← België

Cassatiebeschikking 5539 - Reglementen (onderwijs en cultuur) - 13/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ORD.5.539 Rolnummer: A. 195847/XII-6142 Zaak: Cassatiebeschikking 5539 - Reglementen (onderwijs en cultuur) - 13/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-19 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:36 Fiche Beschikking nr 5.539 van 13 april 2010 Onderwijs en cultuur - Reglementen (onderwijs en cultuur) Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 5539 van 13 april 2010 in de zaak G/A. 195.847 In zake : Kris VAN DER HIJDEN, woonplaats kiezend te Mol, Vennestraat 52 tegen : de UNIVERSITEIT GENT. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Kris Van Der Hijden op 15 maart 2010 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit nr. 2010/003 van 3 maart 2010 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs- beslissingen Gelet op artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en op de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State; Gelet op de ontvangst, op 29 maart 2010, van het dossier van de zaak; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Verzoeker voert twee cassatiemiddelen aan. 195.847-1/5 Het eerste cassatiemiddel is geput uit de schending van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 5bis en 51 “Flexibiliseringsdecreet van 30 april 2004” en van artikel II.24, § 3 “Aanvullingsdecreet van 19 maart 2004”. Met het middel beoogt verzoeker de beoordeling te bekritiseren die de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft gegeven aan het eerste middel dat hij voor dat rechtscollege deed gelden. In dat middel werd de schending van het redelijkheidsbeginsel aangevoerd. Bij de verdere toelichting van het cassatiemiddel komen artikel 5bis “Flexibiliseringsdecreet van 30 april 2004” en artikel II.24,§ 3, “Aanvullingsdecreet van 19 maart 2004” niet ter sprake. In zoverre is het middel kennelijk onontvankelijk. Artikel 51 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen luidt: “§

  1. Indien een instellingsbestuur op grond van een bewijs van bekwaamheid en/of EVK’s vaststelt dat een persoon de competenties eigen aan een welom- schreven opleiding bezit, kan het instellingsbestuur aan deze persoon het diploma van de betrokken opleiding uitreiken, zonder dat een inschrijving voor de betrokken opleiding vereist is. Indien het instellingsbestuur niet overgaat tot het uitreiken van het betrokken diploma doch het volgen van bijkomende opleidingsonderdelen, of delen daarvan, voorschrijft, geldt een bijzondere motiveringsverplichting. Het instellingsbestuur dient in dat geval een substantieel verschil aan te tonen tussen de door het bewijs van bekwaamheid gevalideerde competenties en de in de schoot van de instelling gehanteerde eindcompetenties voor de opleiding. §
  2. Het instellingsbestuur kan een bedrag van ten hoogste 50 euro vragen als bijdragen in de kosten voor het uitreiken van het diploma.” Artikel 149 van de Grondwet stelt dat “elk vonnis [...] met redenen [is] omkleed”. In de bestreden beslissing wordt het middel van verzoeker weergegeven, waarna het wordt weerlegd op grond van, onder meer, de vaststelling dat, eensdeels, de verwerende partij van verzoeker geen of onvoldoende informatie heeft verkregen om over zijn aanvraag een standpunt in te nemen en, anderdeels, verzoeker die feitelijke vaststelling voor het rechtscollege niet ontkrachtte. Daarmee is aan de vormvereiste van de door artikel 149 van de Grondwet voorgeschreven motiveringsplicht voldaan. Waar verzoeker inhoudelijke kritiek geeft op de 195.847-2/5 motivering, staat zulks niet gelijk met een gemis aan redengeving en houdt dit derhalve geen verband met het vormvereiste van artikel 149 van de Grondwet. Het middel is in zoverre kennelijk ongegrond. Voor zover verzoeker artikel 51 van het decreet van 30 april 2004 bijbrengt, zou hij de Raad van State er toe moeten brengen de beslissing van de rector van de Universiteit Gent opnieuw te onderzoeken. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State evenwel niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van het lager rechtscollege overdoen maar mag hij enkel nagaan of de hem voorgelegde beslissing van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs- beslissingen overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf”. Hiervoor is reeds vastgesteld dat naar het oordeel van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen door verzoeker aan de rector niet de noodzakelijke informatie was verstrekt om over zijn aanvraag conform artikel 51 van het decreet van 30 april 2004 een standpunt te kunnen innemen. In zoverre is het eerste cassatiemiddel niet ontvankelijk. Het tweede cassatiemiddel is geput uit de schending van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 51 “Flexibiliseringsdecreet van 30 april 2004” en van “het algemeen rechtsbeginsel genoemd het legaliteitsbeginsel”. Met het middel beoogt verzoeker de beoordeling te bekritiseren die de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft gegeven aan het tweede middel dat hij voor dat rechtscollege deed gelden. Waar verzoeker in het eerste middelonderdeel artikel 149 van de Grondwet geschonden noemt omdat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen volgens hem al te theoretisch heeft geantwoord op zijn middel, gaat hij er opnieuw aan voorbij dat inhoudelijke kritiek op de motivering niet gelijk staat aan ontstentenis van motieven. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft ook het tweede middel weergegeven en het op beredeneerde wijze verworpen. Het eerste middelonderdeel is kennelijk ongegrond. Voor zover verzoeker in het tweede middelonderdeel de schending van een algemeen rechtsbeginsel aanvoert, is het kennelijk onontvankelijk nu hij niet 195.847-3/5 een wetsbepaling aanduidt waarin dit beginsel neergelegd zou zijn. Overigens licht verzoeker deze beweerde schending in het middel niet nader toe. Volgens verzoeker schendt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen artikel 51 van het decreet van 30 april 2004, door verwerende partij er in bij te vallen dat het ontbreken van een bachelordiploma aantoont dat verzoeker niet over de begincompetenties beschikt om het diploma van master te verkrijgen. De bestreden beslissing stelt evenwel ook dat verzoeker niet aantoont dat hij over de vereiste eindcompetenties van het begeerde masterdiploma beschikt. Door hierop geen grieven te betrekken, kan het middel kennelijk niet tot nietigverklaring leiden, aangezien dit tweede motief reeds voldoende steun geeft aan de afwijzing van verzoekers aanvraag. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  3. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. Artikel
  4. De kosten van het cassatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. 195.847-4/5 Aldus te Brussel verleend, op dertien april 2010, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. 195.847-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ORD.5.539 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.