id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2011 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.410 Rolnummer: A. 198764/XIV-32743 Zaak: Arrest 210410 - Penitentiair recht - 13/01/2011 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 05:39 Fiche Arrest nr 210.410 van 13 januari 2011 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, nr. 210.410 van 13 januari 2011 in de zaak A. 198.764/XIV-32.743 In zake : Jaoide ZARIOUH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nadia Lorenzetti kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 87 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 10 januari 2011, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de beslissing van de adviseur- gevangenisdirecteur van de gevangenis te Gent van 05.01.2011” waarbij aan Jaoide Zariouh een tuchtsanctie wordt opgelegd van drie weken “strikt regime”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 januari 2011 om 11.00 uur. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nadia Lorenzetti, die verschijnt voor de verzoeker, en attaché Wim Van Brussel, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. XIV- 32.743-1/5 Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is gedetineerd in de gevangenis te Gent. 3.
- Op 2 januari 2011 wordt betreffende de verzoeker door PBA-P R. De Smet een observatieverslag opgesteld, waarin het volgende wordt vermeld: “Op zondag, 02/01/2011, heb ik betrokkene ondervraagd omtrent een incident dat is gebeurd in de douches van vleugel A op vrijdag 31/12/
- Hajar Kassem ging op donderdag 30/12/2010 naar een ping pong tornooi, georganiseerd door DSCW. Hij verklaart een spel gespeeld te hebben met gedetineerde Zariouh Jaoide, die het heeft verloren. Zariouh zou hem dan hebben gevraagd, in de toekomst hem te laten winnen om zo vermoedelijk titels en/of prijzengeld op te kunnen strijken. Gedetineerde Kassem is daar niet op ingegaan, hij zegt hoe kan je nu iemand laten winnen als je beter bent of hem? De volgende dag is Hajar Kassem dan gaan douchen, in de douches op vleugel A, en daar was ook gedetineerde Zariouh aanwezig. Bij het buitengaan van de douchecel had Hajar een handdoek rond zijn nek, die gedetineerde Zariouh blijkbaar heeft vastgegrepen en hem op een afstand heeft gehouden. Onmiddellijk erna heeft hij Hajar tot 2 x toe in de borst geschopt dmv zijn hiel. Buiten de douches stonden gedetineerden: El Attar en Asmar Habib en de doucheknecht Aissati Mohamed. Zij zouden dit hebben gezien, waren dus getuige daarvan, en enkel El Attar Yousri zou hebben gezegd "indien je er iets van zegt aan de directeur of aan de kwartierchef dit nog andere gevolgen zou hebben". Hij zegt dat de andere gedetineerden (Asmar en Aissati) geen persoonlijke inbreng hadden in het ganse incident. Op een gegeven moment zou zelfs Zariouh de trekker uit de handen van Aissati hebben gedaan om zo nog meer slagen toe te kunnen brengen. Dit werd hem verhinderd door Aissati ! Gedetineerde is reeds verschillende malen gezien door de medische dienst/arts die vaststellingen heeft gedaan. Hij is zeer onder de indruk van wat is gebeurd en is zeer bang geworden om nog naar de wandeling te gaan of nog te gaan douchen. Hij kon ook niet meer naar de finale gaan van die activiteiten omdat hij serieus veel pijn heeft aan de borst.” 3.
- Op 3 januari 2011 wordt de verzoeker ervan in kennis gesteld dat een tuchtprocedure tegen hem zal worden opgestart, waartoe hij op 5 januari 2011 zal worden gehoord. Op dezelfde datum wordt de verzoeker ook een voorlopige maatregel, bestaande uit “strikt regime”, opgelegd. XIV- 32.743-2/5 3.
- Op 5 januari 2011 vindt een hoorzitting plaats waarop de verzoeker aanwezig is. Bij beslissing van de adviseur-gevangenisdirecteur van dezelfde datum wordt de verzoeker de tuchtsanctie “3 weken strikt regime (van 03/01/2011 t.e.m. 23/01/2011)” opgelegd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Gelet op betrokkene wordt schuldig geacht aan het toebrengen van slagen en verwondingen aan een medegedetineerde; de directie kan hiertoe rechtmatig besluiten gezien de aanwezigheid van betrokkene bij het gebeuren, gezien de medische zorgen die dadelijk na het incident aan het slachtoffer moesten worden toegediend en de verklaringen van directe getuigen, geconfronteerd met deze elementen blijft betrokkene ontkennen, hetgeen de directie betreurt; de directie kan dan ook geen rekening houden met eventuele elementen die in het voordeel van betrokkene zouden spelen bij het incident; fysieke agressie onder gedetineerden, zoals in voorliggend geval, kan binnen de gevangenis geenszins getolereerd worden en vereist een strenge sanctie; de omstandigheid dat betrokkene handelde tegen een fysiek zwakkere persoon vormt een verzwarende omstandigheid”. IV. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Uiteenzetting
- De verzoeker zet uiteen dat de bestreden beslissing onmiddellijk wordt ten uitvoer gelegd en zijn rechten in sterke en onherstelbare mate beperkt. De tuchtmaatregel leidt volgens de verzoeker tot een bijkomende isolatie, zowel ten aanzien van medegedetineerden als ten aanzien van zijn familie, hetgeen “ongetwijfeld” een negatieve XIV- 32.743-3/5 impact zal hebben op zijn psychisch en fysisch welzijn. Eens de tuchtstraf wordt uitgevoerd, kan deze ook niet meer worden teruggeschroefd. Beoordeling
- De tuchtstraf bestaande uit “3 weken strikt regime” beperkt weliswaar de bewegingsvrijheid en de contactmogelijkheden in de gevangenis, maar het daarmee verbonden nadeel vertoont op zich niet de vereiste ernst om een schorsing van de bestreden beslissing te rechtvaardigen. De verzoeker toont niet aan waarom dat in zijn geval anders zou zijn en met name niet waarom de tenuitvoerlegging van de straf zijn situatie dermate zal verslechteren dat de negatieve gevolgen niet door een vernietigingsarrest zullen kunnen worden rechtgezet. De uiteenzetting van de verzoeker bevat in tegendeel slechts algemeenheden. De verzoeker stelt op algemene wijze dat de opgelegde straf “zijn rechten in sterke en onherstelbare mate beperkt”, zonder dit concreet op zijn persoon te betrekken en voert evenmin concrete elementen aan die aannemelijk maken dat de impact van de tuchtstraf op zijn psychisch en fysisch welzijn van die aard zal zijn dat dit als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in zijnen hoofde moet worden aangenomen.
- Het betoog van de verzoeker ter terechtzitting dat de bestreden beslissing ook nog “een strafrechtelijk staartje” kan krijgen, betreft een louter hypothetisch nadeel. Bovendien vloeit een dergelijk nadeel niet rechtstreeks voort uit de bestreden beslissing zelf, maar uit een gebeurlijk nieuw te nemen beslissing, en belet niets de verzoeker om de onwettigheid van de bestreden beslissing voor de strafrechter aan te tonen. Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. XIV- 32.743-4/5 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien januari tweeduizend en elf, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, met bijstand van Christophe Verhaert, griffier. De griffier, De voorzitter, Christophe Verhaert. Stephan De Taeye. XIV- 32.743-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.410 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.370 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div