id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.056 Rolnummer: A. 194700/XIV-31650 Zaak: Arrest 210056 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-21 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:35 Fiche Arrest nr 210.056 van 22 december 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 210.056 van 22 december 2010 in de zaak A. 194.700/XIV-31.650. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN BELLINGEN, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Jaargetijdenlaan 54 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 23 november 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 32.807 van 19 oktober 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 5169 van 11 januari 2010 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 juli 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2010; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-31.650-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. HENDRIX, die loco advocaat K. VAN BELLINGEN verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat M. JOPPEN, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.1. Overwegende dat de verzoekende partij zich op 5 januari 2009 in België vluchteling verklaart; dat bij de behandeling van de asielaanvraag uit een onderzoek van de vingerafdrukken blijkt dat de verzoekende partij op 29 oktober 2008 al in Griekenland werd geregistreerd; Overwegende dat België op 1 april 2009 een aanvraag tot overname bij de Griekse autoriteiten indient; dat, bij gebrek aan antwoord, België op 4 juni 2009 aan de Griekse autoriteiten meedeelt dat hun land wegens het verstrijken van de antwoordtermijn als verantwoordelijke lidstaat moet worden beschouwd; dat de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid eveneens op 4 juni 2009 een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten neemt; 1.2. Overwegende dat de verzoekende partij op 30 juni 2009 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de verzoekende partij op 21 juli 2009 onder escorte aan de Griekse autoriteiten wordt overgedragen en sedertdien in Griekenland zou verblijven; Overwegende dat het annulatieberoep een eerste maal op de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 25 september 2009 wordt behandeld; dat de zaak tot de terechtzitting van 9 oktober 2009 wordt uitgesteld om de dominus litis toe te laten te antwoorden op de vraag naar het belang van de verzoekende partij; dat, blijkens het P.V. van de openbare terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 9 oktober 2009, de waarnemende voorzitter “een schriftelijk stuk (vraagt) waaruit de actuele instructies van de verzoekende partij aan haar advocaat blijkt” en “wijst op de bevoegdheid van de Raad om die informatie die hij nuttig en nodig acht op te vragen”; dat de verzoekende partij “hierop volhardt in het belang en weigert in te XIV-31.650-2/14 gaan op de vraag van de voorzitter omwille van een deontologisch probleem; (zij) stelt dat de relatie tussen cliënt en advocaat horen tot het beroepsgeheim”; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 19 oktober 2009 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “Dat de bestreden beslissing immers in haar motivering stelt betreffende de ontvankelijkheid: “Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat verzoeker op 21 juli 2009 onder escorte werd gerepatrieerd. Geconfronteerd met dit gegeven en de vraag naar het belang van verzoeker, stelt de advocaat die namens de dominus litis optreedt dat hij enkel de instructie heeft gekregen om te verwijzen naar het verzoekschrift. Op de terechtzitting wordt de zaak uitgesteld teneinde aan de dominus litis toe te laten te reageren op deze vaststelling. Een gedwongen terugleiding naar het land van herkomst leidt niet automatisch tot het verlies van belang bij het beroep tot nietigverklaring dat een asielzoeker heeft ingesteld tegen een beslissing tot weigering van verblijf. Evenwel dient het rechtens vereiste actueel belang door de Raad te worden onderzocht na repatriëring van verzoeker. Ter terechtzitting van 9 oktober 2009 betwist de dominus litis niet dat verzoeker werd gerepatrieerd maar stelt hij enkel dat zijn cliënt nog steeds belang heeft bij de door hem ingeleide annulatieprocedure. In het Vreemdelingencontentieux is het een absolute noodzaak om dossiers te actualiseren. Alle partijen dienen daartoe op een correcte, loyale en ernstige wijze hun medewerking te verlenen. Het belang moet bestaan op het ogenblik waarop de vordering wordt ingeleid en op het ogenblik waarop de zaak wordt behandeld. De dominus fitis bewijst niet dat hij nog steeds instructies heeft van zijn cliënt om in rechte op te treden. Verzoeker getuigt niet van het rechtens vereist actueel belang wanneer hij niet aantoont dat hij na zijn repatriëring nog instructies overmaakt aan zijn advocaat om hem te vertegenwoordigen ter terechtzitting en om zijn belangen te behartigen en te verdedigen. (Rvs 14 maart 2005, nr. 141 950, Rvs 4 januari 2005, nr. 138 921, Rvs 6 december 2004, nr. 138 066). Desbetreffend werd gen stuk neergelegd waaruit blijkt dat verzoeker volhardt in het door hem ingeleide beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Alleen een partij kan beslissen of zij volhardt in haar beroep en niet de lasthebber. Evenmin wordt uitgelegd hoe en wanneer de verzoeker voor het laatst instructie gaf aan zijn advocaat. Ter terechtzitting schermt de advocaat van verzoeker met begrippen zoals de deontologie, het mandaat ad litem en het beroepsgeheim tussen de advocaat en zijn cliënt, doch weigert ook maar enige verduidelijking bij te brengen aangaande de eventuele contacten tussen hem en verzoeker. Uit de houding van verzoekers advocaat op de zitting en de weigering om ook maar enige duidelijkheid te verschaffen aangaande de actuele instructies van verzoeker, kan niet worden afgeleid dat er nog enig contact bestaat tussen verzoeker en zijn advocaat. Het vermoeden van mandaat ad litem wordt teniet gedaan door de periode die is verlopen tussen het tijdstip van de repatriëring, met name 21 juli 2009 en de datum van de terechtzitting met name 9 oktober 2009. Het optreden van een advocaat ter terechtzitting in het Vreemdelingenrecht verwordt soms tot een onaanvaardbaar XIV-31.650-3/14 automatisme dat indruist tegen de principes van lastgeving en tegen de regels van de deontologie eigen aan het beroep van advocaat. Aangezien uit geen enkel element van het rechtsplegingsdossier blijkt dat er nog enig contact was tussen advocaat en zijn cliënt voor de zitting van vrijdag 9 oktober 2009 en dit vaststaand gegeven wordt gekoppeld aan de niet betwiste omstandigheid dat betrokkene reeds sedert 21 juli 2009 werd gerepatrieerd naar Griekenland, besluit de Raad ambtshalve dat uit wat voorafgaat blijkt dat de verzoeker niet doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang bij het door hem ingediende beroep, zodat dit onontvankelijk is.” Dat de bestreden beslissing duidelijk een schending inhoudt van art 440 Ger.W. dat bepaalt "Vóór alle gerechten, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, hebben alleen de advocaten het recht te pleiten. De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist." Dat de raadsman van verzoeker heeft op de zitting d.d. 9.10.2009 duidelijk gesteld dat zij haar mandaat niet diende en mocht bewijzen aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omwille van art. 440 Ger.W. maar ook omdat dergelijke eis van de Raad tot bewijs van het mandaat van een advocaat optredend voor een natuurlijke persoon een schending zou inhouden van de op de advocaat rustende verplichting tot respecteren van zijn beroepsgeheim sanctioneerbaar overeenkomstig art. 458 Sw; Dat de raadsman van verzoeker overigens op de zitting heeft gevraagd om deze zitting te schorsen teneinde zijn Stafhouder te laten oproepen indien op deze vraag tot bewijs van zijn mandaat verder moest worden ingegaan waarop de raadsman van verzoeker ook verzocht het gebeuren te acteren op het zittingsblad; Dat de motivering van de bestreden beslissing en de houding van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onbetwistbaar een aantasting zijn van het beroepsgeheim van de advocaat; Dat de Raad van State bij het eisen van bewijzen van contacten tussen verzoeker en haar raadsman na zijn gedwongen repatriëring art. 440 Ger.W. schendt; Dat de bestreden beslissing de betekenis van het mandaat ad litem schendt door te stellen dat de periode tussen de repatriëring en de zitting verlopen het vermoeden van het mandaat ad litem tenietdoet; Dat het vermoeden van het advocaat ad litem blijft bestaan tot het mandaat door de cliënt uitdrukkelijk wordt herroepen; Dat de bestreden beslissing overigens het mandaat van verzoeker als natuurlijke persoon nooit betwist wat betreft het ogenblik van het inleiden van de annulatieprocedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Dat er ook minstens een schending is van het redelijkheidsbeginsel; Dat het weerlegbaar vermoeden van het mandaat van een advocaat zich overigens enkel uitstrekt tot de vraag naar de geldigheid van de interne besluitvorming en vertegenwoordiging tijdens bij de rechtspleging en waarbij de bewijslast ligt bij de persoon die de geldigheid betwist (Antwerpen, 14.12.2004, NjW 2006, afl. 139, 263, noot Peeters. N.); Dat in casu de procedure die wordt gevoerd door de raadsman van verzoeker namens een natuurlijke persoon wordt gevoerd; Dat in een arrest van het Arbitragehof nr. 42/98 d.d. 22 april 1998 (rolnummer 1049) m.b.t. een prejudiciële vraag van de Raad van State betreffende de interpretatie van art. 440 Ger.W. en het verschil dat hierbij wordt gehanteerd tussen natuurlijke personen en rechtspersonen m.b.t. het bewijs van het mandaat van de advocaat, een schending zou inhouden van het gelijkheidsbeginsel door de Grondwet werd beslist (eigen onderlijning): Arrest nr 42/98 van 22 april 1998 Rolnummer 1049 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Raad van State. Het arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève, en de rechters H. Boel, P. Martens, J. Delruelle, G. De Baets, E. Cerexhe, H. Coremans, A. Arts en R. Henneuse, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest: I. Onderwerp van de prejudiciële vragen Bij arrest nr. 63.274 van 22 november 1996 in zake de g.c.v. Madibel en E. Peeters tegen de gemeente Messancy en de Belgische Staat, XIV-31.650-4/14 waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 februari 1997, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld: « Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden door artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek voor zover dat artikel aldus wordt geïnterpreteerd dat :
- a)het voor de ontvankelijkheid van een beroep ingesteld namens een vennootschap niet voldoende is dat het tijdig bij de Raad van State ingediende verzoekschrift tot nietigverklaring is ondertekend door een advocaat die voor rekening van die vennootschap handelt als niet het bewijs wordt geleverd dat de beslissing daartoe is genomen door het bevoegde orgaan of de bevoegde personen die de vennootschap vertegenwoordigen, terwijl het voor de ontvankelijkheid van een namens een natuurlijke persoon ingesteld beroep voldoende is dat het verzoekschrift door een advocaat namens die persoon is ondertekend en daarbij niet het bewijs behoeft te worden geleverd dat die persoon de beslissing daartoe heeft genomen;
- b)het voor de ontvankelijkheid van een beroep ingesteld namens een vennootschap, vertegenwoordigd door een college of door personen die gezamenlijk moeten handelen, niet voldoende is dat het tijdig bij de Raad van State ingediende verzoekschrift tot nietigverklaring is ondertekend door een advocaat die voor rekening van die vennootschap handelt als niet het bewijs wordt geleverd dat de beslissing daartoe is genomen door het orgaan of de personen die de vennootschap vertegenwoordigen, terwijl het voor de ontvankelijkheid van een beroep ingesteld namens een vennootschap die door één enkele persoon wordt vertegenwoordigd voldoende is dat het verzoekschrift door een advocaat namens die vennootschap is ondertekend en daarbij niet het bewijs behoeft te warden geleverd dat die persoon de beslissing daartoe heeft genomen II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De gewone commanditaire vennootschap Madibel en E. Peeters vorderen voor de Raad van State de vernietiging van een beslissing van de gemeente Messancy van 4 november 1993 (en van 26 oktober 1993), alsmede van een advies van het Sociaal- Economisch Comité voor de Distributie van 30 september 1993. De eerste verzoekende partij is een gewone commanditaire vennootschap bestuurd door één enkele vennoot; naar luid van artikel 6 van haar statuten, kon enkel laatstgenoemde beslissen om het beroep tot vernietiging voor de Raad van State in te stellen. De Raad van State wijst erop dat de beslissing te dezen werd genomen door R. Deboeck, die geen vennoot is, en dat het verzoekschrift tot vernietiging is ondertekend door een advocaat. De eerste verzoekende partij vordert dan dat de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof wordt gesteld. De Raad van State oordeelt dat hij krachtens artikel 26, § 1, 3/, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof ertoe is gehouden de door de verzoekende partij opgeworpen vraag te stellen. III. De rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van 3 februari 1997 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen. Van de verwijzingsbeslissing is kennisgegeven overeenkomstig artikel 77 van de organieke wet bij op 24 februari 1997 ter post aangetekende brieven. Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 maart 1997. Memories zijn ingediend door: - de g.c.v. Madibel, waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1853 Grimbergen, Boechoutlaan 105, en E. Peeters. wonende te 54260 Longuyon (Frankrijk), rue Maréchal Joffre, bij op 9 april 1997 ter post aangetekende brief; - de Ministerraad, Wetstraat 16, 1000 Brussel, bij op 10 april 1997 ter post aangetekende brief. Van die memories is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet bij op 17 april 1997 ter post aangetekende brieven. Memories van antwoord zijn ingediend door de g.c.v. Madibel en E. Peeters, bij op 14 mei 1997 ter post aangetekende brief; - de Ministerraad, bij op 16 mei 1997 ter post aangetekende brief. Bij beschikkingen van 25 juni 1997 en 22 januari 1998 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot respectievelijk 3 februari 1998 en 3 augustus 1998. Bij beschikking van 21 januari 1998 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting XIV-31.650-5/14 bepaald op 11 februari 1998. Van die beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten bij op 22 januari 1998 ter post aangetekende brieven. Bij beschikking van 11 februari 1998 heeft voorzitter M. Melchior de zaak voorgelegd aan het Hof in voltallige zitting. Op de openbare terechtzitting van 11 februari 1998 zijn verschenen Mr. J. Temmerman, advocaat bij de balie te Gent en Mr. J.-P. Michel, advocaat bij de balie te Aarlen, voor de g.c.v. Madibel en E. Peeters; . Mr. K. Geens, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Delruelle en A. Arts verslag uitgebracht; zijn de voornoemde advocaten gehoord; is de zaak in beraad genomen. De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof. IV. In rechte A - Memorie van de gewone commanditaire vennootschap Madibel en van E. Peeters A.1.1. Uit de analyse van de prejudiciële vraag blijkt dat de Raad van State aan artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek de volgende interpretatie geeft : « Artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek is toepasselijk in het geval waarin een advocaat optreedt voor rekening van een natuurlijke persoon of voor een vennootschap die vertegenwoordigd is door één enkele persoon. Dit wil zeggen dat die advocaat niet moet doen blijken van een volmacht; hij hoeft niet te bewijzen dat zijn cliënt beslist heeft een beroep tot vernietiging in te stellen. Artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek is niet toepasselijk in het geval waarin een advocaat optreedt voor rekening van een vennootschap die vertegenwoordigd is door een collegiaal orgaan of door personen die gezamenlijk moeten handelen. Dit wil zeggen dat die advocaat moet aantonen dat zijn cliënt, die vertegenwoordigd wordt door een collegiaal orgaan of door personen die gezamenlijk moeten handelen, beslist heeft om een beroep tot vernietiging in te stellen. Beklemtoond moet worden dat de Raad van State, in dat laatste geval, niet van mening is dat een in artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde wet, die een bijzondere lastgeving eist, toepasselijk is. » A.1.2. Aldus opgevat maakt artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek een onderscheid dat op een objectief criterium steunt, namelijk het aantal natuurlijke personen die de beslissing moeten nemen om het beroep tot vernietiging in te stellen. Dat criterium kan evenwel niet objectief en in redelijkheid worden verantwoord. Die verantwoording « kan geen betrekking hebben op een vermeende vereiste dat de beslissing om een beroep tot vernietiging in te stellen daadwerkelijk uitgaat van de verzoekende partij ». De deontologie van de advocaat is te dien aanzien een voldoende waarborg. De verantwoording « kan evenmin betrekking hebben op een vermeende vereiste dat de beslissing om een beroep tot vernietiging in te stellen uitgaat van het bevoegde orgaan van de vennootschap». Weliswaar doet het probleem van de vertegenwoordiging zich niet op dezelfde wijze voor de natuurlijke personen, maar het zou tenminste op dezelfde wijze moeten worden geregeld voor alle rechtspersonen, ongeacht of zij al dan niet door één enkele persoon worden vertegenwoordigd. Voor de vertegenwoordiging van de rechtspersoon zijn het optreden van de advocaat en zijn deontologie ook voldoende waarborgen opdat de beslissing om een beroep in te stellen uitgaat van het bevoegde orgaan van de vennootschap. Tot slot kan de verantwoording geen betrekking hebben op de vraag of de beslissing is genomen binnen de termijn van zestig dagen, vermits een dergelijk onderzoek noodzakelijkerwijze ondergeschikt is aan de onderzoeken waarvan reeds sprake was. Het wettelijke vermoeden dat tot uitdrukking wordt gebracht in artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek hangt samen met artikel 848 van dat Wetboek betreffende de vordering tot ontkentenis van proceshandelingen. « De exceptie van ontstentenis van wettelijke vertegenwoordiging van de rechtspersoon kan enkel slagen ingeval die rechtspersoon zelf die ontstentenis van vertegenwoordiging aanvoert. A.1.3. Concluderend kan men stellen dat « bij ontstentenis van een specifieke wetsbepaling betreffende de rechtspersonen, de interpretatie die de Raad van State aan artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek heeft gegeven, een differentiatie bevat die niet kan worden verantwoord en die bijgevolg discriminerend is ». Memorie van de Ministerraad A.2.1. Blijkens zijn rechtspraak oordeelt de Raad van State dat het hem toekomt om, zelfs ambtshalve, de hoedanigheid te onderzoeken van de persoon die een verzoekschrift tot XIV-31.650-6/14 vernietiging indient, hetgeen voor een vennootschap erop neerkomt dat hij onderzoekt of tot de indiening van het verzoekschrift wel degelijk werd beslist door het bevoegde orgaan van de handelsvennootschap vóór het verstrijken van de termijn vastgesteld voor de indiening van het beroep, zelfs als het verzoekschrift is ondertekend door een advocaat die de vennootschap vertegenwoordigt op de terechtzitting. De rechtspraak met betrekking tot het orgaan van vertegenwoordiging, enerzijds, en die met betrekking tot het orgaan bestaande uit één persoon, anderzijds, vormt in feite slechts « de adequate omzetting van de specifieke vennootschapsrechtelijke regels met betrekking tot het onderzoek naar de hoedanigheid ». A.2.2. Primair moet worden opgemerkt dat de beschouwde categorieën niet vergelijkbaar zijn. De vennootschap met rechtspersoonlijkheid kan, wat haar procesvertegenwoordiging betreft, niet worden vergeleken met de natuurlijke persoon. De vennootschappen met rechtspersoonlijkheid hebben een dubbele vertegenwoordiging, namelijk eerst de vertegenwoordiging door de organen ervan en vervolgens de vertegenwoordiging door de advocaat. Een natuurlijke persoon kan zich daarentegen door een advocaat laten vertegenwoordigen zonder dat enig optreden, van wie ook, vereist is. « Volledig anders - en vergelijkbaar met de situatie van de rechtspersoon - is de situatie van de natuurlijke persoon namens wie het beroep moet worden ingesteld wanneer die persoon minderjarig is, onbekwaam verklaard is of om een andere reden niet over de vereiste bekwaamheid beschikt. In dat geval is er eveneens sprake van een dubbele vertegenwoordiging. De Raad van State onderzoekt in dat geval trouwens of de vertegenwoordiger die de beslissing heeft genomen om een beroep in te stellen, over de hoedanigheid beschikte om zulks te doen, op grond van de geldende wettelijke bepalingen. « Bijgevolg moet worden vastgesteld, met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag, dat de categorieën van personen waartussen een ongelijkheid wordt aangevoerd, onvoldoende vergelijkbaar zijn. Bovendien is de vraag gebrekkig geformuleerd, in zoverre zij suggereert dat de ondertekening van een verzoekschrift door een advocaat namens een natuurlijke persoon in alle gevallen zou volstaan opdat de indiening van het verzoekschrift ontvankelijk is, zonder dat de hoedanigheid van die persoon onderzocht zou moeten worden. Dat is enkel het geval wanneer de natuurlijke persoon niet wettelijk moet worden vertegenwoordigd. De vennootschap die wordt vertegenwoordigd door een collegiaal orgaan of door personen die gezamenlijk moeten optreden, kan, wat haar procesvertegenwoordiging betreft, niet worden vergeleken met de vennootschap die door één enkele persoon wordt vertegenwoordigd. Die vraag is trouwens even gebrekkig geformuleerd als de eerste vraag, want zij suggereert dat de Raad van State automatisch ervan is vrijgesteld de hoedanigheid te onderzoeken wanneer het orgaan van een vennootschap bestaat uit één persoon. Daar is echter niets van aan; het onderzoek naar de hoedanigheid moet altijd plaatsvinden als de statuten een beperking van de bevoegdheden van het uit één persoon bestaande orgaan bevatten, behalve indien de gecoördineerde wetten een dergelijke beperking niet-tegenstelbaar maken. Pas wanneer ieder idee van vertegenwoordiging ontbreekt is de Raad van State ervan vrijgesteld de hoedanigheid te onderzoeken en kan de stilzwijgende machtiging van de advocaat naar voren worden geschoven. A.2.3. Subsidiair moet worden opgemerkt dat artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek in de gegeven interpretatie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Het kan immers objectief en in redelijkheid worden verantwoord. Een handeling of een administratieve verordening kan enkel op geldige wijze voor de Raad van State worden aangevochten door een verzoeker die een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is en die over de hoedanigheid beschikt om zulks te doen. Wanneer het beroep namens anderen is ingesteld, onderzoekt de Raad van State bijgevolg de hoedanigheid van de persoon of van het orgaan dat ertoe gemachtigd is een onbekwame natuurlijke persoon, een privaatrechtelijke rechtspersoon of een publiekrechtelijke rechtspersoon te vertegenwoordigen. Daarom moet de beslissing om een beroep in te stellen, die door het bevoegde orgaan van een handelsvennootschap is genomen vóór het verstrijken van de termijn vastgesteld voor indiening van het verzoekschrift, in beginsel worden overgelegd. XIV-31.650-7/14 Volstrekt verschillend is de situatie van een natuurlijke persoon voor wie de hoedanigheid om in rechte te treden samenvalt met zijn bekwaamheid en zijn belang, en dus nauwelijks moet worden aangetoond. Hetzelfde geldt voor een handelsvennootschap waarvan, krachtens haar statuten of krachtens de wet, het orgaan kan bestaan uit één persoon, behalve indien de statuten een beperking van de bevoegdheden van dat orgaan bevatten en tenzij die wetten een dergelijke beperking niet-tegenstelbaar maken. « Bovendien zou het onderzoeken van de hoedanigheid van de natuurlijke persoon die het verzoekschrift indient, erop neerkomen dat de overlegging van de beslissing van de natuurlijke persoon of van het uit één persoon bestaande orgaan van de vennootschap wordt geëist, wat in de praktijk ertoe zou leiden dat de overlegging wordt geëist van een schriftelijk mandaat verleend aan de advocaat die een natuurlijke persoon of de rechtspersoon met een uit één persoon bestaand orgaan vertegenwoordigt. Een dergelijke vereiste zou uiteraard ingaan tegen artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek. Concluderend kan men stellen dat de aan het Hof voorgelegde verschillen in behandeling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden om reden dat de hoedanigheid om voor de Raad van State in rechte te treden niet op dezelfde manier kan worden bewezen voor de verschillende personen die in de prejudiciële vragen zijn beoogd. Memorie van antwoord van de gewone commanditaire vennootschap Madibel en van E. Peeters A.3.1. De interpretatie van artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek zoals zij voortvloeit uit de rechtspraak van de Raad van State, wordt niet gedeeld door het Hof van Cassatie, dat oordeelt dat artikel 440 een vermoeden grondvest dat zowel betrekking heeft op het bestaan van het mandaat ad litem van de advocaat als op het regelmatige karakter van de beslissing van het orgaan van de rechtspersoon dat hem ermee heeft belast. Aangezien het verwijzingsarrest van de Raad van State heeft gekozen voor de toepassing van artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, moet aan dat artikel zijn volle betekenis worden gegeven. A.3.2. De stelling van de Ministerraad met betrekking tot de hoedanigheid, een wezenlijke voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging, is vatbaar voor kritiek wanneer het gaat om een vennootschap en de organen ervan. Weliswaar kan een vennootschap enkel in rechte treden via haar organen. Maar men kan er niet van uitgaan dat het orgaan van een vennootschap namens anderen een beroep tot vernietiging instelt. Het is de vennootschap zelf die dat beroep instelt, vermits haar organen samenvallen met de vennootschap en zij die vennootschap zelfs gestalte geven. Helemaal anders is de situatie waarin een natuurlijke persoon vertegenwoordigd wordt door een persoon die zich niet identificeert met de vertegenwoordigde persoon (bijvoorbeeld een wettelijke vertegenwoordiger in geval van onbekwaamheid van een natuurlijke persoon). De vraag of het bevoegde orgaan een formele beslissing heeft genomen om een beroep in te stellen, heeft dan ook enkel betrekking op het besluitvormingsproces binnen de vennootschap. Dan rijst de vraag om welke redenen een formalisering van dat proces zou worden geëist om de Raad van State de mogelijkheid te bieden dat proces te controleren. » Door een dergelijke formalisering doet de rechtspraak van de Raad van State afbreuk aan het mandaat ad litem van de advocaat. Tevens sluit zij de mogelijkheid van een klassieke bekrachtiging uit, hoewel artikel 848 van het Gerechtelijk Wetboek er zich niet tegen verzet, en doet zij praktische problemen ontstaan indien dringend een beslissing moet worden genomen. A.3.3. Noch de regels met betrekking tot de vertegenwoordiging van een vennootschap, noch de autonomie van de administratieve rechtspleging, noch enige andere regel of omstandigheid kunnen de door de Raad van State gemaakte differentiatie verantwoorden. De stelling van de niet-vergelijkbaarheid kan niet worden volgehouden vermits een rechtspersoon weliswaar enkel via haar organen in rechte kan treden, maar die organen samenvallen met de persoon. In dat opzicht bestaat een verschil met de situatie van de natuurlijke persoon namens wie het beroep wordt ingesteld omdat die persoon onbekwaam is, vermits het beroep in dat geval namens anderen wordt ingesteld. In zijn betoog over de tweede vraag ontkent de Ministerraad bovendien zelf de relevantie van zijn argumenten met betrekking tot de onvergelijkbaarheid van de natuurlijke persoon met de rechtspersoon. XIV-31.650-8/14 « Eigenlijk is het enige criterium waarop de rechtspraak van de Raad van State steunt, het aantal personen die moeten beslissen om het beroep tot vernietiging in te stellen. Dat criterium staat los van een toetsing van de vereiste van ' hoedanigheid ' van de verzoekende partij. Memorie van antwoord van de Ministerraad A.4. Weliswaar lijkt het door de Raad van State aangewende criterium van differentiatie op het eerste gezicht daadwerkelijk het aantal personen te zijn, maar uit een grondige analyse van zijn rechtspraak blijkt dat « het werkelijke criterium van differentiatie is gesitueerd op het niveau van de vertegenwoordiging van de personen die optreden via een advocaat, en die enkel of dubbel kan zijn ». Gelet op de regels waarin onder meer het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen inzake vertegenwoordiging voorzien, doet het probleem van het onderzoek naar de hoedanigheid van de persoon die een beslissing heeft genomen om in rechte te treden, zich niet op dezelfde manier voor in geval van enkelvoudige vertegenwoordiging of van dubbele vertegenwoordiging. De rechtspraak van de Raad van State is dan ook, wat het onderzoek naar de hoedanigheid in de vennootschappen betreft, een correcte toepassing van de specifieke regels waarin het vennootschapsrecht ter zake voorziet. B.1. Artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Vóór alle gerechten, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, hebben alleen de advocaten het recht te pleiten. De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist. » B.2.1. Om de eerste vraag te beantwoorden moet het Hof de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet onderzoeken van artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre dat artikel in die zin wordt geïnterpreteerd dat het een onderscheid maakt tussen de advocaat die een natuurlijke persoon vertegenwoordigt en de advocaat die een rechtspersoon vertegenwoordigt. De ondertekening door een advocaat die een natuurlijke persoon vertegenwoordigt volstaat opdat een verzoekschrift tot vernietiging voor de Raad van State ontvankelijk is, zonder dat het bewijs moet worden geleverd dat die persoon een beslissing daartoe heeft genomen. De ondertekening door een advocaat die een rechtspersoon vertegenwoordigt volstaat daarentegen niet, vermits het bewijs moet worden geleverd dat de beslissing is genomen door het orgaan van de rechtspersoon. B.2.2. Dat verschil in behandeling is niet zonder redelijke verantwoording. De rechtspersoon treedt op door het orgaan dat bij de wet of de statuten is aangewezen. Het is niet onredelijk, onder voorbehoud van het antwoord op de tweede vraag, het bewijs te eisen dat dit orgaan regelmatig, binnen de wettelijke termijn, de beslissing heeft genomen om voor de Raad van State in rechte te treden. Krachtens het vermoeden vastgesteld bij artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek zal de advocaat niet het bewijs dienen te leveren dat hij gemachtigd werd. Maar uit dat artikel volgt niet noodzakelijkerwijze dat de rechtspersoon zelf moet worden geacht te hebben gehandeld met inachtneming van de op hem betrekking hebbende wettelijke vereisten. De natuurlijke persoon, daarentegen, wanneer hij voor zichzelf handelt, treedt op in rechte op eigen beslissing, zonder tussenkomst van enig orgaan. Uit artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dient noodzakelijkerwijze te worden afgeleid dat de advocaat wordt geacht door die partij daartoe te zijn gemachtigd, zonder daarvoor het bewijs te moeten leveren. B.2.3. Weliswaar interpreteert het Hof van Cassatie artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek in die zin dat het ervan uitgaat dat de advocaat de rechtspersoon vertegenwoordigt en dat het orgaan van die rechtspersoon regelmatig de beslissing heeft genomen om in rechte te treden. Die interpretatie verschilt van die van de Raad van State. B.2.4. Het verschil van interpretatie vindt een verklaring in de specifieke kenmerken van het objectieve contentieux dat aan de Raad van State is toevertrouwd : de Raad van State past een inquisitoriale procedure toe; hij ontvangt de beroepen die zijn ingesteld ter verdediging van collectieve belangen; hij kan, bij arresten die een absoluut gezag van gewijsde hebben, met terugwerkende kracht akten en reglementen van administratieve overheden vernietigen. Die eigen kenmerken van het aan de Raad van State toevertrouwde contentieux verantwoorden dat hij artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek anders interpreteert en dat hij nagaat XIV-31.650-9/14 of het bevoegde orgaan van de rechtspersoon, zelfs als die persoon door een advocaat wordt vertegenwoordigd, binnen de voorgeschreven termijn en met inachtneming van de regels van vertegenwoordiging die erop betrekking hebben, de beslissing heeft genomen om het beroep in te stellen. B.2.5. Artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, door de Raad van State in die zin geïnterpreteerd dat het een verschil in behandeling invoert naargelang de advocaat een natuurlijke persoon of een rechtspersoon vertegenwoordigt, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. B.3.1. Om de tweede vraag te beantwoorden moet het Hof onderzoeken of artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in de interpretatie die de Raad van State eraan geeft, de artikelen 10 en 11 van de grondwet schendt, in zoverre het de advocaten die rechtspersonen vertegenwoordigen verschillend behandelt naargelang die rechtspersonen optreden door een orgaan dat uit één of uit verscheidene personen bestaat. Indien het orgaan uit één enkele persoon bestaat, wordt immers geen enkel bewijs geëist dat de beslissing door dat orgaan is genomen. B.3.2. Wanneer een rechtspersoon vertegenwoordigd wordt door één enkele natuurlijke persoon, bevindt die persoon zich, wat zijn beslissing betreft om in rechte op te treden, in een situatie die vergelijkbaar is met die van de natuurlijke persoon die uit eigen naam een beroep instelt: hij treedt door zichzelf op, zonder dat een orgaan collegiaal dient te beraadslagen over de opportuniteit om een beroep in te stellen. Het verschil in behandeling is verantwoord om dezelfde reden als die welke is vermeld in B.2.2. B.4. De twee vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof zegt voor recht Artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre het door de Raad van State in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de advocaten die een natuurlijke persoon vertegenwoordigen die voor zichzelf of voor een rechtspersoon optreedt, anders behandelt dan de advocaten die een rechtspersoon vertegenwoordigen die optreedt door een orgaan dat uit verscheidene personen bestaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 april 1998. De griffier, L. Potoms De voorzitter, M. Melchior. begin (#top) Publicatie : 1998-07-02 Dat overigens uit de besprekingen van het wetsontwerp tot hervorming van de Raad Van State en de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (Kamer van Volksvertegenwoordigers 10 mei 2006, Document 2479/001) blijkt dat het mandaat ad litem van de advocaat ook van toepassing is op procedures voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Dat de bestreden beslissing bijgevolg niet juist werd gemotiveerd op minstens op zeer gebrekkige wijze en bijgevolg een schending inhoudt van de wet op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; Dat de bestreden beslissing overigens niet tot de onontvankelijkheid van het beroep van verzoeker besluit wegens de inmiddels uitgevoerde repatriëring maar wel omwille van geen bewijs (verder) mandaat.”; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het redelijkheidsbeginsel niet op de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van toepassing zijn omdat deze laatste een jurisdictionele taak vervult en niet als orgaan van actief bestuur optreedt, dat de verzoekende partij de vermeende schending van artikel 440 Ger.W. niet in het XIV-31.650-10/14 verzoekschrift tot nietigverklaring voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft opgeworpen en dat dit middel niet voor het eerst in graad van cassatie kan worden opgeworpen; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord toevoegt dat de schending van artikel 440 Ger.W. niet eerder moest worden opgeworpen aangezien het probleem van het mandaat zich voor het eerst op de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft gesteld en dat haar raadsman op die zitting duidelijk heeft uiteengezet waarom hem niet zomaar kan worden gevraagd om zijn mandaat te bewijzen; 2.4. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur bijgevolg niet van toepassing zijn op zijn arresten; dat het enige middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende, anders dan de verwerende partij voorhoudt, dat de verzoekende partij er te dezen niet toe was gehouden de schending van artikel 440 Ger.W. reeds in haar verzoekschrift tot beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op te werpen; dat de problematiek van (het bewijs van) het mandaat van advocaat zich niet eerder dan op de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en vervolgens in het bestreden arrest stelde; Overwegende dat artikel 440 Ger.W. als volgt luidt: “Voor alle gerechten, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, hebben alleen de advocaten het recht te pleiten. De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist.”; Overwegende dat die bepaling als zodanig op de rechtscolleges van de rechterlijke orde maar niet op administratieve rechtscolleges van toepassing is; dat het Ger.W. zonder uitdrukkelijke verwijzing ook niet het gemeen recht vormt voor de rechtspleging van de administratieve rechtscolleges; dat de bepalingen van het burgerlijk procesrecht wel als aanvullend recht kunnen worden beschouwd wanneer voor een bepaald aspect van de procesvoering voor een administratief rechtscollege geen eigen regeling bestaat én de toepassing van die bepalingen verenigbaar is met de specifieke rechtspleging XIV-31.650-11/14 van het administratief rechtscollege; dat de beginselen die aan alle rechtsbedelingen gemeen zijn en die aan de grond liggen van de bepalingen van het Ger.W., ook op de administratieve rechtscolleges van toepassing zijn; Overwegende dat de partijen zich voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar luid van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet mogen laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van stagiairs zijn ingeschreven; dat daarin niets is bepaald over een volmacht waarover die raadslieden zouden moeten beschikken; dat in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is geworden, uitdrukkelijk van “de regels van het mandaat ad litem” wordt gesproken; (Parl. St., Kamer, 2005-06, nr. 51K2479/001, p. 131) dat het in artikel 440 Ger.W. vastgelegde beginsel derhalve niet onverenigbaar is met de rechtspleging bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en er dus op van toepassing is; Overwegende dat uit artikel 440, tweede lid, Ger.W. volgt dat de advocaat wordt geacht gemachtigd te zijn door de partij waarvoor hij optreedt, zonder daarvan het bewijs te moeten leveren; dat de advocaat desgevraagd kan volstaan met de bevestiging dat hij die bepaalde opdracht heeft; dat het mandaat ad litem betrekking heeft op het voeren van een rechtsgeding, zodat de advocaat bij de uitvoering van dat mandaat alle handelingen kan stellen die nodig lijken om dat geding tot een goed einde te brengen; dat het vermoeden van een regelmatig mandaat weerlegbaar is, maar dat de bewijslast berust bij degene die zulks betwist en niet bij de betrokken advocaat; Overwegende dat de bewijslast betreffende het mandaat ad litem wordt geschonden waar in het bestreden arrest wordt vastgesteld dat de dominus litis niet bewijst dat hij nog steeds instructies van zijn cliënt heeft om in rechte op te treden “aangezien hij weigert om ook maar enige verduidelijking bij te brengen aangaande eventuele contacten tussen hem en de verzoeker”; dat de advocaat niet het bewijs moet leveren dat hij nog gemachtigd is doch kan volstaan met de bevestiging dat hij nog met een mandaat is belast; dat de bewijslast van het tegendeel ligt bij degene die het mandaat betwist; dat de contacten tussen de advocaat en zijn cliënt onder het beroepsgeheim vallen; Overwegende, waar in het bestreden arrest wordt vastgesteld dat “het vermoeden van het mandaat ad litem wordt tenietgedaan door de periode die is verlopen tussen het tijdstip van de repatriëring, met name 21 juli 2009, en de datum van de XIV-31.650-12/14 terechtzitting, met name 9 oktober 2009”, dat het tijdsverloop sedert de repatriëring op zichzelf niet aantoont dat de advocaat zonder regelmatige opdracht van de verzoekende partij handelt; dat een advocaat overigens ook iemand die gerepatrieerd is of in het buitenland verblijft kan vertegenwoordigen; Overwegende dat het bestreden arrest aldus met schending van artikel 440, tweede lid, Ger.W. is genomen; dat het enige middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het arrest nr. 32.807 van 19 oktober 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel 2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel 3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-31.650-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig december tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.650-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.056 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div