← België

Arrest 210195 - Examens (onderwijs) - 30/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.195 Rolnummer: A. 194978/XII-6069 Zaak: Arrest 210195 - Examens (onderwijs) - 30/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-06 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 05:36 Fiche Arrest nr 210.195 van 30 december 2010 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 210.195 van 30 december 2010 in de zaak A. 194.978/XII-6069 In zake: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabien Lust kantoor houdend te Assebroek Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: Jeroen DE METS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Jonas Riemslagh kantoor houdend te Kortrijk President Kennedypark 6/24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het administratief cassatieberoep, ingesteld op 18 december 2009, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing nr. 2009/104 van 17 november 2009 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. XII-6069-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 september
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sabien Lust, die verschijnt voor de verzoekende par- tij en advocaat Steve Ronse, die loco advocaten Dirk Van Heuven en Jonas Riemslagh verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest anders- luidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen heeft in de bestreden beslissing de volgende samenvatting van de feiten ge- geven: “3.
  6. Verzoekende partij [Jeroen De Mets] is tijdens het academiejaar 2008-2009 ingeschreven in de bachelor in de rechten. Zij behaalde op 2 juli 2009 haar bachelordiploma, met als graad van verdienste ‘voldoening’. Het beroep betreft het examencijfer voor het opleidingsonderdeel ‘Rechts- vergelijking’ waarvoor verzoekende partij niettemin tijdens de eerste zittijd een creditbewijs verkreeg. Verzoekende partij behaalde een resultaat van 11/
  7. Verzoekende partij vroeg op 7 juli 2009 aan om het betreffende examencij- fer van 11/20 te verwerpen. De facultaire studentenadministratie deelde mee dat het onderwijs en examenreglement het verwerpen van een creditbewijs niet toelaat. Deze visie werd bevestigd door de pedel van de faculteit rechtsgeleerdheid. Verzoekende partij diende vervolgens op 15 juli 2009 op grond van artikel XII-6069-2/13 57, §2 van het onderwijs- en examenreglement (OER) een verzoek in tot verwerpen van examencijfer bij de ombudspersoon van de betrokken facul- teit. In antwoord op het indienen van het betreffende formulier C2 werd het standpunt van de facultaire studentenadministratie herbevestigd door de ombudspersoon. Verzoekende partij kreeg op 3 augustus 2009 een e-mailbericht van de ver- werende partij met de melding dat zij toegelaten werd om met een examen- contract met het oog op het behalen van een creditbewijs zich in te schrijven voor het opleidingsonderdeel ‘Rechtsvergelijking’. Verzoekende partij stelde tegen deze beslissing op 5 augustus 2009 een in- tern beroep in. Op 1 september werd het intern beroep als onontvankelijk verworpen. Diezelfde dag had verzoekende partij reeds het examen afgelegd van het opleidingsonderdeel ‘Rechtsvergelijking’ met als resultaat een cijfer van 15/
  8. Verzoekende partij verzocht vervolgens op 8 september 2009 aan de exa- mencommissie om opnieuw te delibereren over de graad van verdienste. Rekening houdend met het nieuw behaalde resultaat van 15/20 kwam zij volgens de vooropgestelde criteria in aanmerking voor een graad van on- derscheiding. De examencommissie kwam op 9 september 2009 - tweede examenperiode - samen en besliste na stemming om het verzoek te verwerpen. De stemming verliep als volgt: twee leden stemden tegen een herdeliberatie. Een lid stemde vóór een herdeliberatie en twee leden hebben zich onthouden. De beslissing werd bij brief van 11 september 2009 aan de verzoekende partij meegedeeld. 3.
  9. Verzoekende partij stelde op datum van 14 september 2009 een intern beroep tegen de beslissing van 9 september
  10. 3.
  11. Op 16 oktober 2009 besliste de interne beroepscommissie met unani- miteit van stemmen dat geen van de middelen van de verzoekende partij gegrond is. De interne beroepsbeslissing besloot dat er geen aanleiding bestaat tot her- vorming van de bestreden beslissing. Zoals bij de bespreking van de midde- len duidelijk aangegeven, staat artikel 74 § 4 OER er immers aan in de weg dat een student die reeds slaagde voor een opleiding, door het behalen van een credit met een beter resultaat voor een opleidingsonderdeel dat hij volgde binnen die opleiding, een betere graad van verdienste zou verwerven. De interne beroepscommissie beslist aldus het intern beroep als ongegrond XII-6069-3/13 te verwerpen. De beslissing op intern beroep werd bij e-mail van 26 oktober 2009 en per aangetekend schrijven met poststempel van 29 oktober 2009 aan verzoe- kende partij overgemaakt. 3.
  12. Bij aangetekend schrijven van 2 november 2009 diende verzoekende partij een verzoekschrift in bij de Raad”. 3.
  13. Met de thans bestreden beslissing verklaart de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen het beroep van Jeroen De Mets ontvankelijk en gegrond, op grond van de volgende beoordeling: “5.
  14. De verzoekende partij beroept zich in een eerste middel op de schending van artikel 74 OER op zichzelf genomen en samen gelezen met artikel 57, § 2 OER, van artikel 31 § 1, lid 2 en artikel 50 van het Flexibili- seringsdecreet en van de algemene bestuursrechtelijke beginselen. 5.1.
  15. Verzoekende partij beroept zich in een eerste onderdeel op de schending van artikel 74, § 4 OER dat stelt dat ‘eens de student voor de opleiding geslaagd is verklaard en zijn graad van verdienste is vastgesteld, is het niet meer mogelijk om opleidingsonderdelen opnieuw af te leggen ten einde de graad van verdienste te verbeteren’. […] 5.1.
  16. De verzoekende partij beroept zich in een tweede onderdeel van het eerste middel op de schending van artikel 57, § 2 OER en artikel 74, § 4 OER samen. […] Beoordeling door de Raad over de beide onderdelen samen Uit de samenlezing van beide in het geding zijnde bepalingen van het on- derwijs- en examenreglement blijkt een tegenstrijdigheid. Enerzijds bepaalt artikel 74, § 4: ‘eens de student voor de opleiding ge- slaagd is verklaard en zijn graad van verdienste is vastgesteld, is het niet meer mogelijk om opleidingsonderdelen opnieuw af te leggen ten einde de graad van verdienste te verbeteren.’ Anderzijds bepaalt artikel 57 § 2 van datzelfde reglement: ‘De student heeft recht om over elk opleidingsonderdeel in een volgende examenperiodes opnieuw geëxamineerd te worden, ook indien hij voor het betreffende opleidingsonderdeel is geslaagd en indien het deel uitmaakt van een deliberatiepakket waarvoor de student reeds is geslaagd. Dat gebeurt op eigen risico: de laatst behaalde examencijfers tellen mee bij de beoordeling van het betrokken deliberatiepakket waarvoor de student reeds geslaagd is verklaard, en bij het toekennen van de graad van verdienste wanneer de student voor de opleiding is geslaagd.’ Voorts bepaalt artikel 29 §2 van het decreet van 30 april 2004 betreffende XII-6069-4/13 de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen, zoals ingevoegd door het decreet van 16 juni 2006, ‘Een student heeft voor ieder opleidingsonderdeel waarvoor hij ingeschreven is, recht op twee examenkansen in de loop van het academiejaar.’ Het is juist, zoals de verwerende partij daartegenover stelt, dat artikel 31 § 1, laatste lid van datzelfde decreet bepaalt dat een student aan een credit- bewijs niet kan verzaken, maar die regel moet begrepen worden als strek- kende tot bescherming van de student, en betekent niet dat de student van dat recht geen afstand mag doen. In zoverre het onderwijs en examenreglement van de verwerende partij bepaalt dat de student een tweede examenkans krijgt ook al heeft hij bij zijn eerste examenkans reeds een credit verworven, is dus niet in strijd met het voormelde artikel
  17. Het is verder ook terecht dat de verwerende partij opmerkt dat een student ook na het behalen van zijn diploma toch nog opnieuw examen mag afleggen om zijn creditcijfer te verbeteren (in die zin is het ook een oneigenlijk examencontract dat tot stand komt). Een praktisch verschil dat zich zeker voordoet wanneer men dit geval vergelijkt met het geval van de student die reeds bij zijn eerste examenkans dat betere resultaat zou geboekt hebben, lijkt te zijn dat zijn graad van verdienste niet wordt aangepast. Credits en rankings zijn de dag van vandaag allicht belangrijker dan de graad van verdienste, maar dat doet er niet aan af dat ook dat gevolg voor de betrokken student belangrijk kan zijn. Alles samen genomen ziet de Raad niet wat de reden kan zijn om een stu- dent wel de kans te geven om zijn tweede examenkans te benutten ook al behaalde hij een voldoende bij zijn eerste examenkans (en dus een credit) in alle gevallen behalve wanneer hij ‘voor de opleiding geslaagd is verklaard en zijn graad van verdienste is vastgesteld.’ Het middel is in zijn twee eerste onderdelen gegrond. Aangezien de andere onderdelen van het middel en de andere middelen niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, behoeven ze niet onderzocht te worden”. 3.
  18. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs- beslissingen vernietigt de beslissing van 16 oktober 2009 genomen in het kader van het intern beroep en gelast de bevoegde instantie van de Universiteit Gent om opnieuw uitspraak te doen over het ingestelde intern beroep uiterlijk op 26 november
  19. XII-6069-5/13 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  20. Luidens het eerste middel schendt de beslissing de artikelen 57, § 2, en 74, § 4, van het onderwijs- en examenreglement 2008-2009 (hierna ook: OER) van de Universiteit Gent (hierna ook: de UG), door aan te nemen dat deze artikelen strijdig zijn met elkaar en door in strijd met artikel 74, § 4, OER te oor- delen dat een student die reeds slaagde voor een opleiding, en die beslist om in een tweede examenperiode aan een examen voor datzelfde opleidingsonderdeel van de per definitie afgeronde opleiding deel te nemen, toch opnieuw kan worden gedelibereerd over zijn opleiding en eventueel een hogere graad kan verwerven.
  21. Verwerende partij J. De Mets sluit zich aan bij de overweging van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, dat uit le- zing van beide bepalingen uit het OER “een tegenstrijdigheid [blijkt]”. Luidens artikel 57, § 2, OER telt het laatste examencijfer bij de beoordeling van het be- trokken deliberatiepakket enkel mee op voorwaarde dat de student voor dat pak- ket nog niet geslaagd is verklaard. Daarentegen is blijkens die bepaling voor het meetellen ervan bij de graad van verdienste in géén bijkomende voorwaarde voorzien. Door de bepaling “bij het toekennen van de graad van verdien- ste wanneer de student voor de opleiding is geslaagd” verduidelijkt de tekst van het OER dat er enkel een graad van verdienste wordt toegekend wanneer een volledige opleiding is afgerond en niet meer, zoals vroeger, na elk studiejaar (of thans, “deliberatiepakket”) noch op het niveau van individuele opleidingsonder- delen. XII-6069-6/13 In de interpretatie dat hij recht had op een tweede examenkans en dat dit resultaat meetelt voor zijn graad van verdienste, kan men volgens J. De Mets deze bepalingen zo lezen dat artikel 57, § 2, OER betrekking heeft op het opnieuw afleggen van het examen tijdens hetzelfde academiejaar en artikel 74, § 4, OER betrekking heeft op het zich opnieuw inschrijven voor een opleidingsonderdeel waarvoor men in een eerder academiejaar reeds (1 of 2 maal en al dan niet succesvol) examen aflegde. Volgens verwerende partij zou de zienswijze van de Universiteit Gent voorts strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel, het vertrou- wensbeginsel, het beginsel patere legem quam ipse fecisti en het rechtszeker- heidsbeginsel.
  22. Volgens de Universiteit Gent, die in haar procedurestukken de mogelijkheid heeft benut om zich hierover uit te spreken, bevindt J. De Mets zich niet in een gelijke situatie als de studenten in vergelijking waarmee hij zich ongelijk behandelt noemt. De studenten in de twee lagere jaren hebben immers nog geen diploma verworven, de student in het derde jaar heeft dat diploma al wel ontvangen en zijn graad van verdienste is dus definitief vastgesteld, van rechtswege erkend en tegenstelbaar. Er is om diezelfde reden ook geen ongeoorloofde onderscheiden behandeling in het derde en laatste jaar, tussen studenten die in de eerste examenperiode slagen en studenten die dat niet doen. Beoordeling
  23. De voor de zaak relevante bepalingen van het toepasselijke onderwijs- en examenreglement luiden: “Art. 57, §
  24. - De student heeft recht om over elk opleidingsonderdeel in een volgende examenperiode opnieuw geëxamineerd te worden, ook indien hij voor het betreffende opleidingsonderdeel is geslaagd en indien het deel uitmaakt van een deliberatiepakket waarvoor de student reeds is geslaagd. Dat gebeurt op eigen risico: de laatst behaalde examencijfers tellen mee bij de beoordeling van het betrokken deliberatiepakket, zo het opleidingsonderdeel niet behoort tot een deliberatiepakket waarvoor de student reeds geslaagd is XII-6069-7/13 verklaard, en bij het toekennen van de graad van verdienste wanneer de student voor de opleiding is geslaagd.” “Art. 74, §
  25. - Eens de student voor de opleiding geslaagd is verklaard en zijn graad van verdienste is vastgesteld, is het niet meer mogelijk om oplei- dingsonderdelen opnieuw af te leggen ten einde de graad van verdienste te verbeteren. Onverminderd het bepaalde in artikel 68 is herdeliberatie niet meer mogelijk eens een student geslaagd werd verklaard voor een opleiding. De student kan er wel naar streven om, los van het behaalde diploma, voor een niet-geslaagd opleidingsonderdeel een creditbewijs te behalen of om voor een opleidingsonderdeel een creditbewijs te behalen met een beter resultaat. Daartoe schrijft hij zich dan in via een contracttype met het oog op het behalen van een creditbewijs.”
  26. J. De Mets is een student die -reeds bij de eerste examenperiode- voor de opleiding geslaagd is verklaard. Het was hem niettemin toegestaan, overeenkomstig het OER zoals toentertijd van toepassing en toegepast door de Universiteit Gent, om een opleidingsonderdeel waarvoor hij een creditbewijs had behaald, toch opnieuw af te leggen om alzo een beter resultaat te boeken voor dat opleidingsonderdeel. Verwerende partij hééft bijgevolg overeenkomstig artikel 57, § 2, eerste volzin, OER een tweede exa- menkans gekregen, overigens ook met een beter resultaat. J. De Mets is echter niet enkel geslaagd verklaard; hij is ook een student waarvan -ook reeds bij de eerste examenperiode- de graad van verdienste is vastgelegd. Luidens artikel 74, § 4, eerste volzin, OER evenwel, is in dat geval het opnieuw afleggen van een examen over een opleidingsonderdeel “niet meer mogelijk […] ten einde de graad van verdienste te verbeteren”. De tweede volzin van dezelfde paragraaf preciseert, ten overvloede, dat voor een student zoals verwerende partij er een is, herdeliberatie niet meer mogelijk is. Het opnieuw afgelegde examen en het verbeterde creditbewijs staan bijgevolg, met nog steeds de woorden van dezelfde paragraaf, “los van het diploma”. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs- beslissingen schendt dan ook het artikel 74, § 4, OER door verwerende partij XII-6069-8/13 J. De Mets bij te vallen dat hij op grond van die bepaling aanspraak mag maken op een herdeliberatie over zijn graad van verdienste.
  27. Echter, ofschoon het middel gegrond is, kan het niet tot cassatie leiden en is het derhalve niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. De Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen, is in de bestreden beslissing het middel van toenmalig verzoeker J. De Mets bijgevallen op grond van de overweging dat de bodemrechter, “[a]lles samen genomen”, niet ziet “wat de reden kan zijn om een student wel de kans te geven om zijn tweede examenkans te benutten ook al behaalde hij een voldoende bij zijn eerste examenkans (en dus een credit) in alle gevallen behalve wanneer hij ‘voor de opleiding geslaagd is verklaard en zijn graad van verdienste is vastgesteld’”. Impliciet maar zeker heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen uitspraak gedaan over de eveneens door de student voor de bodemrechter als een derde middel aangevoer- de schending van het gelijkheidsbeginsel door de toepassing van het OER op zijn situatie. Ook de Raad van State ziet geen reden die vermag te verant- woorden dat aan elke student, ook een laatstejaarsstudent, een tweede examen- kans wordt aangeboden met mogelijk gunstige weerslag op de graad van verdien- ste behalve aan de laatstejaarsstudent die reeds in de eerste examenperiode geslaagd verklaard wordt. De Universiteit Gent verantwoordt zulks door te stellen dat deze studenten zich niet in een gelijke situatie bevinden omdat in het geval van laatstgenoemde dadelijk en tegelijk de graad van verdienste wordt vastgesteld. Die stelling kan niet worden aangenomen. Vooreerst is het dadelijk of gelijktijdig beslissen over het slagen en het definitief vaststellen van de graad van verdienste slechts het gevolg van een eigen keuze en interne procedures van de UG die dus met een anders luidende regeling in het OER aangepast en met de gelijkheidsregel in overeenstemming gebracht kan worden. Voorts doet een XII-6069-9/13 eventueel latere aanpassing van de graad van verdienste op een voor de student gunstige wijze geen afbreuk aan hem of derden verleende rechten. Het in artikel 74, § 4, OER opgenomen verbod tot verbetering van de graad van verdienste kan bijgevolg niet zonder schending van het gelijk- heidsbeginsel op verwerende partij J. De Mets worden toegepast. Die vaststelling verantwoordt wettig het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing. Aldus vermag de Raad van State de reden die door het middel wordt bekritiseerd en waarop de bestreden beslissing steunt, te vervangen door een juridische grondslag die het beschikkend gedeelte naar recht verantwoordt.
  28. Het middel kan niet tot cassatie leiden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  29. Het tweede middel is geput uit de schending van de artikelen 29, § 2, eerste lid, en 31, § 1, in fine, van het flexibiliseringsdecreet. De Universiteit Gent leest laatstgenoemde bepaling aldus dat de betrokken student, indien hij een creditbewijs behaalde na zijn eerste examenkans, voor het desbetreffende opleidingsonderdeel geen tweede examenkans krijgt. Het vormt een bijkomende uitzondering op de in artikel 29, § 2, eerste lid, geboden examen- kansen. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen neemt volgens de UG dan ook onterecht aan dat de student kan verzaken aan zijn credit omdat bedoeld artikel enkel zou strekken tot bescherming van de student. Verzoekster UG erkent in dit verband een jarenlange praktijk in andere zin waarbij zij studenten die een credit behaalden toegelaten heeft, zoals XII-6069-10/13 ook verwerende partij J. De Mets, om deel te nemen aan de tweede examenperio- de, maar dit wijst volgens haar enkel erop dat haar onderwijs- en examenregle- ment op dit punt strijdig is met artikel 31, § 1, van het flexibiliseringsdecreet en door de feitenrechter buiten toepassing gelaten moest worden. Beoordeling
  30. Artikel 29, § 2, eerste lid, van het flexibiliseringsdecreet bepaalt dat een student “voor ieder opleidingsonderdeel waarvoor hij ingeschreven is, recht [heeft] op twee examenkansen in de loop van het academiejaar”. Door bij artikel 57, § 2, OER toe te staan om een examen over een opleidingsonderdeel opnieuw af te leggen zelfs nadat de student er reeds een credit voor behaalde, geeft de UG aan het begrip “examenkans” een invulling die niet het artikel 29, § 2, eerste lid, van het flexibiliseringsdecreet miskent.
  31. Artikel 31, § 1, van het flexibiliseringsdecreet bepaalt dat een student “niet [kan] verzaken aan een creditbewijs”. De student die zijn recht op een tweede examenkans benut, verzaakt niet aan zijn eventueel behaalde creditbewijs of aan zijn diploma. Inte- gendeel is de bepaling in artikel 57, § 2, OER dat enkel de laatst behaalde exa- mencijfers meetellen, toegepast op de student die reeds een creditbewijs heeft, strijdig met de aangehaalde bepaling van het flexibiliseringsdecreet in het geval dat het laatst behaalde cijfer geen slaagcijfer zou zijn en moet zij in dat geval buiten toepassing blijven, omdat de student aldus door de universiteit gedwongen zou worden aan zijn creditbewijs te verzaken. Indien, met andere woorden, een onderwijsinstelling aan het begrip examenkans de invulling geeft zoals verzoekster het toentertijd heeft gedaan, namelijk dat elke student mag her- kansen ongeacht zijn reeds behaalde resultaten, dan is dit slechts in overeen- stemming met artikel 31 van het flexibiliseringsdecreet voor zover een eventueel XII-6069-11/13 slechter resultaat bij de herkansing niet tot gevolg heeft dat het behaalde credit- bewijs teniet gedaan wordt.
  32. Uit wat voorafgaat volgt dat de bodemrechter terecht heeft geconcludeerd dat in zoverre het OER bepaalt dat de student een tweede examenkans krijgt ook al heeft hij bij zijn eerste examenkans reeds een credit verworven, niet in strijd is met het voormelde artikel
  33. Het is zonder belang of de juridische verantwoording van zijn beslissing door de bodemrechter correct is, omdat de Raad van State als cassatie- rechter, zoals reeds hiervóór opgemerkt, geen onwettige redeneringen vernietigt, maar onwettige beslissingen. Of de decretale regel dat aan een creditbewijs niet kan worden verzaakt enkel strekt tot bescherming van de student en hij er dus afstand van mag doen, naar de bodemrechter uiteenzet, verschijnt in het licht van wat voorafgaat als een voor de beslissing overtollig motief.
  34. Het middel faalt naar recht. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  35. Volgens het laatste, subsidiair aangevoerde middel is de bestre- den beslissing nog om een andere reden genomen met de schending van artikel 31, § 1, van het flexibiliseringsdecreet en schendt ze bovendien artikel 159 van de Grondwet. Als het immers juist is, zo stelt de Universiteit Gent, dat het opnemen van een tweede examenkans noodzakelijk veronderstelt dat de student afstand doet van zijn behaalde credit, zoals de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen redeneert, dan betekent dit dat de regeling in artikel 57, § 2, OER die een student toelaat om zijn tweede examenkans op te nemen XII-6069-12/13 ook als hij reeds een credit behaalde, strijdig met artikel 31, § 1, van het flexibiliseringsdecreet en buiten toepassing moet blijven, en heeft verwerende partij haar credit op onregelmatige wijze behaald. Beoordeling
  36. Zoals reeds uiteengezet bij de bespreking van het tweede mid- del, vertrekt verzoekster UG van een verkeerd uitgangspunt. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  37. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  38. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig december 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, staatsraad, waarnemend voorzitter, Geert Van Haegendoren, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust XII-6069-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.195 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.