id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.190 Rolnummer: A. 197884/XII-6372 Zaak: Arrest 210190 - O.C.M.W. - 30/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-11 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-30 05:36 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 210.190 van 30 december 2010 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 210.190 van 30 december 2010 in de zaak A. 197.884/XII-6372. NIET-GOEDKEURING VAN DE GELOOFSBRIEVEN ALS LID VAN DE RAAD VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ESSEN In zake: Anke HURTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Met een verzoekschrift, ingediend op 6 oktober 2010, stelt Anke Hurts beroep in tegen de beslissing van 28 september 2010 van de Raad voor verkiezingsbetwistingen van de provincie Antwerpen waarbij haar geloofsbrieven als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn te Essen “worden ongeldig verklaard”, zodat zij “derhalve niet [mag] zetelen in deze Raad”. II. Rechtspleging 2. De Raad van State heeft op 14 oktober 2010 overeenkomstig artikel 91 van het algemeen procedurereglement beslist de termijn voor het indienen van een memorie van antwoord door de belanghebbenden aan wie het beroep ter kennis is gebracht en voor het indienen van een memorie van wederantwoord of toelichtende memorie op acht dagen te bepalen. Ook de termijn voor het indienen van een verzoek tot voortzetting van de procedure en XII-6372-1/10 voor het indienen van een laatste memorie werd in dezelfde beslissing bepaald op acht dagen. Verzoekster heeft een toelichtende memorie ingediend. Auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2010. Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Auditeur Iris Verheven heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Bij de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn te Essen op 2 januari 2007, wordt J. Van Loon namens Groen! als raadslid verkozen. Hij wordt op 1 juli 2008 opgevolgd door A.-M. Verstraete, die met een brief van 20 mei 2010 haar ontslag als raadslid aanbiedt. De drie resterende opvolgers verzaken aan het mandaat. Ter zitting van 31 augustus 2010 neemt de gemeenteraad van Essen akte van het ontslag van A.-M. Verstraete. XII-6372-2/10 Nog op 31 augustus 2010 onderzoekt de gemeenteraad de geloofsbrieven van verzoekster, die overeenkomstig artikel 14 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: het OCMW-decreet) als kandidaat-werkend lid wordt voorgedragen door de gemeenteraadsleden die indertijd de voordracht van J. Van Loon ondertekenden. Nadat onder meer wordt vastgesteld dat verzoekster -die sinds 7 februari 2007 achttien jaar is- aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoet, wordt zij verkozen verklaard. Gemeenteraadslid Erik de Meyer vraagt met een brief van 2 september 2010 aan de Raad voor verkiezingsbetwistingen van de provincie Antwerpen de verkiezing te vernietigen omdat verzoekster op het ogenblik van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn nog niet de volle leeftijd van achttien jaar had bereikt. Het verzoek wordt bij beslissing van 28 september 2010 ontvankelijk en gegrond bevonden. De geloofsbrieven van verzoekster als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn te Essen worden ongeldig verklaard, zodat zij niet mag zetelen in die raad. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoekster 4. In een eerste middel worden de schending van de artikelen 15, § 2, en 22 van het OCMW-decreet en het gebrek aan belang van de bezwaarindiener aangevoerd. Naar de mening van verzoekster heeft de Raad voor verkiezingsbetwistingen ten onrechte aangenomen dat het bezwaar van Erik de Meyer ontvankelijk is. Toegelicht wordt dat het bezwaarrecht van een gemeenteraadslid gekoppeld is aan de algehele verkiezing van de OCMW- XII-6372-3/10 raadsleden en dat de situatie die wordt geregeld door artikel 14 van het OCMW- decreet daarmee niet vergelijkbaar is. Op grond van die bepaling kwam het niet aan de bezwaarindiener toe om zelf een nieuwe voordrachtsakte in te dienen; de betwiste voordracht en verkiezing hebben geen uitstaans met zijn belangen. Beoordeling 5. Verzoekster is voorgedragen en verkozen verklaard, niet ter gelegenheid van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn, maar overeenkomstig artikel 14 van het OCMW-decreet dat onder meer het geval viseert waarin een werkend lid ophoudt deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn en geen opvolgers meer heeft. 6. Luidens artikel 15, § 2, eerste zinsnede,van het OCMW-decreet zijn gerechtigd om bezwaar in te dienen: “Alleen de gemeenteraadsleden en de personen die voorkomen op de voordrachtsakte, vermeld in artikel 10, § 1, en in artikel 14”. Deze bepaling, die uitdrukkelijk refereert aan het artikel 14, verklaart alle gemeenteraadsleden, zonder enig onderscheid, gerechtigd om bezwaar in te dienen. Artikel 22 van het OCMW-decreet zegt het niet anders. Het eerste lid behelst een algemene bepaling omtrent de bevoegdheid van de Raad voor verkiezingsbetwistingen, het tweede lid betreft de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. 7. Overigens is het onjuist dat er, zoals verzoekster doet gelden, op het ogenblik dat toepassing moet worden gemaakt van artikel 14 van het OCMW-decreet, geen enkele discussie meer mogelijk is over de verdeling van de mandaten van OCMW-raadslid. XII-6372-4/10 Slagen immers de gemeenteraadsleden die de voordracht van het te vervangen lid hadden ondertekend niet erin om gezamenlijk een vervanger voor te dragen, die in voorkomend geval overeenkomstig het eerste lid van meer vermeld artikel 14 “verkozen verklaard” kan worden, dan wordt met toepassing van het tweede lid van dit artikel 14 “in de vervanging voorzien bij een geheime stemming waarbij elk gemeenteraadslid over zoveel stemmen beschikt als vermeld in artikel 11 [in verband met algehele verkiezing] en waarbij de kandidaat of de kandidaten die de meeste stemmen behalen als verkozen worden verklaard”. 8. Het blijkt niet dat de eerste rechter het bezwaar van Erik De Meyer ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoekster 9. Een tweede middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 7, eerste lid, en 14 van het OCMW-decreet “al dan niet samengelezen met de artikelen 10 en 11 Grondwet”. Verzoekster zet uiteen dat volgens een algemene regel aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden moet worden voldaan op het ogenblik van het opnemen van het mandaat, ten vroegste wanneer men zich ervoor verkiesbaar stelt. De bestreden beslissing wijkt hier van af, zich daarvoor ten onrechte beroepend op de tekst van artikel 7, eerste lid, van het OCMW- decreet, de memorie van toelichting en een omzendbrief. Verzoekster verklaart nader dat artikel 7 uitdrukkelijk betrekking heeft op de algehele verkiezing van de OCMW-raad en geenszins op de tussentijdse verkiezing van een nieuw OCMW-raadslid nadat een mandaat is opengevallen en er geen opvolgers meer zijn. De parlementaire voorbereiding met betrekking tot dit artikel kan niet worden betrokken op de situatie die zich XII-6372-5/10 thans voordoet en geregeld wordt door artikel 14. Dit artikel bevat geen enkele verwijzing naar het artikel 7. Ook artikel 26 van het OCMW-decreet, dat verder ingaat op de vervanging van een OCMW-raadslid, verwijst niet naar artikel 7. Er zijn volgens verzoekster geen elementen voorhanden waaruit de onmiskenbare wil van de decreetgever kan worden afgeleid dat het voldaan zijn aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden in het geval van artikel 14 moet worden beoordeeld op het ogenblik van de algehele verkiezing van de OCMW-raadsleden en niet op het ogenblik van de nieuwe voordrachtsakte. De ratio legis van de besproken verkiesbaarheidsvoorwaarde bestaat er enkel in te verhinderen dat minderjarige personen in een openbaar ambt worden verkozen. Dit verantwoordt niet “dat retroactief aan deze verkiesbaarheidsheidsvoorwaarde zou moeten zijn voldaan op het ogenblik van de algehele verkiezing van de OCMW-raadsleden”. Ook uit het feit dat het artikel 7 niet vereist dat de kandidaat-werkende leden en hun opvolgers reeds ten tijde van de gemeenteraadsverkiezingen voldoen aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden volgt dat de decreetgever “geenszins de wil heeft de toegang tot het openbaar ambt meer dan nodig te beperken”. Indien de interpretatie van de Raad voor verkiezingsbetwistingen wordt gevolgd, vraagt verzoekster dat terzake een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof zou worden voorgelegd. 10. In de laatste memorie benadrukt verzoekster dat het artikel 7, eerste lid, “in elk geval ook grondwetsconform [kan] worden geïnterpreteerd”: “Het artikel zelf sluit niet uit dat het voldaan zijn aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden in het geval de situatie zich voordoet welke in artikel 14, OCMW-decreet is geregeld, moet worden beoordeeld op het ogenblik van de nieuwe voordracht en verkiezing als OCMW-raadslid”. Beoordeling XII-6372-6/10 11. Het artikel 14, op grond waarvan verzoekster is voorgedragen en verkozen verklaard, maakt tezamen met de artikelen die de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn tijdens de installatievergadering van de gemeenteraad regelen, deel uit van een en dezelfde afdeling I (van hoofdstuk 1 van titel II van het OCMW-decreet), “De organisatie van de raad voor maatschappelijk welzijn”. Alleen in het artikel 7, eerste lid, van afdeling I wordt gespecificeerd welke de verkiezingsvoorwaarden zijn om tot werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of tot opvolger te kunnen worden verkozen: “Om tot werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of tot opvolger te kunnen worden verkozen, moet iemand op de dag van de algemene verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn: 1° Belg zijn; 2° de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt; 3° ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend; 4° zich niet bevinden in een van de gevallen van onverkiesbaarheid, vermeld in artikel 65 van de Gemeentekieswet”. Hieruit blijkt dat de decreetgever het vervuld zijn van de verkiesbaarheidsvoorwaarden “tot werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of tot opvolger” in het algemeen heeft verbonden aan, welbepaald, de “dag van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn”. 12. Voor zoveel betwijfeld kan worden of de decreetgever daadwerkelijk bedoeld heeft dat dit ook moest gelden bij een verkiezing tot raadslid buiten het geval van de verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn in zijn geheel, wordt die twijfel verholpen door de memorie van toelichting, die met betrekking tot het artikel 7 vermeldt (Parl. St. Vl. Parl. 2007- 2008, nr. 171/1, 40): “Dit artikel herneemt integraal artikel 7 van de organieke wet en bepaalt de verkiesbaarheidsvoorwaarden voor kandidaat-leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. XII-6372-7/10 Verkiesbaarheidsvoorwaarden zijn voorwaarden waaraan de kandidaten moeten voldoen tijdens de uitoefening van het mandaat en op de dag van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn, met andere woorden op de dag van de installatievergadering van de gemeenteraad. De verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn in zijn geheel wordt bedoeld, niet de verkiezing tot raadslid. Uiteraard zal men ook aan deze voorwaarden moeten voldoen tijdens de effectieve uitoefening van het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Een lid dat niet voldoet aan deze voorwaarden op datum dat hij zijn mandaat opneemt zal de eed niet kunnen afleggen. Een (effectief) lid dat niet meer voldoet aan de voorwaarden vermeld in dit artikel verliest zijn mandaat”. Inderdaad herneemt het artikel 7 van het OCMW-decreet het artikel 7 van de organieke wet van 8 juli 1976, zoals dat luidde ten gevolge van de wijziging ervan door het decreet van 7 juli 2006. Vóór de wijziging door dit decreet moest aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden in het artikel 7 van de organieke wet alleen voldaan zijn “op de dag van de verkiezing”. Het decreet van 7 juli 2006 bracht daar in die zin verandering in dat voortaan voor het vervuld zijn van de verkiezingsvoorwaarden “de dag van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn” als referentiepunt werd genomen. De hiervoor aangehaalde passus uit de memorie van toelichting bij het OCMW-decreet wijst uit dat de decreetgever deze zienswijze kennelijk doelbewust voort heeft aangehouden. 13. In de gegeven omstandigheden valt de Raad van State de zienswijze van de eerste rechter bij dat, vanwege artikel 7, eerste lid, van het OCMW-decreet, “ook voor raadsleden die niet betrokken waren bij de oorspronkelijke algehele verkiezing van de raad, doch pas later via een nieuwe voordrachtsakte overeenkomstig artikel 14 van het OCMW-decreet worden verkozen verklaard, dan toch moet worden nagegaan of zij aan de verkiesbaarheidsvoorwaarde van leeftijd voldeden op de dag van de initiële verkiezing van de gehele raad, en niet op de latere dag van hun eigen individuele verkiezing”. XII-6372-8/10 14. Of, aldus beschouwd, het artikel 7, eerste lid, van het OCMW- decreet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet staat niet ter beoordeling van de Raad van State. Het is een kwestie die, zoals door verzoekster gevraagd, aan het Grondwettelijk Hof moet worden voorgelegd. De korte termijn waarbinnen de Raad van State, gelet op artikel 22, tweede lid, van het OCMW-decreet, in principe over onderhavig beroep uitspraak moet doen vormt er geen beletsel voor dat aan het Grondwettelijk Hof de door verzoekster geformuleerde prejudiciële vraag wordt gesteld. Overeenkomstig artikel 30 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof worden immers de procedure en de termijnen van procedure en verjaring opgeschort vanaf de datum van de beslissing om de prejudiciële vraag te stellen tot de datum waarop het arrest van het Grondwettelijk Hof ter kennis wordt gebracht. Wel veroorlooft de Raad van State zich om, gelet op de wil van de decreetgever dat geschillen als het voorliggende versneld worden beslecht, het Grondwettelijk Hof uit te nodigen de verkorting van zijn termijnen van rechtspleging te overwegen. BESLISSING 1. De debatten worden heropend. 2. De Raad van State stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 7, eerste lid, OCMW-decreet de artikelen 10 en 11, Grondwet wanneer het in geval van de toepassing van artikel 14, OCMW-decreet zo wordt gelezen dan wel geïnterpreteerd dat ter gelegenheid van het onderzoek van de geloofsbrieven naar aanleiding van de nieuwe voordrachtsakte de voorgedragen kandidaat-werkend lid moet voldoen aan de aldaar vermelde verkiesbaarheidsvoorwaarden op het ogenblik van de algehele verkiezing van de OCMW-raadsleden en niet op het ogenblik van de verkiezing als OCMW-raadslid op basis van de nieuwe voordrachtsakte en aldus wordt afgeweken van de algemene regel dat (slechts) moet voldaan zijn aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden op het ogenblik dat een mandaat wordt opgenomen, ten vroegste wanneer men zich daarvoor verkiesbaar stelt, ermee rekening houdend dat in het geval een mandaat van gemeenteraadslid openvalt XII-6372-9/10 overeenkomstig artikel 84, § 1, Gemeentekieswet een nieuwe verkiezing wordt gehouden waarbij elkeen zich kandidaat kan stellen en worden verkozen die op dat ogenblik voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden?”. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig december 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-6372-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.190 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.045 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.