← België

Arrest 210087 - Tucht (openbaar ambt) - 23/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.087 Rolnummer: A. 188611/IX-5954 Zaak: Arrest 210087 - Tucht (openbaar ambt) - 23/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 05:35 Fiche Arrest nr 210.087 van 23 december 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 210.087 van 23 december 2010 in de zaak A. 188.611/IX-5954 In zake : Luc DEHAEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick A. Dillen kantoor houdend te Brussel Louizalaan 475 bus 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de Politiezone ZUID ANDERLECHT-VORST-SINT-GILLIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Muls kantoor houdend te Brussel A. Dansaertstraat 92 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 16 juni 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 15 april 2008 van het politiecollege van de politiezone Zuid waarbij aan Luc Dehaen de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. IX-5954-1/13 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 december 2010 Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jacques Van Deuren, die loco advocaat Patrick Dillen verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Severine Vincke, die loco advocaat Walter Muls verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker is als commissaris van politie tewerkgesteld in de lokale politiezone Zuid (Brussel). Zo ook inspecteur Yves Boeykens. Beiden wonen in de wijk Impeleer in Sint-Pieters-Leeuw. Op 13 april 2004 ontstaat een onenigheid tussen de beide families die haar oorsprong vindt in overlast die te wijten zou zijn aan het gedrag van de kinderen Dehaen. De tussenkomst van de politie wordt gevraagd door het gezin Boeykens. IX-5954-2/13 Volgens die familie heeft de verzoeker tijdens de vaststelling van de politie gepoogd de voordeur van hun woning in te stampen; hij zou duidelijk dronken geweest zijn, na deelname aan de Pottenstoet te Lembeek. 3.2. Op 14 april 2004 informeert L. Gallez, echtgenote Boeykens, de dienst Intern Toezicht van de politiezone Zuid van de gerechtelijke klacht over de gebeurtenissen van 13 april 2004. Haar verklaring wordt genoteerd: Zij stelt dat de verzoeker, toen de politie bij hem thuis aanwezig was, “in een woeste bui” naar haar huis gekomen is, “met zijn volle vuist op de voorruit gebonkt heeft en daarna met zijn voet geprobeerd heeft van de voordeur in te stampen”, waarna een andere buur hem tot bedaren moest brengen; toen de politie dan bij hem kwam zijn zij buitengegaan en hebben zij “schade aan de deur” vastgesteld (deurkozijn verwrongen ter hoogte van het slot). De politieambtenaren zouden haar gezegd hebben dat de verzoeker niet tegen te houden was, omdat hij “woest was en stomdronken”. 3.3. Op 15 april 2004 deelt de Dienst Intern Toezicht van de PZ Zuid aan de voorzitster van het politiecollege mee dat een gerechtelijke klacht werd neergelegd tegen de verzoeker. Op 28 april 2004 beslist het politiecollege, na kennis genomen te hebben ook van het aanvankelijk proces-verbaal nr. BR.43.LK.101563/2004 van 13 april 2004 dat aan de procureur des Konings was bezorgd, de tuchtprocedure op te schorten in afwachting van een gerechtelijke beslissing. 3.4. Het bestuur vraagt regelmatig aan de procureur des Konings de stand van het dossier mee te delen. Op 21 november 2007 bericht de procureur des Konings aan de politiezone dat de raadkamer, uitspraak doende na een klacht met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter door de echtgenoten Boeykens op 21 april 2005, op 25 september 2007 een beschikking tot buitenvervolging heeft uitgesproken. De beschikking van de raadkamer zegt dat er geen reden is tot IX-5954-3/13 vervolging; in de vordering tot buitenvervolgingstelling van de procureur wordt gesteld “dat er tegen (…) de verdachte generlei bezwaar bestaat”. 3.5. Op 8 februari 2008 stelt de Dienst Intern Toezicht, die door het politiecollege belast was met de opvolging van de zaak, een informatieverslag op waarin onder meer het volgende gesteld wordt: “Uit een analyse van het gerechtelijk dossier blijkt dat de CP DEHAEN Luc geen tekortkoming aan de beroepsplichten kan worden aangerekend. Anderzijds zijn er wel degelijk enkele concrete elementen voorhanden die er op wijzen dat de betrokkene de waardigheid van het ambt in het gedrang bracht, aangezien de feiten plaatsvonden in aanwezigheid van derden die kennis hadden van zijn hoedanigheid van politieofficier. De tussenkomende politieinspecteurs maakten in hun proces-verbaal melding van het feit dat de CP DEHAEN Luc zich in een zichtbaar dronken toestand bevond, dat hij zich in die toestand naar de woning van zijn naaste buren begaf, begon te roepen en er op de voordeur begon te beuken. Zijn gedrag was van die aard dat de tussenkomende inspecteurs hem dienden te bedaren, waarna hij zich verontschuldigde voor het totaal ongepaste gedrag waarvan hij uiting gaf.” 3.6. Op 13 februari 2008 beslist het politiecollege, na kennisneming van het gerechtelijk dossier en de beschikking tot buitenvervolgingstelling, “het voornemen te uiten om de CP Dehaen Luc de lichte tuchtstraf van blaam op te leggen”. Op 14 februari 2008 stelt het politiecollege het inleidend verslag op waarin het:

  1. a)over de feiten het volgende vermeldt: “meent het Politiecollege dat de feiten, ondanks de gerechtelijke buitenvervolgingstelling, op tuchtrechtelijk vlak vaststaan en u kunnen worden toegerekend, doordat: - de politie van St-Pieters-Leeuw vaststelde dat u zichtbaar dronken was, dat u zich in deze toestand naar de woning van uw naaste buren begaf, begon te roepen en er op de voordeur begon te beuken; - u(
  2. w)gedrag van die aard was dat de tussenkomende politieambtenaren u dienden te bedaren; - u zich t.o. de tussenkomende politieambtenaren verontschuldigde voor het ‘totaal ongepaste gedrag’ waarvan u uiting gaf.”
  3. b)die feiten als het volgende tuchtvergrijp aan de verzoeker ten laste legt: IX-5954-4/13 “ ‘Om de waardigheid van het politieambt te hebben geschaad door u, in het openbaar en in een dronken toestand, onwelvoeglijk te hebben gedragen t.o. burgers en politieambtenaren, terwijl deze personen wel degelijk kennis hadden van uw hoedanigheid van politieofficier.’ Het Politiecollege verwerpt een dergelijke misdraging volledig en wijst er nadrukkelijk op dat de waardigheid van het ambt een natuurlijk en logisch gevolg is van het feit dat een politieambtenaar bekleed is met een deel van de openbare macht en belast is met het doen naleven van de wet. Dit impliceert automatisch dat een politieambtenaar, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, gedragingen moet vermijden die niet beantwoorden aan datgene wat de burgers en de overheden van hem of haar mogen verwachten. Bovendien heeft elke politieambtenaar een voorbeeldfunctie in de samenleving waarin hij of zij werkt en leeft. Tevens tilt het Politiecollege zwaar aan het feit dat u geen rekening hield met de status die onlosmakelijk verbonden is aan het ambt van politiecommissaris. Uw gedrag was geenszins van aard om deze status enige glans te geven.” 3.7. Op 25 maart 2008 dient de verzoeker een verweerschrift in waarin gewezen wordt op tegenstrijdigheden in het aanvankelijk proces-verbaal zodat de betrouwbaarheid ervan in vraag moet worden gesteld. Tevens wordt gewezen op getuigenverklaringen die een ander licht op de feiten werpen zodat het dan ook “geen wonder mag heten dat het parket de buitenvervolgingstelling vorderde bij gebrek aan enig bezwaar.” Op 14 april 2008 wordt de verzoeker gehoord. 3.8. Op 15 april 2008 beslist het politiecollege aan de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. De beslissing stelt dat de volgende feiten vaststaan en aan verzoeker kunnen toegerekend worden: “5. (…) - de politie van Sint-Pieters-Leeuw vaststelde dat u zichtbaar dronken was, dat u zich in deze toestand naar de woning van uw naaste buren begaf, begon te roepen en er op de deur begon te beuken; IX-5954-5/13 - u(
  4. w)gedrag van die aard was dat de tussenkomende politieambtenaren u dienden te bedaren; - u zich t.o. de tussenkomende politieambtenaren verontschuldigde voor het ‘totaal ongepaste bedrag’ waarvan u uiting gaf.” De beslissing is voorts als volgt gemotiveerd: “6. Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3, 4, 10, 19 en 32 t.e.m. 37; Gelet op de analyse van uw tuchtdossier, waarvan u een copie hebt ontvangen op datum van 05/03/2008; Gelet op de analyse van uw verweerschrift, op datum van 09/04/2008; Gelet op het bijkomend verweer van uw gemachtigde verdediger R. BAUDEWYN tijdens de hoorzitting op datum van 14/04/2008; Meent het Politiecollege dat: - het aanvankelijk proces-verbaal BR.43.LK.1 01563/2004 van de Politie van Sint-Pieters-Leeuw, opgesteld op datum van 13/04/2004, een authentieke akte is die werd opgesteld door twee beëdigde politieambtenaren; bijgevolg heeft dit proces-verbaal, tot het bewijs van het tegendeel wordt geleverd, volle bewijskracht en mag derhalve worden aangenomen dat de vaststellingen van de verbalisanten een objectieve en waarheidsgetrouwe weergave zijn van de feiten zoals deze zich in werkelijkheid afspeelden; - zelfs indien de Procureur des Konings, op basis van het volledige strafdossier, de mening was toegedaan dat er generlei bezwaar bestond om u niet te vervolgen en de Raadkamer in zijn beschikking tot buitenvervolgingstelling deze redenering volgde en de juridische waarheid in deze weliswaar ontbreekt, dit niet automatisch impliceert dat het aanvankelijk proces-verbaal en meer bepaald de beschrijving van uw gedrag door de verbalisanten, onbetrouwbaar, onvolledig of onvoldoende onderbouwd zou zijn; - het niet ernstig is te beweren dat de verbalisanten, tijdens het verhoor van uw echtgenote, onmogelijk konden vaststellen dat u uw woning verliet en u zich naar de deur van uw buren begaf; mogelijkerwijs volstonden een minieme visuele en een al even korte auditieve waarneming van de verbalisanten om uw plotse fysische afwezigheid, gevolgd door geroep en gebeuk op de deur van uw buurman, vast te stellen; - de vijf, overigens niet gedateerde, getuigenverklaringen die u zouden moeten vrijpleiten, het voorwerp uitmaken van het navolgend procesverbaal n° 103565/2005 van 08/08/2005 van de Politie van St.-Pieters Leeuw IX-5954-6/13 (stukken 088 tot 103 van het tuchtdossier); aangezien het aanvankelijk proces-verbaal op 13/04/2004 werd opgesteld, stelt het Politiecollege zich terecht de vraag welke nog de relevantie kan zijn van vijf haast identieke getuigenissen die anderhalf jaar na de feiten nog werden opgenomen in het gerechtelijk dossier; - wanneer de klagers verklaarden dat u in feite werd gekalmeerd door uw andere buur, te weten Patrick, dit waarschijnlijk betekent dat u slechts in tweede instantie door de tussenkomende inspecteurs tot bedaren werd gebracht; het betreft hier een feitelijke omstandigheid die geen enkele afbreuk doet aan uw wangedrag en die bovendien bevestigt dat er wel degelijk een grondige reden was om u te kalmeren. Aangezien het Politiecollege meent dat de feiten vaststaan, dat ze u kunnen worden toegerekend en dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 5, een tuchtvergrijp uitmaken;” IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 4. De verzoeker voert aan dat de verwerende partij ten onrechte bijzondere bewijswaarde hecht aan het initieel proces-verbaal dat de politie op 13 april 2004 opgesteld heeft en dat hetzelfde proces-verbaal interne tegenstrijdigheden bevat. Hij adstrueert het middel als volgt: de bestreden beslissing steunt op de vaststellingen gemaakt in het proces-verbaal van 13 april 2004 nr. BR.43.LK.101563/2004, waaraan de verwerende partij, in plaats van het als een “zuivere inlichting” te beschouwen, “tot het tegendeel wordt bewezen, volle bewijskracht (hecht)”. Om bijzondere bewijswaarde te hebben moet een verklaring betrekking hebben op “vaststellingen” van de politieambtenaren zelf, maar dit blijkt hier niet het geval te zijn: er wordt niet expliciet vermeld dat één van de verbalisanten gezien heeft dat de verzoeker zich naar het huis van L. Gallez begaf en dat hij daar beginnen roepen is en op de deur beuken; er wordt gesteld dat de verbalisanten de verzoeker tot bedaren brachten en dat hij zich zou verontschuldigd hebben, maar er wordt niet verduidelijkt waar en wanneer dit IX-5954-7/13 gebeurd zou zijn zodat met de verzoeker mag aangenomen worden dat dit gebeurd zou zijn toen hij thuis kwam. Nu de gemaakte vaststellingen niet terdege bewezen zijn, is ten onrechte bijzondere bewijswaarde toegekend aan de vermelding in het proces-verbaal dat de verzoeker zich naar de woning van de buren begaf, dat hij beginnen roepen is en op de voordeur gebonkt heeft. Voorts moet uit de vermelding dat de verzoeker naar het huis van de buren gegaan is, dat hij daar geroepen heeft en op de deur gebeukt heeft terwijl het verhoor van zijn echtgenote bezig was, opgemaakt worden dat de verbalisanten zulks niet zelf gezien hebben, want de voordeur van het huis-Boeykens is vanaf de plaats van verhoor in het huis van de verzoeker niet zichtbaar en geluiden zijn niet hoorbaar. Er wordt ook niet vermeld wie zulks dan wel gezien heeft en een anonieme aangifte heeft geen waarde, minstens moet de voorkeur worden gehecht aan de verklaring van vier getuigen dat de verzoeker niet aan de deur van Boeykens geweest is; in dezelfde lijn ligt de vaststelling van de raadkamer dat er tegen de verzoeker geen bezwaar bestond. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de verwerende partij een afweging tussen deze bewijsmiddelen gemaakt heeft. 5. De verwerende partij antwoordt: - Het politiecollege heeft zich niet uitsluitend gesteund op één enkel proces-verbaal en de verzoeker verwijst ten onrechte naar de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal, aangezien hier artikel 154 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is, wat betekent dat de rechter de bewijswaarde van de hem voorgelegde gegevens beoordeelt. In dit geval heeft het bestuur gesteld dat de getuigenverklaringen die door de verzoeker werden voorgelegd en die dagtekenen van anderhalf jaar na de feiten niet meer relevant zijn en daaruit blijkt dat de verwerende partij de beweringen van de verzoeker afgewogen heeft aan de vaststellingen van de politie. - Het proces-verbaal vermeldt duidelijk dat de verzoeker in zichtbaar dronken toestand thuisgekomen is en dat hij zeer ontevreden was omdat een verklaring van zijn zoon afgenomen werd, dat de politieambtenaren tijdens hun IX-5954-8/13 aanwezigheid vastgesteld hebben dat de verzoeker amok was gaan maken bij de buren en zij hem moesten bedaren, waarna de verzoeker zich verontschuldigd heeft. De verzoeker betwist eigenlijk alleen dat de verbalisanten hebben kunnen vaststellen dat hij effectief amok gaan maken is bij de buren, maar daar geeft het politiecollege een antwoord op. - Het politiecollege leidt aldus uit een geheel van gegevens uit het tuchtdossier af dat de tegenstrijdigheden waarop de verzoeker de aandacht vestigt, niet bestaan en dat zij de vaststelling van zijn wangedrag niet verhinderen. - Dat de procureur des Konings onvoldoende bezwaren ontwaarde voor een strafrechtelijke vervolging, betekent niet dat het bestuur de tuchtrechtelijke aspecten van de zaak niet meer zou mogen beoordelen. 6. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de verwerende partij erkent dat het proces-verbaal geen bijzondere bewijswaarde heeft zodat de bestreden beslissing, waar het daarnaar verwijst, de wet schendt en een intern motiveringsgebrek bevat en dat de verwerende partij ten onrechte stelt dat het dossier nog andere elementen bevatte om een tuchtstraf op te leggen. 7. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog dat de buitenvervolgingstelling steunt op de vaststelling dat er onvoldoende bezwaren bestaan -wat niet betekent dat er geen bezwaren bestaan- , dat de ontstentenis van bijzondere bewijswaarde niet betekent dat met het proces-verbaal geen rekening gehouden mag worden en dat het bestuur in dit geval rekening gehouden heeft met de hem ter kennis gebrachte gegevens, met afweging van de elementen die de verdediging had aangebracht, te dezen in essentie vijf getuigenissen afgelegd anderhalf jaar na de feiten. Beoordeling 8. De verzoeker is tuchtrechtelijk gestraft omdat hij zich, in het openbaar en dronken, onwelvoeglijk gedragen heeft ten overstaan van burgers en politieambtenaren die zijn hoedanigheid kenden. De verwerende partij vindt het IX-5954-9/13 bewijs van die tuchtinbreuk in de vaststellingen gemaakt in het proces-verbaal BR.43.LK.101563/2004 van 13 april 2004, opgemaakt door een inspecteur en een aspirant-inspecteur van de politiezone Sint-Pieters-Leeuw naar aanleiding van een klachtoproep die zij op 13 april 2004 gekregen hadden met betrekking tot een burentwist waarbij onroerende goederen beschadigd werden. 9. De vraag rijst of de verwerende partij zulks regelmatig kon doen. Te dezen spitst de problematiek zich toe op de bewijswaarde van het genoemd proces-verbaal, dat in het kader van een gerechtelijk opsporingsonderzoek werd opgesteld. Er is geen reden om de bewijswaarde van een proces-verbaal, opgemaakt in het kader van een bepaalde strafrechtelijke vervolging, anders te beoordelen wanneer dat proces-verbaal gebruikt wordt voor het bewijs van dezelfde feiten in het kader van een tuchtrechtelijke vervolging. De verzoeker is van oordeel dat het vermeld proces-verbaal de verwerende partij niet toeliet de feiten voor bewezen te houden, inzonderheid niet omdat zij blijkens de bestreden beslissing gehandeld heeft alsof het proces-verbaal “volle bewijskracht heeft tot bewijs van het tegendeel” en omdat het bestuur aldus alle waarde gehecht heeft aan de vaststellingen van de verbalisanten, terwijl het proces-verbaal niet geldt tot bewijs van het tegendeel. 10. Artikel 154, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering regelt de bewijswaarde van de vermeldingen van een proces-verbaal en maakt een onderscheid tussen processen-verbaal die gelden tot bewijs van valsheid en processen-verbaal die gelden tot het bewijs van het tegendeel. De rechtsleer en de rechtspraak hebben die bepaling uitgelegd als twee uitzonderingen op de algemene regel dat het proces-verbaal geldt als loutere inlichting en dat de rechter de bewijswaarde van de hem voorgelegde stukken vrijelijk beoordeelt (zie onder meer R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, 2001, nr. 1582). IX-5954-10/13 Met andere woorden, een proces-verbaal waaraan de wet geen bijzondere bewijswaarde verleent, heeft de waarde van een inlichting en de rechter moet bij de beoordeling van de zaak de vermeldingen van dergelijk proces-verbaal afwegen aan de andere bewijselementen die in het debat betrokken worden, terwijl een proces-verbaal dat geldt tot bewijs van het tegendeel de rechter verplicht om de vermeldingen erin voor waar aan te nemen, behoudens een tegenbewijs waarvan hij de waarde moet beoordelen. 11. In het onderhavig geval wijst de verwerende partij geen bijzondere bepaling aan die laat besluiten dat het proces-verbaal van 13 april 2004 geldt tot bewijs van het tegendeel. Het heeft dus de waarde van een inlichting. Terecht stelt de verzoeker dan ook dat de bestreden beslissing niet regelmatig verwijst naar de “volle bewijskracht” van het stuk, begrepen in de zin dat enkel een tegenbewijs mogelijk zou zijn. 12. De vraag is evenwel of de verwerende partij met de verwijzing naar de “volle bewijskracht” van het bewust proces-verbaal dat begrip wel in die zin gebezigd heeft. Uit de overige overwegingen van de bestreden beslissing blijkt immers een genuanceerde houding, aangezien de verwerende partij toch ook rekening gehouden heeft met argumenten die de verzoeker in zijn verweer heeft laten gelden, zonder zich te beperken tot de vraag of daarmee het tegenbewijs geleverd werd van wat in het oorspronkelijk proces-verbaal was vermeld. Aldus wordt uiteengezet dat de omstandigheid dat de procureur des Konings onvoldoende bezwaren zag om de verzoeker strafrechtelijk te vervolgen, niet betekent dat de beschrijving van het gedrag van de verzoeker door de verbalisanten “onbetrouwbaar, onvolledig of onvoldoende onderbouwd (zou zijn)”, wordt de bemerking van de verzoeker, dat de verbalisanten tijdens het verhoor van zijn echtgenote onmogelijk kunnen gezien hebben dat hij zich naar de woning van de buren begaf, weerlegd met een verwijzing naar een korte visuele en auditieve waarneming van de plotse afwezigheid van de verzoeker en geroep en gebeuk op IX-5954-11/13 de deur van de buurman, hetgeen een redelijke beoordeling vormt en wordt de bewijswaarde van de vijf verklaringen van getuigen, waarin gesteld wordt dat de verzoeker niet bij de woning van zijn buurman geweest is, genuanceerd omdat zij slechts anderhalf jaar na de feiten opgemaakt werden; tenslotte wordt ook nog de verklaring van de klagers dat de verzoeker door een andere buurman werd gekalmeerd en niet door de politie, gerelativeerd. De verwerende partij blijkt derhalve de verschillende bewijsgegevens die haar voorlagen wel degelijk beoordeeld te hebben. In die zin kan de “volle bewijswaarde” van het proces-verbaal, waarnaar de verwerende partij verwijst, dan ook begrepen worden als een verwijzing naar het standpunt dat er geen overtuigende argumenten worden voorgelegd die de geloofwaardigheid en de overtuigingskracht van de vermeldingen van het proces-verbaal tegenspreken of ernstig laten betwijfelen. De omstandigheid dat het bestuur zijn beoordeling afstemt op een proces-verbaal van politieambtenaren die het gebeuren hebben meegemaakt en waartegen geen gegeven wordt aangevoerd dat zou kunnen wijzen op enig bevooroordeeld denken, betekent niet dat het aan hun proces-verbaal een bijzondere bewijswaarde toekent. 13. In het kader van zijn onderzoek naar de wettigheid van de bestreden beslissing komt het de Raad van State niet toe om in de plaats van het bestuur uit te maken of de feiten bewezen zijn. Hij vermag enkel na te gaan of het bestuur, met de gegevens waarover het beschikt, in redelijkheid tot het bewijs van de feiten heeft kunnen besluiten. Te dezen heeft de verwerende partij aldus, omdat de argumenten van de verzoeker niet opwogen tegen de vaststellingen van de verbalisanten, de feiten zoals zij in het proces-verbaal zijn omschreven, bewezen geacht. Zij heeft daarin een deugdelijke grondslag kunnen vinden om de tuchtvordering tegen de verzoeker te voeren. Temeer omdat de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer betrekking heeft op de strafrechtelijke kwalificatie door het parket van de wederrechtelijke gedraging van de verzoeker die als volgt wordt omschreven: IX-5954-12/13 “Op 13 april 2004 opzettelijk, landelijke of stedelijke afsluitingen, uit welke materialen ook gemaakt, geheel of ten dele vernield te hebben, in casu een voordeur van de woning gelegen te Sint-Pieters-Leeuw, Impeleer die aan Boeykens Yves en Gullez Lucia toebehoorden”. Deze strafrechtelijke kwalificatie belet niet dat de tuchtoverheid de houding en de gedragingen van de verzoeker in een ruimere context plaatst. 14. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 december 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5954-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.087 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.