id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.997 Rolnummer: A. 198466/XII-6437 Zaak: Arrest 209997 - Examens (onderwijs) - 21/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-23 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:35 Fiche Arrest nr 209.997 van 21 december 2010 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 209.997 van 21 december 2010 in de zaak A. 198.466/XII-6437 In zake: Sylvester DECLERCQ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Vanlerberghe en Bert Verhaeghe kantoor houdend te Izegem Kasteelstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SCHOLENGROEP SINT-MICHIEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Jochen Honnay kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 9 december 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 16 november 2010 van de delibererende klassenraad van het Vrij Technisch Instituut te Roeselare, waarbij aan Sylvester Declercq een oriënte- ringsattest C wordt toegekend en van de “impliciete, doch pertinente weigerings- beslissing” om aan Sylvester Declercq een “A-attest” (versta: een diploma) toe te kennen. Met hetzelfde verzoekschrift vordert verzoeker ook nog dat de Raad van State onder verbeurte van een dwangsom zou bevelen dat de delibere- XII-6437- 1/9 rende klassenraad over hem een nieuwe beslissing neemt, uiterlijk acht dagen na het schorsingsarrest. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 december 2010, om 10.30 uur. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bert Verhaeghe, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jochen Honnay, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend ad- vies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Het voorliggende geschil heeft een voorgeschiedenis die aan- leiding gaf tot twee eerdere schorsingsarresten, waarnaar kortheidshalve naar verwezen wordt: het zijn de arresten nr. 207.405 van 17 september 2010 en nr. 208.067 van 12 oktober
- XII-6437- 2/9 Na het schorsingsarrest van 12 oktober 2010, wordt verzoeker uitgenodigd voor een nieuwe presentatie van zijn geïntegreerde proef (GIP) aan de jury op 10 november
- De delibererende klassenraad komt vervolgens opnieuw samen op 16 november 2010 en beslist andermaal om aan verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen. Dit is de thans bestreden beslissing. Ze wordt aan verzoeker ter kennis gebracht met een aangetekende brief van -vrijdag- 19 november
- Verzoeker erkent die brief op –maandag- 22 november 2010 te hebben ontvangen. IV. Ontvankelijkheid
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door verwe- rende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie met betrekking tot het tweede bestreden voorwerp uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoor- waarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, '' 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen ver- antwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van verzoeker XII-6437- 3/9
- Verzoeker merkt in verband met de eerste schorsingsvoorwaarde op dat hij “[i]n de huidige omstandigheden” een schooljaar dreigt te verliezen, dat hij zich niet kan inschrijven voor een richting aan “de hogeschool”, “bv. Graduaat bouwkunde” en dat hij “finaal zonder diploma op de arbeidsmarkt [dreigt] te ko- men”. Het diploma Bouwtechnieken TSO “opent immers onmiddellijke en con- crete perspectieven”, want het verleent de startkwalificatie van bouwploegbaas en laat leerlingen ook voldoende voorbereid zijn om vervolgonderwijs van het korte type aan te vatten. Een uitspraak volgens de gewone vordering tot schorsing zou volgens verzoeker onherroepelijk te laat komen om nog met succes “voormelde dreigende risico’s (verlies school/studiejaar, instap op de arbeidsmarkt zonder diploma”) het hoofd te bieden. Verzoeker dreigt een volledig schooljaar te ver- liezen. Verzoeker verwijst in dat verband nog naar de vaste rechtspraak van de Raad van State en in het bijzonder nog naar de twee arresten die eerder over zijn zaken werden geveld. Verzoeker stelt ook –het weze niet onder de rubriek “uiterst dringende noodzakelijkheid” maar onder de rubriek omtrent de ontvankelijkheid van de vordering- dat hij zijn vordering “met vereiste spoed, diligentie en alertheid” heeft ingesteld, “mede rekening houdend met de periode die verwerende partij nodig had om na het schorsingsarrest van 12 oktober 2010 een nieuwe beslissing (C-attest) te nemen (16 november 2010, waarvan verzoekende partij op 22 november 2010 kennis genomen heeft)”. Beoordeling
- Een verwijzing naar het dreigend verlies van een schooljaar wordt “in beginsel” aanvaard om deze voorwaarde vervuld te achten. Dit impliceert niet dat het beginsel geen uitzonderingen duldt, wegens de bijzondere omstandigheden die nu eenmaal aan een zaak eigen kunnen zijn. De toepassing van de procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid, die de uitoefening van de rechten van verde- diging en het onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt, kan alleen XII-6437- 4/9 worden aanvaard indien de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure te laat zal komen omdat het nadeel door het verloop van de tijd onher- stelbaar zal zijn geworden én op voorwaarde dat de eisende partij -die haar nadeel immers zo ziet dreigen dat zij zelfs de gewone schorsing niet kan afwachten- al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mo- gelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. 8.
- Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt aldus mede afgemeten naar de haast die de verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid – met “spoed, diligentie en alertheid”, zoals verzoeker terecht opmerkt - de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon ka- rakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is een gegeven dat bijgevolg vervat is in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en is een dwingende vereiste die vervuld moet zijn opdat de Raad van State een verzoekende partij mag toelaten tot de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 8.
- De bestreden beslissing is aan verzoeker ter kennis gebracht met een aangetekende brief van vrijdag 19 november
- Hij verklaart deze op maandag 22 november 2010 ontvangen te hebben. Die beslissing is niet zomaar een beslissing die plots of onverwachts over hem is genomen. Ze is het resultaat van een heroverweging die verzoeker zélf heeft afgedwongen door –tot tweemaal toe- bij de Raad van State de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van een eerdere be- slissing te vorderen. Daaruit volgt vooreerst dat verzoeker een antwoord, in de ene of de andere zin, mocht verwachten. Dit geldt des te meer, nu verzoeker op 10 november 2010 voor de GIP-jury is verschenen en hij dus moest weten dat een nieuwe XII-6437- 5/9 eindbeslissing nakende was. Zijn beschrijving van de wijze waarop hijzelf het verloop van die nieuwe verdediging van zijn GIP-proef heeft ervaren, waaraan hij in zijn verzoekschrift zelfs een grief ontleent, bevestigt overigens dat ook de strekking van de nieuwe beslissing voor verzoeker alleszins geen complete ver- rassing kon zijn. Daaruit volgt eveneens dat verzoeker vertrouwd is met deze uitzon- deringsprocedure bij de Raad van State en evident ook met zijn zaak. Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift overigens zelf toe dat “[d]e verdere uitwerking van [de] motieven in de beslissing van 16 november 2010 […] niet wezenlijk [verschilt] van de motieven in de eerdere beslissing van 23 september 2010 […]”. 8.
- Niettemin heeft verzoeker de voorliggende vordering pas op 9 de- cember 2010 -dus zeventien dagen later- ingesteld. In zijn verzoekschrift geeft verzoeker voor dit dralen geen enkele verantwoording, behalve dan het feit dat de thans bestreden beslissing dateert van 16 november 2010, terwijl het schorsingsarrest de datum van 12 oktober 2010 draagt. Uit de stukken waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt evenwel dat verzoeker zélf gevraagd heeft om pas op 13 november 2010 voor de GIP-jury te moeten verschijnen, daar waar verwerende partij hem ook de mogelijkheid had gelaten om de nieuwe verdediging van de GIP al op 27 oktober 2010 te doen plaatsvinden. Om die reden alleen al, gaat de redenering van verzoeker niet op. 8.
- Dat de Raad van State in de eerdere zaken van verzoeker de voor- waarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid wel heeft aangenomen, betekent dan weer niet dat verzoeker daaruit enig recht kan putten voor de thans voorlig- gende vordering. Immers, in de eerste zaak heeft verzoeker zijn vordering inge- steld binnen elf dagen en in de tweede zaak zelfs binnen vijf dagen na de kennis- geving van de beslissingen. Bovendien vordert het schooljaar onherroepelijk, en dus de omvang van het dreigende nadeel, hetgeen verzoeker net tot minder talmen moet aanzetten. XII-6437- 6/9 9.
- Waar het dralen van verzoeker alzo reeds ernstige twijfel doet rijzen bij het waarachtig karakter van de uiterst dringende noodzakelijkheid, is zijn uit- eenzetting in het inleidend verzoekschrift met betrekking tot deze schorsings- voorwaarde voor een antwoord op die twijfel bepalend. 9.
- Verzoeker herinnert in zijn uiteenzetting aan de vaste rechtspraak omtrent het dreigend verlies van een schooljaar. Niettegenstaande het gegeven dat dit schooljaar thans al een heel eind is gevorderd, blijft verzoeker het in zijn feite- lijke uiteenzetting houden op algemeenheden. Waar dit nog begrepen kan worden ten tijde van zijn eerdere vorderingen, ingesteld op 10 september 2010 en 2 oktober 2010, wanneer het hoger onderwijs nog niet, respectievelijk amper van start is gegaan, mag thans stilaan wel een grotere duidelijkheid en precisie volgen over het nadeel dat verzoeker middels een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wenst te weren. Er mag worden verwacht dat verzoeker opheldering verschaft over de concrete ambities die hij koestert en op welke wijze hij daarin wordt gefrus- treerd door de bestreden beslissing, ten einde de Raad van State toe te laten zich over de noodzaak van de ingeslagen procedureweg een gedegen oordeel te vormen. Daarenboven mag van een verzoekende partij, zoals aangegeven sub 7, ook een redelijke inspanning worden gevraagd om in de mate van het mogelijke het aldus geconcretiseerde dreigende nadeel te keren. 9.
- Toegepast op de voorliggende zaak, betekent dit dat verzoeker niet meer op louter hypothetische wijze mag alluderen op een verlies van een school- jaar en mag opperen dat hij misschien wel zou willen voortstuderen, “bv. Graduaat bouwkunde”, én tegelijk zijn verminderde kansen op de arbeidsmarkt aanvoeren. Verzoeker lijkt maar geen keuze te kunnen maken tussen voortstuderen of op de arbeidsmarkt treden met een passend diploma. Bovendien, wat het voortzetten van de studies betreft, blijft verzoeker vaag over de studies die hij “bv” zou willen volgen en moet worden vastgesteld dat verzoeker, die het desbetreffende jaar niet overdoet, beweert noch aantoont dat hij XII-6437- 7/9 -al was het maar voorlopig en voorwaardelijk- is ingeschreven in een vervolgop- leiding. Evenmin beweert verzoeker op concrete wijze dat een welbepaalde in- schrijving hem is ontzegd geworden. Ook blijkt niet dat hij van plan zou zijn deel te nemen aan examens van de centrale examencommissie. Wat dan weer de toegang tot de arbeidsmarkt betreft, blijkt uit de stukken van het administratief dossier, ter terechtzitting bevestigd door verzoekers raadsman, dat die in het geheel niet versperd is voor verzoeker, maar dat hij thans wel degelijk aan het werk is. Misschien –want de Raad wordt erover niet ingelicht- heeft verzoeker job die financieel of inhoudelijk minder interessant is dan wat hij zou kunnen met het begeerde einddiploma, maar dit komt voor als een nadeel waarvan alleszins niet duidelijk is waarom verzoeker het enkel met een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan keren.
- Kortom, het tijdsverloop dat verzoeker liet verstrijken tussen de kennisgeving van de bestreden beslissing en het instellen van zijn vordering, af- gewogen in samenhang met de allesbehalve overtuigende wijze waarop verzoeker zich gedraagt overeenkomstig het voordeel dat hij van de vordering verwacht, houden in deze omstandigheden de negatie van de uiterst dringende noodzake- lijkheid in.
- Er is dan ook niet voldaan aan ten minste één van de voorwaar- den gesteld in artikel 17, §' 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. XII-6437- 8/9 VI. Voorlopige maatregelen
- De voorgaande vaststelling heeft noodzakelijk tot gevolg dat ook het verzoek tot opleggen van voorlopige maatregelen onder verbeurte van een dwangsom verworpen moet worden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vorderingen.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 december 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6437- 9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.997 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.345 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.010 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.