← België

Arrest 242835 - Examens (onderwijs) - 30/10/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.835 Rolnummer: A. 226465/IX-9427 Zaak: Arrest 242835 - Examens (onderwijs) - 30/10/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-05 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-24 11:59 Fiche Arrest nr 242.835 van 30 oktober 2018 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 242.835 van 30 oktober 2018 in de zaak A. 226.465/IX-9427 In zake: Jdeda EZ-OUMI woonplaats kiezend te 9930 Zomergem Blauwersstraat 8 tegen: de VZW PROVINCIALAAT DER BROEDERS VAN LIEFDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Vande Moortel en Valerie Vandenhaesevelde kantoor houdend te 9000 Gent Groot-Brittanniëlaan 12 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 19 oktober 2018, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de be- slissing van de beroepscommissie van de vzw Provincialaat der Broeders van Liefde van 20 augustus 2018 waarbij het beroep van Jdeda Ez-Oumi van 20 juli 2018 tegen de beslissing van de delibererende klassenraad van 26 juni 2018 om aan Dafi Chahrazad een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering voor het ASO, onontvankelijk wordt verklaard. In het kader van diezelfde vordering vraagt Jdeda Ez-Oumi in fine van haar inleidend verzoekschrift tevens aan de Raad van State om “de exa- menresultaten [van Dafi Chahrazad] te herzien”. IX-9427-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2018, om 11.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij en advocaat Valerie Vandenhaesevelde, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend ad- vies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Dafi Chahrazad is tijdens het schooljaar 2017-2018 leerling van het tweede leerjaar van de tweede graad van de studierichting ‘humane weten- schappen’ in het algemeen secundair onderwijs (hierna: het ASO) aan het Sint-Paulusinstituut te Gent, dat onder het bestuur van de verwerende partij res- sorteert. 3.
  5. Op het einde van het schooljaar kent de delibererende klassen- raad aan Dafi Chahrazad een oriënteringsattest B toe, met clausulering voor het ASO. IX-9427-2/10 Luidens een brief van de voorzitter van de delibererende klas- senraad aan de “ouder(s)” van Dafi Chahrazad werd bij het nemen van die evalu- atiebeslissing rekening gehouden met de volgende elementen: “Op het einde van het schooljaar behaalde [Dafi Chahrazad] een zwak globaal jaarresultaat: 59,5% een tekort voor vak(ken) uit de basisvorming: Engels (4,5%), chemie (4,5%) een tekort voor vak(ken) uit het complementair gedeelte van de studierichting: informatica (2%) een zwak resultaat tijdens examenperiode van juni: 56,5% Tijdens een examenperiode blijkt dat [Dafi Chahrazad] het moeilijk heeft bij het verwerken van grote leerstofgehelen. In de loop van het tweede semester was er een onvoldoende gunstige evolutie van de resultaten waarneembaar voor Engels en chemie. Op het einde van het eerste semester werd een remediëringsvoorstel ge- formuleerd voor Engels en chemie. Dit zorgde niet voor de gewenste verbete- ring van de resultaten. Het advies van 30/06/2017 om over te schakelen naar TSO werd niet op- gevolgd. De klassenraad adviseert een overstap naar een technische richting.” 3.
  6. Verzoekster, die de moeder is van Dafi Chahrazad, betwist die beslissing van de delibererende klassenraad. Nadat zij een overleg heeft gehad met de pedagogisch directeur, oordeelt deze directeur dat er geen reden is om de klassenraad opnieuw samen te roepen. Verzoekster wordt met een aangetekende brief van 4 juli 2018, daarvan in kennis gesteld. Deze brief vermeldt voorts: “Ik hoop dat u de m.i. terecht genomen beslissing uiteindelijk toch wil aan- vaarden. Indien niet verwijs ik naar ons schoolreglement, punt 2.3.5.4.2, waarbij een volgende stap er enkel kan op neerkomen dat u binnen een termijn van drie dagen (zaterdag, zondag, wettelijke en reglementaire feestdagen niet meegerekend) nadat dit schrijven is meegedeeld, beroep instelt bij het school- bestuur. Daartoe kunt u een aangetekende brief richten aan: Provincialaat van de Broeders Van Liefde […]. Als het beroep niet tijdig wordt ingesteld of niet aangetekend wordt ver- zonden, zal dat tot de onontvankelijkheid van het beroep leiden. Dat betekent dat de interne beroepscommissie het beroep inhoudelijk niet zal kunnen be- handelen.” IX-9427-3/10 Die brief wordt op 9 juli 2018 tevergeefs door bpost aangeboden op het adres van verzoekster. Zij haalt de brief op 18 juli 2018 af in het afhaalpunt van bpost. 3.
  7. Met een aangetekende brief van 20 juli 2018 stelt verzoekster een beroep in bij het schoolbestuur. 3.
  8. Op 20 augustus 2018 beslist de beroepscommissie dat het beroep van verzoekster laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk is. Deze beslissing van de beroepscommissie maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering. 3.
  9. Met een aangetekende brief van 21 augustus 2018 deelt de voorzitter van de beroepscommissie daarover aan verzoekster mee: “Na beraadslaging van de interne beroepscommissie op maandag 20 au- gustus 2018 besloot de beroepscommissie tot de effectieve onontvankelijkheid van uw beroep: de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het schoolreglement, werd overschreden (20 juli 2018) en het beroep werd dus te laat ingesteld. De beroepscommissie heeft dus beslist dat het oriënteringsattest B met clausulering voor ASO blijft gehandhaafd. Deze beslissing kan het voorwerp uitmaken van een beroep bij de Raad van State. Dit beroep moet, overeenkomstig het besluit van de Regent van 23 au- gustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State, binnen de zestig dagen worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel. Meer in- formatie vindt u op de website van de Raad van State (www.raadvst-consetat.be).” Verzoekster neemt deze brief op 25 augustus 2018 in ontvangst. 3.
  10. Met een brief van 27 augustus 2018 laat verzoekster aan de be- roepscommissie weten dat zij niet akkoord gaat met de genomen beslissing. Zij argumenteert dat haar beroep op 20 juli 2018 is ingesteld binnen de termijn die door het schoolreglement is voorgeschreven. IX-9427-4/10 3.
  11. Met een brief van 5 september 2018 antwoordt de voorzitter van de beroepscommissie aan verzoekster dat de beroepscommissie van oordeel is dat het beroep niet ontvankelijk is, omdat het laattijdig werd ingesteld. Hij verwijst naar “de relevante bepalingen van het schoolreglement” en stelt voorts: “Er is dus een termijn van drie dagen, die begint te lopen de dag nadat de aangetekende brief van de school wordt ontvangen. De aangetekende brief met één van de twee mogelijke beslissingen […] wordt geacht de derde dag na verzending te zijn ontvangen. De poststempel geldt als bewijs, zowel voor de verzending als voor de ont- vangst’. Concreet werd de beslissing van de nieuwe delibererende klassenraad ver- stuurd op 04-07-
  12. U wordt geacht deze drie dagen later ontvangen te hebben dus concreet op 09-07-2018, gezien er op zaterdag en zondag geen postbedeling is. U stelt dat deze brief u is aangeboden op 09-07
  13. Deze beslissing heeft u per gewone en aangetekende post ontvangen. Dit betekent dat u vanaf 09-07-2018 drie dagen tijd heeft om in beroep te gaan. Het beroep moet dus uiterlijk ingediend worden op 12-07-
  14. Uw beroep dateert van 20-07-
  15. De beroepstermijn werd dus ruimschoots overschreden en bijgevolg is het beroepsschrift effectief onontvankelijk.” Verzoekster neemt deze brief op 7 september 2018 in ontvangst. IV. Rechtsmacht van de Raad van State
  16. Met de verwerende partij moet worden opgeworpen dat het op het eerste gezicht niet tot de rechtsmacht van de Raad van State behoort om, zoals verzoekster in fine van haar inleidend verzoekschrift nog vraagt, de examenresul- taten van Dafi Chahrazad te herzien. De Raad van State vermag met betrekking tot de vaststelling van de examenresultaten immers niet in de plaats van de school te treden. De vordering moet alvast in zoverre worden verworpen. IX-9427-5/10 V. Ontvankelijkheid van de vordering
  17. De verwerende partij werpt in haar nota verscheidene excepties van onontvankelijkheid van de vordering op.
  18. Vooralsnog bestaat er evenwel geen noodzaak om over die ex- cepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld zouden zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  19. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  20. Verzoekster voert ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vordering aan: “Mijn dochter zit in TSO in afwachting v/d uitspraak. Udn is noodzakelijk zodat zij niet veel leerstof moet missen en de zaak snel kan behandeld worden.” IX-9427-6/10 Beoordeling
  21. Er zij aan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsproce- dure ‘bij uiterst dringende noodzakelijkheid’ een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder- lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond.
  22. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake- lijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feite- lijke gegevens moet aantonen dat de te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen én dat zij als ei- sende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
  23. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aldus mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de grief- houdende beslissing – minstens vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat – met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijke en on- IX-9427-7/10 gewone karakter van de uiterst dringende procedure. Het vereiste van diligent handelen is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
  24. Van verzoekster – die haar belangen door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dermate nadelig aangetast weet dat zij meent de af- wikkeling van de procedure ten gronde en zelfs de gewone schorsing niet te kun- nen afwachten – wordt gevergd dat zij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende nood- zakelijkheid is ontstaan, zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
  25. In dit geval werd de bestreden beslissing door de beroepscom- missie genomen op 20 augustus
  26. Ze werd aan verzoekster betekend op 21 augustus
  27. Er bestaat geen betwisting over dat verzoekster ze heeft ont- vangen op 25 augustus
  28. Vanaf die ontvangst wist verzoekster dat het oriën- teringsattest B dat aan haar dochter was toegekend, met clausulering voor het ASO, gehandhaafd bleef en dat haar dochter de studierichting ‘humane weten- schappen’ in het ASO niet kon voortzetten in het eerste leerjaar van de derde graad. Niettemin heeft zij nog tot 19 oktober 2018, bijna acht weken later en een ogenblik waarop het nieuwe schooljaar reeds ruimschoots is gevorderd, gewacht om haar vordering bij de Raad van State in te stellen, wat voor een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, schromelijk laat is. Verzoekster is aldus niet met de vereiste spoed opgetreden.
  29. Zij brengt in haar inleidend verzoekschrift ook geen enkel ge- geven aan dat haar talmen zou kunnen rechtvaardigen.
  30. Ter terechtzitting voert zij alsnog twee rechtvaardigingsgronden aan. Vooreerst wijst zij op het financiële aspect van het instellen van een vordering, aangezien de griffie van de Raad van State onmiddellijk de betaling van een recht van 200 euro vraagt. Voorts stelt zij het eerste rapport van haar dochter in het IX-9427-8/10 technisch secundair onderwijs (hierna: het TSO) te hebben afgewacht. Dat rapport heeft ondertussen uitgewezen, zo betoogt verzoekster, dat haar dochter zonder enige moeite een resultaat heeft behaald van 70%, wat volgens haar de onrecht- matigheid van de betwiste clausulering voor het ASO bevestigt. Noch het ene, noch het andere argument kan evenwel overtuigen. Indien financiële redenen een obstakel vormden voor het met gepaste spoed in- stellen van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, had verzoekster, onder de voorwaarden die daartoe zijn vastgesteld in het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ om rechtsbijstand kunnen verzoeken, wat zij niet heeft gedaan, niettegenstaande een dergelijk verzoek mogelijk ertoe had kunnen leiden dat het recht waarvan sprake in debet werd begroot. Voorts kan moeilijk worden ingezien waarom het eerste rapport van Dafi Chahrazad in het TSO diende te worden afgewacht. Verzoekster lijkt daarmee aan te geven dat de hoogdringendheid van de vordering voor haar nog niet zo zeker was. Haar han- delwijze staat aldus haaks op de aard zelf van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en houdt de negatie in van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Indien verzoekster nu wel een uitermate hoge graad van urgentie aan de zaak meent te kunnen toeschrijven, dan had zij zonder talmen, en zeker niet pas acht weken na de van meet af aan grievende beslissing van de beroepscom- missie, haar vordering moeten instellen. Het eerste rapport van haar dochter in het TSO kan daaraan niets veranderen. Voor zover verzoekster ter terechtzitting ook nog erop wijst dat in de brief van de voorzitter van de beroepscommissie van 21 augustus 2018 waarmee de bestreden beslissing haar is meegedeeld, melding wordt gemaakt van een beroepstermijn van zestig dagen bij de Raad van State, dient te worden op- gemerkt dat die termijn het instellen van het beroep tot nietigverklaring betreft, maar losstaat van het voormelde vereiste van diligent handelen dat specifiek geldt voor een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. IX-9427-9/10
  31. Uit wat voorafgaat volgt dat in dit geval niet is voldaan aan de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Bijgevolg is niet voldaan aan alvast één van de grondvoor- waarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid door de Raad van State zou kunnen worden ingewilligd. Die vaststelling volstaat om de voorliggende vordering, bene- vens wat daarover hiervóór sub 4 reeds werd vastgesteld, ook voor het overige te verwerpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 oktober 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-9427-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.835 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.913 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.