← België

Arrest 242881 - Natuurbehoud - Vergunningen - 08/11/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.881 Rolnummer: A. 217940/VII-39566 Zaak: Arrest 242881 - Natuurbehoud - Vergunningen - 08/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-19 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-24 16:47 Fiche Arrest nr 242.881 van 8 november 2018 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 242.881 van 8 november 2018 in de zaak A. 217.940/VII-39.

  1. In zake : Christophe NICQUE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Haentjens kantoor houdend te 9160 Lokeren Heilig Hartlaan 56 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 23 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos van 21 oktober 2015 tot weigering van een ontheffing van het verbod op ontbossing. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-39.566-1/17 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september
  4. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Haentjens, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker koopt in 2008 een onroerend goed in Stekene. Het omvat twee percelen: op het ene (120/C) staat een woning met tuin, het tweede (119/D) is begroeid met fijnsparren die daar in de jaren 1980 zouden zijn geplant als kerstbomen. 3.
  7. Op 4 oktober 2011 stellen toezichthouders van het Agentschap voor Natuur en Bos vast dat perceel 119/D gedeeltelijk werd ontbost. Er wordt een VII-39.566-2/17 proces-verbaal opgemaakt en er wordt als bestuurlijke maatregel opgelegd dat een kapmachtiging ter regularisatie wordt aangevraagd. 3.
  8. Op 12 december 2011 wordt een kapmachtiging verleend ter regularisatie van de reeds gekapte en voor het kappen van de nog resterende fijnsparren. Er moet worden herbebost met inheems loofhout voor 31 december
  9. 3.
  10. Op 2 februari 2014 stellen toezichthouders van het Agentschap voor Natuur en Bos vast dat verzoeker zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden van de kapmachtiging van 12 december
  11. Er wordt opnieuw een proces-verbaal opgemaakt en er wordt opnieuw een bestuurlijke maatregel opgelegd: de in de kapmachtiging van 12 december 2011 opgelegde herbebossing moet worden uitgevoerd voor eind
  12. 3.
  13. Verzoekers vraag tot ontheffing van het verbod op ontbossing wordt geweigerd op 7 januari
  14. Verzoeker dient daarop een nieuwe vraag tot ontheffing in. Op 18 september 2015 adviseert het Agentschap voor Natuur en Bos ongunstig. Bij de thans bestreden beslissing van 21 oktober 2015 wordt de ontheffing andermaal geweigerd. De motivering luidt als volgt: “Overwegende dat de aanvrager in de nieuwe aanvraag bijkomende argumenten heeft aangevoerd; dat hij deze aanvraag als volgt motiveert:
  15. Het bos was een jong nooit gedund fijnsparrenbos met zieke onstabiele bomen. De bomen werden gekapt om veiligheidsredenen. Er is een tuin aangelegd met een meerwaarde voor de natuur.
  16. De aanvrager wil bijkomend nog fruitbomen, bomen en kleine landschapselementen aanplanten als de ontheffing verleend wordt. Hij wil de tuin ook toegankelijk maken voor scholen en verenigingen. Hij creëert dus op het perceel waardevolle natuur die bij zal dragen tot de biodiversiteit.
  17. De aanvrager meent dat het feit dat de aanvrager geen landbouwer is in hoofdberoep, geen reden is om de ontheffing niet te verlenen, gezien in functie van de invulling van de gewestplanbestemming het begrip landbouw ruim moet geïnterpreteerd worden. Het VII-39.566-3/17 gemeentelijk ruimtelijke ordeningsbeleid is gericht op het in stand houden en bevorderen van landbouwactiviteit.
  18. De aanvrager meent ook dat er geen sprake is van overbegrazing gezien de richtlijn RO/2002/01 in verband met de beoordeling van aanvragen voor het bouwen of oprichten van stallingen voor weidedieren in agrarisch gebied.
  19. Volgens de aanvrager is in de jaren 80 nooit een toelating verleend door het College van Burgemeester en Schepenen in toepassing van artikel 35bis §5 van het veldwetboek.
  20. De aanvrager meent ook dat het bos geen corridor vormt naar aanpalende bossen. Overwegende dat het een bebost perceel betrof met fijnsparren die in de jaren ‘80 werden aangeplant als kerstboomplantage op een voormalige akker of weide; dat de kerstbomen echter nooit werden geëxploiteerd en zijn uitgegroeid tot een bos; Overwegende dat de waarde van een bosecosysteem hoger wordt naarmate het ouder wordt; dat het bos in volle evolutie was; dat mits een gepast omvormingsbeheer deze evolutie kon versneld worden; dat een bosecosysteem een veel grotere ecologische potentie heeft dan een tuin met boomgaard; dat het uitvoeren van een ontbossing voor vertuining in functie van de verhoging van de ecologische waarde geen geldige reden is vanuit natuurontwikkeling, gezien een veel grotere ecologische meerwaarde kan gerealiseerd worden bij een correct bosbeheer; Overwegende dat de oppervlakte bos in Vlaanderen sterk onder druk staat, terwijl het beleid streeft naar een bosuitbreiding; dat er daarom een verbod tot ontbossen werd ingesteld; dat hierop slechts in uitzonderlijke gevallen uitzonderingen worden verleend; Overwegende dat in agrarische gebieden enkel ontheffing verleend wordt in functie van natuurontwikkeling en als de aanvrager een beroepslandbouwer is die het perceel in gebruik wil nemen voor het uitoefenen van zijn landbouwactiviteit; dat er gezien het hier een vertuining betreft niet voldaan werd aan de voorwaarden; dat bovenstaande redenen om een ontheffing toch te verlenen geen zuiver stedenbouwkundige afwegingen zijn, maar voorwaarden in functie van maximaal bosbehoud; Overwegende dat het gekapte bos zich niet op hetzelfde perceel bevindt van de naburige woning van de aanvrager; dat het een perceel betreft met eigen kadastraal nummer en een oppervlakte van 27,16 are; dat op het perceel waarop het huis van de aanvrager staat (perceel 120/C met een oppervlakte van 9,37 are) reeds een ruime tuin beschikbaar is; dat het bos gekapt werd om de tuin groter te maken in functie van voornamelijk het houden van dieren; dat het dus een klassieke vertuining betreft; dat het perceel momenteel overbegraasd wordt; dat de aanplant van hoogstammen suikeresdoorns betreft, een niet inheemse soort uit Canada met een geringe ecologische meerwaarde en een boomgaard; Overwegende dat de aanvrager op een deel van de oppervlakte van perceel 119/D vier schapen en twee minipaarden wil houden; dat de aanvrager hiervoor refereert naar omzendbrief RO/2002/01, voor wat betreft het oprichten van stallingen voor weidedieren in agrarisch gebied; dat dit een omzendbrief is die de contouren van de wetgeving ruimtelijke ordening beschrijft; dat dit geen VII-39.566-4/17 referentie van begrazing in functie van natuurontwikkeling betreft; dat ecologisch gezien een begrazing met maximaal 4 schapen/ha optimaal is; dat de oppervlakte van 27,16 are te klein is om begrazing in functie van natuurontwikkeling te kunnen uitvoeren; dat de minimumgrens 50 are bedraagt; Overwegende dat voor het aanplanten van een kerstboomplantage geen toelating van het college vereist is in kader van artikel 35bis §5 van het veldwetboek; dat gezien het in oorsprong geen bos is maar een landbouwteelt; dat deze kerstboomplantage op korte tijd geëvolueerd is naar bos; dat voor een evolutie zonder menselijke ingreep geen vergunning vereist is; dat het bijgevolg geen wederrechtelijk gecreëerde toestand betreft; Overwegende dat de aanvrager stelt dat hij zijn tuin wil open stellen voor scholen en verenigingen; dat dit op het educatief aspect duidt; Overwegende dat de Meersstraat ver van het centrum en scholen gelegen is; dat dit om praktische redenen dus niet op brede schaal ingevoerd zal kunnen worden; Overwegende dat het bos niet ver ligt van enkele kleine andere boskernen waarmee het een landschapsecologisch onderdeel vormt; dat het bos dus wel degelijk kan fungeren als stapsteen en corridor voor soorten; Overwegende dat de ontheffing niet wordt aangevraagd door een beroepslandbouwer die het perceel in gebruik wil nemen voor het uitoefenen van zijn landbouwactiviteiten; Overwegende dat het ontboste perceel niet gelegen is in een speciale beschermingszone, VEN, beschermd landschap of in een zoekzone voor bosuitbreiding; Overwegende dat de te regulariseren oppervlakte 27,16 are bedraagt [...]”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  21. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 (hierna: bosdecreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel. In zijn nota “met motivering van het verzoek tot ontheffing van het principieel verbod tot ontbossing”, gevoegd bij het verzoek tot ontheffing, zette VII-39.566-5/17 verzoeker tien motieven uiteen op grond waarvan hij het verzoek tot ontheffing motiveerde, zoals vereist door artikel 90bis van het bosdecreet. Volgens verzoeker is de weergave daarvan in de bestreden beslissing onvolledig - hij heeft tien motieven vermeld maar de bestreden beslissing vermeldt er slechts zes - en worden deze motieven, die verzoeker samengevat weergeeft, niet concreet afgewogen tegenover het principiële verbod tot ontbossing.
  22. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de geschonden geachte bepalingen de verwerende partij ertoe verplichten de motieven van verzoeker af te wegen en te toetsen tegenover het principiële verbod tot ontbossing. Het verweer dat de bestreden beslissing een antwoord biedt op alle punten van de argumentatie faalt. Louter exemplatief stelt verzoeker vast dat zijn motieven dat “het gemeentelijk ruimtelijke ordeningsbeleid […] er tot slot op [is] gericht de landbouwactiviteit in stand te houden en te bevorderen”, en de gevraagde ontheffing “ontegensprekelijk een dubbele meerwaarde creëert”, niet worden vermeld in de opsomming en niet in de bestreden beslissing in overweging worden genomen. Het is voor verzoeker een raadsel waarom de verwerende partij de dubbele meerwaarde (waardevolle natuur en waardevollere bebossing ten gevolge van de compensatieverplichting) niet afdoende achtte om een individuele ontheffing te verlenen. Beoordeling
  23. Bij de beoordeling van een individuele ontheffingsaanvraag in toepassing van artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet beschikt de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos over een ruime discretionaire bevoegdheid. In het kader van de uitoefening van deze bevoegdheid kan hij acht slaan op alle relevante elementen van het aanvraagdossier. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het VII-39.566-6/17 afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
  24. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing zoals weergegeven sub 3.5 blijkt dat de verwerende partij uitvoerig de weigering van de ontheffing van het verbod op ontbossing heeft gemotiveerd. Deze motivering verschaft aan verzoeker voldoende duidelijkheid over de determinerende motieven waarom de verwerende partij oordeelde dat verzoekers vraag tot ontheffing van het verbod tot ontbossing diende te worden geweigerd. Dit volstaat in het licht van de formelemotiveringsplicht. Zoals verzoeker zelf stelt, vereist de formelemotiveringsplicht niet dat op alle argumenten van een aanvraag wordt geantwoord. Verzoeker somt weliswaar een reeks argumenten op waarvan hij stelt dat deze niet werden afgewogen tegenover het principieel verbod op ontbossing, maar zet verder niet uiteen, ook niet in zijn laatste memorie, waarom deze argumenten relevant zijn voor een vraag tot ontheffing van het verbod op VII-39.566-7/17 ontbossing en waarom zij eveneens, op straffe van schending van de aangevoerde bepalingen en beginselen, dienden te worden beantwoord bovenop de motieven die verzoeker wel heeft teruggevonden in de bestreden beslissing en die hij in de andere middelen bekritiseert. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  25. In een tweede middel roept verzoeker de schending in van artikel 90bis van het bosdecreet, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In een eerste onderdeel betoogt verzoeker dat artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet niet de voorwaarden omschrijft waaronder een ontheffing kan worden verleend, zodat het bestuur over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, wat verplicht tot een concreet onderzoek en een verplichting tot concrete motivering. Door te oordelen dat “[...] in agrarische gebieden enkel ontheffing verleend wordt in functie van natuurontwikkeling en als de aanvrager een beroepslandbouwer is [...]” voegt de bestreden beslissing, naar verzoekers standpunt, “[...] op algemene wijze, en bij wege van algemene als regel geldende bepaling” voorwaarden en beperkingen toe aan artikel 90bis van het bosdecreet die er op geen enkele wijze instaan. In een tweede onderdeel argumenteert verzoeker dat hij in zijn aanvraag op uitvoerige wijze heeft uiteengezet dat hij het terrein ontwikkelt met respect voor en ter bevordering van de natuur en de biodiversiteit, en dat hij daartoe initiatieven heeft genomen of zal nemen die hij in zijn aanvraag concreet heeft uiteengezet, terwijl in de bestreden beslissing, hoewel wordt vooropgesteld dat in agrarisch gebied enkel ontheffing kan worden verleend “in functie van VII-39.566-8/17 natuurontwikkeling”, toch niet wordt onderzocht of de door verzoeker uitgevoerde en voorgenomen ingrepen daarin kaderen. De motivering dat “het dus een klassieke vertuining betreft; [...] dat de aanplant van hoogstammen suikeresdoorns betreft, een niet inheemse soort uit Canada met een geringe ecologische meerwaarde en een boomgaard”, is volgens verzoeker geen afdoende, pertinente en draagkrachtige motivering die een voldoende antwoord biedt. De bestreden beslissing antwoordt in dat geval enkel op het motief dat verzoeker “17 hoogstam esdoorns heeft aangeplant” maar de overige motieven met betrekking tot de hoogstam fruitbomen, de haag met bloeiende en bessendragende struiken, biologische moestuin, het weidegras met schapen en minipaarden, de kippen in vrije loop, kleine eilandjes natuur en kleine landschapselementen en het ontwikkelen van een natuurlijk ecosysteem, worden op geen enkele wijze onderzocht. In een derde onderdeel heeft verzoeker kritiek op het gehanteerde motief dat verzoeker geen beroepslandbouwer is. Indien de verwerende partij van oordeel is dat in agrarisch gebied een ontheffing op het principiële verbod tot ontbossing kan worden verleend “voor het uitoefenen van zijn landbouwactiviteit” is de vraag of dit gebeurt in het kader van een professionele activiteit dan wel een hobby volgens verzoeker niet relevant. Verzoeker verwijst daarbij naar de rechtspraak van de Raad van State betreffende de bedrijfswoning bij een “leefbaar” agrarisch bedrijf waaromtrent de Raad van State oordeelde dat de notie “leefbaar” in een planologisch-stedenbouwkundig perspectief moet worden geplaatst en niet in een economische zin. De term “leefbaar” moet aldus geïnterpreteerd worden als “bruikbaar of geschikt voor landbouwactiviteiten”. Anders oordelen leidt volgens verzoeker tot een ongerechtvaardigd en onredelijk onderscheid tussen professionele landbouwers en niet-professionele landbouwers, die beiden dezelfde “landbouwactiviteit” uitoefenen, terwijl het economische verschil volkomen irrelevant is bij de beoordeling van een ontheffing op het principiële verbod tot ontbossing. VII-39.566-9/17
  26. Wat betreft het eerste onderdeel, betoogt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat het bestuur weliswaar een leidraad mag hanteren bij het uitoefenen van haar discretionaire bevoegdheid, maar dat zij aan deze richtlijnen geen verordenende kracht mag toekennen. Uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij zulks wel heeft gedaan. Wat betreft het tweede onderdeel, betoogt verzoeker dat de verwerende partij, anders dan zij voorhoudt, niet “zeer duidelijk” motiveert waarom de aanvraag niet in functie van natuurontwikkeling zou zijn. Zij verwijst immers enkel naar het houden van dieren en de aanplant van hoogstammen suikeresdoorns, en antwoordt niet waarom de overige door verzoeker genomen initiatieven niet kunnen worden beschouwd als natuurontwikkeling. Wat betreft het derde onderdeel wederantwoordt verzoeker dat het motief dat hij geen beroepslandbouwer is geen overtollig maar wel een determinerend motief is. Beoordeling Eerste onderdeel
  27. De bestreden beslissing overweegt “dat in agrarische gebieden enkel ontheffing verleend wordt in functie van natuurontwikkeling en als de aanvrager een beroepslandbouwer is die het perceel in gebruik wil nemen voor het uitoefenen van zijn landbouwactiviteit”. Anders dan verzoeker het ziet, kan uit deze formulering niet worden begrepen dat de verwerende partij deze regel opvat als een algemeen dwingende regel die haar bevoegdheid bij het nemen van individuele beslissingen begrenst. De verwerende partij stopt niet bij voornoemde overweging -wat bij een blinde toepassing van een algemene regel zou volstaan- maar voegt daar eigen overwegingen aan toe. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij voorwaarden en beperkingen toevoegt die de bevoegdheid VII-39.566-10/17 zou overschrijden die haar door artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet wordt toegekend. Het eerste onderdeel is ongegrond. Tweede onderdeel
  28. Uit de motieven van de bestreden beslissing wordt afgeleid dat in deze aangelegenheid de eerste zorg een maximaal bosbehoud is, en dat vanuit het oogpunt van natuurontwikkeling het inrichten van een tuin met boomgaard daar niet tegen op weegt, omdat de ecologische waarde daarvan kleiner is dan deze van een correct beheerd bos. Voorts dat het perceel te klein is voor een andere vorm van natuurontwikkeling, namelijk deze die zou kunnen worden bewerkstelligd door beperkte begrazing. Overeenkomstig artikel 2, 12°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu wordt onder “natuurontwikkeling” verstaan: “het geheel van maatregelen gericht op het creëren van voorwaarden voor het tot stand komen of het herstel van natuur in een bepaald gebied”. Artikel 2, 7°, van dat decreet omschrijft “natuur” als “de levende organismen, hun habitats, de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken en de daarmee verbonden uit zichzelf functionerende ecologische processen, ongeacht of deze al dan niet voorkomen in aansluiting op menselijk handelen, met uitsluiting van de cultuurgewassen, de landbouwdieren en de huisdieren”. Uit voornoemde motivering blijkt duidelijk waarom de verwerende partij meent dat verzoekers deels uitgevoerde maatregelen niet van die aard zijn dat de natuurontwikkeling waar ze toe zouden kunnen leiden, opweegt tegen de prioriteit van het bosbehoud. Deze formele motieven volstaan in het licht van artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet en de motiveringswet, ook al worden daarbij niet alle details aangevoerd door verzoeker besproken, aangezien VII-39.566-11/17 de meeste van die maatregelen niet rechtstreeks gericht zijn op natuurontwikkeling. Het tweede onderdeel is ongegrond. Derde onderdeel
  29. De bestreden beslissing weigert de gevraagde ontheffing niet omdat verzoeker geen beroepslandbouwer is. De verwerende partij motiveert wel dat een tuin bij een woning geen agrarische activiteit vormt, en geeft aan dat niet de stedenbouwkundige verenigbaarheid met de bestemming moet worden beoordeeld, maar dat “maximaal bosbehoud” moet worden nagestreefd. De kritiek van verzoeker doet bijgevolg niet terzake. Het derde onderdeel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  30. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van artikel 35bis, § 5, van het veldwetboek, artikel 3, § 3, 6°, van het bosdecreet, artikel 2 van het burgerlijk wetboek en “het algemeen rechtsbeginsel krachtens hetwelk een nieuwe wet onmiddellijke werking heeft, geen terugwerkende kracht”. In zijn nota “met motivering van het verzoek tot ontheffing van het principieel verbod tot ontbossing”, gevoegd bij het verzoek tot ontheffing, zette verzoeker uiteen dat, voor zover hem bekend, de aanplanting van fijnsparren in de jaren tachtig van vorige eeuw is gebeurd zonder de daartoe overeenkomstig artikel 35bis, § 5, van het veldwetboek vereiste vergunning. Het rooien van de bomen maakte dan ook een eind aan de wederrechtelijk gecreëerde toestand. VII-39.566-12/17 Verzoeker stelt dat het veldwetboek geen uitzondering maakt voor kerstboomplantages, en dat “in de mate [dat de] bestreden beslissing in die zin moet gelezen worden dat de kerstboomplantage niet onder toepassing [valt] van artikel 35bis, §5 Veldwetboek, omdat de aanplanting van naaldbomen niet onder de toepassing van het Bosdecreet valt (artikel 3, §3, 6° Bosdecreet), past het bestreden besluit artikel 3, §3, 6° Bosdecreet, zoals vervangen bij art. 23, 2° Decr. VI. Parl. 19 mei 2006 (B.S. 20 juni 2006, tweede uitg.) met terugwerkende kracht toe”.
  31. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker, in antwoord op de door de verwerende partij opgeworpen exceptie, dat hij wel heeft uiteengezet in welke zin artikel 2 van het burgerlijk wetboek zou zijn geschonden, en hij wel degelijk belang heeft bij het middel. Hij verwijst daartoe naar de strafrechtelijke sanctionering van inbreuken op artikel 35bis, § 5, van het veldwetboek en de daarmee verbonden herstelvordering, overeenkomstig de artikelen 90 en 36bis van het veldwetboek. Verzoeker stelt dat hij “vrijwillig een einde [heeft] gesteld aan de wederrechtelijke toestand” en meent dat daarvoor geen ontheffing van het verbod op ontbossing nodig was. Beoordeling
  32. Bossen worden in artikel 3, § 1, van het bosdecreet omschreven als “grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen”. Onder “ontbossen” wordt overeenkomstig artikel 4, 15°, van het bosdecreet verstaan “iedere handeling waardoor een bos geheel of gedeeltelijk verdwijnt en aan de grond een andere bestemming of gebruik wordt gegeven”. Verzoeker betwist niet dat de betreffende grond ten tijde van de door hem uitgevoerde ontbossing een bos was in de zin van het bosdecreet, noch betwist hij deze grond te hebben ontbost. Hij voert geen kritiek op het motief in de VII-39.566-13/17 bestreden beslissing dat de oorspronkelijke “kerstboomplantage” later geëvolueerd is tot een bos en “dat voor een evolutie zonder menselijke ingreep geen vergunning vereist is”. De vraag of de aanplanting in de jaren tachtig van de vorige eeuw al dan niet in overeenstemming was met het veldwetboek doet bijgevolg niet terzake. Het derde middel kan niet tot nietigverklaring leiden. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  33. In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 90bis van het bosdecreet en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. In zijn nota “met motivering van het verzoek tot ontheffing van het principieel verbod tot ontbossing”, gevoegd bij het verzoek tot ontheffing, zette verzoeker het volgende uiteen: “het bos grensde (voorafgaand aan het rooien ervan) niet aan omringende bossen; het vormde derhalve geen ‘corridor’ voor aanpalende boscomplexen, noch vormde het er een verbinding tussen”. In de thans bestreden beslissing wordt voormeld motief verworpen op grond van de overweging dat “het bos niet ver ligt van enkele kleine andere boskernen waarmee het een landschapsecologisch onderdeel vormt; dat het bos dus wel degelijk kan fungeren als stapsteen en corridor voor soorten”. De bestreden beslissing laat volgens verzoeker na concreet aan te duiden welke “enkele kleine boskernen” worden bedoeld, wat bedoeld wordt met “niet ver” en op basis van welke concrete elementen kon worden geoordeeld dat het kwestieuze bos, dat het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot ontheffing, “kan fungeren als stapsteen en corridor voor soorten”.
  34. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker dat in de bestreden beslissing niet wordt verwezen naar luchtfoto’s noch naar de VII-39.566-14/17 biologische waarderingskaart, en dat deze luchtfoto’s niet samen met de bestreden beslissing ter kennis werden gebracht. Beoordeling
  35. Uit artikel 90bis van het bosdecreet blijkt niet dat de nabijheid van andere boskernen, en de ecologische samenhang daarmee, een criterium vormt om een ontheffing te kunnen verlenen. De bekritiseerde overweging in de bestreden beslissing is een antwoord op verzoekers nota bij de aanvraag waarin hij stelde dat “het bos [...] (voorafgaand aan het rooien ervan) niet [grensde] aan omringende bossen” en “het [...] derhalve geen ‘corridor’ [vormde] voor aanpalende boscomplexen, noch vormde het er een verbinding tussen”. Verzoeker illustreerde dat argument met een luchtfoto waarop niet ver van zijn grond meerdere kleine boskernen te zien zijn. Voorts argumenteerde verzoeker in zijn nota dat “indien [hem] de ontheffing tot ontbossing wordt verleend, [...] verzoeker kleine ‘eilandjes’ natuur [wil] aanleggen [...] die door dieren gebruikt kunnen worden als stapsteen om uit te rusten of zich te verplaatsen”. Verzoeker toont in die omstandigheden niet aan dat het motief in de bestreden beslissing dat “het bos niet ver ligt van enkele kleine andere boskernen waarmee het een landschapsecologisch onderdeel vormt; dat het bos dus wel degelijk kan fungeren als stapsteen en corridor voor soorten” niet afdoende zou zijn in het licht van de formelemotiveringsplicht, noch op welke wijze hiermee artikel 90bis van het bosdecreet zou zijn geschonden. Het vierde middel is ongegrond. VII-39.566-15/17 E. Nieuw middel Uiteenzetting van het middel
  36. In zijn laatste memorie voert verzoeker een nieuw middel aan geput uit de schending van artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet en artikel 16, eerste lid, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing. Verwijzend naar het arrest nr. 237.318 van 9 februari 2017 van de Raad van State, betoogt verzoeker dat de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos onbevoegd was om de bestreden beslissing te nemen. Beoordeling
  37. De bevoegdheid die in artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet wordt toegekend aan de Vlaamse regering, werd bij artikel 2, § 9, van het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering toebedeeld aan de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw. Bij toepassing van artikel 14, eerste lid, van datzelfde besluit heeft deze minister bij besluit van 26 mei 2015 tot wijziging van het ministerieel besluit van 13 november 2006 tot regeling van specifieke en aanvullende delegatie van beslissingsbevoegdheden aan het hoofd van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Natuur en Bos, deze bevoegdheid gedelegeerd aan de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos. De steller van de bestreden akte is op grond van deze delegatiebesluiten wel degelijk bevoegd. Het nieuw middel is in elk geval niet gegrond. VII-39.566-16/17 BESLISSING
  38. De Raad van State verwerpt het beroep.
  39. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.566-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.881 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.