id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.073 Rolnummer: A. 188880/VII-37221 Zaak: Arrest 210073 - Milieuvergunningen - 23/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-05 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 05:35 Fiche Arrest nr 210.073 van 23 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 210.073 van 23 december 2010 in de zaak A. 188.880/VII-37.
- In zake : Ronny GOEMAERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Van Reybrouck kantoor houdend te Torhout Boeiaardstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 8 juli 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 8 mei 2008 waarbij de beroepen, ingediend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 8 november 2007 houdende het verlenen van de milieuvergunning om een mestverwerkingsbedrijf, gelegen aan de Praetweg 4 te Diksmuide, te exploiteren, gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd. VII-37.221-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december
- Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Ryckalts, die loco advocaat Bart Van Reybrouck verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoeker exploiteerde voorheen een rundveebedrijf, gelegen aan de Praetweg 4 te Vladslo (Diksmuide). De vergunning voor deze inrichting werd overgenomen. VII-37.221-2/8
- Op hetzelfde adres wenst de verzoeker een mestverwerkingsbedrijf uit te baten. Op 16 mei 2007 dient hij hiertoe bij de deputatie van de provincie West-Vlaanderen een aanvraag in.
- Op 8 november 2007 verleent de deputatie van de provincie West-Vlaanderen de gevraagde vergunning.
- De stad Diksmuide en een aantal omwonenden dienen bij de verwerende partij beroep in tegen deze beslissing.
- Tijdens de beroepsprocedure worden volgende adviezen uitgebracht: - Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling: gunstig - agentschap Ruimtelijke Ordening Vlaanderen, afdeling Milieuvergunningen, afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid, afdeling Toezicht Volksgezondheid en Gewestelijke Milieuvergunningscommissie: ongunstig.
- Op 8 mei 2008 verklaart de verwerende partij de beroepen gegrond, heft zij de beslissing op en weigert zij de vergunning. Dit is het bestreden besluit. IV. Onderzoek van het enig middel Standpunten van de partijen 9.
- De verzoeker voert aan dat de motivering van het bestreden besluit "uiterst zwak en bedenkelijk" is, en "overduidelijk en kennelijk ontoereikend". VII-37.221-3/8 Het bestreden besluit bevat volgens hem slechts twee argumenten voor de weigering van de milieuvergunning: enerzijds wordt de mestverwerkingsinstallatie ingeplant bij een voormalig landbouwbedrijf maar worden enkel grondstoffen van externe bedrijven verwerkt, terwijl een dergelijke grootschalige installatie, die niet als bedrijfsgebonden kan worden beschouwd, in principe thuis hoort op een lokaal bedrijventerrein, en anderzijds zou de verzoeker een groot aantal transportbewegingen beogen op daartoe onaangepaste wegen. Om deze motieven te weerleggen verwijst de verzoeker naar de in Vlaanderen gangbare praktijk om de "overgrote meerderderheid" van mestverwerkingsbedrijven te lokaliseren in landbouwgebied. Daarnaast wijst hij op de in het desbetreffende gebied bijzonder hoge "mestdruk", met als gevolg "dat de transporten beperkt kunnen worden in ruimte aangezien de toevoer kan geschieden uit de onmiddellijke omgeving". Hij stelt ook dat het de taak is van de gemeenten om te voorzien in een degelijke en veilige wegeninfrastructuur. Aangezien mestverwerking als activiteit plaatsvindt in landelijke gebieden, is het volgens hem logisch dat men mestverwerkingsinstallaties dient te bereiken via landelijke wegen, en dus zou het ook de verantwoordelijkheid van de gemeente zijn om, waar nodig, de wegeninfrastructuur aan te passen, temeer nu verzoekers installatie "zeer goed gelegen is naar ontsluiting toe" en de landelijke weg slechts over een korte afstand moet worden gebruikt. Voorts beklemtoont de verzoeker dat er slechts acht à negen bijkomende vrachten per etmaal zullen plaatsvinden, hetgeen hij "uiterst minimaal" acht. Deze extra transporten zouden dan ook geen disproportionele verhoging van het gevaar veroorzaken, temeer nu "de aanwezigheid van zwaar rollend materieel in het algemeen (...) een kenmerk is inherent aan landelijke wegen zodat (...) de andere weggebruikers (...) hiermee voldoende vertrouwd zijn" 9.
- De verwerende partij bekritiseert in haar memorie van antwoord onder meer het gebrek aan duidelijkheid in verzoekers uiteenzetting. Zij meent er desalniettemin een schending van het materiële motiveringsbeginsel in te kunnen VII-37.221-4/8 lezen. Voorts ontkent zij dat het bestreden besluit "niets meer zou zijn dan een opsomming van richtlijnen, adviezen en wettelijke bepalingen" en stelt zij dat er een "daadwerkelijke beoordeling" heeft plaatsgevonden van de vergunningsaanvraag, waarbij diverse aspecten ongunstig werden beoordeeld. 9.
- In zijn memorie van wederantwoord voegt de verzoeker nog toe dat zijn inrichting "zeer vlot bereikbaar is", via een afslag "op een zeer overzichtelijk kruispunt" langs de N363, om vervolgens "na 600 meter langs de Praetweg" zijn inrichting te bereiken. De verzoeker beklemtoont dat de Praetweg voldoende breed is om een vrachtwagen vlot te laten rijden, namelijk drie meter, en wijst er op dat vijf uitrijstroken eventuele tegenliggers moeten toelaten om uit te wijken. De verzoeker tracht zijn stelling te staven met een gedetailleerde beschrijving van de toevoerweg en met locatiefoto's. Beoordeling
- De verzoeker roept de schending van de materiële motiveringsplicht in. De verwerende partij heeft dit ook zo begrepen en heeft zich daaromtrent verdedigd. Het bestreden besluit werd in essentie genomen op grond van overwegingen met betrekking tot de stedenbouwkundige onverenigbaarheid van de te vergunnen inrichting en met betrekking tot de verkeerssituatie ter plaatse. De vraag of de verkeershinder een voldoende reden is om de vergunning te weigeren, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van het bestuur. De vergunningverlenende overheid heeft tot taak om, rekening houdend met alle concrete gegevens waarvan zij via de vergunningsaanvraag en het uitgevoerd onderzoek kennis heeft, de hinder die de inrichting veroorzaakt en de risico's voor de mens en het leefmilieu te onderzoeken en, rekening houdend met de precieze bevindingen van dat onderzoek en na afweging ook van de verschillende belangen die bij de zaak betrokken zijn, de passende conclusie te trekken. De Raad van State VII-37.221-5/8 mag zich voor die beoordeling niet in de plaats van het bestuur stellen. Hij mag enkel nagaan of de beoordeling van het bestuur steunt op correcte gegevens die in feite en in rechte de genomen beslissing kunnen onderbouwen en die niet kennelijk onredelijk beoordeeld zijn. De argumentatie van de verzoeker als zou de toevoer naar de mestverwerkingsinstallatie gebeuren uit de onmiddellijke omgeving is niet ter zake, aangezien de afstand van waar die aanlevering plaats heeft door de verwerende partij niet wordt betrokken in haar motivering. In tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, houdt de taak van de gemeentelijke overheden om in het algemeen in te staan voor degelijke en veilige gemeentewegen niet in dat zij verplicht zouden zijn om de wegeninfrastructuur aan te passen ten behoeve van de uitbater van een milieuvergunningsplichtige inrichting. Het feit dat verzoekers inrichting vlot zou kunnen worden ontsloten en dat de Praetstraat slechts over een korte afstand zou moeten worden gebruikt, toont niet de kennelijke onredelijkheid aan van het oordeel van de verwerende partij. De verzoeker tracht de verkeersrisico's te nuanceren door te wijzen op het beperkt aantal transporten per dag en op de inherente aanwezigheid van zwaar verkeer in de nabijheid van landbouwbedrijven. Hiermee legt hij aan de Raad van State een feitelijke opportuniteitskritiek voor. Het is niet de taak van de administratieve rechter om de feitelijke gegevens van een aanvraagdosssier te beoordelen en om deze gegevens tegen elkaar af te wegen. De toe- en afvoer langs een alternatieve rechtstreekse verbinding via de Praetweg naar de N363, die in de memorie van wederantwoord aan bod VII-37.221-6/8 komt, werd reeds door de verzoeker voor de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie aangebracht en is in het bestreden besluit grondig geëvalueerd. Het louter opnieuw poneren van de reeds aan het bestuur voorgelegde stelling, houdt in wezen de vraag in dat de Raad van State tot een herbeoordeling van de feiten zou overgaan, waartoe hij niet bevoegd is. De verzoeker slaagt er niet in de feitelijke onjuistheid of de kennelijke onredelijkheid aan te tonen van het oordeel van de verwerende partij. Het enig middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. VII-37.221-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig december tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Luc Hellin VII-37.221-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.073 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div