id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.828 Rolnummer: A. 221856/XIV-37378 Zaak: Arrest 242828 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/10/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-08 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-24 12:03 Fiche Arrest nr 242.828 van 30 oktober 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 242.828 van 30 oktober 2018 in de zaak A. 221.856/XIV-37.378 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rosalie Daneels kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN kantoor houdend te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 26A
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door destaatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie kantoor houdend te 1000 Brussel Antwerpsesteenweg 59 B -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 april 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 183.265 van 1 maart 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.413 van 4 mei
- XIV-37.378-1/10 De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeksterheeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeksterheeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 mei
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marie Doutrepont,dieloco advocaat Rosalie Daneels verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeurMarijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekster komt België binnen op 25 april 2012 en dient op 6 juni 2012een asielaanvraag in. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist op 17 juli 2014tot weigering van de vluchtelingenstatusen weigering van de subsidiaire beschermingsstatus in hoofde van verzoekster. XIV-37.378-2/10 Eveneens op 17 juli 2014 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding in hoofde van verzoekster een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten. Verzoekster tekent tegen beide voornoemde beslissingen van 17 juli 2014 beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 16 augustus 2014.Met een arrest van 27 maart 2015verklaart de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van 17 juli 2014 niet-ontvankelijk en beslist hij verder tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus in hoofde van verzoekster. Verzoekster tekent op 28 april 2015 cassatieberoep aan tegen het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 27 maart
- De Raad van State vernietigt het voornoemde arrest van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen met arrest nr. 236.562 van 29 november
- In een arrest van 1 maart 2017 stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast “dat het beroep slechts ontvankelijk is voor zover het de beslissing ‘tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus’, genomen door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, betreft, en onontvankelijk moet worden verklaard voor zover het betrekking heeft op het ‘bevel om het grondgebied te verlaten - asielzoeker’ (bijlage 13quinquies), uitgereikt door de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie in Armoedebestrijding”. Hij beslist in datzelfde arrest opnieuw tot weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus in hoofde van verzoekster. Dit is het thans bestreden arrest. XIV-37.378-3/10 IV. Nader onderzoek van de rechtspleging
- Met het thans bestreden arrest is het beroep tegen de beslissing van de tweede verwerende partij van 17 juli 2014 houdende bevel om het grondgebied te verlaten niet-ontvankelijk bevonden. Verzoekster richt in het cassatieberoep geen enkele kritiek tegen die vaststelling doch richt zich uitsluitend tegen de weigering van de vluchtelingenstatus en van de subsidiaire beschermingsstatus. Bijgevolg dient de tweede verwerende partij buiten de zaak te worden gesteld. De eerste verwerende partij wordt verder “verwerende partij” genoemd. V. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeksterwerpt in een enig middel de schending op van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’(hierna: de vreemdelingenwet), in samenhang gelezen met artikel 23.2 van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 ‘inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2004/83) en met artikel 23.2 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raadvan 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) en van artikel 149 van de Grondwet. XIV-37.378-4/10 Verzoekster voert aan dat de beslissingen van de commissaris-generaal van 20 juli 2016, waarmee haar minderjarige kinderen als vluchtelingen werden erkend, niet nader zijn gemotiveerd en dat uit het administratief dossier niet blijkt dat ze werden erkend als vluchteling enkel omdat hun vader als dusdanig werd erkend. Volgens verzoekster vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve niet stellen “dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet kan worden gedwongen, op grond van het handboek, verzoekster te erkennen als vluchteling omdat haar kinderen de erkenningsstatus volgen van de biologische vader”. Het bestreden arrest is gesteund op informatie die zich niet in het administratief dossier bevindt, waardoor verzoekster artikel 149 van de Grondwet geschonden acht. Verzoekster citeert vervolgens artikel 23.2 van richtlijn 2004/83 en artikel 23.2 van richtlijn 2011/95 en laat gelden dat bij de omzetting van deze richtlijnen in het Belgische recht geen expliciete bepaling werd opgenomen betreffende de instandhouding van het gezin van een erkend vluchteling. Verzoekster kan zich niet beroepen op artikel 10, § 1, 7°, van de vreemdelingenwet omdat deze bepaling een recht op gezinshereniging voorziet wanneer het kind als niet-begeleide minderjarige België is binnengekomen terwijl haar kind J. in België is geboren en dus niet als niet-begeleide minderjarige het land is binnengekomen. Verzoekster heeft wel een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9bisvan de vreemdelingenwet ingediend doch de dienst Vreemdelingen- zaken heeft haar slechts tijdelijke machtigingen tot verblijf toegekend waaraan op ieder moment een einde kan worden gesteld. Het recht van eenheid van gezin van verzoekster en haar minderjarige kinderen moet worden gewaarborgd en dit kan slechts door haar een zelfde beschermingsstatuut en dus de hoedanigheid van vluchteling toe te kennen. De instandhouding van het gezin is gewaarborgd door de richtlijnen 2004/83 en 2011/95 doch in de Belgische regelgeving is geen specifieke bepaling voorzien betreffende de instandhouding van het gezin van een minderjarige erkende vluchteling die niet als niet-begeleide minderjarige het land is binnengekomen. Verzoekster besluit dat de Raad voor Vreemdelingen- XIV-37.378-5/10 betwistingen haar met toepassing van het beginsel “eenheid van het gezin” als vluchteling moet erkennen op grond van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet, gelezen samen met artikel 23.2 van richtlijn 2004/83 en richtlijn 2011/
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel. Zij voegt toe dat de vaststelling dat de kinderen het recht hebben de erkenningsstatus van hun biologische vader te volgen, niet betekent dat zij zelf geen risico op vervolging lopen bij een terugkeer naar Rwanda. Het verband tussen de gegrond geachte vrees voor vervolging van de kinderen van verzoekster en de vrees van verzoekster zelf werd niet onderzocht. Om de eenheid van gezin en het hoger belang van het kind te respecteren, moest de moeder van de minderjarige kinderen eveneens worden erkend als vluchteling. Beoordeling
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Verzoekster heeft voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen onder meer laten gelden, zich beroepend op de instandhouding van het gezin en de richtlijnen van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties, dat zij erkend had moeten worden als vluchteling omdat haar twee minderjarige kinderen reeds als dusdanig waren erkend. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest “dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet kan worden gedwongen, op grond van het handboek, verzoekster te erkennen als vluchteling XIV-37.378-6/10 omdat haar kinderen de erkenningsstatus volgen van de biologische vader”, dat “het doel van de asielprocedure […] immers niet [is] om het recht op eerbiediging van het gezinsleven te horen bevestigen”, dat richtlijn 2011/95 “geenszins bepaalt dat de familieleden van een erkend vluchteling of van de persoon die de subsidiaire beschermingsstatus heeft toegekend gekregen, eveneens recht hebben op deze beschermingsstatus enkel omdat zij familie zijn van de betrokken vluchteling of subsidiair beschermde”, doch dat “de gezinsleden, die zelf niet in aanmerking komen voor deze status, […] overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid onder meer een verblijfstitel [zullen] bekomen (artikel 24 van de richtlijn)” en dat “verzoekster aldus gebruik dient te maken van de geëigende procedures die zouden kunnen leiden tot een verblijfsrecht in België op basis van de gezinssituatie”. Met de voormelde motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij verzoeksters argumentatie niet aanvaardt als zou zij moeten worden erkend als vluchteling omdat haar minderjarige kinderen ook als dusdanig zijn erkend. Daarmee is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Het is daarbij niet relevant of de overweging in het bestreden arrest dat verzoeksters kinderen zijn erkend omwille van het beschermingsstatuut van hun vader, kan worden afgeleid uit het administratief dossier of niet. Het enige middel is in die mate ongegrond.
- Verzoekster houdt voor dat het bestreden arrest in strijd is met artikel 23.2 van richtlijn 2004/83 en met artikel 23.2 van richtlijn 2011/95, in essentie omdat zij met toepassing van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet als vluchteling had moeten worden erkend vermits de Belgische regelgeving geen specifieke bepaling bevat betreffende de instandhouding van het gezin van een minderjarige erkende vluchteling die niet als niet-begeleide minderjarige het land is binnengekomen. XIV-37.378-7/10 Ingevolge het bepaalde in artikel 40 van richtlijn 2011/95 is richtlijn 2004/83 ingetrokken met ingang van 21 december
- Artikel 23.2 van richtlijn 2011/95 voorziet enkel de waarborg “dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet die zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming aanspraak kunnen maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 genoemde voordelen, overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid”. Wat de verblijfstitels betreft, voorziet artikel 24.1, tweede lid, van richtlijn 2011/95 dat “onverminderd het bepaalde in artikel 23, lid 1, […] de aan de gezinsleden van de personen met de vluchtelingenstatus af te geven verblijfstitel minder dan drie jaar geldig […] en verlengbaar [kan] zijn”. De voornoemde bepalingen voorzien dus net de mogelijkheid dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet zelf deze beschermingsstatus niet krijgen doch dat hen overeenkomstig de nationale procedures een verblijfstitel wordt gegeven die minder dan drie jaar geldig kan zijn. Uit de door verzoekster zelf verstrekte gegevens blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat verzoekster een aanvraag om machtiging tot verblijf heeft ingediend met toepassing van artikel 9bis van de vreemdelingenwet en dat haar een A-kaart is verleend die telkens werd verlengd voor de duur van één jaar of van zes maanden. Vermits de Belgische wet voorziet in een procedure om verzoekster een verblijfsrecht toe te kennen dat tijdelijk en verlengbaar is, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze oordelen dat verzoekster geen recht heeft op de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, enkel als gezinslid van haar twee minderjarige kinderen met de vluchtelingenstatus, dat verzoekster overeenkomstig de nationale procedures een verblijfstitel kan bekomen en dat zij “aldus gebruik dient te maken van de geëigende procedures die zouden kunnen leiden tot een verblijfsrecht in België op basis van de gezins- situatie”. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan doordat te dezen geen gezinshereniging mogelijk zou zijn met toepassing van artikel 10, § 1, eerste lid, XIV-37.378-8/10 7°, van de vreemdelingenwet omdat verzoeksters kinderen in België zijn geboren en er steeds hebben verbleven. Het enige middel is in die mate ongegrond.
- Verzoekster laat in de memorie van wederantwoord nog gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het verband tussen de gegrond geachte vrees voor vervolging van verzoeksters kinderen en verzoeksters eigen vrees voor vervolging niet heeft onderzocht. Verzoekster heeft deze kritiek niet opgeworpen in het verzoekschrift tot cassatie en zij toont ook niet aan dat zij daartoe niet in de mogelijkheid was. Bijgevolg kan geen rekening worden gehouden met deze voor het eerst in de memorie van wederantwoord aangevoerde kritiek. Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk.
- Het enige middel kan niet tot cassatie leiden. BESLISSING
- De tweede verwerende partij wordt buiten de zaak gesteld.
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200euro. XIV-37.378-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig oktober tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.378-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.828 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.