← België

Arrest 242827 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 30/10/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.827 Rolnummer: A. 220747/XIV-37244 Zaak: Arrest 242827 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 30/10/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-08 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-24 12:02 Fiche Arrest nr 242.827 van 30 oktober 2018 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 242.827 van 30 oktober 2018 in de zaak A. 220.747/XIV-37.244 In zake : Isabel DE MEESTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5459 SPOORKIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 16 november 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Spoorkin van 23 september 2016 waarbij aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 237.523 van 28 februari 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bevolen. Gezien het verzoek tot voortzetting van de verwerende partij. XIV-37.244-1/15 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 september
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Flore Aerens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoekster, en advocaat Els Empens, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 237.523 van 28 februari
  6. Er wordt naar verwezen. XIV-37.244-2/15 IV. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
  7. Verzoekster voert in het derde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel, van artikel 24 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) en van de materiëlemotiveringsplicht. Zij zet uiteen dat het advies van de procureur des Konings niet kan dienen als deugdelijk argument of motief omdat het niet voldoet en slechts steunt op een eenzijdig gebracht relaas, terwijl dat advies een verplichte schakel is in het besluitvormingsproces ex artikel 24 van de tuchtwet, zodat de procedure ook op dat vlak is geschonden. Verzoekster meent eveneens dat door de manier waarop dat advies tot stand is gekomen, het onpartijdigheids- beginsel is geschonden. Verzoekster betoogt dat de procureur des Konings zijn advies heeft gegeven louter aan de hand van een exemplaar van het inleidend verslag. Er is geen mededeling geweest van het integrale dossier inclusief het verweer van verzoekster. Het staat vast dat de procureur des Konings enkel beschikte over het inleidend verslag en niets anders. Volgens verzoekster is het onpartijdigheidsbeginsel eveneens aangetast indien de tuchtoverheid leunt op het advies van een instantie dewelke niet tegemoetkomt aan de vereisten van deugdelijkheid en onpartijdigheid. Te dezen betrekt de tuchtoverheid meermaals het advies van de procureur des Konings bij haar besluitvorming, hetgeen zij illustreert aan de hand van de verwijzingen ernaar in de bestreden beslissing. Verzoekster betoogt dat luidens artikel 24 van de tuchtwet het advies moet zijn gemotiveerd. Het kan slechts deugdelijk gemotiveerd zijn indien het is gegeven na kennisneming van alle relevante elementen, zodoende het integrale tuchtdossier evenals het navolgende verweer van verzoekster. Dat is te dezen niet gebeurd. De procureur des Konings is volgens verzoekster overgegaan tot oordeelsvorming aan de hand van een louter eenzijdige voorstelling van zaken gegeven door de tuchtoverheid en zonder kennis van het dossier noch van de elementen die verzoekster als verweer heeft aangebracht. Een dergelijk advies is XIV-37.244-3/15 niet op onpartijdige wijze tot stand gekomen. Hierdoor is de besluitvorming eveneens aangetast door een schending van het onpartijdigheidsbeginsel en is de motivering eveneens niet deugdelijk, derwijze dat de materiëlemotiveringsplicht en eveneens artikel 24 van de tuchtwet is geschonden.
  8. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord in hoofdorde de ontvankelijkheid van het middel omdat verzoekster het middel afgeleid uit de schending van artikel 24 van de tuchtwet voor het eerst in de procedure voor de Raad van State opwerpt. Zij citeert het arrest van de Raad van State nr. 216.520 van 28 november 2011 en doet gelden dat dat arrest naar analogie kan worden toegepast op het voorliggende geschil. Te dezen maakte verzoekster geen enkele opmerking over de onpartijdigheid of de schending van artikel 24 van de tuchtwet noch in haar verzoek tot heroverweging bij de Tuchtraad, noch in het daaraan voorafgaand verweerschrift voor de hogere tuchtoverheid. Zij besluit dat de Raad van State niet anders kan dan vaststellen dat verzoekster zich niet voor de eerste maal voor de Raad van State op het voorliggende argument kon beroepen, nu zij reeds diverse beroepen heeft doorlopen. Wat, in ondergeschikte orde, de schending betreft van artikel 24 van de tuchtwet en de materiëlemotiveringswet, bemerkt de verwerende partij voorafgaandelijk dat het vierde lid van artikel 24 van de tuchtwet enkel stelt dat het advies van de procureur des Konings moet worden toegevoegd aan het voorstel tot zware straf. Inzake het argument dat de procureur des Konings advies verstrekte louter aan de hand van een exemplaar van het inleidend verslag zonder mededeling van het integrale dossier met inbegrip van verzoeksters verweer, wijst zij er allereerst op dat de procureur des Konings reeds op 31 augustus 2015 in kennis werd gesteld van de feiten via een anonieme klacht en dus reeds voor de brief van de verwerende partij op de hoogte was van de aan verzoekster ten laste gelegde feiten. Bovendien blijkt uit het advies dat de procureur des Konings verwijst naar het opsporingsonderzoek en meer specifiek naar de diverse verhoren in het strafonderzoek en de resultaten van het telefonieonderzoek. De verwerende partij is van mening dat de procureur des Konings aldus zelf heeft aangegeven over XIV-37.244-4/15 voldoende elementen te beschikken om tot een beoordeling van het dossier te komen, zodat het volstrekt onaanvaardbaar is dat verzoekster meent dat het voorliggende advies louter tot stand kwam op grond van het inleidend verslag. In dat kader werd immers eveneens kennisgenomen van het verhoor van verzoekster zelf, waardoor haar argumenten betreffende de voorliggende feiten eveneens aan bod kwamen. Bovendien moet het advies worden opgesteld binnen een termijn van twintig dagen te rekenen vanaf de dag waarop het voorstel tot straf aan de procureur des Konings wordt toegestuurd. Te dezen volgden de eerste opmerkingen van verzoekster op 18 april 2016, zodat de procureur des Konings, die het advies ontving op 14 maart 2016 en zijn advies op 24 maart 2016 overmaakte, er geen rekening mee kon houden. Volgens de verwerende partij wordt nergens bepaald dat een verzoekster eerst de mogelijkheid moet worden geboden haar opmerkingen te formuleren alvorens de procureur des Konings zou kunnen overgaan tot het opstellen van een advies. De verwerende partij wijst erop dat zij het voorstel van tuchtstraf, samen met de ingewonnen adviezen ter kennis moet brengen van de betrokkene, waarna die dan eventueel bij de Tuchtraad een heroverweging van de voorgestelde straf kan verzoeken. Bijgevolg werd artikel 24 van de tuchtwet te dezen correct nageleefd. De procureur des Konings verschafte een duidelijk gemotiveerd advies op grond van het voorliggende dossier, zoals blijkt uit het opsporingsonderzoek. De procureur des Konings geeft duidelijk aan waarom hij van oordeel is dat aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege moet worden opgelegd. Hij is immers zelf geheel geschokt door de voorliggende feiten. De verwerende partij betoogt voorts dat de wijze waarop zij artikel 24 van de tuchtwet heeft toegepast, aan verzoekster meer zekerheid biedt, alsook haar een uitgebreidere mogelijkheid biedt om haar recht van verdediging uit te oefenen. Zij had immers in het voorliggende geval nog de mogelijkheid om te repliceren op het advies, zodat bezwaarlijk kan worden gesteld dat verzoekster XIV-37.244-5/15 enig nadeel zou hebben geleden of dat haar recht van verdediging werd geschonden. Los van wat voorafgaat, doet de verwerende partij gelden dat de procureur des Konings op geen enkel ogenblik op enige wijze een bemerking heeft gemaakt over het feit dat zijn advies vroegtijdig werd gevraagd of dat hij niet over de noodzakelijke gegevens beschikte om zijn advies op een gemotiveerde en onderbouwde manier te kunnen verstrekken. Integendeel, uit zijn advies blijkt dat de procureur des Konings wel degelijk van oordeel was dat hij zich te dezen een concreet en correct beeld heeft kunnen vormen van verzoeksters tuchtzaak. Anders had hij ongetwijfeld extra informatie opgevraagd bij de verwerende partij. De daartoe nuttige gegevens waren volgens de procureur des Konings voorhanden, anders had hij immers geen advies gegeven of kunnen geven. Minstens moet worden vastgesteld dat de procureur des Konings geen bezwaar had inzake de toepassing van artikel 24 van de tuchtwet. Voorts is de verwerende partij van oordeel dat verzoekster niet aantoont dat, indien de procureur des Konings over het verweer van verzoekster zou hebben beschikt, hij tot een ander advies zou zijn gekomen, zodat verzoekster geen belang heeft bij het aangevoerde argument. Ook is volgens de verwerende partij aan de substantiële verplichting van artikel 24 van de tuchtwet voldaan en daarbij werd verzoeksters recht van verdediging niet miskend. Dat blijkt ook uit het advies van de Tuchtraad en uit het feit dat de inspecteur-generaal evenmin enige melding maakte van een eventuele schending van artikel 24 van de tuchtwet. De verwerende partij wijst er te dezen op dat onmiskenbaar enig gewicht moet worden toegekend aan het advies van de Tuchtraad en dat het volgens haar vaststaat dat de Tuchtraad de plicht heeft om de verwerende partij te wijzen op enige procedurele tekortkoming indien hij van oordeel is dat die zou voorliggen. XIV-37.244-6/15 Voorts bevindt de verwerende partij de opmerking van verzoekster dat zij in haar besluitvorming meermaals het advies van de procureur des Konings betrekt, uiterst opvallend. Er kan volgens haar “bezwaarlijk worden gesteld dat verwerende partij dit advies ‘meermaals’ in haar besluitvorming aanvoert nu de gehele beslissing slechts twee regels omvat die verwijzen naar dat advies.” Hoe dan ook doet dat volgens de verwerende partij geen afbreuk aan het feit dat het advies van de procureur des Konings geheel correct werd opgesteld, in overeenstemming is met artikel 24 van de tuchtwet en door de verwerende partij dan ook mee in haar beoordeling kon worden betrokken. Tot slot benadrukt de verwerende partij nogmaals dat de gevolgde procedure het recht van verdediging van verzoekster heeft miskend en dat zij ten allen tijde haar verweermiddelen heeft ter kennis kunnen brengen, noch leed zij enig nadeel doordat haar verweer niet aan de procureur des Konings werd overgemaakt. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel wegens het laattijdig aanvoeren ervan
  9. De verwerende partij werpt de niet-ontvankelijkheid van het middel op omdat verzoekster zich niet voor de eerste maal voor de Raad van State kan beroepen op de schending van artikel 24 van de tuchtwet.
  10. Deze exceptie beperkt de toegang tot de rechter omdat ze aan verzoekster het recht ontzegt om de aangevoerde onregelmatigheden als annulatiemiddel aan de rechter voor te leggen. Op de verwerende partij berust derhalve de bewijslast van deze zware sanctie van het verval van het recht. De verwerende partij levert het vereiste bewijs niet. Vooreerst mag een tuchtrechtelijk vervolgde persoon bij het stellen van procedurehande- lingen tijdens de tuchtprocedure, uitgaan van het vermoeden dat het overheidsoptreden in overeenstemming is met het recht. Hij mag aldus aannemen dat het verzoeken van het advies door de tuchtoverheid als essentiële stap in de XIV-37.244-7/15 aanhangige tuchtprocedure, gebeurt overeenkomstig de ter zake geldende regelgevende bepalingen en dat de verwerende partij zelf waakt over het wettig stellen ervan. Te dezen bemerkt de Raad van State bovendien dat enkel op het ogenblik dat de bestreden beslissing wordt genomen, kan worden vastgesteld of de tuchtoverheid zich in haar besluitvormingsproces al dan niet daadwerkelijk op wettige wijze heeft gesteund op het verleende advies van de procureur des Konings. De verwerende partij betrekt deze vaststellingen niet bij de ontwikkeling van haar exceptie. De enkele vaststelling door de verwerende partij dat verzoekster geen enkele opmerking maakte voor de Tuchtraad noch in haar verweerschrift, volstaat derhalve op zich niet om de exceptie gegrond te bevinden. Uit wat voorafgaat volgt dat het niet wijzen door verzoekster op mogelijke onwettigheden of onregelmatigheden inzake de toepassing van artikel 24 van de tuchtwet, verzoekster niet het recht ontzegt om de schending van het artikel 24 van de tuchtwet in een latere procedure voor de Raad van State voor te leggen.
  11. De exceptie wordt verworpen. Belang bij het middel
  12. De verwerende partij doet ook gelden dat verzoekster geen belang heeft bij het middel omdat, samengevat, zij niet aantoont dat, indien de procureur des Konings over haar verweer zou hebben beschikt, hij tot een ander advies zou zijn gekomen en omdat zij haar verweermiddelen aan de tuchtoverheid heeft kunnen ter kennis brengen.
  13. Overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geven de onregelmatigheden die onder een in het eerste lid vermelde nietigheidsgrond ressorteren “slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een XIV-37.244-8/15 waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast.
  14. Verzoekster voert onder meer de schending aan van de in artikel 24 van de tuchtwet bepaalde adviesverlening. Voorts blijkt uit het na- volgende onderzoek van de gegrondheid van het middel dat de bestreden beslissing leunt op het op grond van artikel 24 van de tuchtwet bekomen advies. Verzoekster voert aldus in het middel een onregelmatigheid aan die een invloed kon uitoefenen op de draagwijdte van de bestreden beslissing. Zulks volstaat en verzoekster moet hiertoe niet aannemelijk maken dat de procureur des Konings, mocht hij beschikt hebben over haar verweer, tot een ander advies zou zijn gekomen, nu blijkt dat de tuchtoverheid zich heeft gesteund op het advies bij haar besluitvorming. Om dezelfde reden gaat evenmin het argument op dat zij in de procedure haar verweermiddelen achteraf heeft kunnen aanvoeren, nu blijkt dat de tuchtoverheid zich heeft gesteund op het advies bij haar besluitvorming en hierna zal blijken dat het advies onwettig is.
  15. Verzoekster heeft belang bij het middel. De exceptie is onge- grond. De grond van de zaak
  16. Artikel 24, tweede tot en met het vierde lid van de tuchtwet luidt: “Art.
  17. […] Wanneer feiten werden gepleegd die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie kan een zware tuchtstraf slechts worden opgelegd na het advies van de procureur des Konings tot wiens ambtsgebied de lokale politie of de op arrondissementeel niveau gedeconcentreerde directie of dienst van de federale politie waarvan het betrokken personeelslid deel XIV-37.244-9/15 uitmaakt, behoort. Voor de overige personeelsleden van de federale politie is het advies van de federale procureur of zijn gemachtigde vereist. De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten gemotiveerd zijn en worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop het voorstel tot straf aan de betrokken overheid wordt toegestuurd en vooraleer de tuchtraad zich uitspreekt. Eens die termijn verstreken is, wordt de betrokken overheid geacht geen aanvullend advies te willen verstrekken. De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten eveneens aan het voorstel van zware tuchtstraf van de hogere tuchtoverheid toegevoegd worden.” In de toelichting bij het wetsvoorstel dat de tuchtwet is geworden, is in de algemene toelichting het volgende gesteld (Parl. St. Kamer 1998-99, nr. 1965-1, 2-3): “[…] De krachtlijnen van het ontwerp, opgesteld binnen de voormelde context, zijn dan ook de volgende: […] 10° ten slotte creëert het ontwerp een betrokkenheid voor die overheden waaraan geen bestraffingsbevoegdheid is toegekend maar wiens mening, gelet op hun verantwoordelijkheden, niet zomaar over het hoofd kan worden gezien: de adviesbevoegdheid toegekend, naargelang het geval, aan de minister van Justitie en de procureur des Konings, moet in dat raam worden begrepen.” alsook in de artikelsgewijze toelichting (p. 13): “Dit artikel schets de adviesbevoegdheden. Het betreft, naargelang het geval, de minister van Justitie en de bevoegde procureur des Konings in de tuchtprocedures op een wijze die rekening houdt met hun respectieve verantwoordelijkheden. Hun eventuele adviezen moeten binnen een termijn van twintig dagen worden verstrekt. […]”. Artikel 24 van de tuchtwet bepaalt de gevallen waarin de hogere tuchtoverheid, alvorens zij een personeelslid van het operationeel kader van de politiediensten van ambtswege ontslaat, het advies moet inwinnen van, te dezen, de procureur des Konings. Deze adviesverplichting is een substantiële verplichting die ertoe strekt de mening van bepaalde overheden waaraan geen bestraffingsbe- voegdheid is toegekend - te dezen de procureur des Konings gelet op de omstandigheid dat feiten werden gepleegd die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie - te doen kennen inzake XIV-37.244-10/15 een voorstel tot het opleggen van een zware tuchtstraf. Voorts moet luidens artikel 24, derde lid, van de tuchtwet dat advies gemotiveerd zijn en moet het worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop “het voorstel tot straf” aan, te dezen de bevoegde procureur des Konings wordt toegestuurd. Hieruit blijkt dat het advies dient te worden gevraagd naar aanleiding van het “voorstel van tuchtstraf”. Dat is het in artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet bedoelde voorstel van zware tuchtstraf (Cfr. Adv. RvS, afdeling Wetgeving, Parl. St., Kamer 2000-2001, nr. 50 1173/001, 37), zijnde één van de drie beslissingen die de hogere tuchtoverheid op grond van het artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet kan nemen en die “op grond van het volledige dossier en van het verweer” wordt meegedeeld aan het betrokken personeelslid. Voorts moet op grond van artikel 38sexies, vijfde lid, dat voorstel van beslissing van de hogere tuchtoverheid tot het opleggen van een zware straf formeel worden gemotiveerd.
  18. De procureur des Konings dient derhalve zijn advies te verstrekken op grond van het hem toegestuurde “voorstel van tuchtstraf”. Artikel 24, derde lid, van de tuchtwet bepaalt niet de nadere inhoud ervan, doch het voorstel van tuchtstraf moet op grond van artikel 38sexies van de tuchtwet genomen zijn “op grond van het volledige dossier en van het verweer”. Opdat de procureur des Konings aldus zijn rechtsplicht tot adviseren op zorgvuldige wijze zou kunnen uitoefenen, dient het voorstel van tuchtstraf dat naar die adviserende overheid is gezonden, derhalve alle nuttige gegevens te bevatten op grond waarvan die overheid met kennis van zaken een correct beeld kan vormen van de tuchtzaak en zijn advies kan verstrekken. Aangezien van de adviserende overheid mag worden verwacht dat zij adviseert na een zorgvuldig onderzoek en afweging van alle relevante feiten en belangen, behoren tot die nuttige gegevens de (in voorkomend geval, toereikende samenvatting van de) middelen of argumenten van verweer van het betrokken XIV-37.244-11/15 personeelslid, daar die als essentieel element van het tuchtdossier, noodzakelijk bij de verantwoording van een voorstel van zware straf moeten worden betrokken.
  19. Artikel 24 van de tuchtwet houdt niet de rechtsplicht in het voorstel van tuchtstraf, samen met het (integrale) tuchtdossier en/of het verweerschrift van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid, aan de adviserende overheid over te maken. In de mate dat verzoekster uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het middel naar recht. Het volstaat derhalve dat het aan de adviserende overheid toegezonden voorstel van straf alle nuttige gegevens bevat in de zin als hiervoor is gesteld. Het argument van de verwerende partij dat “nergens” is bepaald dat aan verzoekster eerst de mogelijkheid moet worden geboden haar opmerkingen te formuleren alvorens de procureur des Konings zou kunnen adviseren gaat eveneens uit van een verkeerde lezing van artikel 24 van de tuchtwet en de daarin vervatte adviesplicht zoals die hiervoor is uiteengezet en die, wat het voorliggende argument betreft, impliceert dat de adviesverlenende overheid advies verstrekt op grond van een voorstel van straf dat alle nuttige gegevens bevat waaronder de (toereikende samenvatting van de ) middelen of argumenten van verweer.
  20. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het advies van de procureur des Konings niet werd gevraagd op grond van enig “voorstel van tuchtstraf”, maar op grond van het “voorstel van inleidend verslag” dat was gevoegd bij de brief van de hogere overheid van 14 maart 2016 (zie tussenarrest nr. 237.532 van 28 februari 2017, punt 3.2.). Het aan de procureur des Konings bezorgde (voorstel van) inleidend verslag bevat niet het verweer noch de argumenten van verweerster. De Raad van State bemerkt voor zoveel als nodig overigens dat het verweer van verzoekster dateert van na die adviesaanvraag en van na het inleidend verslag. Het advies van de procureur des Konings is derhalve gesteund op het niet-tegensprekelijk, eenzijdig gegeven relaas uiteengezet in het voorstel XIV-37.244-12/15 van inleidend verslag gevoegd bij de voornoemde brief van 14 maart 2016 van het politiecollege, zonder dat de procureur des Konings kennis heeft genomen van de middelen van verweer van verzoekster, noch die heeft betrokken bij zijn advisering. Het ontbreken van dat essentieel element in de besluitvorming van het advies, maakt dat advies gebrekkig nu niet blijkt dat de procureur des Konings zonder dat essentieel gegeven, een concreet en correct beeld heeft kunnen vormen van verzoeksters tuchtzaak. Dit klemt te dezen des te meer nu uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoekster na de kennisneming van het inleidend verslag, middelen van verweer heeft doen gelden. Uit wat voorafgaat volgt, dat het advies niet deugdelijk is verleend.
  21. De enkele omstandigheid dat, naar de verwerende partij betoogt, de procureur des Konings reeds op 31 augustus 2015 kennis had van de feiten ingevolge de anonieme klacht en dat hij in zijn advies duidelijk verwijst naar het opsporingsonderzoek en de in dat kader verrichte handelingen, leidt niet tot een andere conclusie. Niet blijkt noch wordt aangevoerd dat in dat opsporings- onderzoek - dat een andere finaliteit dient - de verweerelementen van verzoekster op het inleidend verslag zijn betrokken. Aldus ligt niet het bewijs voor dat de gegevens van het opsporingsonderzoek waarover de procureur des Konings beschikte om het advies te verlenen, toelieten een concreet en correct beeld te vormen van verzoeksters tuchtzaak. Evenmin leidt het argument dat de procureur des Konings nooit heeft aangegeven dat hij niet over voldoende gegevens beschikte, dan wel dat de verwerende partij een tekortkoming beging of artikel 24 van de tuchtwet schond, tot de conclusie dat het advies niet gebrekkig is, nu vaststaat dat de gegevens waarop de adviesverlenende overheid beschikte, op het ogenblik van de adviesverlening gebrekkig waren. Dat de overige organen van actief bestuur die in de loop van de ganse tuchtprocedure optraden, geen procedurele tekortkomingen hebben aangewezen, sluit evenmin uit dat - zoals thans blijkt - een dergelijke tekortkoming vaststaat, los van de vaststelling dat de conclusies en adviezen van die organen, hoe gezaghebbend ook, geen gezag van XIV-37.244-13/15 gewijsde hebben en derhalve niet voor recht zouden kunnen vaststellen dat artikel 24 van de tuchtwet niet is miskend. Voorts is het argument dat de gevolgde procedurele werkwijze verzoeksters recht van verdediging niet zou hebben miskend, niet relevant bij de beoordeling of het gegeven advies beantwoordt aan de eis van artikel 24 van de tuchtwet vermits vaststaat dat de verwerende partij daadwerkelijk het advies in haar besluitvorming heeft betrokken. In zoverre tot slot de verwerende partij aanvoert dat de bestreden beslissing slechts twee regels omvat die naar het advies verwijst, is die numerieke bemerking evenmin relevant. Gelet op het hiervoor geschetste verplichtend en substantieel karakter van de adviesverplichting moet dat advies door de tuchtoverheid worden aangezien als een rechtens relevant feit voor de tuchtbeslissing, hetgeen inhoudt dat zij dat advies in beginsel moet betrekken bij haar besluitvorming. Dat heeft zij overigens ook gedaan. Uit de bestreden beslissing (zie punt 1.
  22. “Referenties”) blijkt vooreerst dat het “eensluidend advies van de procureur des Konings, ingewonnen in uitvoering van artikel 24 van de [tucht]wet […]” is opgesomd als één van de stukken/referenties waarop de bestreden beslissing is gesteund. Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat het advies ook is betrokken bij de besluitvorming. De omstandigheid dat zulks maar op “twee regels” is gebeurd is derhalve niet relevant bij de beoordeling of het gegeven advies beantwoordt aan de eis van artikel 24 van de tuchtwet.
  23. Uit wat voorafgaat, volgt dat het middel in de aangegeven mate gegrond is. BESLISSING
  24. De Raad van State vernietigt de beslissing van het politiecollege van de politiezone Spoorkin waarbij aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. XIV-37.244-14/15
  25. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro die verschuldigd is aan verzoekster. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig oktober tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.244-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.827 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.523 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.