id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.196 Rolnummer: A. 197981/VII-38027 Zaak: Arrest 210196 - Bewakingsondernemingen - 30/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-11 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 05:36 Fiche Arrest nr 210.196 van 30 december 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 210.196 van 30 december 2010 in de zaak A. 197.981/XII-
- In zake: Curt GOOSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Mary kantoor houdend te 1060 Sint-Gillis Afrikastraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 18 oktober 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 18 augustus 2010 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij wordt vastgesteld dat Curt Goossens “niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8° van de bewakingswet”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. XII-6385- 1/5 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 december
- Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elisa Van Bocxlaer, die verschijnt voor de verzoeker, en attaché Dominique Van Dam, die verschijnt voor de verwerende partij zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op vraag van de vergunde bewakingsondernemingen DMG Security bvba en Pro-Tec International bvba worden op 5 oktober 2005, respectievelijk 4 februari 2008, aan verzoeker identificatiekaarten uitgereikt voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten. Op 19 januari 2010 vraagt ook de vergunde bewakingsonderneming Sapphire Security bvba een identificatiekaart voor verzoeker aan. Met brieven van 10 februari 2010 en 3 mei 2010 deelt de minister van Binnenlandse Zaken aan verzoeker mee dat hij overweegt diens identificatiekaarten in te trekken en de bijkomende identificatiekaart te weigeren. Verzoeker dient per brief van 17 juni 2010 zijn verweermiddelen in. XII-6385- 2/5 Op 1 juli 2010 wordt aan verzoeker gemeld dat hoewel het dossier werd gestart met het oog op een eventuele weigering en intrekking, het nog enkel gaat om een eventuele weigering, aangezien hij geen geldige identificatiekaarten meer in zijn bezit heeft. Bij beslissing van 16 augustus 2010 stelt de minister van Binnenlandse Zaken vast dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8°, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. IV. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- Wat de tweede voorwaarde betreft zet verzoeker alleen uiteen dat “het weinig extra betoog [behoeft] dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent, nu het verzoeker onmiddellijk van financiële inkomsten uit zijn activiteiten als bewakingsagent zal beroven” en dat “zijn eer, reputatie, goede naam en integriteit door de bestreden beslissing thans reeds worden aangetast”.
- In de huidige stand van de procedure lijkt de bestreden beslissing niet meer dan de weigering van een nieuwe identificatiekaart in te houden. Als zodanig is ze op het eerste gezicht dan ook niet van aard verzoeker van financiële inkomsten te beróven, maar belet ze hem alleen inkomsten te verwerven die hij nog niet genoot. Verwerende partij merkt immers op, zonder dat het wordt tegengesproken, “dat verzoeker op het ogenblik van het weigeringsbesluit niet XII-6385- 3/5 meer in het bezit was van enige geldige identificatiekaart. De kaart voor DMG Security bvba werd op datum van 24 februari 2010 door de firma zelf geannuleerd en de kaart voor Pro-Tec International bvba was evenmin nog van kracht daar de vergunning van de onderneming kwam te vervallen op 14 juli 2009 […] en vervolgens de vernieuwing van deze firma geweigerd werd bij Ministerieel Besluit van 3 mei 2010”. Voorts zegt verzoeker opvallend niet dat zijn inkomsten als bewakingsagent zijn enige financiële inkomsten zijn. Gelet op de bijlage 3 bij verzoekers verweerschrift van 17 juni 2010 lijken, integendeel, de inkomsten uit zijn "job als portier" uitsluitend een financieel "extraatje" te betreffen. Echter geeft hij geen enkel inzicht in de andere inkomsten die hij dan nog zou genieten, noch brengt hij met betrekking tot genoemd "extraatje" ook maar enige precisering, laat staan nog enig bewijsstuk, bij. In de gegeven omstandigheden kan verzoeker de Raad van State er niet van overtuigen dat de weerslag van -welbepaald- de bestreden beslissing op zijn financiële inkomsten hem een nadeel doet lijden dat zowel ernstig als moeilijk herstelbaar is. Anders dan hij meent, was daartoe wel degelijk een "extra betoog" nodig.
- In zoverre voorts het aangevochten besluit geacht zou kunnen worden verzoekers eer, reputatie, goede en naam en integriteit op enigerlei wijze aan te tasten, gaat het om een nadeel dat, vanuit administratief oogpunt beschouwd, in principe genoegzaam zal worden hersteld door de morele genoegdoening die een latere vernietiging in voorkomend geval verstrekt. Verzoeker verschaft geen enkele bijzonderheid die ervoor doet vrezen dat het te dezen anders dreigt te zijn.
- Uit wat voorafgaat volgt dat alvast niet is voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden XII-6385- 4/5 beslissing te kunnen bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig december tweeduizend en tien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust XII-6385- 5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.196 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.524 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.945 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div