← België

Arrest 210100 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.100 Rolnummer: A. 75657/IX-2739 Zaak: Arrest 210100 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 05:35 Fiche Arrest nr 210.100 van 23 december 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 210.100 van 23 december 2010 in de zaak A. 75.657/IX-2739 In zake : François WOUTERS (overleden) rechtsgeding hervat door: Kristine SELDESLAGH Filip WOUTERS Kristien WOUTERS Sabine WOUTERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de AUTONOME RAAD VOOR HET GEMEENSCHAPSONDERWIJS, thans het GEMEENSCHAPSONDERWIJS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Riet Rombaut kantoor houdend te Hove Lintsesteenweg 740 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 september 1997, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van de Centrale Raad van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO) van 27 februari 1997 waarbij via een vergelijkend aanwervingsexamen een wervingsreserve van mannelijke en vrouwelijke Nederlandstalige directeurs-informatici wordt aangelegd voor de ARGO en de betrekking van directeur-informaticus wordt ingevuld met ingang van 1 november 1997; - de al of niet expliciet genomen beslissing van onbekende datum uitgaande van de administrateur-generaal van de ARGO, waarbij het programma van het voornoemde vergelijkend wervingsexamen werd vastgelegd; IX-2739-1/13 - alle andere beslissingen die voortvloeien uit de voornoemde beslissing van de Centrale Raad van de ARGO van 27 februari 1997 en die geleid hebben tot de oproep tot de kandidaten; - de uit de voornoemde beslissing van de Centrale Raad van de ARGO van 27 februari 1997 blijkende weigering om de betrekking van informaticus-directeur vacant te verklaren met het oog op toewijzing via benoeming door verhoging in graad of door bevordering door overgang naar het hoger niveau, overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 7 januari 1992 houdende het reglement voor het personeel van de administratieve diensten van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 70.532 van 6 januari 1998 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor een terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2008. De zaak is alsdan op verzoek van de raadsman van de verzoeker uitgesteld. De partijen zijn opnieuw opgeroepen voor een terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 mei 2009. Op verzoek van de raadsman van de verzoeker is de zaak alsdan uitgesteld tot de terechtzitting van 29 juni 2009. IX-2739-2/13 Met een verzoekschrift van 25 juni 2009 hebben een aantal erfgenamen van de verzoeker, die overleden is op 7 mei 2008, een verzoek tot hervatting van het geding ingediend. Op de terechtzitting van 29 juni 2009 heeft kamervoorzitter Paul Lemmens verslag uitgebracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de gedinghervattende partijen, en advocaat Riet Rombaut, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behalve wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De verzoeker is in 1991 in dienst getreden van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, afgekort ARGO. Met ingang van 1 juni 1995 is hij vast benoemd als informaticus. 4. Bij besluit van de Vlaamse regering van 1 april 1993 houdende machtiging aan de administratieve diensten van de ARGO om tijdelijk bij arbeidsovereenkomst een contractueel informaticus-directeur in dienst te nemen om te voldoen aan een uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoefte worden de administratieve diensten van de ARGO gemachtigd om tijdelijk één contractueel informaticus-directeur in dienst te nemen, voor een periode van vijf jaar. In de aanhef van dit besluit wordt onder meer vastgesteld dat de administratieve diensten van de ARGO moeten beschikken over bevoegd informaticapersoneel, dat het ontbreekt aan deskundig leidinggevend personeel, en dat de functie van informaticus-directeur in de eerstkomende periode niet statutair kan worden opgevuld. IX-2739-3/13 Met toepassing van dit besluit beslist het Vast Bureau van de ARGO op 12 mei 1993 om M.D., die sinds 1989 als gedelegeerd leerkracht werkzaam is bij de administratieve diensten, tijdelijk aan te werven als contractueel informaticus-directeur voor een periode van vijf jaar, die ingaat op 12 mei 1993. Haar contractuele tewerkstelling neemt aldus een einde op 11 mei 1998. 5. Volgens bijlage 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 mei 1995 houdende organisatie van de administratieve diensten van de ARGO en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: rechtspositiebesluit) kan de betrekking van directeur-informaticus (voorheen: informaticus-directeur) worden begeven, niet enkel bij wijze van bevordering door verhoging in graad, maar ook door aanwerving na een vergelijkend examen. 6.1. Op advies van de directieraad van de ARGO beslist de Centrale Raad van de ARGO op 27 februari 1997 om: “1. de betrekking van directeur-informaticus vacant te verklaren bij de afdeling [Informatieverwerking]; 2. de betrekking van directeur-informaticus te laten invullen door werving via een vergelijkend wervingsexamen bij het [Vast Wervingssecretariaat]; 3. de betrekking van directeur-informaticus in te vullen met ingang van 1 november 1997.” Deze beslissing vormt de eerste bestreden beslissing. 6.2. Luidens een bericht van het Vast Wervingssecretariaat, dat bij nota van 16 juli 1997 aan de personeelsleden van de administratieve diensten van de ARGO ter kennis wordt gebracht en in het Belgisch Staatsblad van 12 augustus 1997 wordt bekendgemaakt, verloopt de selectieprocedure als volgt: “1. Eventuele voorselectie Naargelang van het aantal inschrijvingen, kan er een voorselectie georganiseerd worden. Tijdens deze voorselectie zal het leer- en redeneervermogen van de kandidaten geëvalueerd worden aan de hand van computergestuurde proeven. De jury stelt op basis van de uitslag voor de voorselectie het aantal tot de eigenlijke selectie toe te laten kandidaten vast. [...] 2. Selectie Assessment center IX-2739-4/13 Evaluatie van de overeenstemming van het profiel van de kandidaat met de vereiste van de functie evenals van zijn/haar motivatie. Dit assessment center bevat één of meerdere gedragsproeven en/of situatieproeven, het invullen van een computergestuurde persoonlijkheidsvragenlijst (inclusief een individuele bespreking van de resultaten van deze vragenlijst met de kandidaat), en een interview. [...]” 6.3. Op 12 september 1997 stelt de verzoeker het voorliggende beroep in, gericht tegen de hiervóór genoemde beslissing van 27 februari 1997 en tegen een aantal impliciete beslissingen. Hij dient eveneens een vordering tot schorsing in van de bestreden beslissingen. Bij arrest nr. 70.532 van 6 januari 1998 wordt die vordering verworpen op grond dat niet is aangetoond dat de bestreden beslissingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. 6.4. Verscheidene kandidaten nemen deel aan het vergelijkend examen. Met een brief van 12 januari 1998 deelt de Vaste Wervingssecretaris aan de ARGO mee dat vier kandidaten geslaagd zijn. M.D. is de eerst gerangschikte kandidaat, de verzoeker de tweede gerangschikte. Er wordt ook vastgesteld dat de wervingsreserve geldig blijft tot 22 december 1999. Op 5 februari 1998 beslist de Centrale Raad van de ARGO om M.D. met ingang van 12 mei 1998 tot de stage van directeur-informaticus toe te laten. 6.5. Op 9 april 1998 vordert de verzoeker de schorsing en de vernietiging van: “

  1. a)de beslissing van de Centrale Raad van de ARGO genomen op 5 februari 1998, waarbij mevrouw M.D. met ingang van 12 mei 1998 toegelaten wordt tot de stage als directeur-informaticus in de administratieve diensten van de ARGO [...],
  2. b)de uit
  3. a)blijkende impliciete weigering om de betrekking van informaticus-directeur toe te wijzen door verhoging in graad of door bevordering door overgang naar het hoger niveau, overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 7 januari 1992 houdende het reglement voor het personeel van de administratieve diensten van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs [...]”. Deze zaak wordt ingeschreven op de rol onder nummer A. 78.203/IX-3151. IX-2739-5/13 Bij arrest nr. 74.931 van 2 juli 1998 wordt de onder
  4. a)vermelde beslissing van de Centrale Raad van de ARGO van 5 februari 1998 met toepassing van het destijds vigerende artikel 94 van het algemeen procedurereglement vernietigd. In zoverre het beroep gericht is tegen de onder
  5. b)vermelde impliciete weigeringsbeslissing worden de debatten heropend en wordt beslist het beroep volgens de gewone procedure voort te zetten. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beide beslissingen wordt bij arrest nr. 74.932 van dezelfde dag (2 juli 1988) verworpen. Bij arrest nr. 210.101 van heden wordt het beroep tegen de genoemde impliciete weigeringsbeslissing verworpen. 6.6. Na de vernietiging van de beslissing van 5 februari 1998 waarbij zij tot de stage als directeur-informaticus wordt toegelaten, blijft M.D. als contractueel directeur-informaticus belast met de leiding van de afdeling informatieverwerking. Op een niet nader gepreciseerde datum neemt zij evenwel ontslag, met ingang van 1 februari 1999. 6.7. Op 30 november 1998 neemt de administrateur-generaal van de ARGO twee beslissingen. Bij een eerste beslissing wordt J.D., afdelingshoofd voor de afdeling Personeelsbewegingen Onderwijs, aangewezen als afdelingshoofd Logistiek. Die beslissing wordt op 21 januari 1999 bekrachtigd door het Vast Bureau. In een tweede beslissing wordt overwogen dat het, gelet op de gevolgen die voor de samenstelling van de administratieve diensten voortvloeien uit het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs, onverantwoord zou zijn om het aantal afdelingshoofden op dat ogenblik te verhogen. In die omstandigheden wordt ervoor geopteerd om de leiding van de sectoren belast met het “afdelingsoverstijgend informatiebeheer” toe te vertrouwen aan een ambtenaar A2 die op het vlak van informatieverwerking ervaring kan laten gelden. Aldus wordt aan J.D., als afdelingshoofd Logistiek, tevens de leiding toevertrouwd over de sectoren belast met de “afdelingsoverstijgende IX-2739-6/13 informatieverwerking”, met ingang van 1 februari 1999. Het Vast Bureau neemt op 21 januari 1999 “kennis” van deze beslissing. De tweede beslissing wordt ter kennis van het personeel gebracht. Tegen die beslissing stelt de verzoeker op 1 februari 1999 beroep in. Deze zaak wordt ingeschreven op de rol onder nummer A. 82.293/IX-2764. Bij arrest nr. 210.102 van heden wordt het beroep verworpen. 6.8. Zoals hiervóór is opgemerkt, verstrijkt de geldigheidsduur van de wervingsreserve voor de betrekking van directeur-informaticus op 22 december 1999. De geldigheidsduur wordt niet verlengd. 7. Ondertussen is, met ingang van 1 april 1999, de ARGO omgevormd tot het Gemeenschapsonderwijs (bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs). Tot 31 december 2002 blijft de Centrale Raad van de ARGO evenwel zijn bevoegdheden uitoefenen. Bij besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 houdende vaststelling van de personeelsformatie van de administratieve diensten van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs wordt voorzien in onder meer één betrekking van directeur-informaticus. Bij besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen (stambesluit VOI) wordt de rechtspositie van het personeel van onder meer de administratieve diensten van het Gemeenschapsonderwijs vastgesteld. 8.1. Op 12 januari 2001 beslist de Centrale Raad onder meer om de administratie te belasten met het voorbereiden van “interne bevorderingsexamens, zowel binnen een niveau als niveau-overstijgend”. Op 14 februari 2001 beslist het Vast Bureau vier betrekkingen van hoofddeskundige (niveau B) vacant te verklaren met het oog op interne bevordering, vijftien betrekkingen van hoofdmedewerker en hoofdtechnicus (niveau C) en acht betrekkingen van speciaal hoofdassistent en hoofdassistent (niveau D). IX-2739-7/13 Er wordt geen betrekking van niveau A vacant verklaard. Ter uitvoering van de beslissing van het Vast Bureau wordt met vijf nota’s van 20 april 2001 een interne oproep gericht tot de kandidaten voor een bevordering tot de graden van respectievelijk hoofddeskundige, hoofdtechnicus, hoofdmedewerker, speciaal hoofdassistent en hoofdassistent. 8.2. Op 19 juni 2001 stelt de verzoeker beroep in tegen de impliciete weigering om de betrekking van directeur-informaticus vacant te verklaren met het oog op bevordering door verhoging in graad, minstens om die betrekking vacant te verklaren. Die zaak wordt ingeschreven op de rol onder nr. A. 106.184/IX-3575. Bij arrest nr. 203.103 van heden wordt het beroep verworpen. IV. Hervatting van het geding 9. Blijkens een uittreksel uit het register der overlijdensakten van de gemeente Boutersem is de verzoeker overleden op 7 mei 2008. Met een verzoekschrift van 25 juni 2009 hebben de rechthebbenden van de verzoeker verklaard het geding te hervatten. De regelmatigheid van de hervatting van het geding wordt niet betwist. V. Ontvankelijkheid van het beroep A. Onduidelijkheid van het verzoekschrift, wat betreft het derde voorwerp van het beroep 10. De verzoeker vordert onder meer de vernietiging van “alle andere beslissingen die voortvloeien uit de (beslissing van de Centrale Raad van de ARGO van 22 februari 1997) en geleid hebben tot de oproep (tot de kandidaten)”. Overeenkomstig het op het ogenblik van het instellen van het beroep vigerende artikel 2, § 1, 2/, van het algemeen procedurereglement (besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de IX-2739-8/13 afdeling administratie (thans de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State) dient het verzoekschrift onder meer het voorwerp van het beroep te vermelden. Aangezien de bestreden beslissingen, wat het derde voorwerp van het beroep betreft, niet geïdentificeerd worden, beantwoordt het verzoekschrift op dit punt niet aan het vereiste van voornoemd artikel 2, § 1, 2/. Bijgevolg moet ambtshalve worden vastgesteld dat het beroep, wat het derde voorwerp betreft, niet ontvankelijk is. B. Verlies van het belang, wat betreft het beroep tegen de eerste, de tweede en de vierde bestreden beslissing Standpunt van de partijen 11. Ter terechtzitting werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van een actueel belang in hoofde van de verzoeker en de gedinghervattende partijen. Volgens de verwerende partij bestond het belang van de verzoeker erin om, in geval van vernietiging van de bestreden beslissingen, zelf aangesteld te worden in de betrekking van directeur-informaticus. Ten gevolge van de gebeurtenissen die zich sinds het indienen van het beroep hebben voorgedaan, met name naar aanleiding van de omvorming van de ARGO, is een herstructurering van de loopbaan van de verzoeker niet meer mogelijk. Diens belang is aldus in de loop van het geding teloorgegaan. De gedinghervattende partijen kunnen niet anders dan zich te beroepen op het belang van hun rechtsvoorganger. Ook zij hebben dus geen belang (meer) bij het beroep. 12. De gedinghervattende partijen antwoorden dat de oorspronkelijke verzoeker een belang behield bij zijn beroep, omdat er sinds de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de IX-2739-9/13 Raad van State, een band bestaat tussen het beroep bij de Raad van State en een eventuele vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter. Zolang het beroep bij de Raad van State aanhangig is, wordt de termijn voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding gestuit. De verzoeker kon dus, na het verkrijgen van een arrest waarbij de bestreden beslissingen vernietigd zouden worden, een vordering tot schadevergoeding instellen, op grond van de onwettigheid van de vernietigde beslissingen. Aldus behield hij een belang bij zijn beroep. Volgens de gedinghervattende partijen geldt dat belang ook voor hen. Beoordeling 13. Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang moet bestaan, niet alleen op het ogenblik van het instellen van het beroep, maar ook bij de uitspraak daarover. In geval van gedinghervatting moet de ontvankelijkheid van het beroep getoetst worden aan het belang van de verzoeker zelf, evenals aan het belang dat diens rechtsopvolgers kunnen laten gelden. 14. De verzoeker had, althans op het ogenblik van het indienen van zijn beroep, een materieel belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissingen. Doordat beslist werd om de betrekking van directeur-informaticus te laten invullen door werving via een vergelijkend wervingsexamen, werd de mogelijkheid gecreëerd van een competitie tussen de verzoeker en externe kandidaten, mogelijkheid die zich achteraf ook geconcretiseerd heeft. In geval van vernietiging van die beslissing bestond de mogelijkheid dat de bedoelde betrekking alsnog bij wijze van bevordering door verhoging in graad zou worden toegekend. De verwerende partij heeft het belang van de verzoeker aanvankelijk trouwens niet betwist. Ten gevolge van de omvorming van de ARGO tot het Gemeenschapsonderwijs is evenwel een nieuw rechtspositiebesluit genomen, en is ook een nieuw personeelskader vastgesteld. In het kader van die gewijzigde context IX-2739-10/13 zijn in 2001 door de Centrale Raad en het Vast Bureau nieuwe beslissingen genomen in verband met wervingen en bevorderingen van het personeel. Vanaf dat ogenblik had de verzoeker geen rechtstreeks belang meer bij het voorliggende beroep. Hij kon er vanaf dat ogenblik immers niet meer op rekenen dat een eventuele vernietiging van de thans bestreden beslissingen, genomen in het kader van de vroegere regeling, hem nog een voordeel zou kunnen opleveren met betrekking tot eventuele bevorderingen te doen in het kader van de nieuwe regeling. Alleszins is het belang van de verzoeker ten gevolge van zijn overlijden teloorgegaan. Er moet bovendien vastgesteld worden dat de verwerende partij in 1997 geen absolute rechtsplicht had om de betrekking van directeur-informaticus toe te wijzen bij wege van benoeming door verhoging in graad of bevordering door overgang naar het hoger niveau. Evenmin had de verwerende partij een absolute rechtsplicht om de verzoeker in die betrekking te benoemen, en heeft zij derhalve ook thans niet de rechtsplicht om de loopbaan van de verzoeker met terugwerkende kracht te reconstrueren. Een vernietigingsarrest kan derhalve niet meer bijdragen tot het rechtsherstel dat de verzoeker oorspronkelijk met zijn beroep ambieerde, met name in de genoemde betrekking te worden benoemd en om ze daadwerkelijk waar te nemen. Ook om die reden is het materieel belang, dat de verzoeker had bij het indienen van het voorliggende beroep, teloorgegaan. 15. De gedinghervattende partijen voeren weliswaar aan dat de verzoeker nog een pecuniair belang bij zijn beroep behield, en dat dit belang na zijn overlijden door henzelf kan worden ingeroepen. Aldus beroepen de gedinghervattende partijen zich op het belang dat erin bestaat de bestreden beslissingen bij arrest onwettig te horen verklaren, om vervolgens op grond van de met gezag van gewijsde beklede uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de rechter te kunnen onderbouwen. Er moet opgemerkt worden dat een dergelijke vordering behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissingen, om op grond van een dergelijke uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter kracht bij te zetten, zou een voordeel zijn dat niet verbonden is met de nietigverklaring van de bestreden beslissingen, of met andere woorden met het doen verdwijnen van de bestreden beslissingen uit het IX-2739-11/13 rechtsverkeer, maar enkel met het gegrond horen verklaren van één of meer middelen. Een dergelijk belang is een onrechtstreeks belang, dat niet volstaat voor de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep. De rechter die desgevallend gevraagd zou worden om uitspraak te doen over een vordering tot schadevergoeding, kan overigens zelf de fout van de overheid vaststellen. De omstandigheid dat artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek thans uitdrukkelijk bepaalt dat de verjaringstermijn voor een vordering tot schadevergoeding wordt gestuit door het beroep bij de Raad van State, doet aan het voorgaande geen afbreuk. 16. De gedinghervattende partijen tonen derhalve niet aan dat zij nog een actueel belang hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissingen. De exceptie van onontvankelijkheid is dan ook gegrond. 17. Nu het teloorgaan van het belang niet aan het toedoen van de verzoeker te wijten is, maar aan de wijziging in de terzake toepasselijke reglementering, past het de verwerende partij te verwijzen in de kosten. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2739-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 december 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens IX-2739-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.100 Gerelateerde publicatie(
  6. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.70.532 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.