← België

Cassatiebeschikking 6103 - Varia (onderwijs en cultuur) - 05/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 05 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ORD.6.103 Rolnummer: A. 197699/XII-6339 Zaak: Cassatiebeschikking 6103 - Varia (onderwijs en cultuur) - 05/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-20 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 05:14 Fiche Beschikking nr 6.103 van 5 oktober 2010 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 6103 van 5 oktober 2010 in de zaak G/A 197.699 In zake : Umberto MANTELLI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Umberto Tytgat kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 391, bus 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de KATHOLIEKE UNIVERSITEIT VAN LEUVEN ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- Gezien het verzoekschrift dat Umberto Mantelli op 13 september 2010 heeft ingediend om een “vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverkla- ring” in te dienen van het besluit nr. 2010/014 van 12 augustus 2010 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen; Gelet op artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en op de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State; Gelet op de ontvangst, op 24 september 2010, van het dossier van de zaak; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :

  1. Ten onrechte kwalificeert verzoeker het voorliggend beroep als een “vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring”. 197.699-1/5 Voorwerp van het voorliggend beroep is immers een beslissing uitgaande van een administratief rechtscollege. Het beroep is derhalve op te vatten als een administratief cassatieberoep, als bedoeld in artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Enkel van akten en reglementen van een administratieve overheid die voor vernietiging vatbaar zijn krachtens artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State, kan de Raad van State luidens artikel 17, § 1, eerste lid, van dezelfde wetten de schorsing bevelen. Verzoeker vordert de schorsing van tenuitvoerlegging van een beslissing van een administratief rechtscollege. Deze vordering is kennelijk onontvankelijk.
  2. In het cassatieberoep voert verzoeker drie middelen aan. 3.
  3. In het eerste middel voert verzoeker aan dat de beslissing in haar motivering elementen bevat die hetzij elkaar tegenspreken, hetzij niet voldoende nauwkeurig zijn om de beslissing geldig te motiveren. Daargelaten dat verzoeker in het middel geen geschonden bepaling aanwijst, wordt vastgesteld wat volgt. 3.2.
  4. In het eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bodemrechter de initiële studievoortgangsbeslissing van 9 januari 2010 handhaaft, terwijl hij die beslissing uitdrukkelijk had vernietigd bij zijn eerdere beslissing van 25 maart
  5. 3.2.
  6. Verzoeker heeft bij de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen met het beroep dat heeft geleid tot de thans bestreden uitspraak, vooreerst zélf de examenbeslissing van 9 januari 2010, waarvan hij thans beweert dat ze reeds vernietigd was, aangevochten. Hoe dan ook stelt de Raad van State vast dat de bodemrechter in het beschikkend gedeelte van zijn bestreden beslissing het beroep van verzoeker ongegrond verklaart en vervolgens ook de beslissing van 30 april 2010 handhaaft. 197.699-2/5 Verzoeker heeft kennelijk geen belang bij een middelonderdeel, dat de hem grievende eindbeslissing overeind zou laten. Het eerste middelonderdeel is kennelijk onontvankelijk. 3.3.
  7. In het tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslis- singen de beslissing van de vice-rector van 30 april 2010 handhaaft en dat deze beslissing van de vice-rector “in feite haar vroegere door [de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen] vernietigde beslissing van 3 maart 2010 handhaaft”, aldus geen afdoende gevolg gevend aan de in kracht van gewijsde gegane beslissing van 25 maart
  8. 3.3.
  9. De beslissing van 30 april 2010 is klaarblijkelijk gesteund op een nieuw onderzoek van het dossier en bevat een nieuwe motivering, waarbij de vice- rector besluit dat “het resultaat gehandhaafd blijft”. Het enkele feit dat de beslissing van de vice-rector op eenzelfde resultaat uitkomt als de eerste administratieve beroepsprocedure, is kennelijk geen motiveringsgebrek, noch een schending van het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraak van de bodemrechter. Het tweede middelonderdeel is kennelijk ongegrond. 3.4.
  10. In een derde middelonderdeel heet het dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen geschonden is door de bodemrechter. 3.4.
  11. Het middelonderdeel wordt niet alleen verder niet toegelicht, het is hoe dan ook kennelijk onontvankelijk. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen is een administratief rechtscollege. Bijgevolg is de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling- en niet van toepassing op zijn jurisdictionele beslissingen. 4.
  12. In het tweede middel laakt verzoeker de niet-eerbiediging van de wettelijke termijn van vijftien kalenderdagen om te delibereren en tot een uitspraak te komen, bedoeld in artikel II.38 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. 197.699-3/5 4.
  13. Verzoeker citeert zelf het aangevoerde artikel, dat preciseert dat de bedoelde termijn een “ordetermijn” is. De loutere overschrijding van een ordetermijn is kennelijk geen onwettigheid die op zich volstaat om de onwettigheid van de buiten de ordetermijn tot stand gekomen beslissing aan te tonen. Het middel is kennelijk ongegrond. 5.
  14. In het derde middel laakt verzoeker dat de vice-rector reeds een eerste maal had geoordeeld over zijn administratief beroep en dat artikel 13 EVRM zou vereisen dat een andere instantie kennis nam van de zaak na de eerste beroepsprocedure. 5.
  15. Uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt niet dat verzoeker dit middel heeft aangebracht voor de bodemrechter. Het middel is nieuw en bijgevolg als cassatiemiddel niet ontvankelijk.
  16. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  17. Op het verzoek om het voordeel van pro deo kan niet worden ingegaan aangezien het artikel 33 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State in het voordeel niet voorziet voor wat de kosten voor het indienen van het beroep betreft. BESLUIT: Artikel
  18. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. Artikel
  19. De kosten van het cassatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. 197.699-4/5 Aldus te Brussel verleend, op 5 oktober 2010, door: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren 197.699-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ORD.6.103 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.