← België

Arrest 210384 - Milieuvergunningen - 13/01/2011

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2011 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.384 Rolnummer: A. 187476/VII-37157 Zaak: Arrest 210384 - Milieuvergunningen - 13/01/2011 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 05:38 Fiche Arrest nr 210.384 van 13 januari 2011 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 210.384 van 13 januari 2011 in de zaak A. 187.476/VII-37.157. In zake : de NV O.B. & D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Isabelle Larmuseau en Tom Malfait kantoor houdend te Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te Avelgem Kasteelstraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen : 1. Willy EEMAN wonende te Ronse Schorissesteenweg 28 alwaar woonplaats wordt gekozen 2. 1) de VZW LOUISE-MARIE TEGEN ASBEST 2) Erik DE LOGI 3) Annie SCHEPENS 4) Carine DE KEYSER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen 3. de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ gevestigd te Oudenaarde Kattestraat 23 alwaar woonplaats wordt gekozen VII-37.157-1/15 4. de STAD RONSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 maart 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 15 januari 2008 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 10 mei 2007, waarbij de milieuvergunning aan de NV O.B. & D. wordt verleend om een inrichting aan de Schorissesteenweg te Ronse te exploiteren. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 30 juni 2008. De tweede groep tussenkomende partijen, de derde tussenkomende partij en de vierde tussenkomende partij hebben memories ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en alle tussenkomende partijen hebben verzoeken tot voortzetting van het geding en laatste memories ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. VII-37.157-2/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 december 2010. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom Malfait, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Anna Bracke, die loco advocaat Patrick Devers verschijnt voor de tweede groep tussenkomende partijen, en advocaat Lieve Joosen, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de vierde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De betwisting betreft een voormalige zandgroeve in Ronse, die thans in hoofdzaak fungeert als stortplaats. Het terrein heeft de bestemming ontginningsgebied met nabestemming bosgebied. 3.2. De verzoekende partij heeft een deel van het terrein gekocht van de BVBA Bohez en dient op 26 januari 2006 een milieuvergunningsaanvraag in voor het veranderen van een lopende milieuvergunning voor een zandgroeve/stortplaats categorie 3. 3.3. Op 16 februari 2006 wordt akte verleend van de overname van de milieuvergunning door de verzoekende partij. De verandering van de milieuvergunning zou onder meer inhouden dat asbesthoudende stoffen worden VII-37.157-3/15 gestort, wat aanleiding geeft tot protest van buurtbewoners en plaatselijke verenigingen. 3.4. Begin 2007 dient de BVBA Bohez een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in, die betrekking heeft op het hele gebied, met name haar eigen gedeelte, het gedeelte van de verzoekende partij en het gedeelte van het Vlaamse Gewest. 3.5. Op 10 mei 2007 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning. 3.6. Verscheidene administratieve beroepen worden ingesteld. 3.7. Op 6 juli 2007 wordt aan de BVBA Bohez een stedenbouwkundige vergunning verleend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse. Er worden verscheidene voorwaarden opgelegd, waaronder "(h)et storten van asbesthoudende materialen is verboden". Het door de verzoekende partij ingestelde annulatieberoep wordt onontvankelijk bevonden bij arrest van de Raad van State nr. 182.907 van 14 mei 2008. 3.8. De volgende adviezen worden verleend met betrekking tot het storten van asbesthoudende materialen : (

  1. a)het Agentschap voor Natuur en Bos adviseert voorwaardelijk gunstig; (
  2. b)de Dienst Natuurlijke Rijkdommen adviseert gunstig; (
  3. c)de afdeling Stedenbouwkundig Beleid adviseert ongunstig; (
  4. d)de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) adviseert voorwaardelijk gunstig; (
  5. e)de afdeling Toezicht Volksgezondheid adviseert voorwaardelijk gunstig; (
  6. f)de afdeling Milieuvergunningen adviseert voorwaardelijk gunstig; (
  7. g)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert voorwaardelijk gunstig. VII-37.157-4/15 In een bijkomend advies na de vergadering van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, laat de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen nog weten weinig problemen te verwachten door grondverschuivingen. 3.9. Op 15 januari 2008 wordt het bestreden besluit genomen waarbij het storten van gebonden asbestcement en ytong wordt geweigerd. IV. Ontvankelijkheid A. Inrechtetreding van de verzoekende partij Exceptie 4. De tweede groep tussenkomende partijen werpt op dat de verzoekende partij niet geldig in rechte is getreden. Zij betogen dat de beslissing om het beroep in te stellen gezamenlijk genomen is door Glenn Heernaert, gedelegeerd bestuurder van de verzoekende partij, en Baudewijn Vancoillie, vaste vertegenwoordiger van de BVBA BVC Consult, bestuurder van de verzoekende partij, terwijl volgens hen geen stuk wordt voorgelegd waaruit de aanduiding van Baudewijn Vancoillie als vaste vertegenwoordiger van de BVBA BVC Consult blijkt, en deze aanduiding niet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Zij merken op dat de benoemingen van de bestuurders afhankelijk zijn gesteld van de opschortende voorwaarde van de benoeming van de vaste vertegenwoordigers van de betrokken rechtspersonen. 5. In hun laatste memorie herhaalt deze groep tussenkomende partijen dat de verzoekende partij geen specifieke vaste vertegenwoordiger heeft aangesteld voor de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon-bestuurder, terwijl dit volgens hen wettelijk verplicht is. Zij wijzen er ten slotte op dat een andere bestuurder, de NV A.I.S., evenmin een vaste VII-37.157-5/15 vertegenwoordiger heeft benoemd, wat volgens hen een schending van artikel 518, § 1, van het wetboek vennootschappen uitmaakt. Beoordeling 6. Uit de oprichtingsakte van de verzoekende partij blijkt dat de BVBA BVC Consult tot bestuurder is benoemd "met als vaste vertegenwoordiger de Heer Baudewijn Vancoillie" en dat Baudewijn Vancoillie bij de oprichting van de verzoekende partij de BVBA BVC Consult vertegenwoordigde als statutair zaakvoerder. Uit de statuten van de BVBA BVC Consult blijkt dat Baudewijn Vancoillie de enige zaakvoerder ervan is en de meest uitgebreide bevoegdheid heeft om alle daden van beschikking, van beheer en bestuur te stellen. Bijgevolg wordt aangenomen dat Baudewijn Vancoillie is aangeduid als de vaste vertegenwoordiger van de BVBA BVC Consult om diens opdracht van rechtspersoon-bestuurder waar te nemen. De tweede groep tussenkomende partijen blijft voorts in gebreke aan te tonen dat de NV A.I.S. geen vaste vertegenwoordiger zou hebben benoemd met het oog op het waarnemen van de opdracht van rechtspersoon-bestuurder en dat een schending van artikel 518, § 1, van het wetboek vennootschappen zou voorliggen. De exceptie wordt verworpen. B. Inrechtetreding van de VZW Louise-Marie tegen asbest 7. Bij haar laatste memorie voegt deze tussenkomende partij een bevoegdheidsdelegatie waaruit zou blijken dat haar verzoek tot tussenkomst rechtsgeldig werd ingediend. VII-37.157-6/15 Beoordeling 8. Het overmaken van de bevoegdheidsdelegatie van 10 maart 2008 toont aan dat het verzoek tot tussenkomst vanwege de VZW Louise-Marie tegen asbest ontvankelijk is. V. Onderzoek van de middelen Enig middel, eerste onderdeel Standpunt van de partijen 9. De verzoekende partij roept in een enig middel de schending in van de materiële motiveringsplicht, van het redelijkheids-, het zorgvuldigheids-, het proportionaliteits- en het legaliteitsbeginsel, van de artikelen 30bis en 52, 3°, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet). Zij voert ten slotte het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag aan. In eerste onderdeel bekritiseert zij het volgende weigeringsmotief : "Overwegende dat de inrichting gelegen is binnen het werkingsgebied van het Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen en een grote landschappelijke en ecologische waarde heeft; dat het aangewezen voorkomt rekening te houden met de toeristische aantrekkingskracht van dit gebied; dat een stortplaats voor asbestcementafval afbreuk dreigt te doen aan de toeristische waarde van het gebied, zeker aangezien de vaak gebruikte wandel- en fietspaden in de onmiddellijke omgeving lopen". Zij argumenteert dat de ligging binnen een zogenaamd "regionaal landschap" geen deugdelijke of wettelijke beoordelingsgrond vormt VII-37.157-7/15 voor individuele milieuvergunningsaanvragen. Volgens haar is de overweging dat de inrichting "afbreuk dreigt te doen aan de toeristische waarde van het gebied, zeker aangezien de vaak gebruikte wandel- en fietspaden in de onmiddellijke omgeving lopen" onduidelijk en onvoldoende precies en vormt de "toeristische aantrekkingskracht" of de "toeristische waarde" van een gebied te dezen geen pertinent criterium. Ten slotte voert zij aan dat deze overweging volgens haar niet gesteund is op objectieve gegevens inzake hinder en gezondheidsrisico's, maar op een subjectieve vrees. Zij betoogt dat uit het bestreden besluit niet blijkt waarom de adviezen van OVAM, de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie niet zijn gevolgd en dat het weigeringsmotief disproportioneel en kennelijk onredelijk is. 10. De verwerende partij antwoordt dat de beslissing een zeer duidelijke beleidsoptie is en dat de enig mogelijke redelijke beslissing is dat op de kwestieuze plaats geen asbestcementhoudend afval mag worden gestort. Zij beschouwt het aangevoerde middel grotendeels als een opportuniteitskritiek en stelt dat de vergunning moest worden geweigerd omwille van een resolutie van het Vlaams Parlement van 28 maart 2007. Dat in de adviezen een weigering niet aan de orde is, komt volgens haar doordat deze adviesverlenende instanties geen beslissingsbevoegdheid hebben en geen beleidskeuzes mogen of moeten maken. Zij is van oordeel dat de resolutie van het Vlaams Parlement van 28 maart 2007, waarbij de beleidskeuze wordt gemaakt om geen asbest meer te laten storten, een voldoende zwaarwichtig weigeringsmotief is waardoor de andere motieven als overtollig kunnen worden beschouwd. Voorts stelt zij dat de ligging in het regionaal landschap geen weigeringsmotief op zich inhoudt, maar een illustratie is bij de grotere bedenking dat het gebied landschappelijk, ecologisch en toeristisch waardevol is en dat dit als een feitelijk gegeven verplicht bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag moest worden betrokken. Asbest is volgens haar een gevaar voor de volksgezondheid. Zij stelt ten slotte dat de bevoegde minister ter plekke gaan kijken is, dat de streek genoegzaam bekend is en dat niet geweten is of er in het verleden ook asbest is gestort. VII-37.157-8/15 11. De eerste tussenkomende partij voert aan dat het belangrijkste weigeringsmotief het gezondheidsrisico bij het vrijkomen van vezels zou zijn, zoals uiteengezet in het advies van college van burgemeester en schepenen. 12. Volgens de tweede groep tussenkomende partijen zijn de door de verzoekende partij genoemde overwegingen niet de motieven om het storten van asbesthoudend materiaal te verbieden, maar wordt het werkelijke weigeringsmotief gevormd door "het planologisch aspect". Zij menen dat de ligging in het regionaal landschap een deugdelijk bijkomend motief vormt. 13. De derde tussenkomende partij stelt dat een verzoekende partij niet tegelijk de schending kan inroepen van de materiële motiveringsplicht en van de formele motiveringsplicht. Zij argumenteert dat de verwerende partij op grond van veranderde inzichten het voorzichtigheidsprincipe heeft toegepast, dat de verwerende partij bepaalde motieven een hoger gewicht kan geven en haar besluit baseerde op onder meer ruimtelijke ordeningsmotieven. 14. De vierde tussenkomende partij werpt op dat het middel niet ontvankelijk is omdat het volgens haar niet voldoende duidelijk is. Ten gronde stelt zij dat de ligging in regionaal landschap niet werd gehanteerd als weigeringsmotief op zich, maar als omschrijving van de waarde van het gebied. Volgens haar moet het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie geacht worden deel uit te maken van het bestreden besluit en is de overweging met betrekking tot de afbreuk aan de toeristische waarde milieutechnisch pertinent, omdat het volgens haar is ingegeven vanuit verscheidene aspecten die verband houden met milieuhygiëne. De vierde tussenkomende partij stelt voorts dat het redelijkheidsbeginsel niet geschonden is. Volgens haar is de schrapping van de stortplaats voor asbestcement niet ingegeven door een risico op verspreiding, maar door de ligging van de site op heden, en in de toekomst, met als nabestemming bosgebied. Dit, samen gelezen met een gebrek aan onmiddellijke noodzaak en de VII-37.157-9/15 zoektocht naar alternatieven, heeft volgens haar geleid tot een afgewogen en redelijke beslissing. 15. De verzoekende partij repliceert dat klaarblijkelijk onduidelijk is wat juist de weigeringsmotieven van het bestreden besluit zijn en of deze nu als doorslaggevend voor de weigering moeten worden beschouwd dan wel als louter bijkomstig of overtollig. Ze wijst er op dat de verwerende partij zich niet uitdrukkelijk heeft aangesloten bij het stedenbouwkundig advies en niet heeft geantwoord op het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, waarin dit stedenbouwkundig advies werd tegengesproken. Zij citeert voorts uitvoerig uit het advies van de afdeling Milieuvergunningen en duidt de passages aan die volgens haar aantonen dat er "geen activiteiten zullen uitgevoerd worden die de verspreiding van vezels en stof kunnen bewerkstelligen", dat asbestcement is gekenmerkt door een "zeer hechte binding van de asbestvezels" zodat bij een normale manipulatie van het afval geen vezels vrijkomen, dat in combinatie met de recent verstrengde voorwaarden de kans dat vezels in de omgeving terechtkomen verwaarloosbaar klein is en dat uit de resultaten volgt dat alle gemeten concentraties zich beneden de detectielimiet bevinden en dat er dus "geen aantoonbare risico's voor de volksgezondheid zijn in de omgeving van deze betreffende stortplaats". De verzoekende partij concludeert dat in het bestreden besluit niet wordt aangegeven waarom deze beoordeling feitelijk onjuist zou zijn. Ten slotte stelt zij dat uit de argumentatie van de verwerende partij niet blijkt dat de overheid verplicht wordt het storten van asbesthoudend afval te verbieden. 16. De verwerende partij argumenteert in haar laatste memorie dat gebied met als nabestemming bosgebied tot bestemmingstype I behoort waarvoor specifieke redenen moeten worden aangetoond om een ontheffing te verkrijgen van de strengste normen. Zij wijst er voorts op dat de asbestproblematiek pas sinds de laatste jaren grondig wordt aangepakt en dat het bestreden besluit het resultaat is van deze algemene beleidskeuzes en de voorkeur geeft aan het standstillbeginsel. Zij stelt verder dat, op een ogenblik dat er volgens haar een maatschappelijke en politieke consensus bestaat met betrekking tot asbest, het haar veel redelijker VII-37.157-10/15 voorkomt een vergunning te weigeren dan te verlenen op basis van de loutere vaststelling dat de regelgeving zulks nog net toestaat. Ten slotte stelt zij dat een beleidsplan een ruime bevoegdheid verleent tot het nemen van beslissingen en dat het Mina-plan een voldoende ruime basis verschaft om het standstillprincipe in huidige aanvraag te hanteren. 17. De eerste tussenkomende partij herhaalt in haar laatste memorie dat de nabestemming als bosgebied gehypothekeerd wordt door het storten van asbest omdat volgens haar vrije asbestvezels en percolaatwater zullen vrijkomen in de omgeving en dat op een ondergrond van bigbags gevuld met asbest, de groei van hoogstammige bomen onmogelijk is. 18. De tweede groep tussenkomende partijen haalt in hun laatste memorie aan dat, indien de verzoekende partij de motieven van een bestreden beslissing kent, de schending van de formele motiveringsplicht niet dienstig kan worden ingeroepen omdat voldaan is aan de ratio legis van de formele motiveringsplicht. De uiteenzetting van het middel door de verzoekende partij toont volgens hen aan dat zij in staat is te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens het bestreden besluit is genomen. Zij stellen voorts dat de opname van het advies van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid in de overwegingen van een administratieve rechtshandeling voldoende is opdat de inhoud ervan in aanmerking wordt genomen als bestanddeel van de motiveringsplicht. De toeristische waarde van de omgeving is volgens hen niet zonevreemd omdat de onmiddellijke omgeving van de site gekenmerkt zou zijn door een aaneenschakeling van bosgebieden en landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, gekoppeld aan de aanwezigheid van concrete toeristische voorzieningen voor wandelaars en fietsers. Zij voeren aan dat het kwestieuze gebied een kerngebied vormt binnen de Vlaamse Ardennen die zich wil ontwikkelen als volwaardige toeristische-recreatieve regio en waarvoor een strategisch beleidsplan is goedgekeurd, zodat het behoud van het landschappelijk erfgoed volgens hen een essentieel onderdeel vormt en een pertinent en gegrond motief uitmaakt. VII-37.157-11/15 19. De derde tussenkomende partij stelt in haar laatste memorie dat in de voorschriften bij het gewestplan niet opgenomen is dat een nabestemming enkel kan worden gerealiseerd via een opvulling. Volgens haar kan het niet-opvullen van de groeve een unieke meerwaarde betekenen voor de natuurelementen die er zich verder kunnen ontwikkelen en kan de bestemming bosgebied gerealiseerd worden zonder opvulling. Zij meent ten slotte dat een algemene beleidsoptie een weerslag kan hebben op individuele vergunningsaanvragen en dat door het vergunningenstelsel een afgewogen beslissing kan worden genomen in plaats van een beslissing die louter een weergave zou zijn van de vigerende wetgeving. 20. De vierde tussenkomende partij stelt in haar laatste memorie dat een bestreden beslissing niet los kan worden gezien van de voorgaande adviezen. Wanneer de bestreden beslissing in haar motivering uitdrukkelijk verwijst naar een advies en vervolgens een identieke of gelijklopende inhoud aanneemt, maakt dit advies volgens haar deel uit van de beslissing. Zij concludeert dat, door de verwijzing naar het stedenbouwkundig advies, het bestreden besluit concreet motiveert waarom de problemen inzake asbest op de site niet kunnen worden aanvaard. Beoordeling 21. Uit de uiteenzetting van de verzoekende partij wordt voldoende duidelijk afgeleid welke schending wordt aangevoerd. Het middel is ontvankelijk. 22. Het stedenbouwkundig advies wordt in het bestreden besluit weergegeven, zonder dat op enige manier wordt aangegeven dat de motieven ervan worden overgenomen. Nochtans dient uit de motieven van de beslissing afdoende te blijken dat de overheid een eigen beoordeling maakt. Dit is in dezen met betrekking tot dat stedenbouwkundig advies niet het geval. Gebeurlijke gezondheidsrisico's kunnen evenmin op grond van de genoemde resolutie van het Vlaams Parlement worden geacht tot de formele motivering van de beslissing te VII-37.157-12/15 behoren. Een aanvraag tot het storten van een welbepaald soort asbesthoudend materiaal kan niet zo maar om algemene gezondheidsrisico's worden geweigerd, zeker niet wanneer OVAM en de afdeling Milieuvergunningen, daarin gevolgd door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, adviseren dat de risico's binnen aanvaardbare perken kunnen blijven. De bijkomende motieven die door de verwerende partij worden aangevoerd in haar laatste memorie zijn in de bestreden beslissing niet terug te vinden, zodat zij niet worden aangenomen. Ook stelt de Raad van State vast dat het argument van de derde tussenkomende partij dat de gevraagde vergunning de realisatie van de nabestemming zou beletten, een motief is dat niet aan bod gekomen is in de bestreden beslissing. Dit motief kan bijgevolg evenmin worden aangenomen. De aangehaalde resolutie van het Vlaams Parlement is een politiek instrument en bijgevolg geen instrument van wetgeving. Zij kan het bestuur niet ontslaan van de verplichting om elke vergunningsaanvraag concreet te beoordelen en kan de beleidsvrijheid van het bestuur niet inperken, noch verruimen. Een loutere verwijzing naar deze resolutie volstaat niet als formele motivering van een beslissing over een individuele milieuvergunningsaanvraag. Het bestreden besluit heeft de ligging in een zogenaamd regionaal landschap niet op zich als weigeringsmotief gehanteerd en zou dat ook niet hebben kunnen doen. Die ligging kan geen afbreuk doen aan de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, te weten ontginningsgebied met nabestemming bosgebied. De gevraagde activiteit past in beginsel in de overgang van de ontginning naar de nabestemming. Aangenomen dat het gebied inderdaad een belangrijke toeristische aantrekkingskracht heeft, kan deze niet in de plaats komen van deze omstandigheid, ook niet bij wijze van beoordeling van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving. Het bestreden besluit laat geen enkel concreet hinderaspect kennen, terwijl de vergunningverlenende overheid de VII-37.157-13/15 opdracht heeft te beoordelen of de hinder die mag worden verwacht van een exploitatie binnen aanvaardbare perken kan blijven. Het eerste onderdeel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 15 januari 2008 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 10 mei 2007, waarbij de milieuvergunning aan de NV O.B. & D. wordt verleend om een inrichting aan de Schorissesteenweg te Ronse te exploiteren. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De eerste tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van haar tussenkomst, begroot op 125 euro. De tweede groep tussenkomende partijen wordt verwezen in de kosten van hun tussenkomst, begroot op 500 euro, elk voor een vierde. De derde tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van haar tussenkomst, begroot op 125 euro. De vierde tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van haar tussenkomst, begroot op 125 euro. VII-37.157-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien januari tweeduizend en elf, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.157-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.384 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.