← België

Arrest 242808 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 26/10/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.808 Rolnummer: A. 212941/X-15974 Zaak: Arrest 242808 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 26/10/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-06 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-24 11:42 Fiche Arrest nr 242.808 van 26 oktober 2018 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 242.808 van 26 oktober 2018 in de zaak A. 212.941/X-15.

  1. In zake : de BVBA MONUMENT CHEMICAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Reiner Tijs kantoor houdend te 2000 Antwerpen Nassaustraat 37-41 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Luyten kantoor houdend te 2000 Antwerpen Lange Nieuwstraat 47 tegen : de GEMEENTE BEVEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Claes en Stijn Verbist kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 27 juni 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Beveren van 29 april 2014 tot het heffen van een belasting op risicohoudende bedrijven, voor de termijn van 1 januari 2014 tot 31 december
  3. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. X-15.974-1/16 Auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juni
  5. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joram Maes, die loco advocaat Reiner Tijs verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. De gemeenteraad van de gemeente Beveren keurt op 14 december 2010 een belasting op risicohoudende bedrijven goed voor een termijn van twee jaar, van 1 januari 2012 tot 31 december
  8. De gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen schorst op 14 april 2011 artikel 5, vijfde vraag, ervan. Na ontvangst van het gemotiveerde handhavingsbesluit van de gemeenteraad van 31 mei 2011, beslist de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand op 6 juli 2011 om niet te vernietigen. X-15.974-2/16 De gemeenteraad beslist op 29 april 2014 om het belastingreglement van 14 december 2010, dat op 31 december 2013 vervallen is, te hernieuwen. Besloten wordt een belasting te heffen voor een termijn van zes jaar, vanaf 1 januari 2014 tot 31 december 2019, op de exploitatie van bepaalde inrichtingen en op het verhuren, de terbeschikkingstelling of het onder zich houden van bepaalde bedrijfsvestigingen, alle gelegen op het grondgebied van de gemeente. Conform artikel 3 van het belastingreglement, wordt het tarief bepaald volgens de categorie waarin een inrichting of een bedrijfsvestiging wordt ingedeeld op basis van de aangifte overeenkomstig artikel 4 “waarbij punten toegekend worden naargelang het risicohoudend karakter van de exploitatie dan wel het risicohoudende karakter van de oppervlakte van de bedrijfsvestiging”. Artikel 4 van het belastingreglement schrijft voor dat bij de aangifte voor een inrichting een antwoord dient te worden gegeven op de volgende vragen: “
  9. Behoort u tot categorie III zoals bepaald in de wet van 21 januari 1987 ter stijving van het fonds voor risico‟s van zware ongevallen en van het fonds voor preventie van zware ongevallen? 2- Behoort u tot categorie II zoals bepaald in de wet van 21 januari 1987 ter stijving van het fonds voor risico‟s van zware ongevallen en van het fonds voor preventie van zware ongevallen?
  10. Behoort u tot categorie I zoals bepaald in de wet van 21 januari 1987 ter stijving van het fonds voor risico‟s van zware ongevallen en van het fonds voor preventie van zware ongevallen?
  11. Ressorteert u onder de categorieën van projecten zoals omschreven in de bijlagen 1 of 2 van het besluit van 10/12/2004 van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage? (met uitzondering van infrastructuurprojecten en inrichtingen welke zijn ingedeeld onder rubriek 9 „dieren‟ van bijlage I van titel I van het VLAREM)
  12. Werd u ingedeeld onder rubriek 17.2.1 in het kader van het B.VI.Regering 06.02.1991 – VLAREM I – bijlage 1 – indelingslijst?
  13. Moet u aan de ISPS Code (International Ship and Port Facility Security) voldoen? Bij de aangifte voor het verhuren, de ter beschikkingstelling of het onder zich houden van een bedrijfsvestiging dient u als belastingplichtige een antwoord te geven op de volgende vraag: X-15.974-3/16
  14. Beslaat uw bedrijfsvestiging die u verhuurt, ter beschikking stelt of onder zich houdt een bebouwde oppervlakte van meer dan 8.000 m2 ? De belastingplichtige die reeds ja heeft geantwoord op een van de vragen van 1 tem 6, hoeft geen antwoord meer te geven op vraag 7.” Nog volgens artikel 4 krijgt een bedrijf bij elk positief antwoord respectievelijk 160, 80, 40, 20, 10, 3 en 3 punten toegekend. Op basis van het gecumuleerd aantal punten komt een risicohoudend bedrijf in een categorie – met het erbij horende belastingtarief – terecht, zoals in artikel 3 bepaald: Categorie Cumul Punten Tarief in € Niveau 1 +157 20.000 Niveau 2 77-156 17.500 Niveau 3 37-76 15.000 Niveau 4 17-36 10.000 Niveau 5 7-16 5.000 Niveau 6 3-6 3.000 IV. Regelmatigheid van de procedure
  15. Verzoekster wijst er terecht op dat de memorie van antwoord niet binnen de vastgestelde termijn is ingediend en dat ze bijgevolg, gelet op artikel 21 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit het debat moet worden geweerd.
  16. Ook het administratief dossier is te laat ingediend, zij het dat verzoekster er nog ruim vóór het indienen van haar toelichtende memorie kennis van kon nemen. Eveneens op grond van voormeld artikel 21 vraagt verzoekster dat de door haar aangehaalde feiten als bewezen worden geacht, tenzij ze kennelijk onjuist zijn. De vraag leidt niet tot praktische gevolgen: er is geen betwisting over de door verzoekster – in haar verzoekschrift, sub V – aangebrachte feiten. X-15.974-4/16 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste en tweede middel Uiteenzetting van de middelen
  17. Een eerste middel is afgeleid “uit de schending van: - het fiscale legaliteitsbeginsel opgenomen in art. 172 G.W.[;] - het gelijkheids- en niet- discriminatiebeginsel opgenomen in art. 10 en 11 G.W.[;] – het evenredigheidsbeginsel”. Toegelicht wordt dat het onderscheid dat in het gemeentelijk belastingreglement gehanteerd wordt niet pertinent is ten aanzien van het doel van de belasting dat er immers in bestaat de risicohoudende bedrijven een bijdrage te doen leveren in de kosten van de gemeente om de veiligheid van de inwoners en van de bedrijven te verzekeren – “waarbij de bedrijven waar het risico het grootst is ook de hoogste bijdrage zouden moeten leveren”: - De inrichtingen die behoren tot categorie III, II en I zoals bepaald in de wet van 21 januari 1987 „ter stijving van het fonds voor risico‟s van zware ongevallen en van het fonds voor preventie van zware ongevallen‟ (hierna: de wet van 21 januari 1987) krijgen reeds strikte regels opgelegd door VLAREM en dienen heel wat preventieve maatregelen te nemen om risico‟s uit te sluiten. De criteria die het belastingreglement gebruikt, zorgen er niet voor dat de bedrijven die de meeste risico‟s meebrengen ook het meest belast worden. - Het risico van MER(milieueffectrapport)-plichtige bedrijven wordt evenmin correct ingeschat. In een MER wordt enkel de impact bekeken tijdens normale productieomstandigheden. Voor het verkrijgen van de stedenbouwkundige en milieuvergunningen worden de nodige milderende en compenserende maatregelen genomen om de milieu-impact aanvaardbaar te houden. De middelen waarvoor de bestreden belasting zal worden gebruikt, dienen “voor tussenkomst bij „abnormale omstandigheden‟ (calamiteiten)” en “staan volledig los van het MER statuut van een bedrijf”, zodat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. X-15.974-5/16 - Wat de lagedrempel-Sevesobedrijven betreft, wordt geen onderscheid gemaakt volgens de aard, de behandeling en hoeveelheid van de gevaarlijke goederen, zodat de belasting niet evenredig met het risico wordt bepaald. - De ISPS-code betreft het beveiligen van schepen en haveninstallaties tegen terroristische aanslagen. De betrokken terminals hebben echter al verregaande veiligheidsmaatregelen genomen. Bovendien staat in de ISPS-regelgeving niets over brandbeveiliging en vormen de ISPS-bedrijven geen grotere werklast voor de brandweer. - Wat de belasting op bedrijven met een bebouwde oppervlakte van meer dan 8000 m² aangaat, vergeet de verwerende partij dat zij jaren geleden een politiereglement aannam, waardoor de bedrijven al extra moesten investeren om het risico beter te beheersen. Het criterium “bebouwde oppervlakte groter dan 8000 m²” is bovendien geen correcte inschatting van het risico.
  18. Een tweede middel wordt afgeleid uit de schending van het evenredigheids- en het redelijkheidsbeginsel: er bestaat een wanverhouding tussen de hoogte van de belasting en het effectieve risico dat uitgaat van een bedrijf. Het middel wordt op nagenoeg identieke wijze toegelicht als het eerste middel. Beoordeling
  19. Dezelfde wettigheidskritiek is tegen het bestreden belastingreglement ook aangevoerd geworden in de zaak, gekend onder nr. A.213.051/X-15.
  20. Ze is door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 242.807 van 26 oktober
  21. De Raad van State ziet geen reden om te dezen anders te oordelen. Er is zelfs des te minder reden toe de middelen bij te vallen aangezien verzoekster blijkens haar 22 mei 2014 gedateerde aangifte in de belasting alleen aan het aangevochten reglement onderworpen is als hogedrempel-Seveso-inrichting (van categorie II), die MER-plichtig is en aan de ISPS-code moet voldoen. Met andere woorden heeft zij er eigenlijk geen belang X-15.974-6/16 bij de wettigheid van het belastingreglement te betwisten in zoverre de belasting ook de lagedrempel-Seveso-inrichtingen of bedrijven met een bedrijfsvestiging van meer dan 8000 m² beoogt.
  22. De in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet vervatte regels met betrekking tot de gelijkheid en de niet-discriminatie inzake belastingen staan er niet aan in de weg dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, althans voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Die verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de belasting.
  23. De gemeenten beschikken over een grondwettelijk gewaarborgde fiscale autonomie, die hen toelaat om binnen de grenzen van de door de wetgever opgelegde beperkingen en onder controle van de toezichthoudende overheid, gelijk welke materie aan een belasting te onderwerpen. Van die autonomie gebruik makend, heeft de verwerende partij op 29 april 2014 gemeend de belasting „op risicohoudende bedrijven‟ te moeten hernieuwen of verlengen waartoe de gemeenteraad eerder, op 14 december 2010, besliste, met dien verstande dat er een paar “inhoudelijke verduidelijkingen” en een bijkomende “differentiatie van de belastingtarieven” werden aan toegevoegd.
  24. Meer bepaald heeft de verwerende partij gemeend om, vanwege haar financiële toestand, ook voor de periode 2014 – 2019 “risicohoudende” bedrijven te moeten belasten om reden van de inspanningen die zij levert om de veiligheid van de inwoners en de bedrijven te verzekeren en de risico‟s beheersbaar te houden. Deze inspanningen houden verband met de brandweer, maar tevens met meet- en analysetoestellen voor de milieudienst, de uitrusting van een milieulabo, de werving van bijvoorbeeld tekenaars van plannen, van een X-15.974-7/16 ambtenaar noodplanning, van experts voor de milieudienst, van een expert communicatie, het in stand houden van een psychosociaal hulpverleningsnetwerk met opleidingen, middelen en infrastructuur, de inrichting van een gemeentelijke crisiskamer, voorbereiding van noodplannen, specifieke verkeerscirculatieplannen, enz.
  25. Als “risicohoudende” bedrijven neemt de bestreden belasting in de eerste plaats de zogenaamde Seveso-inrichtingen in aanmerking, omdat ze een bepaalde hoeveelheid aan gevaarlijke stoffen op hun terrein aanwezig hebben. Afhankelijk van de aard en de hoeveelheid gevaarlijke stoffen wordt een onderscheid gemaakt tussen, enerzijds, hogedrempel-Seveso- inrichtingen, met hoeveelheden gevaarlijke stoffen die gelijk zijn aan of groter dan één van de hoge drempelwaarden en, anderzijds, lagedrempel-Seveso- inrichtingen (“ingedeeld onder rubriek 17.2.1 in het kader van het B.Vl.Regering 06.02.1991 – VLAREM I – bijlage 1 – indelingslijst”). De hogedrempel-Seveso-inrichtingen worden bijkomend onderscheiden naargelang ze, op basis van hun brand- en explosie-index en toxiciteitsindex behoren tot categorie III, II of I bedoeld in de wet van 21 januari
  26. Een ander aanknopingspunt voor de identificering van “risicohoudende” bedrijven heeft de verwerende partij gezocht in de zogenaamde MER-plicht: onderworpen zijn de bedrijven waarvoor, wegens mogelijk aanzienlijke milieugevolgen, verplicht of in principe een milieueffectrapport moet worden opgemaakt, met andere woorden de projecten “zoals omschreven in de bijlagen 1 of 2 van het besluit van 10/12/2004 van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage”. X-15.974-8/16
  27. Nog een categorie van bedrijven die door de bestreden belasting geviseerd wordt is die van de bedrijven die “aan de ISPS Code (International Ship and Port Facility Security) [moeten] voldoen”. De ISPS-code heet ontwikkeld te zijn door de Internationale Maritieme Organisatie en houdt maatregelen in ter beveiliging van schepen en havenfaciliteiten tegen terroristisch geweld. Hij beoogt ook een nauwe samenwerking tussen de lokale, nationale en internationale instellingen om tot een betere bescherming van de maritieme installaties te komen. De code is door de Europese Unie overgenomen en opgelegd door de verordening nr. 725/2004, die is aangevuld met richtlijn 2005/65/EG die de implementatie van passende beveiligingsmaatregelen voor de hele haven tot doel heeft. In het kader van de omzetting van die richtlijn is onder meer het locaal comité voor maritieme beveiliging Antwerpen opgericht, waarin de verwerende partij vertegenwoordigd is door haar dienst noodplanning.
  28. Rest als risicohoudende categorie, die van de bedrijfsvestigingen met een bebouwde oppervlakte van meer dan 8000 m². Blijkens de bij het handhavingsbesluit van 31 mei 2011 gevoegde nota is de verantwoording daarvoor dat bedrijven met magazijnen en loodsen van meer dan 8000 m² vanwege de gemeente verhoogde inspanningen vergen inzake veiligheid en crisisbeheer. Magazijnen die kleiner zijn dan of gelijk aan 8000 m² “zijn nog net vanuit verschillende hoeken tot in de kern bereikbaar voor de monitoren van de brandweer”. De magazijnen daarentegen die groter zijn, “zijn al veel moeilijker of helemaal niet bereikbaar met de klassieke en minder klassieke blusmiddelen”. “De brandlast van dergelijke gigantische bebouwde oppervlakten mag dus niet onderschat worden. Wanneer een dergelijk complex in brand staat is er een grote impact op de omgeving die bestaat uit inwoners, omliggende bedrijven en het leefmilieu.”
  29. Volgens verzoekster zijn de criteria om als risicohoudend te worden beschouwd niet pertinent ten aanzien van het doel: immers moeten X-15.974-9/16 Sevesobedrijven reeds zeer strikte regels in acht nemen om de risico‟s te beperken, wordt bij normale productieomstandigheden de milieu-impact van MER-plichtige bedrijven aanvaardbaar gehouden door milderende en compenserende maatregelen, hebben de terminals reeds verregaande veiligheidsmaatregelen genomen wat ISPS-plichtige schepen en haveninstallaties betreft, en hebben de bedrijven al extra geïnvesteerd om het risico van grote magazijnen beter te beheersen. In de visie van verzoekster worden de risico‟s die de normale activiteit van de geviseerde bedrijven kunnen meebrengen in beginsel ondervangen door eigen veiligheidsmaatregelen, zodat de bijdrageplicht waarin de belasting voorziet in wezen wordt opgelegd vanwege het inzetten van mensen en middelen “bij „abnormale omstandigheden‟ (calamiteiten)”. Kennelijk gaat verzoekster ervan uit dat bij zulke abnormale omstandigheden de situatie van de belaste risicohoudende bedrijven zich niet laat onderscheiden van de situatie van wie niet aan de bestreden belasting onderworpen is.
  30. Dit is een misvatting. De ene calamiteit is de andere niet. Precies vanwege de risico‟s die inherent zijn aan de exploitatie van sommige bedrijven, ligt het in de rede dat wanneer er zich in een dergelijk bedrijf een “calamiteit” voordoet, de gevolgen juist onvergelijkbaar veel ernstiger kunnen zijn dan ingeval er zich een onvoorziene abnormaliteit voordoet in een bedrijf dat niet speciaal risicohoudend is. Verzoekster doet niet aannemen dat de verwerende partij de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan door de geviseerde “risicohoudende” bedrijven – vanwege de mensen en middelen waarover zij dient te beschikken om in geval van een veiligheidsincident de risico‟s het hoofd te kunnen bieden – verschillend te behandelen ten opzichte van “andere bedrijven op het grondgebied van de gemeente Beveren” waaraan dezelfde of soortgelijke risico‟s vreemd zijn. X-15.974-10/16
  31. Als gezien, betreffen de veiligheidsinspanningen waardoor de bijdrageplicht van de geviseerde risicohoudende bedrijven verantwoord wordt, niet louter de brandweer. Daaruit volgt dat de omstandigheid dat het risico van een ISPS-plichtig bedrijf beweerdelijk geen grotere werklast vormt voor de brandweer, niet de wettigheid van de aangevochten beslissing in het gedrang vermag te brengen.
  32. In zoverre verzoekster doet gelden dat niet alle MER-plichtige bedrijven eenzelfde risico meebrengen, dat de belasting op lagedrempel-Seveso- inrichtingen een onvoldoende onderscheid maakt naar “de aard, behandeling en hoeveelheid van de gevaarlijke goederen” en dat, meer algemeen, de aangevochten belasting niet genoeg is afgestemd op de effectieve riscio‟s van de belastingplichtige bedrijven, merkt de Raad van State op dat het niet ongewoon is noch onwettig dat in het fiscaal recht de verscheidenheid aan toestanden wordt opgevangen in categorieën die slechts op vereenvoudigende en benaderende wijze met de werkelijkheid overeenstemmen. Overigens heeft de verwerende partij juist gepoogd deze “ruwheid” in de vormgeving van de belasting te minimaliseren door wat de hogedrempel-Seveso-inrichtingen betreft – zoals verzoekster er een is – gevolg te geven aan de klachten tegen het belastingreglement van 14 december 2010 dat “niet of te weinig rekening werd gehouden met de verschillen die bestaan tussen de eigenlijke activiteiten van de bedrijven”, en door meer bepaald het belastingtarief in het bestreden reglement te differentiëren volgens de indeling van de inrichting in categorie I, II en III overeenkomstig de wet van 21 januari
  33. Verzoekster kan er niet van overtuigen – ook niet met haar uiteenzetting in de laatste memorie over milieueffectrapporten vanwege potentiële effecten op paarse steltfuten, vleermuizen en rode bosmieren – dat de verwerende partij bij de bepaling van de onderscheiden categorieën “risicohoudende” bedrijven en bij hun categorisering naargelang van het niveau van risicohoudend karakter, haar beoordelingsvrijheid ter zake zodanig gebruikt X-15.974-11/16 zou hebben dat die bepaling en categorisering geacht moeten worden zonder voldoende verantwoording te zijn in het licht van de gelijkheidsregel.
  34. Reeds in randnummer 15 kwam ter sprake dat het criterium van 8000 m² inzake bebouwde oppervlakte verband houdt met de technische limieten van het worpbereik van de brandweermonitoren. Ook al voorziet het algemeen politiereglement in de verplichting om de opslagplaatsen voor gevaarlijke producten van type III op te delen in brandcompartimenten van niet meer dan 8000 m² (met brandmuren met een brandweerstand van tenminste 2 uur), het belet niet dat naar het oordeel van de verwerende partij in het handhavingsbesluit van 31 mei 2011 – van welk oordeel niet de onjuistheid is gebleken – “grote magazijnen van meer dan 8000 m² wel degelijk een verhoogd intrinsiek risico inhouden” en “een brand in dergelijke grootschalige gebouwen specifieke vereisten stelt aan het crisisbeheer”. In die omstandigheden volgt de Raad van State niet de zienswijze van verzoekster dat het oppervlaktecriterium van al dan niet meer dan 8000 m² geen goede risico-indicator zou zijn.
  35. Samengevat doet verzoekster niet aannemen dat de in de middelen aangevoerde rechtsregels geschonden zijn. In zoverre ontvankelijk, moeten de besproken middelen als ongegrond verworpen worden. B. Derde en vierde middel Uiteenzetting van de middelen
  36. Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van het non bis in idem-beginsel en van het redelijkheidsbeginsel. Volgens de toelichting ervan komt de heffing bovenop de extra federale belasting die het bedrijf jaarlijks al betaalt aan het federale Sevesofonds. Als de gemeente extra uitgaven heeft ten X-15.974-12/16 gevolge van Sevesobedrijven op haar grondgebied, zou ze moeten aankloppen bij het solidariteitssysteem dat de federale overheid heeft opgezet; de gemeente heeft dit niet gedaan. De belasting is niet in redelijkheid verantwoord.
  37. Volgens een vierde middel zijn het materiëlemotiveringsbeginsel, het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel geschonden, doordat de motivering van de bestreden belasting feitelijk onjuist is en niet draagkrachtig. Er is immers, volgens verzoekster, voor de gemeente “eigenlijk geen financiële behoefte om de belasting in te voeren” gelet op de mogelijkheid om het Seveso-fonds aan te spreken. Voorts zijn MER-bedrijven in feite geen risicohoudende bedrijven. Ten slotte zijn de gebruikte criteria niet pertinent. De verwerende partij geeft geen overzicht van de bijkomende kosten die zij voor haar zogenaamd bijkomende taken raamt, noch doet zij een prognose met betrekking tot de inkomsten die zij uit de heffing verwacht te halen. Beoordeling
  38. In zoverre verzoekster de criteria die door het bestreden belastingreglement gehanteerd worden niet pertinent noemt en de kwalificering van MERbedrijven als risicohoudende bedrijven betwist, valt haar kritiek samen met het eerste en het tweede middel, die hiervoor verworpen zijn.
  39. Verzoeksters kritiek in verband met het Sevesofonds is dubbel: de verwerende partij zou geen financiële behoefte hebben vermits zij dit Sevesofonds kan aanspreken; de bestreden belasting komt “bovenop de extra federale belasting” die de hogedrempel-Sevesobedrijven reeds jaarlijks aan dit fonds betalen.
  40. Met het vermelde Sevesofonds wordt verwezen naar de wet van 21 januari
  41. Op grond van die wet worden de hogedrempel-Seveso- inrichtingen vanaf het belastingjaar 1991 onderworpen aan een heffing waarvan de opbrengst bestemd is voor: X-15.974-13/16 a) een “Fonds voor preventie van zware ongevallen” voorzien in de begroting van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, bestemd om de kosten van preventieopdrachten te dekken; b) een “Fonds voor risico‟s van zware ongevallen” voorzien in de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken, bestemd om de bestuurs-, werkings-, studie-, en investeringskosten te dekken die opgelopen zijn voor de civiele bescherming. Naar de verwerende partij toelicht en met stukken geloofwaardig maakt, worden de bedragen van deze heffing in eerste instantie gebruikt voor federale recurrente kosten (personeelskosten, onderhoudskosten) en daarna voor zogenaamde globale of geglobaliseerde projecten ten behoeve van het hele land. Het saldo wordt verdeeld over de verschillende provincies die er zich een deel van konden voorbehouden voor provinciale projecten, waarna de rest werd verdeeld onder de brandweerdiensten die dan mochten “‟kiezen‟ uit een shortlist van materiële middelen” (“Verder dan enkele chemiepakken of persluchttoestellen kwam je niet.”) Aldus kwam voor 2014 nog geen 0,3 % van het bedrag van de heffingen bedoeld in de wet van 21 januari 1987 beschikbaar voor de zes brandweerkorpsen van de hulpverleningszone Waasland, waarvan het brandweerkorps van Beveren er één is.
  42. De bestreden belasting, daarentegen, is een heffing van de verwerende partij om in haar openbare uitgaven als geheel genomen te voorzien. De belasting wordt onder meer door de hogedrempel-Seveso-inrichtingen opgelegd vanwege de verhoogde veiligheidsinspanningen waartoe ze de gemeente nopen en die ruimer zijn dan louter brandweergerelateerd.
  43. Hieruit volgt dat het zeer beperkte voordeel dat de brandweer uit de federale Sevesoheffing kan putten, niet vermag de financiële behoefte van de verwerende partij aan middelen om de openbare dienstverlening in haar geheel te financieren, te ontkrachten. X-15.974-14/16 Evenmin kan verzoekster ervan overtuigen dat het gelet op de federale heffing op grond van de wet van 21 januari 1987 onredelijk of anderszins verboden was om in de bestreden belasting te voorzien, nu deze bestreden belasting niet alleen van een andere overheid uitgaat, maar ook redelijkerwijze geacht kan worden niet hetzelfde doel na te streven.
  44. De bestreden belasting is geen retributie of een vergoeding voor een door de verwerende partij aan verzoekster verstrekte dienst waaruit zij een individueel voordeel haalt. Het is dan ook niet vereist dat er een band bestaat tussen de hoogte van de heffing en de prestatie die de overheid levert of het voordeel dat de heffingsplichtige individueel behaalt. Wel mag de belasting niet onredelijk hoog zijn en voor de belastingplichtige niet feitelijk tot een buitensporig groot nadeel leiden. Verzoekster doet evenwel niet aannemen dat dit voor haar het geval zou zijn.
  45. Ook het derde en het vierde middel worden verworpen. BESLISSING
  46. De Raad van State verwerpt het beroep.
  47. De Raad van State verwijst verzoekster in de kosten van het geding, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. X-15.974-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-15.974-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.808 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.