id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.102 Rolnummer: A. 82293/IX-2764 Zaak: Arrest 210102 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 05:36 Fiche Arrest nr 210.102 van 23 december 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 210.102 van 23 december 2010 in de zaak A. 82.293/IX-2764 In zake : François WOUTERS (overleden) rechtsgeding hervat door: Kristine SELDESLAGH Filip WOUTERS Kristien WOUTERS Sabine WOUTERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de AUTONOME RAAD VOOR HET GEMEENSCHAPSONDERWIJS, thans het GEMEENSCHAPSONDERWIJS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Riet Rombaut kantoor houdend te Hove Lintsesteenweg 740 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 1 februari 1999, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van een onbekend bestuursorgaan van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, zoals blijkend uit de IAG (Instructie van de Administrateur-generaal) nr. 50 van 1 december 1998 en [...] de nota voor de personeelsleden van de afdeling AIV (Afdeling Informatieverwerking) van 1 december 1998, inzake herschikking van de bevoegdheden van de afdelingshoofden, en waarbij [...] Jan D’Hauwe aangeduid wordt als afdelingshoofd van de AIV” (lees: de beslissing van de administrateur-generaal van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs van 30 november 1998, waarbij Jan D’Hauwe belast wordt met de leiding van de sectoren belast met de afdelingsoverschrijdende informatieverwerking). IX-2764-1/13 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor een terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2008. De zaak is alsdan op verzoek van de raadsman van de verzoeker uitgesteld. De partijen zijn opnieuw opgeroepen voor een terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 mei 2009. Op verzoek van de raadsman van de verzoeker is de zaak alsdan uitgesteld tot de terechtzitting van 29 juni 2009. Met een verzoekschrift van 25 juni 2009 hebben een aantal erfgenamen van de verzoeker, die overleden is op 7 mei 2008, een verzoek tot hervatting van het geding ingediend. Op de terechtzitting van 29 juni 2009 heeft kamervoorzitter Paul Lemmens verslag uitgebracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de gedinghervattende partijen, en advocaat Riet Rombaut, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. IX-2764-2/13 III. Feiten 3. De verzoeker is in 1991 in dienst getreden van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, afgekort ARGO. Met ingang van 1 juni 1995 is hij vast benoemd als informaticus. 4.1. Op advies van de directieraad van de ARGO beslist de Centrale Raad van de ARGO op 27 februari 1997 om: “1. de betrekking van directeur-informaticus vacant te verklaren bij de afdeling [Informatieverwerking]; 2. de betrekking van directeur-informaticus te laten invullen door werving via een vergelijkend wervingsexamen bij het [Vast Wervingssecretariaat]; 3. de betrekking van directeur-informaticus in te vullen met ingang van 1 november 1997.” Tegen deze beslissing en een aantal daarmee verband houdende beslissingen stelt de verzoeker op 12 september 1997 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in. Die zaak wordt ingeschreven op de rol onder nummer A. 75.657/IX-2739. Bij arrest nr. 70.532 van 6 januari 1998 wordt de vordering tot schorsing verworpen. Bij arrest nr. 210.100 van heden wordt ook het beroep tot nietigverklaring verworpen. 4.2. Verscheidene kandidaten nemen deel aan het vergelijkend examen. Met een brief van 12 januari 1998 deelt de Vaste Wervingssecretaris aan de ARGO mee dat vier kandidaten geslaagd zijn. M.D. is de eerst gerangschikte kandidaat, de verzoeker de tweede gerangschikte. Er wordt ook vastgesteld dat de wervingsreserve geldig blijft tot 22 december 1999. Op 5 februari 1998 beslist de Centrale Raad van de ARGO om M.D. met ingang van 12 mei 1998 tot de stage van directeur-informaticus toe te laten. 4.3. Op 9 april 1998 vordert de verzoeker de schorsing en de vernietiging van: “
- a)de beslissing van de Centrale Raad van de ARGO genomen op 5 februari 1998, waarbij mevrouw M.D. met ingang van 12 mei 1998 toegelaten wordt tot de stage als directeur-informaticus in de administratieve diensten van de ARGO [...], IX-2764-3/13
- b)de uit
- a)blijkende impliciete weigering om de betrekking van informaticus-directeur toe te wijzen door verhoging in graad of door bevordering door overgang naar het hoger niveau, overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 7 januari 1992 houdende het reglement voor het personeel van de administratieve diensten van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs [...]”. Deze zaak wordt ingeschreven op de rol onder nummer A. 78.203/IX-3151. Bij arrest nr. 74.931 van 2 juli 1998 wordt de onder
- a)vermelde beslissing van de Centrale Raad van de ARGO van 5 februari 1998 met toepassing van het destijds vigerende artikel 94 van het algemeen procedurereglement (besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State) vernietigd. In zoverre het beroep gericht is tegen de onder
- b)vermelde impliciete weigeringsbeslissing worden de debatten heropend en wordt beslist het beroep volgens de gewone procedure voort te zetten. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beide beslissingen wordt bij arrest nr. 74.932 van dezelfde dag (2 juli 1988) verworpen. Bij arrest nr. 210.101 van heden wordt het beroep tegen de onder
- b)vermelde impliciete weigeringsbeslissing verworpen. 4.4. Na de vernietiging van de beslissing van 5 februari 1998 waarbij zij tot de stage als directeur-informaticus wordt toegelaten, blijft M.D. als contractueel directeur-informaticus belast met de leiding van de afdeling informatieverwerking. Op een niet nader gepreciseerde datum neemt zij evenwel ontslag, met ingang van 1 februari 1999. 5. Op 30 november 1998 neemt de administrateur-generaal van de ARGO twee beslissingen. Bij een eerste beslissing wordt Jan D’Hauwe, afdelingshoofd voor de afdeling Personeelsbewegingen Onderwijs, aangewezen als afdelingshoofd Logistiek. Die beslissing wordt op 21 januari 1999 bekrachtigd door het Vast Bureau. IX-2764-4/13 Een tweede beslissing is geredigeerd als volgt: “[...] Rekening houdend met het feit dat, door de invoering van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs en de gevolgen hiervan voor de samenstelling van de administratieve diensten, het onverantwoord zou zijn op dit ogenblik het aantal afdelingshoofden te verhogen; dat daarentegen het aantal afdelingen in uitvoering van het politiek akkoord van 18 juni 1998 veeleer zal verminderen omdat uit het rapport Ernst & Young kan afgeleid worden dat de vorming van een autonome afdeling voor informatieverwerking niet aangewezen is aangezien onder meer deze dienst in het rapport aangeduid wordt als een stafdienst; Overwegende dat het aangewezen is de leiding van deze sectoren belast met het afdelingsoverstijgend informatiebeheer toe te vertrouwen aan een ambtenaar A2 die op het vlak van informatieverwerking ervaring kan laten gelden; Overwegende dat vastgesteld werd dat de heer J. D’Hauwe zich als lid van de stuurgroep Informatiestuurplan actief heeft ingezet bij de opvolging van de uitvoering van het informatiestuurplan; dat de informatieverwerking voor hem geen onbekend terrein is vermits hij reeds in 1996 slaagde voor een vergelijkend wervingsexamen van informaticus; dat hij zich daarenboven in de voorbije jaren bijgeschoold heeft in managementstechnieken; Overwegende dat de heer J. D’Hauwe als afdelingshoofd Logistiek bereid is tevens de leiding van de sectoren belast met de afdelingsoverstijgende informatieverwerking op zich te nemen; Na overleg met de adjunct-administrateur-generaal, Heb ik beslist om, met ingang van 1 februari 1999, de heer J. D’Hauwe, afdelingshoofd Logistiek, tevens te belasten met de leiding van de sectoren belast met de afdelingsoverschrijdende informatieverwerking.” De tweede beslissing wordt met “IAG 50” (instructie van de administrateur-generaal nr. 50) van 1 december 1998 aan alle personeelsleden ter kennis gebracht, en met een nota van dezelfde datum bijkomend ter kennis gebracht aan de personeelsleden van de afdeling Informatieverwerking. Op 21 januari 1999 neemt het Vast Bureau “kennis” van deze beslissing. Die tweede beslissing vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. 6. Met ingang van 1 april 1999 is de ARGO omgevormd tot het Gemeenschapsonderwijs (bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs). IX-2764-5/13 IV. Hervatting van het geding 7. Blijkens een uittreksel uit het register der overlijdensakten van de gemeente Boutersem is de verzoeker overleden op 7 mei 2008. Met een verzoekschrift van 25 juni 2009 hebben de rechthebbenden van de verzoeker verklaard het geding te hervatten. De regelmatigheid van de hervatting van het geding wordt niet betwist. V. Precisering inzake het voorwerp van het beroep 8. Naar aanleiding van het verzoek van de verzoeker om de voorliggende zaak samen te voegen met de hiervóór genoemde zaak A. 78.203/IX- 3151, zijnde de zaak over zijn beroep tegen de impliciete weigering om de betrekking van informaticus-directeur toe te wijzen via bevordering overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 7 januari 1992 houdende het reglement voor het personeel van de administratieve diensten van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (zie hiervóór, nr. 4.3), merkt de verzoeker in zijn laatste memorie op dat het voorliggende beroep eveneens als voorwerp heeft “de impliciete weigering om de betrekking van directeur-informaticus toe te wijzen door verhoging in graad of door bevordering naar het hoger niveau”. 9. In zijn verzoekschrift vordert de verzoeker enkel de nietigverklaring van een beslissing die later geïdentificeerd is als de beslissing van de administrateur-generaal van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs van 30 november 1998, waarbij Jan D’Hauwe belast wordt met de leiding van de sectoren belast met de afdelingsoverschrijdende informatieverwerking. Pas in zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat het annulatieberoep ook betrekking heeft op de impliciete weigering om de betrekking van directeur-informaticus toe te wijzen door verhoging in graad of door bevordering naar het hoger niveau. Het aldus omschreven voorwerp van het beroep moet als een uitbreiding van het oorspronkelijk ingediende beroep beschouwd worden. IX-2764-6/13 Afgezien van het feit dat de verzoeker niet formeel om een uitbreiding van het voorwerp van het beroep vraagt, moet worden opgemerkt dat een dergelijke uitbreiding hoe dan ook niet met de nodige diligentie is aangebracht. De verzoeker had immers de mogelijkheid om reeds in zijn verzoekschrift de impliciete weigering om de betrekking van directeur-informaticus toe te wijzen tot het voorwerp van zijn beroep te maken. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat het voorliggende beroep ook strekt tot de vernietiging van “de impliciete weigering om de betrekking van directeur-informaticus toe te wijzen door verhoging in graad of door bevordering naar het hoger niveau”. VI. Verzoek tot samenvoeging met de zaak A. 78.203/IX-3151 10. De verzoeker vraagt dat de voorliggende zaak zou worden samengevoegd met de zaak A. 78.203/IX-3151 (zie hiervóór, nr. 4.3). De zaak A. 78.203 heeft betrekking op de impliciete weigering, blijkend uit een beslissing van 5 februari 1998, om de verzoeker tot informaticus- directeur te benoemen, terwijl het voorliggende beroep betrekking heeft op de beslissing van 30 november 1998 waarbij afdelingshoofd D’Hauwe met de leiding van de afdeling informatieverwerking wordt belast. Beide zaken zijn niet dermate met elkaar verbonden dat de goede rechtsbedeling de samenvoeging ervan wenselijk maakt. VII. Ontvankelijkheid van het beroep A. Termijn Standpunt van de partijen 11. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit de laattijdigheid ervan. Zij voert aan dat, indien het verzoekschrift op 2 februari 1999 werd neergelegd bij de griffie van de Raad van State en de verzoeker op woensdag IX-2764-7/13 2 december 1998 van de “IAG 50” kennis nam, het verzoekschrift laattijdig werd ingediend. 12. De verzoeker stelt in zijn verzoekschrift dat de “IAG 50” op woensdag 2 december 1998 anoniem op zijn kantoor gedeponeerd werd. In zijn memorie van wederantwoord wijst hij erop dat zijn verzoekschrift op 1 februari 1998 met een aangetekende brief naar de Raad van State is gestuurd, zodat het beroep binnen de termijn is ingediend. Beoordeling 13. Volgens het op het ogenblik van het instellen van het beroep vigerende artikel 4, derde lid, van het algemeen procedurereglement (besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State) verjaren de beroepen tot nietigverklaring zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen zijn bekendgemaakt of betekend; indien de bestreden handeling noch bekendgemaakt, noch betekend dient te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker daarvan kennis heeft gehad. Volgens het op het ogenblik van het instellen van het beroep vigerende artikel 88, eerste lid, van het algemeen procedurereglement wordt de dag van de akte die het uitgangspunt is van de termijn, er niet in begrepen. Volgens het op dat ogenblik vigerende artikel 88, tweede en derde lid, wordt de vervaldag in de termijn gerekend, maar wordt die vervaldag, indien hij een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, verplaatst op de eerstvolgende werkdag. Volgens het op het ogenblik van het instellen van het beroep vigerende artikel 84, eerste lid, van het algemeen procedurereglement worden alle processtukken aan de Raad van State toegezonden bij ter post aangetekende brief, en volgens het op dat ogenblik vigerende artikel 84, vijfde lid, heeft de datum van het postmerk bewijskracht (lees: bewijswaarde), onder meer voor de verzending. Daaruit volgt dat het beroep geacht wordt bij de Raad van State te zijn ingesteld op het ogenblik dat het daartoe strekkende verzoekschrift voor aangetekende toezending aan de post is toevertrouwd. De datum van ontvangst van het verzoekschrift op de griffie van de Raad van State is daarentegen niet bepalend. IX-2764-8/13 14. Te dezen gaat de verzoeker ervan uit dat de termijn een aanvang nam op de dag waarop hij van de bestreden beslissing kennis kreeg. Dit uitgangspunt wordt door de verwerende partij niet betwist. De verwerende partij betwist ook niet dat de verzoeker effectief kennis kreeg van de beslissing op 2 december 1998. De termijn is derhalve beginnen lopen op 3 december 1998. De zestigste dag van de termijn is zondag 31 januari 1999. De termijn, verlengd tot de eerstvolgende werkdag, verstreek derhalve op maandag 1 februari 1999. Uit de stukken van het dossier blijkt dat het verzoekschrift te dezen is ingediend bij een op 1 februari 1999 aangetekend schrijven. Het beroep is derhalve ingesteld binnen de termijn van zestig dagen. 15. De exceptie kan niet worden aangenomen. B. Belang Standpunt van de partijen 16. De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. Zij voert aan dat door de bestreden beslissing van de administrateur-generaal tot herschikking van de taken onder de afdelingshoofden verzoekers rechtspositie niet wordt aangetast en dat hem niet de kans wordt ontnomen om zich kandidaat te stellen wanneer zou blijken dat de administratie van het Gemeenschapsonderwijs over bijkomende afdelingen en afdelingshoofden dient te beschikken. De verwerende partij voegt eraan toe dat, in zoverre de verzoeker stelt dat de bestreden beslissing inhoudt dat impliciet niet tot zijn aanstelling tot afdelingshoofd van de afdeling Informatieverwerking wordt overgegaan, hij zijn belang ontleent aan een rechtspositiebesluit (besluit van de Vlaamse regering van 10 mei 1995 houdende organisatie van de administratieve diensten van de ARGO IX-2764-9/13 en de regeling van de rechtspositie van het personeel) dat in het arrest nr. 74.931 van 2 juli 1998 (zie hiervóór, nr. 4.3) op zijn eigen verzoek onwettig werd verklaard. 17. Met betrekking tot zijn belang, herinnert de verzoeker in zijn verzoekschrift vooreerst aan zijn beroep in de zaak A. 78.203/IX-3151, waarmee hij de vernietiging vordert van de impliciete weigering om de betrekking van informaticus-directeur toe te wijzen via bevordering, overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 7 januari 1992 houdende het reglement voor het personeel van de administratieve diensten van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs. Hij stelt dat ook in de voorliggende zaak de bestreden beslissing impliciet, maar zeker inhoudt dat de ARGO niet overgaat tot zijn aanstelling als afdelingshoofd van de afdeling Informatieverwerking. Gezien de verzoeker als informaticus met de meeste anciënniteit, de hoogste rang en hoogste kwalificaties aanspraak maakt op de aanstelling tot informaticus-directeur, maakt hij er tevens aanspraak op aangesteld te worden tot afdelingshoofd. De verzoeker besluit dat hij er dus een persoonlijk belang bij heeft om de aanstelling van Jan D’Hauwe te betwisten. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker op de exceptie van de verwerende partij dat de bestreden beslissing zijn rechtspositie wel degelijk aantast. Hij streeft consequent naar het verdedigen van zijn rechtmatige aanspraken op een bevordering volgens het nog steeds toepasselijke besluit van de Vlaamse regering van 7 januari 1992 en vraagt de nietigverklaring van elke rechtshandeling van de verwerende partij die daaraan afbreuk doet, waaronder in dit geval de bijkomende belasting van Jan D’Hauwe met de feitelijke leiding van de informaticadienst. Deze aanstelling strekt er, aldus de verzoeker, immers toe de bevordering waarop hij aanspraak maakt te verhinderen door op oneigenlijke wijze het niet rechtsgeldige rechtspositiebesluit van 10 mei 1995 toe te passen. In zijn laatste memorie wijst de verzoeker erop dat de Centrale Raad van de ARGO in de motivering van de eerdere vacantverklaring van de betrekking van directeur-informaticus (zie hiervóór, nr. 4.1) geponeerd heeft dat de administratieve diensten van de Centrale Raad moesten beschikken over een personeelslid dat voor de informaticadienst zowel statutair als functioneel de leiding kon nemen. Dit was trouwens de reden om in het vergelijkend wervingsexamen voor directeur-informaticus tevens te peilen naar de generieke en afdelingsspecifieke competenties van afdelingshoofd van de afdeling Informaticaverwerking. De IX-2764-10/13 verzoeker spreekt in dat verband van een zogenaamde “koppeling”. Hij meent dat de verwerende partij tot op het ogenblik van het indienen van zijn laatste memorie geen afstand heeft genomen van deze “koppeling”, zodat de “koppeling” tot op dat ogenblik nog steeds als een “vaststaand gegeven” moet worden beschouwd. Met de bestreden beslissing wordt de “koppeling” losgelaten (er wordt geen afdelingshoofd voor de afdeling Informatieverwerking benoemd, maar het afdelingshoofd van een andere afdeling wordt bijkomend belast met de leiding van de sectoren belast met de afdelingsoverstijgende informatieverwerking), terwijl de verwerende partij zich juist aan de “koppeling” te houden heeft. De omstandigheid dat de verzoeker in de loop van de procedures die hij aanhangig heeft gemaakt bij de Raad van State bedenkingen heeft geuit tegen de “koppeling”, doet volgens hem aan die vaststelling geen afbreuk. Hij besluit dan ook dat hij wel degelijk belang heeft bij zijn beroep. Beoordeling 18. In geval van gedinghervatting moet de ontvankelijkheid van het beroep getoetst worden aan het belang van de verzoeker zelf, evenals aan het belang dat diens rechtsopvolgers kunnen laten gelden. Te dezen gaat het om het belang van de verzoeker, op het ogenblik dat hij het voorliggende beroep instelde. 19. De bestreden beslissing houdt in dat Jan D’Hauwe, afdelingshoofd van de afdeling Logistiek, tevens belast wordt met de leiding over de sectoren die zich bezighouden met de afdelingsoverstijgende informatieverwerking. Ze houdt niet in dat een afdelingshoofd wordt aangewezen in een afdeling die zich specifiek met de informatieverwerking bezighoudt. Volgens de motieven van de bestreden beslissing lijkt het, na de omvorming van de ARGO tot het Gemeenschapsonderwijs, trouwens niet aangewezen nog een autonome afdeling voor informatieverwerking te vormen. De bestreden beslissing regelt geen aspect van de rechtstoestand van de verzoeker. Blijkens zijn uiteenzetting leidt de verzoeker zijn belang evenwel af uit het feit dat de verwerende partij, nadat zij eerst geweigerd heeft de betrekking van informaticus-directeur via bevordering overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 7 januari 1992 toe te wijzen (zie de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het beroep in de zaak A. 78.203), met de bestreden IX-2764-11/13 beslissing evenmin voorziet in de aanstelling van een afdelingshoofd van de afdeling Informaticaverwerking. De verzoeker is van oordeel dat hij op grond van zijn anciënniteit, zijn rang en zijn kwalificaties aanspraak maakt op de aanstelling tot informaticus-directeur, en dat hij daardoor ook aanspraak maakt op een aanstelling tot afdelingshoofd. De bestreden beslissing zou er aldus toe strekken zijn bevordering, waarop hij op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 7 januari 1992 aanspraak maakt, te dwarsbomen. De bestreden beslissing belet niet dat de verzoeker, in geval van oprichting van een afdeling die zich specifiek met de informatieverwerking bezighoudt, zich kandidaat stelt voor de functie van afdelingshoofd, noch dat hij in voorkomend geval tot afdelingshoofd wordt aangewezen. Er kan ook niet gesteld worden dat de bestreden beslissing vooruitloopt op een eventuele latere aanwijzing in die functie, nu het een afdelingshoofd in functie, hoofd van een andere afdeling, is die belast wordt met de leiding over de afdelingsoverstijgende informatieverwerking. Zelfs indien de verzoeker op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 7 januari 1992 aanspraak zou kunnen maken op de betrekking van informaticus-directeur, zou zulks aan die conclusie geen afbreuk doen. Er bestaat voor de verwerende partij immers geen verplichting om de informaticus- directeur aan te wijzen als afdelingshoofd van een afdeling die zich specifiek met de informatieverwerking bezighoudt. Omgekeerd kan de thans bestreden beslissing waarbij één van de afdelingshoofden tevens wordt belast met de leiding van de afdeling die zich specifiek met de administratieve informatieverwerking bezighoudt, de door de verzoeker gewenste toewijzing van de betrekking van informaticus-directeur niet in de weg staan. De verzoeker doet dan ook niet blijken van het vereiste persoonlijk en rechtstreeks belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. 20. De exceptie is gegrond. BESLISSING IX-2764-12/13 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De gedinghervattende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 173,53 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 december 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens IX-2764-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div