← België

Arrest 242880 - Energie - 08/11/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.880 Rolnummer: A. 225786/VII-40346 Zaak: Arrest 242880 - Energie - 08/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-19 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-06-28 21:08 Fiche Arrest nr 242.880 van 8 november 2018 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 242.880 van 8 november 2018 in de zaak A. 225.786/VII-40.

  1. In zake : Hendrik DE LANGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sander Kaïret en Stijn Van Hulle kantoor houdend te 9930 Zomergem Kerkstraat 1, bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Damien Verhoeven, Julie Vanhoenacker en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 27 juli 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de administrateur-generaal van het Vlaams Energieagentschap (hierna: VEA) van 12 juli 2018 waarbij de erkenning van Hendrik De Lange tot verslaggever geweigerd wordt. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. VII-40.346-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
  4. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Van Hulle, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Julie Vanhoenacker, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 3 juli 2014 behaalt verzoeker de academische graad van “Bachelor of Science in de industriële wetenschappen: bouwkunde”. 3.
  7. Verzoeker volgt in 2017 de opleiding tot “EPB-verslaggever” waarin hij slaagt met een score van 77 %. In een e-mail van 19 juni 2018 deelt het VEA mee dat verzoeker zich ten laatste voor 21 december 2018 moet registreren als verslaggever op de energieprestatiedatabank. 3.
  8. Bij beslissing van 12 juli 2018 weigert de administrateur-generaal van het VEA om verzoeker te erkennen als verslaggever, om reden dat het diploma van verzoeker niet staat vermeld in artikel 10.1.3, § 1, tweede lid, van het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid (hierna: Energiedecreet). VII-40.346-2/7 Het is de thans bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Exceptie
  9. In haar nota met opmerkingen werpt de verwerende partij op dat het voorliggend geschil strekt tot de erkenning van een subjectief recht, waarvoor de Raad van State zonder rechtsmacht is. Zij zet uiteen dat verzoeker meent recht te hebben op een erkenning als verslaggever, op grond van het Energiedecreet, en het VEA hieromtrent over geen enkele beleidsvrijheid of beoordelingsmarge beschikt. Volgens de verwerende partij is ook verzoeker zelf die mening toegedaan, zoals blijkt uit het feit dat hij eveneens een procedure heeft ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Artikel 10.1.3, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet laat het VEA geen andere keuze dan het diploma van verzoeker niet te aanvaarden en zijn erkenning als verslaggever te weigeren. Beoordeling
  10. De Raad van State kan in een kort geding slechts een beperkt onderzoek wijden aan ontvankelijkheidsexcepties. Een verzoekende partij kan er zich immers minder behoorlijk tegen verweren dan in een procedure ten gronde. Daarom past het in een kort geding dat de Raad van State deze excepties eerder zou verwerpen dan aannemen tenzij indien zijn beperkt onderzoek uitwijst dat een dergelijke exceptie een hoge graad van ernst vertoont.
  11. Uit de artikelen 144 en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten -altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft en in beginsel, wat de geschillen over politieke rechten betreft- tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een -in dit geval niet bestaande- toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot VII-40.346-3/7 nietigverklaring waarvan het werkelijk en rechtstreeks voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Het bestaan van een subjectief recht veronderstelt dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft. Een partij kan zich ten aanzien van de administratieve overheid enkel op een dergelijk recht beroepen, als de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden is (Cass. 9 december 2016, AR C.16.0057.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.2). Krachtens artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. Die bevoegdheid wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. 8 september 2016, AR C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en AR C.11.0457.F).
  12. Met de thans bestreden beslissing brengt de administrateur-generaal van het VEA aan verzoeker ter kennis dat het diploma van “bachelor in de Industriële Wetenschappen: bouwkunde” waarover hij beschikt, niet staat vermeld in “artikel 10.1.3, tweede lid, 16° van het Energiedecreet”, zodat hij niet in aanmerking komt om op te treden als verslaggever.
  13. Artikel 10.1.3, § 1, van het Energiedecreet luidt: “De Vlaamse Regering kan voorwaarden vastleggen waaraan kandidaat-verslaggevers en verslaggevers moeten voldoen. Die voorwaarden kunnen in elk geval betrekking hebben op de opleiding, beroepskennis en -ervaring. Om als verslaggever te kunnen optreden is de natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon de zaakvoerder, bestuurder of werknemer, VII-40.346-4/7 onverminderd het eerste lid, houder van een van de volgende diploma’s of van een daarmee gelijkgesteld diploma: 1° architect; 2° burgerlijk ingenieur-architect; 3° burgerlijk ingenieur; 4° industrieel ingenieur; 5° technisch ingenieur; 6° bio-ingenieur; 7° gegradueerde in de Bouw; 8° architect-assistent; 9° bachelor in de Bouw(kunde); 10° bachelor in de Elektromechanica: afstudeerrichting Klimatisering; 11° bachelor in de (Toegepaste) Architectuur; 12° interieurarchitect; 13° master in de Architectuur; 14° master in de Ingenieurswetenschappen; 15° master in de Ingenieurswetenschappen: afstudeerrichting Architectuur; 16° master in de Industriële Wetenschappen; 17° master in de Bio-ingenieurswetenschappen. [...]”. Artikel 8.6.1, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid bepaalt nog de volgende erkenningsvoorwaarden: “Om door het Vlaamse Gewest erkend te kunnen worden als een verslaggever, vermeld in §1, voldoet de kandidaat-verslaggever aan de volgende voorwaarden: 1° houder zijn van een door het Vlaams Energieagentschap erkend getuigschrift betreffende een opleiding tot verslaggever, dat niet ouder is dan twaalf maanden; 2° zich ertoe verbinden de verklaring op erewoord voor verslaggevers na te leven; 3° geslaagd zijn voor een door een exameninstelling, als vermeld in artikel 8.7.1, georganiseerd centraal examen”. Uit deze bepalingen volgt dat een recht op een erkenning als verslaggever bestaat indien de rechthebbende aan de vastgestelde voorwaarden voldoet. De verwerende partij beschikt dienaangaande over geen enkele discretionaire bevoegdheid. Op grond van het voorliggende dossier kan het bestuur maar slechts tot één rechtsgeldige beslissing komen. VII-40.346-5/7 In de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat het diploma van “bachelor in de Industriële Wetenschappen: bouwkunde” niet vermeld staat in voornoemde bepaling van het Energiedecreet, en evenmin gelijkwaardig, laat staan gelijkgesteld is met de diploma’s “bachelor in de Bouw(kunde)” en “master in de Industriële Wetenschappen”. Verzoeker betwist dat en stelt dat zijn diploma minstens beschouwd dient te worden als een gelijkgesteld diploma. Hij beroept zich aldus op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan de verwerende partij oplegt en bij de nakoming waarvan hij belang heeft. De bevoegdheid van de verwerende partij is daarbij volledig gebonden. Aldus betreft het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep een geschil over een subjectief recht, waarvoor uitsluitend de hoven en rechtbanken bevoegd zijn.
  14. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om van het voorliggende beroep kennis te nemen. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie vertoont een dergelijke graad van ernst dat ze reeds in de huidige stand van de procedure moet worden aangenomen. De exceptie is gegrond zodat de vordering tot schorsing niet ontvankelijk is. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-40.346-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Patricia De Somere VII-40.346-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.880 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.574 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.