← België

Arrest 210103 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.103 Rolnummer: A. 106184/IX-3575 Zaak: Arrest 210103 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-04 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 05:36 Fiche Arrest nr 210.103 van 23 december 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 210.103 van 23 december 2010 in de zaak A. 106.184/IX-3575 In zake : François WOUTERS (overleden) rechtsgeding hervat door: Kristine SELDESLAGH Filip WOUTERS Kristien WOUTERS Sabine WOUTERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de AUTONOME RAAD VOOR HET GEMEENSCHAPSONDERWIJS, thans het GEMEENSCHAPSONDERWIJS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Riet Rombaut kantoor houdend te Hove Lintsesteenweg 740 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 juni 2001, strekt tot de nietigverklaring van “de impliciete weigering om de betrekking van directeur- informaticus in de administratieve diensten van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs vacant te verklaren met het oog op bevordering door verhoging in graad, minstens om die betrekking vacant te verklaren”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-3575-1/13 Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor een terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 oktober
  3. De zaak is alsdan op verzoek van de raadsman van de verzoeker uitgesteld. De partijen zijn opnieuw opgeroepen voor een terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 mei
  4. Op verzoek van de raadsman van de verzoeker is de zaak alsdan uitgesteld tot de terechtzitting van 29 juni
  5. Met een verzoekschrift van 25 juni 2009 hebben een aantal erfgenamen van de verzoeker, die overleden is op 7 mei 2008, een verzoek tot hervatting van het geding ingediend. Op de terechtzitting van 29 juni 2009 heeft kamervoorzitter Paul Lemmens verslag uitgebracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de gedinghervattende partijen, en advocaat Riet Rombaut, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behalve wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. De verzoeker is in 1991 in dienst getreden van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, afgekort ARGO. Met ingang van 1 juni 1995 is hij vast benoemd als informaticus.
  8. Met ingang van 1 april 1999 is de ARGO omgevormd tot het Gemeenschapsonderwijs (bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het IX-3575-2/13 gemeenschapsonderwijs). Tot 31 december 2002 blijft de Centrale Raad van de ARGO evenwel zijn bevoegdheden uitoefenen. Bij besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 houdende vaststelling van de personeelsformatie van de administratieve diensten van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs wordt voorzien in onder meer één betrekking van directeur-informaticus. Bij besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen (stambesluit VOI) wordt de rechtspositie van het personeel van onder meer de administratieve diensten van het Gemeenschapsonderwijs vastgesteld. Volgens artikel VIII 7 en bijlage IV is de betrekking van informaticus-directeur een graad van rang A
  9. Artikel VIII.56 bepaalt dat de benoemende overheid de bevordering tot een graad van rang A2 toekent na een gemotiveerd voorstel van de directieraad. 5.
  10. Op 12 januari 2001 beslist de Centrale Raad onder meer om de administratie te belasten met het voorbereiden “van enerzijds instellingsspecifieke wervingsexamens op niveau A en B en anderzijds van interne bevorderingsexamens, zowel binnen een niveau als niveau-overstijgend”. In verband met de bevorderingen binnen hetzelfde niveau bereidt de administratie vervolgens een nota voor, ten behoeve van het Vast Bureau. Zij stelt voor om in niveau A één betrekking vacant te verklaren, namelijk die van directeur-informaticus, in niveau B vier betrekkingen, in niveau C vijftien betrekkingen, en in niveau D acht betrekkingen. Voor de toewijzing van die betrekkingen wordt geen vergelijkend examen voorgesteld, maar wel een toewijzing op basis van een profiel, een functiebeschrijving en de laatste functioneringsevaluatie van de betrokkene. Op de directieraad van 26 januari 2001 wordt onder meer een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering tot tweede bijsturing van het stambesluit VOI besproken. Dit ontwerp voorziet onder meer in de opheffing van artikel VIII.56 van het stambesluit VOI, waardoor betrekkingen in rang A2 niet meer bij wege van bevordering begeven zouden kunnen worden. IX-3575-3/13 Op de nota van de administratie noteert de waarnemend adjunct- administrateur-generaal, kennelijk na de vergadering van de directieraad: “Er wordt voorgesteld gelet op de toekomstige structuurwijziging en gelet op de op til staande 2de bijsturing stambesluit geen betrekkingen A2 vacant te verklaren.” De nota wordt, met die opmerking, aan het Vast Bureau voorgelegd. In zijn vergadering van 14 februari 2001 bespreekt het Vast Bureau de vacantverklaring van betrekkingen met het oog op het organiseren van interne bevorderingen binnen het niveau. Het beknopt verslag van de vergadering vermeldt o.m. het volgende: “De heer H., wnd. adjunct-administrateur-generaal, licht het dossier toe. Het gaat om de uitvoering van een tijdens de Centrale Raad van 12 januari 2001 getroffen beslissing. Volgens hem vergaloppeerde de administratie zich wat de bevorderingen in niveau A betreft. Het Vast Bureau kan wel de opportuniteit ervan bespreken, maar geen beslissing nemen. Dit is een prerogatief van de Centrale Raad.” Na verdere bespreking beslist het Vast Bureau vier betrekkingen van hoofddeskundige (niveau B) vacant te verklaren met het oog op interne bevordering, vijftien betrekkingen van hoofdmedewerker en hoofdtechnicus (niveau C), en acht betrekkingen van speciaal hoofdassistent en hoofdassistent (niveau D). Er wordt verder niets beslist over een eventuele vacantverklaring van een betrekking van niveau A. Ter uitvoering van die beslissing wordt met vijf nota’s van 20 april 2001 een interne oproep gericht tot de kandidaten voor een bevordering tot de graden van respectievelijk hoofddeskundige, hoofdtechnicus, hoofdmedewerker, speciaal hoofdassistent en hoofdassistent. 5.
  11. Met een brief van 21 mei 2001 aan de waarnemend administrateur-generaal vraagt de verzoeker “waarom er voor de niveaus B, C en D wel vacantverklaringen voor interne bevorderingen gebeurden en waarom dit niet het geval is voor niveau A, terwijl de organisatie zo veel mogelijk het personeel wenst te upgraden”. Hij vraagt tevens een kopie van het “beslissingsdossier” in verband met de genoemde vacantverklaringen. 5.
  12. Op 19 juni 2001 stelt de verzoeker het voorliggende beroep in tegen de impliciete weigering om de betrekking van directeur-informaticus in de IX-3575-4/13 administratieve diensten van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs vacant te verklaren. 5.
  13. Met een brief van 3 juli 2001 verstrekt de waarnemend administrateur-generaal aan de verzoeker een uitvoerig antwoord op zijn brief van 21 mei
  14. Hij beschrijft daarin de ontwikkelingen die zich in 2000 hebben voorgedaan op regelgevend vlak, alsmede de opeenvolgende stappen in de besluitvorming binnen de bevoegde organen van het Gemeenschapsonderwijs. De brief concludeert als volgt (punt 13): “Het is duidelijk dat het de bedoeling van onze bestuursorganen was om eerst en vooral aan de statutaire personeelsleden van de niveaus B, C en D een kans te geven op bevordering in graad. Binnen de personeelsformatie ingevoerd door het [besluit van de Vlaamse regering] van 14 april 2000 situeert het grootste aantal betrekkingen in de kolom C zich binnen de niveaus C en D, met andere woorden: de betrekkingen in uitdoving (overtalligheid) situeren zich in de niveaus C, D en E. Wat het niveau A betreft, wordt vooral gemikt op enerzijds een werving (onder meer door het werven in statutair verband van personeelsleden van niveau A, geslaagd in het wervingsexamen VWS/SELOR, die contractueel bij de instelling tewerkgesteld zijn) en de bevorderingsexamens over de niveaus heen naar de (wervingsgraad) rang A1 binnen dit niveau. Derhalve zijn niet alle betrekkingen die op 1 april 2001 vacant waren, effectief vacant verklaard. De beslissingen ter zake zijn door de bestuursorganen duidelijk gemotiveerd. Daarenboven wordt een en ander geconditioneerd door het uitblijven van een duidelijke beslissing van de overheid naar aanleiding van de managementsondersteunende studie van PWC en de richtinggevende voorstellen van de overheid met betrekking tot de tweede bijsturing van het Stambesluit VOI, waarbij de bevordering in rang A2 wordt opgeheven.” Op 6 juli 2001 neemt de directieraad kennis van de genoemde brief van de verzoeker. Hij neemt akte van het antwoord van de waarnemend administrateur-generaal, meer bepaald van de vermelding daarin dat de directieraad zich bewust was van de intentie van de Vlaamse regering om de mogelijkheid van bevordering in rang A2 te schrappen, en dat geen betrekking van directeur- informaticus vacant werd verklaard, gelet op het voorstel van de directieraad om geen “gespecialiseerde” betrekkingen vacant te verklaren.
  15. Op 14 december 2001 wordt door de Vlaamse regering het besluit houdende tweede bijsturing van het stambesluit VOI van 30 juni 2000 genomen. Bij artikel 19 wordt artikel VIII.56 van het stambesluit VOI opgeheven. IX-3575-5/13 IV. Hervatting van het geding
  16. Blijkens een uittreksel uit het register der overlijdensakten van de gemeente Boutersem is de verzoeker overleden op 7 mei
  17. Met een verzoekschrift van 25 juni 2009 hebben de rechthebbenden van de verzoeker verklaard het geding te hervatten. De regelmatigheid van de hervatting van het geding wordt niet betwist. V. Ontvankelijkheid van het beroep A. Voorwerp van het beroep Uiteenzetting van de exceptie
  18. In zijn verslag werpt de auditeur-verslaggever ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op. Hij stelt vast dat de verzoeker geen voorafgaande aanmaning in de zin van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft verstuurd. Voor het overige is hij van oordeel dat er evenmin voldoende feitelijke gegevens voorhanden zijn om aan te nemen dat de onthouding van het bestuur om een beslissing te nemen over de vacantverklaring van de betrekking van directeur- informaticus een impliciete weigeringsbeslissing is. Hij wijst er met name op dat het Vast Bureau niet bevoegd was om een beslissing te nemen over de vacantverklaring. Voor het overige kan het uitblijven van een beslissing van de Centrale Raad, die wel bevoegd was, in de gegeven omstandigheden niet beschouwd worden als een impliciete weigeringsbeslissing. De auditeur-verslaggever besluit dan ook dat het beroep zonder voorwerp is. IX-3575-6/13 Standpunt van de partijen
  19. In zijn laatste memorie erkent de verzoeker geen voorafgaande aanmaning in de zin van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten te hebben verstuurd. Hij voert aan dat hij het bestaan van de bestreden impliciete weigeringsbeslissing weliswaar formeel heeft afgeleid uit diverse nota’s inzake oproepen voor bevordering binnen de niveaus B, C en D, uitgaande van het Vast Bureau, maar dat het bestaan van de bedoelde beslissing daarnaast ook kan worden afgeleid uit de wijze waarop de Centrale Raad heeft beslist over de mogelijke vacantverklaringen met het oog op bevorderingen, niet enkel binnen de niveaus B, C en D, maar ook binnen het niveau A. Wat dit laatste gegeven betreft, wijst de verzoeker erop dat de Centrale Raad de beslissing over de vacantverklaring in niveau A niet heeft gedelegeerd aan het Vast Bureau, terwijl hij een dergelijke delegatie wel heeft verleend voor de vacantverklaring in de niveaus B, C en D. Dit neemt niet weg dat het de bevoegdheid en de plicht van het Vast Bureau is om de beslissingen van de Centrale Raad, waarvoor het geen delegatie heeft (in casu de vacantverklaring in niveau A), voor te bereiden. Te dezen heeft het Vast Bureau zich er echter toe beperkt te oordelen dat het voor de vacantverklaring in niveau A niet bevoegd is, en heeft het nagelaten een definitieve beslissing daarover van de Centrale Raad voor te bereiden. Evenmin heeft de Centrale Raad zelf, na zijn principiële beslissing inzake de mogelijke vacantverklaring in niveau A, op enig moment het Vast Bureau om inlichtingen verzocht over het uitblijven van een voorstel inzake het al of niet vacant verklaren van betrekkingen in niveau A. De verzoeker meent dat, vermits de principiële beslissing van de Centrale Raad het Vast Bureau niet alleen de bevoegdheid gaf inzake de niveaus B, C en D, maar ook de plicht inhield om een definitieve beslissing inzake vacantverklaring in niveau A ten behoeve van de Centrale Raad voor te bereiden, uit het blijvend stilzwijgen van de Centrale Raad en van het Vast Bureau wel degelijk een weigeringsbeslissing kan worden afgeleid. Hij wijst er ook op dat er op het ogenblik van het indienen van zijn laatste memorie nog steeds geen beslissing is over de vacantverklaring, hetgeen bevestigt dat de vacantverklaring in niveau A wordt geweigerd. IX-3575-7/13
  20. In haar laatste memorie beperkt de verwerende partij zich ertoe om zich, zonder verdere uitleg, aan te sluiten bij het standpunt van de auditeur- verslaggever. Beoordeling
  21. Het bestaan van een impliciete beslissing kan afgeleid worden uit een geheel van feitelijke gegevens. Het is niet noodzakelijk dat een verzoeker een aanmaning als bedoeld in artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft gericht tot het bestuur.
  22. Vooraleer in te gaan op de vraag of het bestaan van een impliciete weigering te dezen kan worden afgeleid uit de gegevens van het dossier, moet kort ingegaan worden op de respectieve bevoegdheden van de Centrale Raad en het Vast Bureau. De partijen verwijzen in dit verband naar een beslissing van de Centrale Raad van 26 maart 1998 waarbij deze bepaalde van zijn bevoegdheden heeft gedelegeerd aan het Vast Bureau. Het dossier bevat geen kopie van die beslissing, maar de relevante inhoud ervan wordt wel weergegeven in de memorie van antwoord van de verwerende partij. Inzake vacantverklaringen wijst de verwerende partij erop dat de delegatie betrekking heeft op de vacantverklaringen (bevorderingen met of zonder examen) van rang E tot en met rang A1, terwijl er voor vacantverklaringen van rang A2 geen delegatie is. De verwerende partij leidt hieruit af dat de Centrale Raad bevoegd gebleven is voor de vacantverklaringen van betrekkingen van rang A2, waaronder die van directeur-informaticus. De verzoeker blijkt het met die zienswijze eens te zijn.
  23. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de Centrale Raad op 12 januari 2001 de principiële beslissing heeft genomen om onder meer interne bevorderingsexamens binnen de niveaus A en B te organiseren, en dat hij de administratie opdracht gegeven heeft om dergelijke examens voor te bereiden. Op de vergadering van het Vast Bureau van 14 februari 2001 wordt door de waarnemend adjunct-administrateur-generaal opgemerkt dat de administratie, door het in haar nota voor het Vast Bureau te hebben over de IX-3575-8/13 bevorderingen in niveau A, zich “vergaloppeerde”. De waarnemend adjunct- administrateur-generaal verklaart uitdrukkelijk dat het een prerogatief is van de Centrale Raad om zich uit te spreken over de vacantverklaring van betrekkingen met het oog op bevorderingen binnen niveau A. De enkele omstandigheid dat het Vast Bureau zijn beslissing tot vacantverklaring beperkt tot bepaalde betrekkingen van de niveaus B, C en D, kan dan ook, gelet op het ontbreken van enige beslissingsbevoegdheid terzake, niet beschouwd worden als het bewijs dat de verwerende partij weigert om een betrekking van rang A2 vacant te verklaren. De verzoeker merkt evenwel terecht op dat er nog andere relevante gegevens zijn. Zo maakt het Vast Bureau geen voorstel over aan de Centrale Raad met betrekking tot de vacantverklaring van de betrekking van informaticus-directeur. Evenmin blijkt de Centrale Raad uit eigen initiatief nog een beslissing te nemen over de kwestie van een eventuele vacantverklaring van die betrekking. Daarenboven legt de waarnemend administrateur-generaal in zijn schrijven van 3 juli 2001 de redenen uit waarom de bestuursorganen van de verwerende partij niet zijn overgegaan tot de vacantverklaring van betrekkingen van rang A
  24. In haar memorie van antwoord, in het antwoord op het enig middel, gaat de verwerende partij er overigens ook van uit dat niet is overgegaan tot vacantverklaring van een betrekking van rang A2, gelet op de aangekondigde tweede bijsturing van het stambesluit VOI.
  25. Uit een geheel van gegevens kan dan ook worden afgeleid dat de verwerende partij impliciet beslist heeft om de betrekking van informaticus- directeur, een betrekking van rang A2, niet vacant te verklaren. De exceptie mist bijgevolg feitelijke grondslag. B. Verlies van het belang Standpunt van de partijen
  26. Ter terechtzitting werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van een actueel belang in hoofde van de verzoeker en de gedinghervattende partijen. IX-3575-9/13 Volgens de verwerende partij bestond het belang van de verzoeker erin om, in geval van vernietiging van de bestreden impliciete beslissing, zelf aangesteld te worden in de betrekking van directeur-informaticus. Ten gevolge van het overlijden van de verzoeker is dat belang verdwenen. Een herstructurering van de loopbaan van de verzoeker is voorts niet meer mogelijk. Diens belang is aldus in de loop van het geding teloorgegaan. De gedinghervattende partijen kunnen niet anders dan zich te beroepen op het belang van hun rechtsvoorganger. Ook zij hebben dus geen belang (meer) bij het beroep.
  27. De gedinghervattende partijen antwoorden dat de oorspronkelijke verzoeker een belang behield bij zijn beroep, omdat er sinds de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State, een band bestaat tussen het beroep bij de Raad van State en een eventuele vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter. Zolang het beroep bij de Raad van State aanhangig is, wordt de termijn voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding gestuit. De verzoeker kon dus, na het verkrijgen van een arrest waarbij de bestreden beslissing vernietigd zou worden, een vordering tot schadevergoeding instellen, op grond van de onwettigheid van de vernietigde beslissing. Aldus behield hij een belang bij zijn beroep. Volgens de gedinghervattende partijen geldt dat belang ook voor hen. Beoordeling
  28. Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang moet bestaan, niet alleen op het ogenblik van het instellen van het beroep, maar ook bij de uitspraak daarover. IX-3575-10/13 In geval van gedinghervatting moet de ontvankelijkheid van het beroep getoetst worden aan het belang van de verzoeker zelf, evenals aan het belang dat diens rechtsopvolgers kunnen laten gelden.
  29. De verzoeker had, althans op het ogenblik van het indienen van zijn beroep, een materieel belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing om de betrekking van directeur-informaticus niet vacant te verklaren. In geval van vernietiging van die beslissing bestond de mogelijkheid dat de bedoelde betrekking alsnog vacant verklaard zou worden, en bij wijze van bevordering zou worden toegekend. De verwerende partij heeft het belang van de verzoeker aanvankelijk trouwens niet betwist. Ten gevolge van de tweede bijsturing van het stambesluit VOI, bij besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001, is het niet meer mogelijk om de betrekking van directeur-informaticus nog bij wijze van bevordering toe te kennen. Vanaf dat ogenblik heeft de verzoeker geen belang meer bij het verkrijgen van de vernietiging van de impliciete weigering om de betrekking van directeur- informaticus vacant te verklaren “met het oog op bevordering door verhoging in graad”. Ten gevolge van het overlijden van de verzoeker is ook zijn resterende belang bij het verkrijgen van de vernietiging van de impliciete weigering om de betrekking van directeur-informaticus vacant te verklaren, met het oog op de toekenning van de betrekking bij wijze van werving, teloorgegaan. Er moet bovendien vastgesteld worden dat de verwerende partij in 2001 geen absolute rechtsplicht had om de betrekking van directeur-informaticus vacant te verklaren. Evenmin had de verwerende partij een absolute rechtsplicht om de verzoeker in die betrekking te benoemen, en heeft zij derhalve ook thans niet de rechtsplicht om de loopbaan van de verzoeker met terugwerkende kracht te reconstrueren. Een vernietigingsarrest kan derhalve niet meer bijdragen tot het rechtsherstel dat de verzoeker oorspronkelijk met zijn beroep ambieerde, met name in de genoemde betrekking te worden benoemd en om ze daadwerkelijk waar te nemen. Ook om die reden is het materieel belang, dat de verzoeker had bij het indienen van het voorliggende beroep, teloorgegaan. IX-3575-11/13
  30. De gedinghervattende partijen voeren weliswaar aan dat de verzoeker nog een pecuniair belang bij zijn beroep behield, en dat dit belang na zijn overlijden door henzelf kan worden ingeroepen. Aldus beroepen de gedinghervattende partijen zich op het belang dat erin bestaat de bestreden beslissing bij arrest onwettig te horen verklaren, om vervolgens op grond van de met gezag van gewijsde beklede uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de rechter te kunnen onderbouwen. Er moet opgemerkt worden dat een dergelijke vordering behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, om op grond van een dergelijke uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter kracht bij te zetten, zou een voordeel zijn dat niet verbonden is met de nietigverklaring van de bestreden beslissing, of met andere woorden met het doen verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer, maar enkel met het gegrond horen verklaren van één of meer middelen. Een dergelijk belang is een onrechtstreeks belang, dat niet volstaat voor de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep. De rechter die desgevallend gevraagd zou worden om uitspraak te doen over een vordering tot schadevergoeding, kan overigens zelf de fout van de overheid vaststellen. De omstandigheid dat artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek thans uitdrukkelijk bepaalt dat de verjaringstermijn voor een vordering tot schadevergoeding wordt gestuit door het beroep bij de Raad van State, doet aan het voorgaande geen afbreuk.
  31. De gedinghervattende partijen tonen derhalve niet aan dat zij nog een actueel belang hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissing. Het beroep is onontvankelijk.
  32. Nu het teloorgaan van het belang niet aan het toedoen van de verzoeker te wijten is, maar onder meer aan de wijziging in de terzake toepasselijke reglementering, past het de verwerende partij te verwijzen in de kosten. BESLISSING
  33. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-3575-12/13
  34. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 december 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens IX-3575-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.103 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.