id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.086 Rolnummer: A. 187106/IX-5844 Zaak: Arrest 210086 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:35 Fiche Arrest nr 210.086 van 23 december 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 210.086 van 23 december 2010 in de zaak A. 187.106/IX-5844 In zake : Marcellus NYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Leo Panis kantoor houdend te Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 februari 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 20 december 2007 van de Directeur- generaal van het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid waarbij aan Marcellus Nys wordt meegedeeld dat hij niet geslaagd is voor de certificeringstest voor de opleiding “Beheer van een fiscaal team FI01NL - 10010986” en van de beslissing van het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid van 18 juli
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 184.849 van 26 juni 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. IX-5844-1/21 De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 november
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, bijgestaan door advocaat Steven Menten, en advocaat Emmanuel Jacubowitz, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Melissa Celis, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op het tijdstip van de bestreden beslissing is de verzoeker gewestelijk directeur te Tongeren bij de FOD Financiën. Hij is inmiddels IX-5844-2/21 gepensioneerd en dit met ingang van 1 september 2010, bij koninklijk besluit van 30 april
- Na de gecertificeerde opleiding “Beheer van een fiscaal team” (code FI01) te hebben gevolgd, legt hij op 25 juni 2007 de door het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid (OFO) georganiseerde test af. 3.
- Voornoemde test bestaat uit 2 delen. Een eerste deel omvat open vragen met betrekking tot 6 cases, waarvan de eerste 5 cases bestaan uit korte dvd-fragmenten en de laatste case er één is op papier. Dit eerste deel wordt gequoteerd op 33 punten, en meer bepaald wordt case 1 gequoteerd op 6 punten, case 2 op 4 punten, case 3 op 6 punten, case 4 op 4 punten, case 5 op 7 punten en case 6 op 6 punten. Een tweede deel omvat 42 meerkeuzevragen en wordt gequoteerd op 42 punten. De punten op de meerkeuzevragen worden aldus berekend dat elk juist antwoord 1 punt waard is, voor elk fout antwoord ½ punt wordt afgetrokken en geen punten worden toegekend voor een niet-beantwoorde vraag. In de praktische richtlijnen voor de kandidaten wordt uitdrukkelijk vermeld dat de test in totaal op 75 punten staat en dat de deelnemer slaagt voor de test als hij minstens 60 % in het totaal heeft behaald. 3.
- Na analyse van de testresultaten wordt beslist om één vraag uit het tweede deel van de test te schrappen, daar geen enkel antwoordalternatief correct was. 3.
- Na een vergelijking door de verwerende partij van de antwoorden van de verzoeker met de antwoordsleutels, behaalt hij op het eerste deel van de test een score van 13,5/
- IX-5844-3/21 Wat de verschillende cases afzonderlijk betreft, behaalt de verzoeker volgende scores: “Case 1 : 0,5/6 Case 2: 1,5/4 Case 3: 4/6 Case 4: 2,5/4 Case 5: 3/7 Case 6: 2/6” Daar de verzoeker op het tweede deel van de test 30 vragen juist heeft beantwoord, 2 vragen foutief heeft beantwoord, 9 vragen niet heeft beantwoord en één vraag werd geschrapt, behaalt hij hiervoor een score van 29/41 of 29,71/
- In totaal behaalt de verzoeker derhalve een score van 43,21/75 of 57,61%. De verzoeker is bijgevolg niet geslaagd, wat hem bij brief van 20 december 2007 wordt meegedeeld door de Directeur-generaal van het OFO. Het betreft de beslissing die door de verzoeker in zijn verzoekschrift wordt bestempeld als de bestreden beslissing. 3.
- Naar aanleiding van deze beslissing vraagt de verzoeker met een e-mail van 4 januari 2008 inzage in zijn dossier. In deze e-mail wijst hij er wel op niet beschikbaar te zijn van 17 januari tot en met 3 februari
- Op 7 januari 2008 wordt met betrekking tot dit verzoek om inzage aan de verzoeker meegedeeld dat hij opnieuw zal worden gecontacteerd om een datum vast te leggen van zodra zijn persoonlijk dossier is samengesteld. Op 13 februari 2008 kijkt de verzoeker zijn dossier in, wat blijkt uit het door hem ondertekende document. Dit dossier bevat het instructieblad van de test, het detail van de door hem behaalde punten, een overzicht van de doorgevoerde wijziging als gevolg van de correctie en de docimologische analyse, de verbetersleutel met indicatie van bekomen punten en een kopie van zijn eigen IX-5844-4/21 examen. De verzoeker maakt een aantal schriftelijke opmerkingen met betrekking tot de vijfde en zesde case van het eerste deel van het examen. Met een e-mail van 14 februari 2008, waarin hij zijn opmerkingen herhaalt, dient de verzoeker bezwaar in. Met een tweede e-mail van diezelfde datum schrijft hij voorts: “De puntenverdeling was als volgt samengesteld: Cases: 33 punten Meerkeuzevragen: 42 punten Totaal: 75 punten Geschrapt: 1 MKV - 1 punt Effectief totaal: 74 punten Ik behaalde volgende punten: Cases: 13,50 punten Meerkeuzevragen: 29,71 punten Totaal: 43,21 punten Mijn behaald percentage bedraagt dan: 43,21 * 100 / 74 = 58,39 En niet 43,21 * 100 / 75 = 57,61”. Met een e-mail van 15 februari 2008 wordt aan de verzoeker meegedeeld dat hem een eventuele wijziging van zijn resultaat naar aanleiding van zijn opmerkingen zal worden meegedeeld. 3.
- Op 18 februari 2008 dient de verzoeker dan voorliggend verzoekschrift in bij de Raad van State. 3.
- Met een e-mail van 24 april 2008 vult de verzoeker zijn bezwaar van 14 februari 2008 verder aan en zet hij in afzonderlijke bijlagen zijn bevindingen per case uiteen alsook zijn bevindingen met betrekking tot de meerkeuzevraag
- Gelet hierop stelt de verzoeker dat zijn eindresultaat dient te worden aangepast en 11,5 punten bij zijn totale score dienen te worden bijgeteld. Aldus diende hem naar zijn oordeel een score te worden toegekend van 54,71 100 / 75 = 72,95 %. IX-5844-5/21 Op 12 juni 2008 bekijkt de verzoeker de dvd-opname met betrekking tot de vijfde case opnieuw en vraagt hij aan de Directeur-generaal van het OFO hem de punten hiervoor alsnog toe te kennen, daar volgens hem zijn gegeven antwoord meer dan voldoende de tekst van de case benadert. Met een e-mail van 18 juli 2008 wordt aan de verzoeker meegedeeld dat na onderzoek van zijn opmerkingen in overleg met de evaluatoren, wordt geoordeeld dat hem de 2 punten voor het eerste onderdeel van de vraag c bij case 5 niet kunnen worden toegekend. Immers, de verzoeker heeft weliswaar de vier fasen benoemd, maar voor geen enkele fase uitleg (of een definitie) gegeven. Voor het tweede onderdeel van de vraag werd aan de verzoeker 0,5 punt toegekend voor het voorbeeld bij fase 1 en 0,5 punt voor het voorbeeld bij fase
- De twee andere voorbeelden bij fase 2 en 3 worden na het herbekijken ervan door de evaluatoren als goed beoordeeld, zodat de verzoeker in totaal 2 punten krijgt voor dit onderdeel van de vraag (in plaats van het oorspronkelijke toegekende 1 punt). De verwerende partij maakt de verzoeker erop attent dat zelfs met dit extra punt, hij nog steeds niet is geslaagd. De verzoeker behaalt immers 1 + 13,5/33 op de open vragen en 29,71/42 op de meerkeuzevragen, of een totaal van 58,95 %. Daar het puntenaantal dat aan de verzoeker wordt toegekend met deze beslissing wordt gewijzigd in vergelijking met de beslissing die bij brief van 20 december 2007 aan de verzoeker werd meegedeeld, maakt deze beslissing de eigenlijke bestreden beslissing van voorliggend beroep tot nietigverklaring uit (zie randnummer 4). Nadat de verzoeker de Directeur-generaal van het OFO alsnog verzoekt om een antwoord op zijn bezwaren, specifiek betreffende de cases 4 en 6, antwoordt laatstgenoemde met een e-mail van 4 augustus 2008 dat zijn opmerkingen niet werden weerhouden en zijn resultaat blijft zoals meegedeeld bij e-mail van 18 juli
- IX-5844-6/21 IV. Precisering van het voorwerp van het beroep
- Hoewel de verzoeker de beslissing, hem ter kennis gebracht bij brief van 20 december 2007 en waarbij hem een score van 57,61 % wordt toegekend, als de thans bestreden beslissing bestempelt, is de voorliggende vordering eigenlijk gericht tegen de beslissing, aan de verzoeker ter kennis gebracht bij e-mail van 18 juli 2008, waarbij hem een score wordt toegekend van 58,95 %. Na het willig beroep dat werd ingediend door de verzoeker met betrekking tot de eerste beslissing, heeft het OFO een nieuw onderzoek naar de door de verzoeker gegeven antwoorden gevoerd. Op basis daarvan heeft het OFO beslist het puntenaantal van de verzoeker te wijzigen. Deze beslissing is in de plaats gekomen van de eerste bestreden beslissing. Evenwel blijft de verzoeker niet geslaagd.
- Dit is de thans bestreden beslissing. V. Onderzoek van het middel A. Enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsverplichting. Voorts voert hij machtsoverschrijding aan. De verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing enkel het gegeven bevat dat hij niet geslaagd is, zonder meer. Nochtans dienen de redenen te worden weergegeven op grond waarvan de bestreden beslissing werd genomen, IX-5844-7/21 moeten de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet de motivering afdoende zijn. De verzoeker wijst erop dat hem niet wordt meegedeeld op basis van welke criteria de verwerende partij tot het resultaat van 58,95 % is gekomen. De motieven van examenquoteringen zijn meestal vervat in de punten zelf. De enkele vermelding dat de verzoeker geen 60 % heeft behaald (doch 58,95 %), is volgens de verzoeker echter geen afdoende motivering, temeer daar in casu geen enkel andere samenvattende beoordeling bestaat. De formele motiveringswet is volgens de verzoeker geschonden wanneer het gaat over de beoordeling van examens waarbij precieze vragen precieze antwoorden moeten krijgen en die beoordeling niet op wettige motieven berust door het toetsen van de gestelde vragen aan de examenstof en de gegeven antwoorden aan de gestelde vragen. In casu blijkt niet op basis van welke motieven de examencommissie heeft geoordeeld. Evenmin blijkt dat de door de verzoeker gegeven antwoorden niet zouden voldoen aan de door de jury verwachte antwoorden. De verzoeker stelt voorts dat de bestreden beslissing weliswaar vermeldt dat hij zijn dossier kan inkijken, doch dit is slechts effectief gebeurd op een ogenblik dat reeds een groot deel van de beroepstermijn bij de Raad van State was verstreken. Ten slotte stelt de verzoeker nog dat de materiële motiveringsverplichting vereist dat de overheid haar beslissing moet steunen op deugdelijke motieven die uit het dossier moeten blijken. In casu wordt volgens de verzoeker de beslissing niet gemotiveerd en wordt hij in het ongewisse gelaten, eerst in de periode van 25 juni 2007 (datum van het examen) tot en met 21 december 2007 (datum van ontvangst van de aanvankelijke beslissing) en vervolgens in de periode van 21 december 2007 tot en met 13 februari 2008 (datum van inzage in het examendossier). De materiële motieven, zoals die blijken IX-5844-8/21 uit het examendossier, zijn niet afdoende, aangezien zij niet voldoende werden gemotiveerd en daarenboven deels foutief zijn. Uit het administratief dossier en de in de loop van het proces aangebrachte gegevens moet blijken of het vermoeden van juistheid van cijfers ook in concreto standhoudt. Volgens de verzoeker zijn de bevindingen van de verwerende partij (namelijk de evaluatie van de vragen en antwoorden) deels onjuist, minstens op onjuist gemotiveerde en ongegronde basis weergegeven. Hij ontwikkelt in dit verband in essentie de volgende grieven: - Er werden hem ten onrechte geen punten toegekend voor de vijfde case. De verwerende partij beweert volgens de verzoeker ten onrechte dat zijn antwoorden niet beantwoorden aan degene die verwacht werden. - Voor de zesde case werden hem ten onrechte geen punten toegekend voor de tweede door hem gegeven doelstelling, vermits hierin wel degelijk de vijf items (specifiek, meetbaar, aanvaardbaar, realistisch en tijdsgebonden) vervat zitten. Volgens de verzoeker werden hem aldus op onredelijke wijze 2,5 punten onthouden. - De verwerende partij heeft een fout begaan in haar puntentelling. Hoewel er, zoals hij bij de inzage van het examendossier heeft kunnen vaststellen, één meerkeuzevraag is geschrapt, heeft de verwerende partij ten onrechte deze vraag nog in haar eindbeoordeling opgenomen. Zij heeft de verzoeker namelijk op 75 punten beoordeeld, daar waar er maximaal 74 punten konden worden behaald. Hij is dan ook van oordeel dat zijn eindresultaat 58,39 % diende te zijn. Aangezien verzoeker daarenboven 2,5 punten meer diende te krijgen, zou hij aldus wel degelijk geslaagd zijn. Het juiste resultaat diende volgens hem namelijk te zijn : 43,21 punten + 1,5 punt (case 5) + 1 punt (case 6) * 100 / 74 = 61,77 %. Op basis van de voorliggende gegevens en het examendossier kan volgens de verzoeker dan ook worden vastgesteld dat er voldoende redenen IX-5844-9/21 bestaan om te twijfelen aan de ernst van de door de verwerende partij toegekende punten. De verwerende partij heeft aldus de formele en de materiële motiveringsplicht geschonden alsook de beginselen van behoorlijk bestuur en de openbaarheid van bestuur.
- De verwerende partij repliceert dat de verzoeker nalaat een onderscheid te maken tussen de beslissing, de motieven van de beslissing en de motieven van de motieven. Luidens de bestreden beslissing is de verzoeker niet geslaagd in de betrokken certificeringstest. De beslissing wordt uitdrukkelijk gemotiveerd door de dubbele vaststelling dat 60 % is vereist om te slagen (juridische motieven) en dat de verzoeker slechts 57,61 % behaalde (feitelijke motieven). Ten gevolge van de opmerkingen van de verzoeker naar aanleiding van het opnieuw bekijken van de dvd-test op 12 juni 2008, hebben de evaluatoren zijn antwoorden opnieuw bekeken en één extra punt toegekend. Zelfs met dit extra punt, wordt vastgesteld dat de verzoeker nog steeds onvoldoende punten heeft om te slagen. Op de open vragen behaalde hij namelijk 13,5 + 1/33 en op de meerkeuzevragen 29,71/42, zodat hem een totaalscore van 58,95 % diende te worden toegekend, wat minder is dan de vereiste 60 %. Volgens de verwerende partij zijn derhalve de motieven die uitdrukkelijk zijn vermeld in de brief van 20 december 2007 nog steeds afdoende. Het resultaat van 58,95 % vloeit naar het oordeel van de verwerende partij voort uit de optelling van de punten die voor elke vraag afzonderlijk toegekend werden. De redenen achter de punten die voor elke vraag gegeven werden zijn de motieven van de motieven. De verwerende partij wijst op de vaste rechtspraak van de Raad van State, luidens dewelke de formele IX-5844-10/21 motiveringsplicht niet inhoudt dat de overheid de motieven van haar motieven in haar beslissing moet opnemen. Het maakt volgens de verwerende partij dan ook geen schending van de formele motiveringsplicht, noch van het zorgvuldigheidsbeginsel uit dat de verbetering van de test niet bij de kennisgeving van het resultaat was gevoegd. In ondergeschikte orde voert de verwerende partij aan dat de verzoeker geen belang meer heeft bij zijn middel voor zover hij de wet van 29 juli 1991 geschonden acht. De verzoeker heeft namelijk kennis gekregen van alle stukken van het administratief dossier, zo ook van de verbetering van zijn test en van de verwachte antwoorden, wat niet door hem wordt betwist, én hij heeft de motieven van de bestreden beslissing ten gronde betwist zowel in zijn verzoekschrift als in zijn e-mails gericht aan de verwerende partij. Met betrekking tot verzoekers argument dat een fout zou zijn begaan in de puntentelling, repliceert de verwerende partij dat het eerste deel van de test met betrekking tot de open vragen werd gequoteerd op 33 punten en het tweede deel met betrekking tot de meerkeuzevragen op 42 punten. Daar de meerkeuzevragenlijst 42 vragen omvatte, werd deze ook op 42 punten gequoteerd. Weliswaar werd het aantal vragen teruggebracht tot 41, daar naar aanleiding van de docimologische analyse één vraag werd geschrapt. Bij de schrapping van een meerkeuzevraag, worden de resultaten van het meerkeuzegedeelte echter herberekend naar het oorspronkelijk aantal vragen (in casu 42) om de proportionele verhouding tussen de open vragen en meerkeuzevragen te respecteren. De resultaten voor de meerkeuzevragen werden aldus op 42 berekend (en dus niet op 41), en het algemeen totaal op 75 (en dus niet op 74). De verzoeker behaalde 29/41, wat aldus werd herleid tot 29,71* 100/42 (70,73 %). IX-5844-11/21 Met betrekking tot verzoekers opmerkingen omtrent deel c van de case 5, wijst de verwerende partij erop dat zijn antwoorden onvolledig waren. Deze opdracht bestond namelijk uit twee onderdelen. In een eerste onderdeel dienden de deelnemers aan te duiden waar de letters D, E, S en C die de 4 betrokken fasen aanduiden voor staan en dienden zij uitleg te geven over elke fase. Per fase kan ½ punt worden verdiend indien het woord en de uitleg worden gegeven. In een tweede onderdeel dienen de deelnemers voor elke fase een voorbeeld te geven zoals gezien in de dvd (½ punt per voorbeeld). Welnu, de verzoeker heeft met betrekking tot het eerste onderdeel weliswaar de 4 fasen benoemd, doch over geen enkele fase uitleg gegeven. Zijn antwoorden voor dit onderdeel waren dan ook onvolledig, zodat geen punten konden worden toegekend. Voor het tweede onderdeel werd aan de verzoeker voor de voorbeelden bij de eerste en vierde fase telkens ½ punt toegekend. Na het herbekijken van de door de verzoeker gegeven voorbeelden bij de tweede en derde fase hebben de evaluatoren geoordeeld om de verzoeker ook hiervoor telkens ½ punt toe te kennen. Dit betekent dan ook dat aan de verzoeker 2 punten in plaats van 1 punt werd toegekend voor dit onderdeel van de vraag (4 x ½). Zoals gezegd, heeft de verzoeker zelfs met dit extra punt nog steeds onvoldoende punten behaald om te slagen. Met betrekking tot verzoekers opmerking omtrent deel b van de case 6, stelt de verwerende partij dat hij slechts bij de eerste doelstelling de 5 gevraagde SMART-doelen heeft vermeld. Er werd hem aldus terecht een score van 1/2 toegekend. In het antwoord van de verzoeker komt met betrekking tot doelstelling 2 immers het aspect “Aanvaardbaar” niet op correcte wijze tot uiting. De verwerende partij wijst erop dat de verbetering van de test onder haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid valt. Uit wat voorafgaat blijkt volgens haar dat haar geen kennelijke beoordelingsfout kan worden ten laste IX-5844-12/21 gelegd. De stukken van het administratief dossier bevestigen volgens haar ook de juistheid van de punten vermeld in de bestreden beslissing en de berekening van het behaald percentage.
- De verzoeker herneemt in zijn memorie van wederantwoord in essentie zijn argumenten vervat in het verzoekschrift. Hij voegt daar aan toe inzage te hebben genomen van zijn dossier, waarbij hem een “Verklaring” werd voorgelegd, luidens dewelke het de kandidaten verboden wordt kopie te nemen van de vragen of ze in extenso over te schrijven. Deze verklaring van de Voorzitter van het Directiecomité vermeldt de beroepsmogelijkheid, de vormvoorschriften en de termijnen niet, zodat volgens de verzoeker de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang heeft genomen. De verzoeker wijst er in dit verband op dat het inzagerecht het recht omvat om de stukken materieel in te zien , het recht om uitleg te krijgen over deze documenten en het recht om er een afschrift van te bekomen. Over de eerste twee punten bestaat er naar zijn oordeel geen discussie, doch wel omtrent het derde punt. Het verbod om kopieën te nemen wordt in voornoemde “Verklaring” gesteund op artikel 6, § 1, 6°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en wordt gemotiveerd door de buitensporige kost die zou ontstaan, indien de vragen openbaar moeten worden gemaakt. In dat geval moeten er namelijk telkens opnieuw nieuwe vragen worden opgemaakt. Nochtans staat het volgens de verzoeker buiten kijf dat er discussie is omtrent de vragen en antwoorden. Hij stelt dat zijn rechten van verdediging werden geschonden, voor zover hij als inzagenemer niet over de door het OFO opgestelde vragen en typeantwoorden kan beschikken, aangezien het op die manier onmogelijk is een volledig en gemotiveerd klachtenbundel samen te stellen. De verzoeker merkt op dat het in casu bovendien niet om alle gestelde vragen gaat, doch in hoofdzaak om de videocases en de vragen hieromtrent. Het getuigt volgens hem niet van behoorlijk bestuur dat de verwerende partij zich beroept op de wet van IX-5844-13/21 11 april
- De inzage en kopiename is trouwens een fundamenteel recht dat is ingeschreven in artikel 32 van de Grondwet. Voorts stelt hij nog dat hij met vragen blijft zitten en een aantal betwistingen niet beslecht ziet, zodat in die zin dan ook sprake is van een niet-gemotiveerde bestuurshandeling. De verzoeker herhaalt vervolgens in zijn memorie van wederantwoord zijn grieven, zoals hij die heeft uiteengezet in zijn e-mail van 24 april 2008 met de bijgevoegde bijlagen en die volgens hem door de verwerende partij onbeantwoord zijn gebleven. De verzoeker tracht aldus aan te tonen uiteindelijk recht te hebben op een totaalscore van 53,71/75 of 71,61 %. De verzoeker is dan ook van oordeel dat de formele én materiële motiveringsplicht is geschonden, alsook de beginselen van behoorlijk bestuur en de openbaarheid van bestuur. De verwerende partij heeft volgens hem een kennelijke beoordelingsfout begaan. De stukken van het administratief dossier bevestigen de onjuistheid van de aan hem toegekende punten.
- In de laatste memorie bespreekt de verzoeker de door hem afgelegde testen, waarvan hij de resultaten betwist, en gaat hij uitgebreid in op het inzagerecht betreffende zijn examendossier. Beoordeling
- Voor zover de verzoeker in zijn enig middel machts- overschrijding aanvoert, wordt vastgesteld dat hij nalaat uiteen te zetten waarin deze machtsoverschrijding dan wel zou bestaan. Dit onderdeel van het middel is niet ontvankelijk. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing IX-5844-14/21 ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Uit de lezing van de brief van 20 december 2007, waardoor aan verzoeker de bestreden beslissing ter kennis is gebracht, blijkt dat hij niet geslaagd is voor de test van de gecertificeerde opleiding “Beheer van een fiscaal team”. De verzoeker diende namelijk 60 % te behalen om te slagen, terwijl hij slechts 57,61 % behaalde. Ook in de nieuwe beslissing, die ter kennis is gebracht bij e-mail van 18 juli 2008 en die in de plaats is gekomen van voornoemde beslissing, wordt vermeld dat de verzoeker nog steeds niet de vereiste 60 % behaalt, doch slechts een puntentotaal van 58,95 %. De verzoeker heeft effectief inzage verkregen in zijn examendossier binnen de beroepstermijn bij de Raad van State, zodat hij kennis heeft kunnen nemen van het instructieblad van de test, het detail van de door hem behaalde punten, een overzicht van de doorgevoerde wijziging als gevolg van de correctie en de docimologische analyse, de verbetersleutel met indicatie van de bekomen punten en een kopie van zijn eigen examen. Hij heeft aldus met kennis van zaken voorliggend annulatieberoep kunnen indienen. IX-5844-15/21 De motieven van examenquoteringen zijn in beginsel vervat in de punten zelf. De vermeldingen in de e-mail van 18 juli 2008 vormen een afdoende motivering in de zin van de wet van 29 juli
- Artikel 2 van deze wet vereist niet dat de formele motivering bovendien een gedetailleerde uiteenzetting bevat omtrent de wijze waarop de verwerende partij tot haar beoordeling is gekomen. De punten alleen volstaan echter niet als motivering wanneer er gegevens worden aangebracht die kunnen doen twijfelen aan de ernst van de toegekende punten. Dat is dan echter geen probleem meer van formele, maar van materiële motivering. Bij het verder onderzoek van het middel wordt nagegaan of de door verzoeker aangebrachte gegevens en argumenten van die aard zijn dat zij aan de ernst van de puntentoekenning doen twijfelen. Wat deze puntentoekenning betreft, komt het de Raad van State niet toe zich in de plaats van de overheid een oordeel te vormen over de examenprestatie van de kandidaten. De Raad kan ter zake enkel een marginaal toetsingsrecht uitoefenen. Hij kan met andere woorden slechts tot vernietiging van een voor een examen gegeven beoordeling overgaan indien de wijze waarop de verwerende partij de verschillende antwoorden van de verzoeker heeft beoordeeld kennelijk onredelijk is en zou doen blijken van een kennelijke beoordelingsfout. Voor de controle van de gegeven punten kan evenwel enkel rekening worden gehouden met de motieven en gegevens die uit het dossier zelf blijken. Zoals in het arrest nummer 184.849 van 26 juni 2008 met betrekking tot de vordering tot schorsing werd overwogen, kan de kritiek van de verzoeker met betrekking tot de puntentoekenning als volgt worden samengevat: 1° Er werd geen rekening gehouden met het feit dat één meerkeuzevraag werd geschrapt, zodat het behaalde percentage niet werd berekend op een totaal van 75 punten, maar wel op 74 punten. 2° De antwoorden van de verzoeker op case 5 zijn volgens hem correct, zodat hij hiervoor 1,5 punt meer verdient. IX-5844-16/21 3° Zijn antwoord op case 6 bevat volgens de verzoeker de vijf gevraagde items (met name: specifiek, meetbaar, aanvaardbaar, realistisch en tijdsgebonden), zodat hij recht heeft op een bijkomend punt. Wat het eerste argument betreft, dient met de verwerende partij te worden vastgesteld dat bij de quotering van het examen wel degelijk rekening is gehouden met de schrapping van één meerkeuzevraag. Uit het administratief dossier blijkt namelijk dat het tweede gedeelte van het examen 42 meerkeuzevragen bevatte, doch één meerkeuzevraag uiteindelijk -na analyse van de testresultaten- geschrapt werd. Dit betekent dat de verzoeker een score behaalde van 29/41, wat werd herberekend op een score van 29,71/
- Samengeteld met zijn aangepaste score van 1 + 13,5/33 op het gedeelte open vragen, geeft dit dan ook een totaalscore van 44,21/75 (58,95 %). Er is dan ook geen sprake van een fout in de puntentelling van zijn score. Wat het tweede argument betreft, blijkt uit het administratief dossier (stuk 15) dat opdracht c) van case 5 bestaat uit twee onderdelen. Met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat in een eerste onderdeel werd gevraagd vier verschillende fasen te benoemen aan de hand van het DESC-model en elk van de vier fasen uit te leggen. Per benoemde fase en uitleg zou ½ punt worden toegekend. Daar de verzoeker weliswaar de vier fasen heeft benoemd, doch telkens heeft nagelaten deze uit te leggen is het niet onredelijk hem hiervoor geen punten te hebben toegekend. De verzoeker ontkent in zijn uiteenzetting van het middel niet te hebben nagelaten elke van deze vier fasen uit te leggen, doch zich te hebben beperkt tot het louter benoemen ervan. In een tweede onderdeel van de opdracht c) van case 5 werd gevraagd een voorbeeld te geven en zou ½ punt per gegeven voorbeeld worden toegekend. Daar aanvankelijk de door verzoeker gegeven voorbeelden bij de eerste en vierde fase als correct werden beschouwd, werd hem hiervoor telkens ½ punt toegekend. De verzoeker behaalde aanvankelijk (dit is vóór de aanpassing ten gevolge van verzoekers bezwaar) aldus voor dit tweede onderdeel van opdracht c IX-5844-17/21 een score van 1/
- In totaal behaalde verzoeker voor deze opdracht c) van case 5 aldus een score van 1/
- Naar aanleiding van het door de verzoeker ingediende bezwaar bij de Directeur-generaal van het OFO met betrekking tot deze case 5, werd echter omtrent dit tweede onderdeel van de opdracht c) vastgesteld dat de overige door de verzoeker aangehaalde voorbeelden (bij de tweede en derde fase) eveneens correct waren, zodat hem ook voor deze voorbeelden telkens ½ punt diende te worden toegekend. De verzoeker behaalde na onderzoek van zijn bezwaar voor dit onderdeel van opdracht c aldus een score van 2/2 (en niet 1/2 zoals oorspronkelijk toegekend werd). Aan de verzoeker werd dan ook op zijn totaalscore voor het open vragengedeelte van het examen bijkomend een punt toegekend. Het OFO stelde terecht vast dat de verzoeker met dit bijkomend punt nog steeds niet de vereiste 60 % behaalde, en bijgevolg niet geslaagd was. Met het bijkomend punt behaalde de verzoeker immers een score van 1 + 13,5/33 op de open vragen. Zoals gezegd, behaalde hij, samengeteld met zijn score van 29,71/42 op de meerkeuzevragen, aldus een score van 44,21/75 of 58,95 %. Het derde argument van de verzoeker heeft meer specifiek betrekking op de opdracht b) van de case
- Uit het administratief dossier blijkt dat van de deelnemers wordt verwacht dat zij twee doelstellingen noteren en deze SMART (specifiek - meetbaar - aanvaardbaar - realistisch - tijdsgebonden) dienen te formuleren. Per correct geformuleerde doelstelling zou 1 punt worden toegekend. De verzoeker heeft weliswaar twee doelstellingen genoteerd, doch slechts de eerste doelstelling werd beoordeeld als zijnde SMART geformuleerd. Met betrekking tot de tweede doelstelling werd vastgesteld dat deze niet alle aspecten van de SMART-formule omvat. Dit behoort tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de verwerende partij. Het is niet kennelijk onredelijk dat voor deze tweede doelstelling geen punt werd toegekend, daar bij de verbetering uitdrukkelijk op de kopie van verzoekers examenformulier wordt aangegeven dat deze doelstelling niet alle aspecten van de SMART-formule bevat. IX-5844-18/21 De verzoeker maakt dan ook niet aannemelijk dat hem, rekening houdend met zijn tweede en derde argument, 2,5 punten extra dienen te worden toegekend. Uit wat voorafgaat blijkt dat de drie door de verzoeker aangehaalde argumenten de gegeven punten, zoals aangepast na verzoekers bezwaar, niet in vraag kunnen stellen.
- Voor zover de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord en in zijn laatste memorie nog bijkomende argumenten aanvoert met betrekking tot de puntentoekenning, wordt vastgesteld dat het gaat om bijkomende opmerkingen van hem met betrekking tot de overige cases van het open vragengedeelte van het examen enerzijds, en met betrekking tot vraag 35 van het meerkeuze- vragen-gedeelte anderzijds. De verzoeker doet deze argumenten slechts voor het eerst gelden in zijn memorie van wederantwoord en in zijn laatste memorie. Nochtans kon hij deze argumenten reeds in het inleidend verzoekschrift aanvoeren omdat hij immers binnen de beroepstermijn voor de Raad van State effectief inzage kreeg in zijn examendossier.
- Wat de kritiek van de verzoeker betreft met betrekking tot het verstrijken van de termijn tussen de datum van het examen (25 juni 2007) en de datum van ontvangst van de beslissing (21 december 2007), toont het verstrijken van deze termijn niet aan dat het OFO onzorgvuldig heeft gehandeld. Bovendien heeft deze kritiek betrekking op de kennisgeving van de bestreden beslissing en niet op de wettigheid ervan, zodat deze kritiek niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing van 18 juli 2008 kan leiden. Wat het verstrijken van de termijn tussen de datum van ontvangst van de beslissing (21 december 2007) en de datum van inzage in het dossier (13 februari 2008) betreft, maakt de verzoeker niet aannemelijk in het ongewisse te zijn gelaten door de verwerende partij. De verzoeker heeft op 4 januari 2008 om inzage verzocht en meegedeeld zelf niet beschikbaar te zijn van IX-5844-19/21 17 januari tot en met 3 februari
- Reeds op 7 januari 2008 werd aan de verzoeker meegedeeld dat hij opnieuw zal worden gecontacteerd om een datum vast te leggen van zodra zijn persoonlijk dossier is samengesteld. Gelet op deze gegevens, kan niet worden ingezien dat een onredelijk lange termijn is verstreken vanaf het ogenblik dat de verzoeker om inzage heeft verzocht tot op het ogenblik dat hij effectief inzage heeft gekregen.
- In de mate dat de verzoeker voorts de wijze bekritiseert waarop hem inzage werd verleend in zijn examendossier, wordt vastgesteld dat de verzoeker effectief inzage heeft gekregen in zijn examendossier, en dit binnen de beroepstermijn voor de Raad van State. Bovendien tast een eventuele tekortkoming aan de verplichting tot openbaarheid van bestuur de regelmatigheid van de thans bestreden beslissing niet aan. De wijze waarop het OFO het inzagerecht heeft georganiseerd, is een van de bestreden beslissing betreffende het niet-geslaagd verklaren van de verzoeker afgescheiden beslissing, waartegen de verzoeker zo nodig kon opkomen volgens de specifieke door artikel 8, § 2, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur voorgeschreven procedure, wat hij niet heeft gedaan, daargelaten de vraag of dit in voorliggend geval dienstig zou geweest zijn. De eventuele onregelmatigheid van deze beslissing heeft immers geen invloed op de wettigheid van de thans bestreden beslissing. Dit onderdeel van het middel wordt derhalve niet dienstig aangevoerd en kan niet leiden tot de nietigverklaring van de beslissing van 18 juli
- De kritiek die de verzoeker formuleert in zijn laatste memorie op de wijze van verbetering van de verschillende casussen, betreffende de test “Beheer van een fiscaal team”, heeft telkens betrekking op een feitelijke appreciatie door de verwerende partij van de antwoorden van de verzoeker, en valt bijgevolg buiten de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad van State. Hetzelfde geldt voor de kritiek van de verzoeker op de beoordeling door de verwerende partij van de meerkeuzevraag
- IX-5844-20/21
- Het enig middel kan niet worden aangenomen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 december 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5844-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.086 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.849 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div