. De scheiding tussen deze straat en de Kasteeldreef bestaat thans uit een vrij gevaarlijke rotonde, en het kruispunt is niet voorzien op de vele wagens die op -en af de parking rijden. Het RUP besteedt hier geen enkele aandacht aan, maar is enkel gefocust op de ligging van de parking nabij een woonwijk. Of de infrastructuur en de wegenis van de woonwijk voorzien zijn op een parking van 200 wagens, is nooit onderzocht! Verkeershinder is echter niet het enige. Ook is er sprake van geluidshinder. Het RUP voorziet immers slechts een bufferzone van ongeveer 10 meter tussen de parking en de woning van verzoekende partijen. Ook kan verwacht worden dat de parking, die niet zichtbaar zal zijn voor de bewoners van de Plantinlaan, aanzienlijke veiligheidsproblemen zal X-14.595-21/24 meebrengen. Ze is immers amper verlicht. Ook werden de suggesties van de GECORO om de te verwachten veiligheidsproblemen op de parking tegen te gaan, niet weerhouden in de stedenbouwkundige voorschriften van de bufferzone. De GECORO had immers voorgesteld om bijkomende garanties op te nemen om een oneigenlijk gebruik van de parking tegen te gaan, zoals een verbod om er te overnachten, een verbod om er vrachtwagens te stallen, het aanbrengen van een permanente buffer met blijvend groen in zomer en winter etc. (…). Zonder enige motivering werden deze veiligheidsmaatregelen niet opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften, zodat moet geconcludeerd worden dat verwerende partijen geen aandacht hebben gehad voor de imminente dreiging qua veiligheid op de verlaten en onverlichte parking. Om die reden veroorzaakt de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen aan verzoekende partijen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel”. Beoordeling 8.1. De zesde verzoeker heeft blijkens de bij het verzoekschrift gevoegde schenkingsakte van 17 maart 2005 een “levenslang recht van bewoning (…) met betrekking tot de eigendommen sub 1 en 2”, zijnde de percelen nrs. 35/s en 36/p. 8.2. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de geplande parking, welke plaats zal bieden voor een 200-tal parkeerplaatsen, slechts van de percelen die de zesde verzoeker bewoont, zal gescheiden zijn door een groenbuffer van 10 meter breed. Gelet op de geringe afstand tussen de percelen die de zesde verzoeker bewoont en de geplande parking enerzijds, en gelet op de omvang van de geplande parking anderzijds, maakt de zesde verzoeker in de gegeven omstandigheden aannemelijk dat, ook al wordt volgens de stedenbouwkundige voorschriften in een “ondoordringbare levende groenaanplanting” van minimaal 3 meter voorzien, zijn woon- en leefklimaat ingevolge geluidshinder veroorzaakt door de verkeersbewegingen op de parking, in ernstige mate dreigt te worden aangetast. In tegenstelling tot wat de verwerende partijen voorhouden, vermag de omstandigheid dat “het achterste gedeelte van het perceel 35S bebost is en dat het perceel 36S ook volledig bebost is”, daar niets aan te veranderen. Ook de tweede schorsingsvoorwaarde is vervuld. X-14.595-22/24 Er is in de huidige stand van het geding geen noodzaak om te onderzoeken of ook in hoofde van de eerste vijf verzoekende partijen aan deze voorwaarde is voldaan. Er is voldaan aan de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten te bevelen. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van: a. het besluit van 1 april 2010 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Ravenhof”, definitief vastgesteld door de gemeenteraad van Stabroek in zitting van 21 december 2009, wordt goedgekeurd, b. het besluit van 21 december 2009 van de gemeenteraad van Stabroek waarbij het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan nr. 6 “Het Ravenhof” definitief wordt vastgesteld en waarbij het onteigeningsplan deelplan 1 “Kasteel Ravenhof” en deelplan 2 “Steentjesdreef” tot realisatie van het ruimtelijk uitvoeringsplan definitief worden vastgesteld, en c. de onteigeningsplannen gevoegd bij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Ravenhof”. 2. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste geschorste besluit. X-14.595-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-14.595-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.930 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.920 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div