id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.877 Rolnummer: A. 223721/VII-40132 Zaak: Arrest 242877 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-19 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-24 16:43 Fiche Arrest nr 242.877 van 8 november 2018 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 242.877 van 8 november 2018 in de zaak A. 223.721/VII-40.132. In zake : Paula DE KEUKELAERE - DE PAEPE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 6 november 2017, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0090 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 26 september 2017 in de zaak 1516/RvVb/0101/SA. II. Verloop van de rechtspleging 2. Een beschikking van 23 november 2017 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.132-1/7 Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure (hierna: cassatieprocedurebesluit) bij de Raad van State. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Met een besluit van 3 september 2015 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de BVBA Topomar een verkavelingsvergunning “voor het verkavelen in vier loten voor het oprichten van eengezinswoningen in halfopen bebouwing en één lot voor het oprichten van een vrijstaande eengezinswoning, na sloping van de bestaande bebouwing”. 3.2. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van verzoekster tot vernietiging van deze vergunningsbeslissing. VII-40.132-2/7 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4. Verzoekster heeft een “verzoek tot voortzetting” ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag en een nota neergelegd ter zitting. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoekende partij luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van verzoekster. Het voormelde verzoek tot voortzetting wordt alleen als procedurestuk in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover deze stukken de neerslag vormen van de uiteenzetting van verzoekster ter terechtzitting, worden ze niet als een procedurestuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. Verzoekster voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, de motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel, het beschikkingsbeginsel, het beginsel van de procesautonomie, het koninklijk besluit van 14 september 1977 tot vaststelling van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, de artikelen 2, 32 en 35 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, het wettigheidsbeginsel, het recht van verdediging, “het recht van een procespartij om in elke stand van het geding een middel dat van openbare orde is, op te werpen, en VII-40.132-3/7 dit ook noopt tot een onderzoek door het rechtscollege voor wie dit middel wordt opgeworpen”. Verzoekster betoogt dat het bestreden arrest in essentie (
- i)niet heeft onderzocht of de door haar aangevoerde aanvullende middelen al dan niet van openbare orde zijn terwijl zij had aangevoerd dat die middelen van openbare orde zijn, (
- ii)dat haar aanvullende middelen niet ten gronde werden beoordeeld hoewel zij niet onontvankelijk werden verklaard en de RvVb zich daarvoor beroept op het recht van verdediging van de twee andere partijen, terwijl de andere partijen dat zelf hadden moeten opwerpen en er wel mogelijkheid tot tegenspraak is geweest, doch de andere partijen daarvan geen gebruik hebben gemaakt, (iii) dat het bestreden arrest geen motivering bevat inzake het element dat het gewestplan Gentse en Kanaalzone voor de relevante zone in een woongebied zou voorzien, noch enige concrete beoordeling van de deelfuncties en voorwaarden binnen de gewestplanzone “woongebied” en dit terwijl niet betwist kan worden dat de “kwestige groene ruimte binnen het projectgebied voor het overgrote deel zal verdwijnen”. Zij bekritiseert het bestreden arrest waar het de aanvullende middelen niet onderzoekt omdat het procedurereglement niet verbiedt dat aanvullende middelen voor het eerst in een wederantwoordnota worden opgeworpen. Het motief in het arrest dat niet werd aangetoond dat de grondslag van de aanvullende middelen pas na het inleidend verzoekschrift aan het licht is gekomen, noemt verzoekster “niet te vatten”. Beoordeling 6. Het bestreden arrest verwerpt, na weergave van de aanvullende middelen van verzoekster, het enige middel na te hebben overwogen in randnummer 4.3: “De Raad stelt tot slot vast dat de verzoekende partij in haar wederantwoordnota voor de eerste maal de schending van het gewestplan Gentse en de Kanaalzone en de wet op de buurtwegen van 1841 inroept. De verzoekende partij kan haar middel, zoals uiteengezet in haar verzoekschrift, VII-40.132-4/7 niet zodanig op ontvankelijke wijze uitbreiden in haar wederantwoordnota dat een nieuw middel ontstaat. Nog daargelaten de vraag of deze nieuwe middelen aan de openbare orde raken, merkt de Raad op dat ook middelen die aan de openbare orde raken in principe in het inleidend verzoekschrift moeten worden ontwikkeld teneinde de rechten van verdediging van de andere partijen te vrijwaren, tenzij de grondslag ervan pas nadien aan het licht is kunnen komen. De verzoekende partij toont niet aan dat de grondslag van deze nieuwe middelen na het indienen van haar verzoekschrift aan het licht is gekomen”. 7. Artikel 89 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse Bestuursrechtscolleges bepaalt dat de RvVb ambtshalve middelen kan inroepen die niet in het verzoekschrift zijn opgenomen, voor zover deze de openbare orde betreffen en dat de kennelijke onredelijkheid of onzorgvuldigheid van de toetsing, door het bestuur, aan de goede ruimtelijke ordening altijd geacht wordt een middel van openbare orde uit te maken. 8. In verband met de rechtspleging van de RvVb bevestigt het Grondwettelijk Hof “het algemeen in de rechtspraak aanvaarde beginsel dat een verzoekende partij steeds na het verstrijken van een termijn middelen die de openbare orde raken of waarvan de grondslag pas later aan het licht komt, kan aanvoeren” (GwH 5 juli 2018, nr. 87/2018). 9. Een middel van openbare orde moet bijgevolg door de verzoekende partij niet noodzakelijk, op straffe van onontvankelijkheid, worden aangevoerd in het verzoekschrift of zodra zij daartoe de gelegenheid heeft in het kader van de procedure nadat ze er kennis van heeft gekregen of er kennis van moest hebben. 10. Het bestreden arrest dat niet het door partijen betwiste openbare orde-karakter van de nieuwe middelen van verzoekster onderzoekt en vereist dat “middelen die aan de openbare raken in principe in het inleidend verzoekschrift moeten worden ontwikkeld […] tenzij de grondslag ervan pas nadien aan het licht is kunnen komen”, schendt het in de rechtspraak aanvaarde beginsel dat een VII-40.132-5/7 verzoekende partij steeds na het verstrijken van een termijn middelen die de openbare orde raken kan aanvoeren. Het middel is gegrond. 11. Er is geen grond om de overige middelen die eveneens teruggegaan op de ongegrondverklaring van het enige middel van verzoekster voor de RvVb, te onderzoeken aangezien ze niet tot een ruimere vernietiging of een vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb/A/1718/0090 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 26 september 2017 in de zaak 1516/RvVb/0101/SA. 2. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. 3. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen. 4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan verzoekster. VII-40.132-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.132-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.877 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div