id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.076 Rolnummer: A. 168369/VII-37729 Zaak: Arrest 210076 - Bewakingsondernemingen - 23/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-30 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:35 Fiche Arrest nr 210.076 van 23 december 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 210.076 van 23 december 2010 in de zaak A. 168.369/VII-37.729. In zake : Didier GUNS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marina Hermans kantoor houdend te Lier Antwerpsesteenweg 280 C bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 1 december 2005, strekt tot de nietigverklaring van "het ministerieel besluit van 29 september 2005 van de minister van Binnenlandse Zaken (...) inhoudende de afwijzende beslissing om aan (Didier Guns) niet de vergunning te verlenen om het beroep van privé-detective (in bijberoep en impliciet in hoofdberoep) uit te oefenen". II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 155.691 van 28 februari 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. VII-37.729-1/22 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2010. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alexandra Fallah, die loco advocaat Marina Hermans verschijnt voor de verzoeker, en attaché Pascale Cornette, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 14 juli 2004 dient de verzoeker bij de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, Directie Private Veiligheid, een vergunningsaanvraag in voor de uitoefening van het beroep van privé-detective. VII-37.729-2/22 3.2. Omtrent de aanvraag wordt op 12 augustus 2004 het advies ingewonnen van de Administratie van de Staatsveiligheid en van de procureur des Konings te Brussel. 3.3. De Administratie van de Staatsveiligheid deelt op 17 augustus 2004 mee dat er "niets te melden" valt. 3.4. Op 14 januari 2005 richt de Directie Private Veiligheid een herinneringsschrijven aan de procureur des Konings te Brussel. 3.5. Bij brief van 9 maart 2005 verleent de procureur des Konings te Brussel een negatief advies. Dat advies luidt als volgt : "De heer Guns is niet gekend in de nationale documentatie van de federale politie. Op het parket te Brussel heeft hij het voorwerp uitgemaakt van verscheidene dossiers, o.m. opzettelijke slagen en verwondingen en smaad aan politie. Het gedrag van betrokkene tegenover de politiediensten getuigt niet van het nodige respect en zijn van die aard dat ze het vertrouwen zouden kunnen raken die de overheid in hem stelt. Ik voeg een kopie van deze dossiers die allen zonder gevolg werden gesteld. De inlichtingen van de lokale politie omtrent zijn moraliteit zijn niet ongunstig. Gelet op voorgaande elementen meen ik dat hij niet voldoet aan de moraliteitsvoorwaarden gesteld in de wet van 10 april 1990". 3.6. Vervolgens vraagt de Directie Private Veiligheid aan de procureur des Konings te Brussel van welke stukken de verzoeker inzage mag nemen. 3.7. Op 17 mei 2005 antwoordt de procureur des Konings dat de verzoeker inzage mag nemen van alle stukken die samen met het advies van 9 maart 2005 aan de minister van Binnenlandse Zaken werden toegestuurd. 3.8. Bij aangetekende brief van 4 juni 2005 zendt de verzoeker, overeenkomstig artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van VII-37.729-3/22 State, een aanmaning aan de minister van Binnenlandse Zaken opdat een beslissing over zijn vergunningsaanvraag genomen zou worden. 3.9. Met een brief van 23 juni 2005 wordt aan de verzoeker meegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken overweegt de vergunning van privé-detective niet te verlenen. De brief maakt melding van een aantal processen-verbaal en stelt vervolgens : "De feiten, zoals weergegeven in de voornoemde processen-verbaal, werpen een negatief licht op Uw deontologische geschiktheid voor de functie van privé-detective". De verzoeker wordt ervan in kennis gesteld dat hij over vijftien werkdagen beschikt om inzage te nemen van het administratief dossier en er afschrift van te verkrijgen, en over een termijn van dertig werkdagen om zijn verweermiddelen in te dienen. 3.10. Op 28 juni 2005 ontvangt de verzoeker een kopie van zijn dossier. 3.11. De verzoeker dient op 8 augustus 2005 een verweerschrift in. 3.12. Met het thans bestreden besluit van 29 september 2005 weigert de minister van Binnenlandse Zaken de gevraagde vergunning : "(…) Overwegende dat de feiten, zoals weergegeven in de voornoemde processen-verbaal, een negatief licht werpen op de deontologische geschiktheid voor de functie van privé-detective; Overwegende dat de uitoefening van het beroep van privé-detective een absolute betrouwbaarheid en correctheid veronderstelt; dat de Minister van Binnenlandse Zaken over een appreciatiebevoegdheid beschikt betreffende de door de detective gepleegde feiten, die zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene (art. 3, § 4 van de voornoemde wet van 19 juli 1991); dat de hogervermelde feiten en de houding van de betrokkene dusdanig zijn dat ze dit vertrouwen ernstig raken doordat ze de morele integriteit en betrouwbaarheid aantasten, in het licht van de wet van 19 juli 1991; Overwegende dat de algemene doelstelling van de wet van 19 juli 1991 uitgaat van het principe het beroep van privé-detective enkel toegankelijk te maken voor betrouwbare personen die geen ongeoorloofde methodes VII-37.729-4/22 gebruiken en van het groot belang van de betrouwbaarheidsvereiste (Gedr. St. Senaat, 1990-1991, nr. 1259/1, p. 1 en 2); Overwegende dat de feitelijke gronden en de rechtsgronden waarop de beslissing rust in de beslissing vermeld worden en dat de motieven pertinent zijn; Dat de ingeroepen argumenten door aanvrager door de Minister van Binnenlandse Zaken inhoudelijk onderzocht werden en niet vermochten de aan het toepasselijke recht getoetste feiten te weerleggen". IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. In een eerste middel roept de verzoeker de schending in van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : formele motiveringswet). Hij stelt dat de verwerende partij zijn aanvraag om het beroep van privé-detective in hoofdberoep uit te oefenen impliciet heeft afgewezen en dat die impliciet afwijzende beslissing niet werd gemotiveerd. 5. De verwerende partij antwoordt in essentie dat de verzoeker alleen een aanvraag heeft ingediend voor het verkrijgen van een vergunning als privé-detective in bijberoep. Beoordeling 6. Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoeker een aanvraag heeft ingediend voor het verkrijgen van een vergunning om het beroep van privé-detective in bijberoep uit te oefenen. In de aanvraag wordt namelijk het volgende verklaard : VII-37.729-5/22 "(…) Gelet op art. 1, § 1, lid c : De schriftelijke verklaring houdende de bijzondere redenen die de uitoefening van het beroep van privé-detective als bijberoep staven, bij brief 2004/144 d.d. 14 juli 2004. Ik meen hiermee op passende wijze de aanvraag van mijn vergunning om het beroep van privé-detective in bijberoep uit te oefenen, te hebben ingediend, voorzien van de benodigde documenten en inlicht(ing)en die de aanvraag dient te bevatten". In de bij de aanvraag gevoegde "Schriftelijke verklaring houdende de bijzondere redenen die de uitoefening van het beroep van privé-detective als bijberoep staven" heeft de verzoeker daarenboven het volgende gesteld : "Gelet op al het voorgaande komt het gepast over in de eerste periode van vijf jaar - in afwachting van het gunstige gevolg van het 'opstarten en opbouwen van een cliëntenbestand' het beroep van privé-detective in bijberoep uit te oefenen". De verwerende partij was derhalve niet gevat door een aanvraag voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective in hoofdberoep. Het eerste middel mist feitelijke grondslag. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 7. In een tweede middel roept de verzoeker de schending in van de formele motiveringswet. In een eerste onderdeel stelt de verzoeker dat het advies dat de minister van Justitie op 14 maart 2005 zou hebben uitgebracht hem niet werd meegedeeld. In een tweede onderdeel betoogt hij dat het ongunstig advies in het dossier ontbreekt, zodat van de argumenten van de minister van Justitie geen kennis kon worden genomen en de motivering van de minister van Binnenlandse VII-37.729-6/22 Zaken niet gecontroleerd kan worden. In de toelichting bij het middel zet de verzoeker uiteen dat zowel in de aan hem gerichte brief van 23 juni 2005 betreffende het voornemen van de verwerende partij om de vergunning te weigeren, alsook in de bestreden beslissing wordt verwezen naar het ongunstig advies van de minister van Justitie, maar dat hem, ondanks zijn herhaald verzoek, daarvan nooit inzage werd verleend. 8. De verwerende partij antwoordt dat tot 2004 het advies van de minister van Justitie moest worden gevraagd, maar dat sedertdien het advies rechtstreeks bij de Staatsveiligheid en de procureur des Konings moet worden ingewonnen, dat het feit dat in de bestreden weigeringsbeslissing wordt verwezen naar een adviesaanvraag van 12 augustus 2004 bij de minister van Justitie en naar het advies van de minister van Justitie van 14 maart 2005 berust op een materiële vergissing, aangezien het in werkelijkheid gaat om het parket van de procureur des Konings te Brussel en dat het recht van verdediging niet werd geschonden aangezien de verzoeker in het bezit werd gesteld van een kopie van het advies van de procureur des Konings en hij zijn verweermiddelen heeft kunnen laten gelden. 9. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat niet betwist wordt dat de minister van Justitie niet om advies werd gevraagd en dat, aangezien bewezen is dat de wet niet werd toegepast, het weinig belang heeft dat het om een materiële vergissing zou gaan. Beoordeling 10. Luidens artikel 2, § 1, van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective (hierna : wet van 19 juli 1991), zoals gewijzigd door de wet van 7 mei 2004, wordt de vergunning om het beroep van privé-detective uit te oefenen door de minister van Binnenlandse Zaken verleend "na advies van de Veiligheid van de Staat en van de procureur des Konings van de wettige hoofdverblijfplaats van de betrokkene en, bij ontstentenis ervan, de VII-37.729-7/22 Minister van Justitie". Vóór de wijziging door de wet van 7 mei 2004 werd de vergunning luidens dezelfde bepaling door de minister van Binnenlandse Zaken verleend "na advies van de Minister van Justitie". In de bestreden beslissing wordt gesteld dat "het advies van de Minister van Justitie bij brief van 12 augustus 2004 werd gevraagd", dat "de Minister van Justitie een ongunstig advies heeft uitgebracht bij brief van 14 maart 2005" en dat "het negatief advies gebaseerd was op het feit dat het gedrag van betrokkene tegenover de politiediensten niet getuigt van het nodige respect en van die aard zijn dat ze het vertrouwen zouden kunnen raken die de overheid in hem stelt". De verwijzing naar een advies dat de minister van Justitie zou hebben verleend, berust klaarblijkelijk op een materiële vergissing. Uit de gegevens van de zaak blijkt immers dat de procureur des Konings te Brussel per brief van 12 augustus 2004 werd verzocht advies uit te brengen. Zijn ambt heeft met een brief van 9 maart 2005, die door de verwerende partij werd ontvangen op 14 maart 2005, een ongunstig advies meegedeeld. In dat verband geeft de bestreden beslissing overigens aan dat de aanvrager op de hoogte was van alle inlichtingen waarop het "parket" zich heeft gebaseerd teneinde tot een negatief advies te komen. Met het in het bestreden besluit vermelde ongunstig advies van de minister van Justitie wordt derhalve ontegenzeglijk het advies van de procureur des Konings bedoeld. Een louter materiële vergissing omtrent de aanduiding van de adviesverlenende instantie kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. Het tweede middel is ongegrond. VII-37.729-8/22 C. Derde middel Standpunt van de partijen 11. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 2, § 1, van de wet van 19 juli 1991, doordat aan de minister van Justitie geen advies werd gevraagd en de bestreden beslissing derhalve zonder het vereiste advies werd genomen. 12. De verwerende partij stelt dat het inwinnen van de adviezen van de procureur des Konings en van de Administratie van de Staatsveiligheid volstond. Beoordeling 13. Zoals reeds werd gesteld bij de beoordeling van het tweede middel heeft te dezen de procureur des Konings te Brussel advies uitgebracht over de vergunningsaanvraag van de verzoeker en diende het advies van de minister van Justitie niet te worden ingewonnen. Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen 14. De verzoeker roept in een vierde middel de schending in van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat, eerste onderdeel, in het dossier een inventaris van de stukken ontbreekt, en, tweede onderdeel, nagelaten werd om inzage en afschrift te geven van het volledige dossier. VII-37.729-9/22 In de toelichting bij het middel zet de verzoeker uiteen dat in het administratief dossier minstens de adviesaanvraag van de minister van Binnenlandse zaken aan de minister van Justitie en het advies van de minister van Justitie ontbreken. Bovendien heeft de minister van Binnenlandse Zaken, ondanks zijn herhaalde vraag, geen inventaris van de stukken opgemaakt. 15. De verwerende partij antwoordt dat de verwijzing in de bestreden beslissing naar de adviesaanvraag aan en het advies van de minister van Justitie op een materiële vergissing berust en dat de rechten van verdediging van de verzoeker niet werden geschaad. Voorts betwist de verwerende partij onzorgvuldig te werk te zijn gegaan door geen inventaris van het administratief dossier op te stellen. Zij benadrukt dat de verzoeker een kopie heeft ontvangen van alle stukken waarop de bestreden beslissing gebaseerd is. Beoordeling 16. Uit de beoordeling van het tweede middel volgt dat onderhavig middel feitelijke grondslag mist in zoverre wordt aangevoerd dat het administratief dossier onvolledig is doordat het verzoek om advies te verlenen en het navolgend advies van de minister van Justitie ontbreken. De rechten van verdediging van de verzoeker zijn niet geschonden doordat geen inventaris werd opgesteld van het ter inzage gegeven administratief dossier. Het vierde middel is ongegrond. E. Vijfde middel Standpunt van de partijen 17. De verzoeker roept in een vijfde middel de schending in van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het recht van verdediging, de VII-37.729-10/22 hoorplicht, de "gelijkheid in de termijnen voor partijen" en de "redelijkheid in (
- de)procedure". De verzoeker betoogt dat hij op 28 juni 2005 geen kennis heeft kunnen nemen van alle stukken van het dossier en dat zulks blijkt uit een brief van 4 november 2005 waarbij hem een afschrift werd meegedeeld van de adviesaanvraag aan de minister van Justitie van 12 augustus 2004, het schrijven gericht aan het parket te Brussel van 18 april 2005, de rappel gericht aan het parket te Brussel van 20 mei 2005 en het schrijven van het parket te Brussel van 17 mei 2005. Voorts stelt hij niet te hebben kunnen beschikken over een redelijke termijn om zijn verweermiddelen in te dienen en dat bovendien het gelijkheidsbeginsel ("gelijkheid der wapens") werd geschonden doordat, om inzage te nemen van het dossier en een verweerschrift in te dienen, hem dwingende termijnen van respectievelijk 15 en 30 werkdagen werden opgelegd, terwijl de verwerende partij er meer dan een jaar over heeft gedaan om een beslissing te nemen. In dat verband merkt de verzoeker nog op dat niet dienstig verwezen kan worden naar de termijnen die voorzien zijn in het koninklijk besluit van 29 juni 1992, omdat het voorwerp van de thans bestreden beslissing niet bestaat uit de schorsing of de intrekking van een verleende vergunning voor de uitoefening van het beroep van privé-detective. 18. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker op 28 juni 2005 een integrale kopie heeft ontvangen van het administratief dossier, dat, wat de termijnen betreft, het gelijkheidsbeginsel niet kan worden ingeroepen aangezien de gelijkheid slechts ter sprake zou kunnen komen in situaties die vergelijkbaar zijn, dat de termijnen die in het kader van de hoorplicht werden toegepast analoog zijn met deze welke in het koninklijk besluit van 29 juni 1992 bepaald zijn voor de schorsing en de intrekking van een vergunning als privé-detective, hetgeen een zwaardere maatregel is dan de weigering van een vergunning. VII-37.729-11/22 Beoordeling 19. Bij brieven van 26 juni 2005 en 27 oktober 2005 heeft de verzoeker aan de verwerende partij om mededeling gevraagd van "alle briefwisseling die tussen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het Ministerie van Justitie is gevoerd" en van "alle documenten deeluitmakend van het advies van het Ministerie van Justitie en het advies zelf". In zijn brief van 27 oktober 2005 gaf de verzoeker zelf aan dat uit het bestreden ministerieel besluit van 29 september 2005 kan worden afgeleid "dat (…) het minstens volgende documenten betreft : 1. De adviesaanvraag aan de Minister van Justitie d.d. 12 augustus 2004; 2. Het advies van de Minister van Justitie d.d. 14 maart 2005; 3. Het schrijven gericht aan het Parket te Brussel d.d. 18 april 2005; 4. De rappel gericht aan het Parket te Brussel d.d. 20 mei 2005; 5. Het schrijven van het Parket te Brussel d.d. 17 mei 2005". Met een brief van 4 november 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken geantwoord als volgt : "(...) Op datum van 28 juni 2005 heeft U een integrale kopie ontvangen van Uw administratief dossier, met inbegrip van het advies van de minister van justitie. Op deze wijze heeft U dus inzage bekomen van alle stukken waarop de weigering in casu is gebaseerd. Als bijlage bezorg ik U wel een kopie van de hiernavolgende stukken : 1. de adviesaanvraag aan de Minister van Justitie d.d. 12 augustus 2004; 2. het schrijven gericht aan het Parket te Brussel d.d. 18 april 2005; 3. de rappel gericht aan het Parket te Brussel d.d. 20 mei 2005; 4. het schrijven van het Parket te Brussel d.d. 17 mei 2005". Zoals reeds werd vastgesteld bij de beoordeling van de voorgaande middelen, heeft de procureur des Konings over de vergunningsaanvraag van de verzoeker advies verleend. De verzoeker betwist niet dat hij van het advies van de procureur des Konings kennis heeft kunnen nemen. De in het schrijven van 4 november 2005 vermelde "adviesaanvraag aan de Minister van Justitie d.d. 12 augustus 2004" moet dan ook gelezen worden als de VII-37.729-12/22 adviesaanvraag aan de procureur des Konings te Brussel. De brieven van 18 april 2005 en 20 mei 2005 aan het parket te Brussel betreffen de vraag tot machtiging om aan de verzoeker inzage te verlenen van de door de procureur des Konings meegedeelde stukken. Daargelaten de vraag of de verzoeker niet reeds op 28 juni 2005 een afschrift van die brieven heeft ontvangen, wordt niet aangenomen dat de kennisname van die brieven voor zijn verweer enige relevantie zou hebben gehad. Bijgevolg toont de verzoeker niet aan dat hij geen inzage heeft gehad in stukken die noodzakelijk waren voor zijn verweer tegen de voorgenomen maatregel. De kritiek betreffende het gemis aan wapengelijkheid wordt evenmin aangenomen. Met het toekennen van een termijn van 15 werkdagen om inzage te nemen van het dossier en er afschrift van te krijgen, en een termijn van 30 werkdagen om zijn verweer in te dienen, is voldaan aan de vereiste dat de betrokkene over een redelijke termijn moet beschikken om zijn verweer voor te bereiden. De verzoeker beroept zich ten onrechte op het principe van de wapengelijkheid om voor de inzage van het dossier en de voorbereiding van zijn verweermiddelen aanspraak te maken op eenzelfde termijn als deze die de verwerende partij nodig heeft gehad voor het nemen van haar beslissing over de aanvraag. Het vijfde middel is ongegrond. F. Zesde middel Standpunt van de partijen 20. De verzoeker roept in een zesde middel de schending in van artikel 2, § 1, van de wet van 19 juli 1991, doordat, eerste onderdeel, de beslissing niet binnen een termijn van zes maanden na het indienen van de aanvraag ter kennis werd gebracht, en doordat, tweede onderdeel, de redenen voor het miskennen van die termijn niet werden meegedeeld. VII-37.729-13/22 21. De verwerende partij antwoordt dat de door artikel 2, § 1, van de wet van 19 juli 1991 voorgeschreven termijn van zes maanden waarbinnen de vergunning moet worden verleend of geweigerd niet dwingend is en dat de overschrijding van die termijn er niet toe leidt dat de vergunning moet worden geacht te zijn verleend. Zij wijst er ook op dat uit het verloop van de procedure niet blijkt dat de redelijke termijn werd overschreden. Beoordeling 22. Luidens artikel 2, § 1, van de wet van 19 juli 1991 moet de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend of geweigerd binnen zes maanden na de aanvraag ter kennis worden gebracht van de aanvrager. Artikel 2 noch enige andere bepaling van de wet van 19 juli 1991 verbindt een sanctie aan het overschrijden van voormelde termijn. Uit de wet van 19 juli 1991 vloeit derhalve niet voort dat de minister zijn beslissingsbevoegdheid na het verstrijken van de termijn van zes maanden heeft verloren, of dat de overschrijding van die termijn de aan de verzoeker ontzegde vergunning oplevert. De verzoeker voert voor het overige niet aan dat de redelijke termijn te dezen werd overschreden. De wet van 19 juli 1991 vereist evenmin dat de redenen voor het overschrijden van de termijn aan de betrokkene worden meegedeeld. Het zesde middel is ongegrond. G. Zevende middel Standpunt van de partijen 23. In een zevende middel roept de verzoeker andermaal de schending in van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet. In een eerste onderdeel klaagt hij opnieuw aan dat het verplicht VII-37.729-14/22 advies van de minister van Justitie ontbreekt. In het tweede onderdeel van het middel voert hij aan dat de wettelijk vereiste feitelijke grondslag voor de bestreden beslissing ontbreekt. Volgens de verzoeker zijn de processen-verbaal waar de bestreden beslissing naar verwijst, bijna allemaal opgesteld in het kader van een echtscheidingsprocedure en zijn deze niet relevant voor de beoordeling van zijn geschiktheid als privé-detective. Bovendien wordt zijn deontologische geschiktheid voor de functie van privé-detective negatief beoordeeld, terwijl niet wordt meegedeeld om welke deontologische regels het precies gaat. Met de bestreden beslissing zou ook niet zijn aangetoond dat hij bij de uitoefening van het beroep van privé-detective de deontologische regels niet zal respecteren. Ten slotte herhaalt de verzoeker de opmerkingen die hij in zijn bezwaarschrift van 8 augustus 2005 liet gelden met betrekking tot de processen-verbaal waar de brief van 23 juni 2005 van de verwerende partij naar verwijst. 24. De verwerende partij antwoordt met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel dat sedert de wetswijziging van 7 mei 2004 het advies van de minister van Justitie niet meer vereist is. Wat betreft het tweede onderdeel van het middel, merkt de verwerende partij op dat niet alle processen-verbaal die de procureur des Konings te Brussel bij zijn advies van 9 maart 2005 heeft gevoegd zijn opgesteld in het kader van verzoekers echtscheiding. Voorts wijst de verwerende partij er op dat de wet aan de minister van Binnenlandse Zaken een specifieke appreciatiebevoegdheid toekent en dat de uitoefening van het beroep van privé-detective een absolute betrouwbaarheid en correctheid veronderstelt. De verwerende partij herhaalt ten slotte de overwegingen van het bestreden besluit inzake de processen-verbaal waar de brief van 23 juni 2005 naar verwijst. Beoordeling 25. Inzake het eerste onderdeel van het middel volstaat het te verwijzen naar de beoordeling van het tweede middel. VII-37.729-15/22 Het tweede onderdeel van het middel wordt als volgt beoordeeld. Artikel 3, § 4, van de wet van 19 juli 1991, zoals gewijzigd door de wet van 30 december 1996, luidt als volgt : "§ 4. Onafhankelijk van de verificatie van de in §§ 1 tot 3 opgesomde voorwaarden, beschikt de minister van Binnenlandse Zaken over een appreciatiebevoegdheid betreffende de door de detective of de kandidaat detective gepleegde feiten die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene". Deze wetsbepaling werd ingevoegd ingevolge een amendement (Gedr. St., Kamer, nr. 557/3, 1995-1996, p. 2-3) dat als volgt werd toegelicht : "Bepaalde feiten, sommige overtredingen kunnen worden beschouwd als betrekkelijk onschuldig op strafrechtelijk vlak en daarom niet het voorwerp van een veroordeling uitmaken en zelfs door het parket zonder gevolg gerangschikt, zelfs als de feiten duidelijk aangetoond zijn. Op dezelfde wijze maken bepaalde feiten het voorwerp uit van een minnelijke schikking, veeleer dan van een veroordeling. Wanneer deze feiten worden geëvalueerd op deontologisch vlak, en meer in het bijzonder op het vlak van de vereisten van moraliteit, betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en beroepseerlijkheid, en niet op strafrechtelijk, burgerlijk of sociaal vlak, dan kunnen zij daarentegen ernstig zijn, zodat ze tot een weigering van de uitoefeningsvergunning aanleiding kunnen geven. (...) Voor de uitoefening van deze appreciatiebevoegdheid zullen voornamelijk in aanmerking worden genomen de criteria van betrouwbaarheid en eerlijkheid op moreel, financieel en professioneel vlak, de geoorloofdheid en ondubbelzinnigheid in het gebruik van de methoden en in de toegang tot de informatiebronnen". De wet van 19 juli 1991 kent aan de minister van Binnenlandse Zaken derhalve een appreciatiebevoegdheid toe voor het beoordelen van de geschiktheid van de aanvrager van de vergunning voor de uitoefening van het beroep van privé-detective. VII-37.729-16/22 Te dezen verwijst de bestreden beslissing in de eerste plaats naar het ongunstig advies van de procureur des Konings waarin wordt gesteld dat "het gedrag van betrokkene tegenover de politiediensten niet getuigt van het nodige respect en van die aard zijn dat ze het vertrouwen zouden kunnen raken die de overheid in hem stelt". Voorts wordt in de bestreden beslissing overwogen dat de feiten, zoals weergegeven in de processen-verbaal die door de procureur des Konings werden meegedeeld, "een negatief licht werpen op de deontologische geschiktheid voor de functie van privé-detective". Na in herinnering te hebben gebracht "dat de uitoefening van het beroep van privé-detective een absolute betrouwbaarheid en correctheid veronderstelt" wordt geconcludeerd dat "de hogervermelde feiten en de houding van de betrokkene dusdanig zijn dat ze dit vertrouwen ernstig raken doordat ze de morele integriteit en betrouwbaarheid aantasten, in het licht van de wet van 19 juli 1991". Aldus brengen de in het bestreden besluit opgegeven motieven voldoende duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting waarom de verzoeker om deontologische redenen ongeschikt wordt bevonden voor de uitoefening van het beroep van privé-detective. De in het bestreden besluit vermelde processen-verbaal handelen in wezen over het herhaald ongepast gedrag van de verzoeker ten opzichte van de politiediensten. Dat sommige van die processen-verbaal zijn opgesteld in het raam van een echtscheidingsprocedure, maakt de vastgestelde feiten niet minder relevant voor de beoordeling van de beroepsgeschiktheid van de verzoeker. In zijn verweerschrift van 8 augustus 2005 heeft de verzoeker opmerkingen laten gelden ten aanzien van de processen-verbaal waar de brief van 23 juni 2005 houdende mededeling van het voornemen om de gevraagde vergunning te weigeren naar verwijst. In het verzoekschrift tot nietigverklaring worden dezelfde opmerkingen bijna woordelijk herhaald, zonder dat evenwel wordt ingegaan op de motieven van het bestreden besluit waarin verzoekers bezwaren punt per punt worden weerlegd. In de mate dat de kritiek van de verzoeker betrekking heeft op de motieven van het bestreden besluit, wordt het volgende vastgesteld. VII-37.729-17/22 In verband met de processen-verbaal GF 102272/02 van 9 april 2002, 13249 van 11 september 2000 en 12998 van 4 augustus 2000 betreffende de weigering van de verzoeker om in te gaan op de verschillende uitnodigingen tot verhoor van de politie, wordt aan de verzoeker concreet verweten dat "dergelijke houding getuigt van een negatieve attitude jegens de dragers van het openbaar gezag" en dat "dergelijk gedrag wijst op het niet meewerken met de politiediensten". Het standpunt van de verzoeker dat hij niet verplicht was om aan die uitnodigingen gevolg te geven, doet geen afbreuk aan de aan hem toegeschreven negatieve ingesteldheid ten aanzien van dragers van het openbaar gezag. Die ingesteldheid, die trouwens niet enkel gebaseerd is op de herhaalde weigering zich voor verhoor bij de politie aan te bieden maar tevens blijkt uit andere in het bestreden besluit vermelde processen-verbaal, vormt een pertinent beoordelingselement in het kader van een vergunningsaanvraag voor de uitoefening van het beroep van privé-detective. Wat betreft de processen-verbaal 5538 van 11 september 1992 en 3843 van 23 september 1992 betreffende feiten van smaad aan de politie wordt in de bestreden beslissing overwogen dat "aanvrager stelt dat de feiten van smaad een gevolg zijn van het feit dat de betrokken gezagsdragers op een foutieve wijze het openbaar gezag hebben uitgeoefend", dat "dergelijke stelling (...) het gedrag (typeert) van betrokkene waarbij een éénzijdige interpretatie van de feiten wordt gegeven" en dat "het aanvrager toekomt desgevallend het proces-verbaal BR.52.80.100700/92 d.d. 11 september 1992 over te maken". Het voormelde proces-verbaal van 11 september 1992, waarvan een afschrift bij het verzoekschrift tot nietigverklaring is gevoegd, bevat een klacht van de verzoeker tegen de politiedienst van Brussel wegens beledigingen. Met voormeld stuk toont de verzoeker niet aan dat hem geen smaad aan de politie ten laste kan worden gelegd. VII-37.729-18/22 Het zevende middel is niet gegrond. H. Achtste middel Standpunt van de partijen 26. De verzoeker voert in een achtste middel aan dat voor het gebruik van de in het bestreden besluit vermelde processen-verbaal geen toestemming werd gegeven door de procureur-generaal, dat zulks een inbreuk vormt op artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken en op de geheimhoudingsplicht in strafzaken en dat de bedoelde processen-verbaal bijgevolg geen beoordelingselement mochten vormen bij het moraliteitsonderzoek. 27. De verwerende partij antwoordt, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State, dat een machtiging van de procureur des Konings volstaat. 28. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker dat niet wordt aangetoond dat de procureur-generaal een machtiging heeft verleend, zodat de verwerende partij zich ten onrechte rechtstreeks tot de procureur des Konings heeft gewend. Beoordeling 29. Luidens artikel 125, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken mag geen uitgifte of afschrift der akten van onderzoek en rechtspleging worden afgeleverd zonder uitdrukkelijke machtiging van de procureur-generaal bij het hof van beroep. VII-37.729-19/22 Inzake de toepassing van voormelde bepaling bestaat in het betrokken rechtsgebied sinds 1970 een uitdrukkelijke en algemene machtiging vanwege de procureur-generaal bij het hof van beroep aan de procureur des Konings. Op grond van die machtiging kon de procureur des Konings te dezen toestemming verlenen om in het kader van de vergunningsprocedure gebruik te maken van de processen-verbaal die bij zijn advies van 9 maart 2005 waren gevoegd. Het achtste middel is ongegrond. I. Negende middel Standpunt van de partijen 30. In een negende middel voert de verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel, alsmede machtsafwending. In zijn verzoekschrift stelt de verzoeker dat zijn gedrag in recente getuigschriften van goed zedelijk gedrag als "goed" wordt omschreven, zodat de bestreden beslissing niet redelijk is. Voorts meent hij dat het advies van de procureur des Konings niet ongunstig was en er bijgevolg geen enkele reden was voor de weigering van de vergunning om het beroep van privé-detective uit te oefenen. Ten slotte merkt de verzoeker nog op dat de vergunning niet zozeer omwille van de beweerde feitelijkheden op zich maar wel omwille van zijn persoonlijkheid (alert optreden, een analytische geest, een uitmuntend geheugen) geweigerd werd, waardoor de bestreden beslissing alle redelijkheid mist en met machtsafwending genomen werd. 31. De verwerende partij is van oordeel dat de afgifte van een getuigschrift van goed zedelijk gedrag niet inhoudt dat de verzoeker aan het vereiste profiel beantwoordt om het beroep van privé-detective uit te oefenen. Zij VII-37.729-20/22 meent dat het advies van de procureur des Konings bezwaarlijk anders dan negatief kan worden beschouwd. Ten slotte herhaalt de verwerende partij dat de wet van 19 juli 1991 aan de minister van Binnenlandse Zaken een specifieke appreciatiebevoegdheid toekent, dat de uitoefening van het beroep van privé-detective een absolute betrouwbaarheid en correctheid veronderstelt en dat in casu de feiten en de houding van de betrokkene zijn morele integriteit en betrouwbaarheid aantasten. Beoordeling 32. De omstandigheid dat de verzoeker in het bezit is van een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, sluit niet uit dat de minister van Binnenlandse Zaken overeenkomstig artikel 3, § 4, van de wet van 19 juli 1991 feiten in aanmerking kan nemen die een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en raken aan het vertrouwen in de betrokkene. Het bezit van een getuigschrift van goed zedelijk gedrag toont op zich niet aan dat de verwerende partij, door op grond van de in de bestreden beslissing aangehaalde feiten de vergunning te weigeren, een kennelijk onredelijke beslissing heeft genomen. De bewering van de verzoeker dat het advies van 9 maart 2005 van de procureur des Konings niet ongunstig is, mist feitelijke grondslag. In de mate dat de verzoeker voor het eerst in zijn laatste memorie aanvoert dat het advies van de procureur des Konings ten onrechte verwijst naar de wet van 10 april 1990, betreft het een nieuw middel dat niet op ontvankelijke wijze in de laatste memorie kan worden aangevoerd. Ten slotte kan uit de motieven van de bestreden beslissing niet afgeleid worden, ook niet indirect, dat de vergunning geweigerd werd wegens de intellectuele capaciteiten en de assertiviteit die de verzoeker aan zichzelf toedicht. Van de in het middel geopperde machtsafwending ontbreekt elk bewijs. VII-37.729-21/22 Het negende middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig december tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.729-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.076 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.691 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div