← België

Arrest 242878 - Milieuvergunningen - 08/11/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.878 Rolnummer: A. 225263/VII-40274 Zaak: Arrest 242878 - Milieuvergunningen - 08/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-19 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-24 16:44 Fiche Arrest nr 242.878 van 8 november 2018 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 242.878 van 8 november 2018 in de zaak A. 225.263/VII-40.

  1. In zake : de VZW NATUURPUNT BEHEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Vandromme kantoor houdend te 8500 Kortrijk Kapucijnenstraat 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 19 mei 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 15 maart 2018 houdende uitspraak over het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Dendermonde van 16 oktober 2017 waarbij aan Ann Veldeman de milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren van een rundveehouderij, gelegen aan de Oudegemstraat te Dendermonde. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. VII-40.274-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
  4. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Vandromme, die verschijnt voor de verzoekende partij, en juriste Leen Lippevelde, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 13 juni 2017 dient Ann Veldeman een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een melkveebedrijf aan de Oudegemstraat in Dendermonde. De beoogde percelen liggen volgens het gewestplan Dendermonde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 november 1978, in agrarisch gebied, en grenzen aan natuurgebied. In een deel van dat natuurgebied beheert de verzoekende partij het private natuurreservaat Porrebeek - Paddebeek (nr. E-395), erkend bij ministerieel besluit van 4 november
  7. Er ligt een poel deels op het beoogde bedrijfsterrein en deels in het erkende natuurreservaat. 3.
  8. Op 16 oktober 2017 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Dendermonde de milieuvergunning voor het houden van VII-40.274-2/15 115 runderen, met bijzondere voorwaarden. 3.
  9. De verzoekende partij dient een bestuurlijk beroep in. 3.
  10. Volgende adviezen worden verleend: - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig onder voorwaarden; - de directie Omgevingsprojecten Milieu adviseert gunstig, mits een in een sub-advies van het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB) voorgestelde bijzondere voorwaarde ter bescherming van de poel wordt opgelegd; - de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar adviseert stilzwijgend gunstig; - de provinciale milieudeskundige adviseert gunstig onder voorwaarden, waaronder de voorgestelde voorwaarde ter bescherming van de poel; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig onder voorwaarden, waaronder de voorgestelde voorwaarde ter bescherming van de poel. 3.
  11. Met het thans bestreden besluit van 15 maart 2018 verwerpt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het ingediende beroep en bevestigt zij de in eerste aanleg genomen milieuvergunningsbeslissing, met toevoeging van volgende bijzondere voorwaarden: “
  12. Vrijwaren poel in het nabijgelegen natuurgebied De poel moet gevrijwaard blijven. Daartoe dient een buffer gerespecteerd te worden van 5 meter tot de randen van de poel (te bepalen in overleg met de gemeentelijke milieudienst en de bevoegde bos/natuurwachter van het Agentschap voor Natuur en Bos). In deze buffer worden geen verhardingen, constructies of opslag van materiaal voorzien en wordt niet bemest en geen pesticiden gebruikt. De vegetatie kan op die manier evolueren naar een typische oeverbegroeiing. Om de zone duidelijk af te bakenen moet een afsluiting geplaatst worden (palen met gladde draden).
  13. Grondwater In afwijking van artikel 5.53.4.3 van Vlarem II - ook al is het debiet daarvoor zijn er 3 mogelijkheden, nl: VII-40.274-3/15 1) de pomp wordt boven voormeld niveau opgehangen; 2) er wordt een afslagmechanisme voorzien dat de pomp stillegt wanneer voormeld niveau bereikt wordt; 3) het debiet van de pomp wordt zo geregeld dat het peil in werking boven voormeld niveau blijft. [...]”. IV. Schorsingsvoorwaarden
  14. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. A. Ernst van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
  15. In een eerste middel, eerste onderdeel, voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), artikel 4.3.3, § 2, en bijlage II van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 9, § 5bis, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), de artikelen 5, § 5, en 35 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. VII-40.274-4/15 Het middel komt er, samengevat, op neer dat de project-MER-screeningsnota duidelijk gebrekkig was zodat de aanvraag niet ontvankelijk en volledig mocht worden bevonden. In de bestreden beslissing wordt erkend dat de screeningsnota onvolledig is zodat de verwerende partij niet tot de haar genomen beslissing kon komen. Voorts neemt de verwerende partij, naar het standpunt van de verzoekende partij, de beoordeling van de screeningsnota niet voldoende ernstig. Ze verschuilt zich achter het -in het tweede onderdeel bekritiseerde- advies van ANB en laat na zelf een beoordeling uit te voeren. De aangewende motieven vormen loutere stijlformules en elke concrete beoordeling ontbreekt. Het louter verwijzen naar “hetgeen wordt besproken onder de milieuhygiënische aspecten” kan niet worden aanvaard. In een eerste middel, tweede onderdeel, voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 13 en 16, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet), de artikelen 9, 10 en 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer (hierna: soortenbesluit), artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van de nadere regels ter uitvoering van het decreet natuurbehoud, artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, de artikelen 5, 30bis, § 1, eerste lid, en 35 van Vlarem I, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij stelt dat wat in de bestreden beslissing de natuurtoets wordt genoemd, “behoudens de vermelding van de voortoets, en het niet vereist zijn van een passende beoordeling op basis daarvan”, eigenlijk neerkomt op een citaat van het aanvullend ingewonnen advies van ANB, waarop de verzoekende partij veel kritiek heeft. Vooreerst betoogt de verzoekende partij dat zij in haar beroepschrift had gewezen op de onvolledigheid van de aanvraag, waarna de aanvrager een aanvullende nota heeft bezorgd, die niet aan enig openbaar onderzoek is onderworpen geweest en die de verzoekende partij VII-40.274-5/15 onbekend is gebleven, maar die blijkbaar wel decisief is geweest voor het bijkomend advies, en daardoor voor het verlenen van de vergunning. Voorts stelt de verzoekende partij dat, voor zover de verwerende partij de motivering in dat bijkomend advies tot de hare heeft gemaakt, de gebreken ervan ook gelden voor de motivering van de bestreden beslissing. In het bijzonder voert de verzoekende partij aan dat

(1)de motieven uitgedrukt in het advies intern tegenstrijdig zijn en niet concreet genoeg, omdat erin gesteld wordt “dat er in de aanvraag en de screening inderdaad geen informatie zit over de aanwezige poel (die een voortplantingsplaats kan vormen voor amfibieën) en het natuurreservaat”, maar vervolgens meteen dat er “voldoende informatie aanwezig” zou zijn “in de aanvraag” om de effecten op fauna en flora te kunnen inschatten, zonder dat wordt verduidelijkt of vermijdbare schade wordt uitgesloten;
(2)de concrete grieven in het beroepschrift met betrekking tot de gevreesde schade, niet worden ontmoet, zoals: de eutrofiëring van de reservaatpercelen door de N-uitstoot en de impact ervan op de graslanden, de impact op de geldende beheersdoelstellingen en de verwezenlijking ervan van het maaibeheer op deze graslanden, de verzuring van de reservaatpercelen dat uit de aanvraag zelf kan blijken (21 ZEQ/ha/jaar), de gevolgen voor de poel door de schaduweffecten van de inplanting van de exploitatie, ook de migratieroutes van de amfibieën worden afgesloten, een simulatie van de impact van het oppompen van hoogwaardig water en de impact ervan op reservaatpercelen en de poel in de onmiddellijke omgeving;
(3)de opgelegde voorwaarde met betrekking tot de poel niet volstaat, omdat deze enkel gericht is op die poel en niet op de rest van het erkende natuurreservaat, en er ook niet is onderzocht of deze voorwaarde voldoende zinvol is en voldoende zekerheid biedt voor de bescherming van de poel; dat de precieze ligging van de poel en de afstand ervan tot de stallen blijkbaar nog onduidelijk is en dat die onzekerheid op zich de voorwaarde onwettig maakt;
(4)de aanvraag en de bestreden beslissing zonder meer voorbijgaan aan de uit de biologische waarderingskaart blijkende aanwezigheid van waardevolle natuur rond de percelen;
(5)in de bestreden beslissing wordt erkend dat de poel “mogelijk een voortplantingsplaats voor amfibieën” is, en dat “deze informatie niet in de screening is opgenomen”, maar vervolgens elke concrete motivering ontbreekt betreffende de impact van de VII-40.274-6/15 geplande exploitatie op de aanwezigheid in de poel en errond van soorten die onder de toepassing van het soortenbesluit vallen.
  1. Wat het eerste onderdeel betreft repliceert de verwerende partij dat met betrekking tot de runderen er zelfs geen project-MER-screeningsnota diende te worden opgemaakt, wel met betrekking tot de aangevraagde grondwaterwinning. Ze betoogt dat “de aangereikte nota [...] evenwel bijkomende info [kon] bezorgen” zodat ANB en zijzelf op de hoogte waren van de aanwezigheid van een reservaat en een poel en hiermee rekening hielden bij de beoordeling van de aanvraag. Het wel vermelden ervan in de MER-screeningsnota zou geen verschil hebben uitgemaakt want de verwerende partij zou tot dezelfde conclusie gekomen zijn. Voorts repliceert de verwerende partij dat zij zich niet heeft beperkt tot stijlformules, omdat deze moeten worden samengelezen met de bespreking onder de “Milieuhygiënische aspecten”. Wat het tweede onderdeel betreft citeert de verwerende partij de passage over de natuurtoets uit de bestreden beslissing, en stelt ze dat zij zich wel degelijk bewust is van de aanwezigheid van de poel en het natuurreservaat en van het feit dat er zich in de toekomst misschien conflictsituaties zouden kunnen voordoen maar zij eveneens van mening is dat er met de huidige aanvraag en mits het naleven van passende voorwaarden, geen reden toe bestaat om de vergunning voor deze inrichting te weigeren. Deze redenering is duidelijk weergegeven in de bestreden beslissing. Voorts repliceert de verwerende partij als zou zij niet hebben geantwoord op de grieven die de verzoekende partij formuleerde tijdens het openbaar onderzoek, dat zij niet verplicht is hierop te antwoorden aangezien in beroep de volledige aanvraag opnieuw dient te worden beoordeeld wat de verwerende partij heeft gedaan. Met betrekking tot de natuurtoets heeft zij zich voornamelijk gebaseerd op het advies van ANB aangezien die nu eenmaal de gespecialiseerde instantie is in deze materie. VII-40.274-7/15 Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Het staat te dezen niet ter betwisting dat de aanvraag betrekking heeft op “een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij het Besluit van de Vlaamse regering van 1 maart 2013 inzake de nadere regels van de project-MER-screening (B.S. 29 april 2013) in uitvoering van het decreet van 23 maart 2012 over de MER-screening (B.S. 20 april 2012)”.
  3. In het bestreden besluit wordt dienaangaande overwogen dat “de aanvraag werd getoetst aan de selectiecriteria zoals opgenomen in bijlage II van het DABM [...] [en] [i]n het licht van de concrete kenmerken van het project, de concrete plaatselijke omstandigheden en de concrete kenmerken van zijn potentiële milieueffecten [...] geen aanzienlijke milieueffecten verwacht [moeten] worden”, en “[g]elet op hetgeen voorafgaat alsook hetgeen wordt besproken onder de milieuhygiënische aspecten, [...] gesteld [kan] worden dat geen MER moet worden opgemaakt”. Daargelaten de vraag, gelet op de niet betwiste onvolledigheid van de screeningsnota gevoegd bij de aanvraag, welke informatie nog in de aanvraag vervat zat om de milieueffecten van de inrichting te kunnen beoordelen, lijkt in elk geval te moeten worden vastgesteld dat blijkens voornoemde motivering de bestreden beslissing is voorbijgegaan aan de eigenheid van de voorafgaande screening. Deze houdt in dat in een eerste beoordeling wordt nagegaan of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Wanneer dit niet a priori kan worden uitgesloten, moet een milieueffectenrapport (hierna: MER) worden opgemaakt dat een grondiger onderzoek inhoudt en bijgevolg grotere waarborgen biedt. “Hetgeen wordt besproken onder de milieuhygiënische aspecten” waarvan sprake in voornoemde motivering kadert binnen het onderzoek VII-40.274-8/15 dat de bevoegde overheid overeenkomstig het milieuvergunningsdecreet en haar uitvoeringsbesluiten dient te voeren om na te gaan of de aan de vergunningsplicht onderworpen activiteiten, die in principe verboden zijn, kunnen plaatsvinden in omstandigheden die vanuit oogpunt van de bescherming van de mens en het leefmilieu aanvaardbaar of toelaatbaar zijn. De voorafgaande screening om te beoordelen of het project al dan niet aanzienlijke milieueffecten kan hebben, kadert binnen de Vlaamse MER-regelgeving die het gevolg is van de omzetting van richtlijn 2011/92/EU, en gebiedt dienvolgens een eigen beoordeling en uitdrukkelijke concrete motivering, die in dit geval lijken te ontbreken. Het eerste middel, eerste onderdeel, is ernstig. Tweede onderdeel
  4. Artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet luidt: “In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen”. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat met “vermijdbare schade” wordt bedoeld: “die schade die kan vermeden worden door de activiteit op een andere wijze uit te voeren (bvb. met andere materialen, op een andere plaats, ...)”. Onvermijdbare schade is dan “de schade die men hoe dan ook zal veroorzaken, op welke wijze men de activiteit ook uitvoert” (Parl.St. Vl.Parl. 2001-02, nr. 967/1, p. 17). Uit de bestreden beslissing, of minstens uit de stukken van het dossier, moet blijken dat de vergunningverlenende overheid de haar door voormeld artikel opgelegde zorgplicht is nagekomen. Overeenkomstig de aangehaalde bepaling, dient elke overheid die wordt gevat door een vergunningsaanvraag er VII-40.274-9/15 zorg voor te dragen dat door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning er geen vermijdbare schade aan de natuur ontstaat.
  5. De bestreden beslissing bevat volgende motivering inzake de “natuurtoets”: “Via het online-instrument ‘Voortoets depositiescan’ wordt de mogelijkheid geboden om de mogelijke implicaties in te schatten van een vergunningsplichtige activiteit op een speciale beschermingszone (SBZ). Volgens de resultaten van de voortoets, die bij de aanvraag werd gevoegd, is er geen risico op een betekenisvolle aantasting van de actuele en mogelijke habitats in habitatrichtlijngebied. De uitwerking van een passende beoordeling is niet nodig. Gezien de ligging van het bedrijf werd er advies gevraagd aan Agentschap voor Natuur en Bos. Het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos vermeldt het volgende: ‘Het perceel waar de nieuwe exploitatie wordt gerealiseerd is gelegen net naast natuurgebied en erkend reservaat. Aan de perceelgrens met het natuurreservaat ligt een poel. De realisatie van een nieuw bedrijf naast een natuurreservaat is niet zo gelukkig en leidt mogelijk tot conflicten. De aanvrager geeft in een aanvullende nota aan dat gezocht is naar alternatieven maar dat het nu voorgestelde perceel de enige optie is en er momenteel geen ander alternatief te realiseren is. Als de best beschikbare technieken gebruikt worden binnen het bedrijf is er geen sprake van vermijdbare natuurschade. In de screeningnota en de aanvraag wordt inderdaad niet ingegaan op de ligging naast een reservaat en een poel. De poel is mogelijk een voortplantingsplaats voor amfibieën. Niettegenstaande deze informatie niet in de screening is opgenomen, is het Agentschap voor Natuur en Bos niet van oordeel dat hierdoor de opmaak van een milieueffectenrapport noodzakelijk is. Er is voldoende informatie aanwezig in de aanvraag om de effecten op fauna en flora te kunnen inschatten. Binnen de natuurreservaten gelden een groot aantal verboden. Deze verboden kunnen evenwel geen erfdienstbaarheden opleggen op de omliggende gebieden. Wel moeten de nodige maatregelen genomen worden om de integriteit van de poel te vrijwaren gezien het volgens artikel 14 van het soortenbesluit verboden is om voortplantingsplaatsen van beschermde soorten te beschadigen. In de aanvraag staan evenwel geen concrete maatregelen beschreven. Het Agentschap voor Natuur en Bos stelt een buffer voor van vijf meter. In deze buffer worden geen verhardingen, constructies of opslag van materiaal voorzien en wordt niet bemest en geen pesticiden gebruikt. De vegetatie kan op die manier evolueren naar een typische oeverbegroeiing. VII-40.274-10/15 Conclusie: Op basis van bovenstaande uiteenzetting verleent het Agentschap voor Natuur en Bos een gunstig advies mits naleving van de volgende bijzondere voorwaarden: De poel moet gevrijwaard blijven. Daartoe dient een buffer gerespecteerd te worden van 5 meter tot de randen van de poel. In deze buffer worden geen verhardingen, constructies of opslag van materiaal voorzien en wordt niet bemest en geen pesticiden gebruikt. De vegetatie kan op die manier evolueren naar een typische oeverbegroeiing. Om de zone duidelijk af te bakenen moet een afsluiting geplaatst worden (palen met gladde draden).’ Er kan dus gesteld worden dat niettegenstaande de ongelukkig gekozen inplanting van het nieuwe bedrijf en de mogelijkheid tot het ontstaan van conflictsituaties, de activiteiten tevens van die aard zijn, dat niet dient gevreesd voor een nadelige impact ervan, mits het opleggen van de voorgestelde voorwaarde”. Uit deze motivering kan worden afgeleid dat uit een -niet voorgelegde- aanvullende nota zou blijken dat “er momenteel geen ander alternatief te realiseren is”, en dat er geen sprake is van vermijdbare natuurschade “als de best beschikbare technieken gebruikt worden binnen het bedrijf”. Deze motivering lijkt nietszeggend en weinig concreet. Er wordt geen enkel antwoord geboden op de beroepsargumenten van de verzoekende partij betreffende de te verwachten impact door eutrofiëring, verdroging en verzuring op het erkende natuurreservaat, en de impact van de inplanting van de bedrijfsgebouwen dicht bij de poel, die een paaiplaats is voor amfibieën. De verzoekende partij lijkt daarbij terecht te stellen dat niet is aangetoond dat de opgelegde voorwaarde van het aanleggen van een buffer zinvol zal zijn en tot bescherming kan dienen, maar integendeel onzeker is dat de voorwaarde ertoe zal leiden dat vermijdbare schade kan worden voorkomen. De verzoekende partij lijkt op het eerste gezicht aannemelijk te maken dat de verwerende partij te kort is geschoten aan de ingeroepen zorgplicht. Het eerste middel, tweede onderdeel, is ernstig. VII-40.274-11/15 B. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen
  6. De verzoekende partij zet omtrent de spoedeisendheid uiteen dat de werken voor het oprichten van de installaties (stal, sleufsilo’s) reeds werden aangevat, en ze voegt twee foto’s bij waarop dit te zien is. Dergelijke werken kunnen volgens haar snel worden uitgevoerd, waarna de exploitatie kan worden aangevat. Ze stelt dat de exploitatie de aanwezige natuurwaarden ernstig kan aantasten, door eutrofiëring, verdroging en verzuring, en dat daar geen ernstig onderzoek naar werd gevoerd. Het is manifest onzeker of de opgelegde voorwaarden wel kunnen volstaan om deze ernstige schade aan de natuurwaarden te kunnen voorkomen. Het leefklimaat van tal van beschermde fauna en flora (soorten) wordt met de exploitatie mogelijk aangetast. De impact ervan is niet afdoend onderzocht, wat de verzoekende partij raakt in haar belangen en haar ernstig benadeelt. Tal van concrete elementen komen dus naar boven en zijn gekoppeld aan enerzijds de waarschijnlijkheid van eutrofiëring en verzuring van de reservaatpercelen, rechtstreeks ten gevolge van de exploitatie, en anderzijds de impact van de exploitatie (waarbij ook de grondwaterwinning, samen met de bijhorende bouwwerkzaamheden), zoals uitdroging, op de poel. Gelet op de statuten van de verzoekende partij, haar beheersdoelstellingen voor dit specifieke gebied (die werden erkend door de minister) en haar beleid voor deze percelen, raakt dit nadeel de verzoekende partij persoonlijk en houdt dit onverkort verband met haar belang. De exploitatie zal plaatsvinden op nauwelijks enkele meters van de erkende reservaatpercelen en de waardevolle poel. Zo staan de stallen al amper op tien meter van de perceelsgrens en de waterwinning gebeurt op enkele tientallen meters van de poel. Ze meent dat de mogelijke schadelijke gevolgen nu nog kunnen worden tegengehouden en dat ze anders onomkeerbaar zouden worden.
  7. In haar nota weerlegt de verwerende partij de aangevoerde spoedeisendheid als volgt: VII-40.274-12/15 “De elementen die verzoeker aanhaalt betreffen allemaal de bouw en niet de exploitatie van de inrichting. In die zin is het zeer vreemd dat geen beroep werd aangetekend tegen het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van 23 oktober 2017 waarbij de vergunning werd verleend voor het bouwen van een nieuwe melkveestal met open loods, sleufsilo’s, voedersilo’s en aanleggen van nieuwe erfverhardingen. Zelfs al zou verzoeker nu de schorsing van de tenuitvoerlegging bekomen van de milieuvergunning, dan betekent dit niet dat de stedenbouwkundige vergunning hierdoor ook wordt geschorst. De exploitant zou dus kunnen doorgaan met de bouwwerken. Door geen schorsing van de tenuitvoerlegging te vragen van de stedenbouwkundige vergunning van 23 oktober 2017 en te wachten tot er voorbereidende werken werden uitgevoerd, zou men kunnen stellen dat verzoeker de spoedeisendheid die hij nu inroept zelf in de hand heeft gewerkt. Daarnaast staat niet vast dat er al effectief met de bouw van de constructies zal begonnen worden. Het is niet omdat er graafmachines aanwezig zijn dat de bouw effectief binnenkort zal starten. Het kan evengoed zijn dat de exploitant enkel al de voorbereidingen treft om dan zo snel mogelijk te kunnen starten van zodra de Raad van State uitspraak heeft gedaan”. Beoordeling
  8. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Bijgevolg mag het kort geding worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden inzonderheid omdat de verzoekende partij dreigt terecht te komen in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Het spoedeisend karakter moet worden beoordeeld op het ogenblik dat uitspraak wordt gedaan over de vordering.
  9. De verzoekende partij maakt in de gegeven concrete omstandigheden aannemelijk dat de hinder van de betrokken inrichting op de fauna en flora in het aangrenzend natuurreservaat en in de poel in het bijzonder dermate ernstig is dat het aangewezen is de zaak in kort geding te beoordelen. Aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan. VII-40.274-13/15 De opwerping van de verwerende partij dat de elementen die de verzoekende partij aanhaalt “allemaal de bouw en niet de exploitatie van de inrichting” betreffen, moet worden tegengesproken: de aangehaalde gevreesde nadelige milieueffecten zijn vooral verbonden aan de exploitatie van de geplande inrichting (waaronder de grondwaterwinning), minstens wat de mogelijke eutrofiëring, verdroging en verzuring van de reservaatpercelen betreft.
  10. Hieruit volgt dat voldaan is aan de bij artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. BESLISSING
  11. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 15 maart 2018 houdende uitspraak over het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Dendermonde van 16 oktober 2017 waarbij aan Ann Veldeman de milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren van een rundveehouderij, gelegen aan de Oudegemstraat te Dendermonde.
  12. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. VII-40.274-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Patricia De Somere VII-40.274-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.878 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.981 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.