← België

Arrest 242929 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/11/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.929 Rolnummer: A. 224060/VII-40154 Zaak: Arrest 242929 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-26 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-24 22:02 Fiche Arrest nr 242.929 van 14 november 2018 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 242.929 van 14 november 2018 in de zaak A. 224.060/VII-40.

  1. In zake :
  2. Bart VERHEYDE
  3. Joline DE JAEGHER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Van Assche kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het cassatieberoep, ingesteld op 21 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0211 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 7 november 2017 in de zaak 1617/RvVb/0019/A. II. Verloop van de rechtspleging
  5. Een beschikking van 17 januari 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.154-1/8 Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure (hierna: cassatieprocedurebesluit) bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober
  6. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Klaas De Pauw, die loco advocaat Pieter Van Assche verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Met een besluit van 14 juli 2016 weigert de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de verzoekende partijen een stedenbouwkundige vergunning te verlenen “voor de regularisatie herbestemming en verbouwing achterbouw eengezinswoning”. 3.
  9. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van deze vergunningsbeslissing. VII-40.154-2/8 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  10. De verzoekende partijen hebben een “verzoekschrift tot voortzetting” ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoekende partij luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de verzoekende partijen. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  11. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 4.7.21, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimelijke Ordening (hierna: VCRO) juncto artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet). Zij betogen dat het bestreden arrest het eerste onderdeel van haar eerste middel “tegenstrijdig beslecht” doordat enerzijds de RvVb erkent dat de tussenkomende partij, de heer De Bolle, in zijn beroepschrift voor de deputatie geen persoonlijke hinder van de vergunningsaanvraag aanvoert en dat de deputatie hun exceptie in de bestreden vergunningsbeslissing niet uitdrukkelijk behandelt “onder een afzonderlijk hoofdstuk”, maar anderzijds stelt dat uit het onderzoek ten gronde van de deputatie kan worden afgeleid dat de heer De Bolle als aanpalende hinder ondervindt door inkijk en dat er dus “sprake is van een afdoende VII-40.154-3/8 beoordeling van de ontvankelijkheid en de opgeworpen elementen”. Hieruit leiden de verzoekende partijen de schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van artikel 4.7.21, § 1, VCRO af. Beoordeling
  12. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering - of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven - maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Er bestaat een tegenstrijdigheid in de motivering als bedoeld in artikel 149 van de Grondwet wanneer er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de redenen van de beslissing onderling of tussen de redenen en het dictum.
  13. Artikel 4.7.21, § 1, VCRO, in zijn toepasselijke versie, luidt: “§
  14. Tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing van het college van burgemeester en schepenen omtrent de vergunningsaanvraag kan een georganiseerd administratief beroep worden ingesteld bij de deputatie van de provincie waarin de gemeente is gelegen. Bij het behandelen van het beroep onderzoekt de deputatie de aanvraag in haar volledigheid”.
  15. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste onderdeel van het enige middel van de verzoekende partijen waarin zij kritiek uiten “op de ontvankelijkheid van het administratief beroep van de tussenkomende partij”, de heer De Bolle. VII-40.154-4/8 Het bestreden arrest oordeelt: “
  16. De verzoekende partijen voeren in het eerste middelonderdeel aan dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van het administratief beroep ten onrechte niet heeft onderzocht in de bestreden beslissing terwijl zij hieromtrent een exceptie hadden opgeworpen. De formele motiveringsplicht, zoals vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, verplicht het vergunningverlenend bestuursorgaan in haar beslissing de feitelijke en juridische overwegingen, op te nemen die aan de grondslag ervan liggen. De belanghebbende zal deze overwegingen dan ook in de beslissing zelf moeten kunnen aantreffen. Deze overwegingen, zowel in feite als in rechte, dienen daarnaast juist, duidelijk, precies en afdoende te zijn. Het vergunningverlenend bestuursorgaan zal haar beslissing dan ook op zo een manier dienen te motiveren dat de belanghebbende in staat wordt gesteld te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de bestreden beslissing concreet werd genomen en, in staat gesteld wordt na te gaan of de gehanteerde motieven daadwerkelijk evenredig en draagkrachtig zijn.
  17. 2.
  18. Het wordt door de verzoekende partijen niet betwist dat de tussenkomende partij eigenaar en bewoner is van de rechts aanpalende woning met tuin. In het verzoekschrift tot vernietiging wordt naar de tussenkomende partij verwezen als ‘klagende rechterbuur’. De verzoekende partijen voeren evenwel aan dat de verwerende partij hun exceptie van ontstentenis van belang in hoofde van de tussenkomende partij niet afdoende onderzocht heeft en haar beslissing op dit punt niet afdoende heeft gemotiveerd. De verzoekende partijen werpen in een replieknota van 30 juni 2016 op dat de tussenkomende partij niet aantoont dat zij over een persoonlijk belang bij het administratief beroep beschikt. Volgens de verzoekende partijen wordt geen melding gemaakt van de hinder die ondervonden moet worden om rechtsgeldig administratief beroep te kunnen instellen. Uit het administratief dossier blijkt dat het beroepschrift van de tussenkomende partij bestaat uit inhoudelijke argumentatie zonder dat er melding wordt gemaakt van de persoonlijke hinder die ingevolge de vergunningsaanvraag geleden zou worden. In een aanvullende nota van 30 juni 2016 antwoordt de tussenkomende partij echter wel op de opgeworpen exceptie van de verzoekende partijen. De Raad stelt vast dat in deze nota met behulp van een fotoreportage wordt verduidelijkt welke inkijk wordt veroorzaakt door de wederrechtelijke werken die voor regularisatie voorliggen. Hoewel de door de verzoekende partijen opgeworpen exceptie niet uitdrukkelijk behandeld wordt onder een afzonderlijk hoofdstuk in de bestreden beslissing, wordt wel in de bestreden beslissing vermeld dat het derdenberoep, ingesteld door de tussenkomende partij, ontvankelijk is ingesteld. VII-40.154-5/8 Bovendien komt de problematiek van inkijk voor de aanpalenden wel degelijk aan bod in het kader van de goede ruimtelijke ordening. De verwerende partij overweegt dienaangaande immers op ondubbelzinnig wijze het volgende […]: ‘[…] In huidig voorstel wordt het wederrechtelijk verbouwde en uitgebreide bouwvolume (dat quasi een nieuwbouw is) behouden, maar wordt voorgesteld in ruil de (oude) bovenverdieping van de achterbouw bij het hoofdvolume te slopen. Dit betreft een koehandel waarbij gezwicht wordt voor het voldongen feit, maar in strijd met de goede plaatselijke ordening, daar bouwvolumes dichter bij de hoofdbouw doorgeschoven worden naar verderop in de tuinzone. Hetzelfde geldt voor de zeer grote raamopeningen in de voor- en achtergevel van de bovenverdieping van het vroegere atelier, welke bovendien in strijd zijn met de bepalingen van art. 679 van het burgerlijk wetboek. Mochten de werken nog niet uitgevoerd zijn, dan zou opgelegd worden dat een grotere afstand tussen de ramen en de perceelsgrenzen moet voorzien worden, en niet dat de ramen eenvoudigweg aan de zijkant met een folie moeten beplakt worden. Dergelijke ‘oplossing’ is niet duurzaam en zal bij de aanpalenden niet het gevoel van overdreven inkijk naar hun achtergevel, terrassen en/of tuinzone wegnemen. De aanvraag wordt om bovenvermelde redenen strijdig met de goede ruimtelijke ordening bevonden.’ Uit de geciteerde passage blijkt duidelijk dat de verwerende partij kennis heeft van het probleem van inkijk voor de aanpalenden en dat zij aanneemt dat de zeer grote raamopeningen in de achtergevel strijdig zijn met de goede ruimtelijke ordening. Nu enerzijds door de verzoekende partijen niet betwist wordt dat de tussenkomende partij een rechtstreeks aanpalende is (‘rechterbuur’) en anderzijds in de bestreden beslissing duidelijk wordt vermeld dat de aanvraag voor overdreven inkijk voor de aanpalenden zorgt, kan uit de overwegingen van de bestreden beslissing afgeleid worden dat de verwerende partij van mening is dat de tussenkomende partij als rechtstreeks aanpalende hinder door inkijk kan ondervinden. 2.
  19. Daarnaast blijkt uit de gegevens van het dossier dat de hinderproblematiek van inkijk naar de belendende percelen meermaals reeds aan bod gekomen is. De inkijkproblematiek wordt immers reeds aangehaald in het bezwaarschrift van tussenkomende partij. Bovendien moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat de verzoekende partijen zelf van deze problematiek op de hoogte lijken te zijn waar zij in hun aanvraag zelf trachten milderende maatregelen op te nemen teneinde hinder door inkijk te beperken. Tot slot merkt de Raad op dat de problematiek van inkijk geen nieuw gegeven is voor de verzoekende partijen. In de weigeringsbeslissing van de verwerende partij van 13 augustus 2015 die werd genomen in een eerdere vergunningsprocedure voor de regularisatie van de wederrechtelijke werken, maakt de ongeoorloofde inkijk vanuit deze gewijzigde slaapkamerramen VII-40.154-6/8 eveneens een weigeringsmotief uit, nadat ook in dat dossier dit gegeven meermaals aan bod is gekomen. 2.
  20. Mede in het licht van de voorgaande overwegingen en gelet op de concrete omstandigheden van het dossier, kunnen de verzoekende partijen in alle redelijkheid niet voorhouden dat zij uit de bestreden beslissing niet kunnen afleiden waarom het beroep van de tussenkomende partij ontvankelijk werd verklaard door de verwerende partij. Het middelonderdeel wordt verworpen”.
  21. Het bestreden arrest bevat geen tegenstrijdige motieven of een tegenstrijdigheid tussen de motieven en de verwerping van het middelonderdeel van de verzoekende partijen door aldus vast te stellen enerzijds dat het administratief beroepschrift van de tussenkomende partij, de heer De Bolle, geen uiteenzetting bevat van de persoonlijke hinder van de vergunningsaanvraag en dat de deputatie de exceptie van de verzoekende partijen niet uitdrukkelijk heeft behandeld onder een afzonderlijk hoofdstuk in de bestreden vergunningsbeslissing, en anderzijds dat in de bestreden vergunningsbeslissing “de problematiek van inkijk voor de aanpalenden wel degelijk aan bod [komt] in het kader van de goede ruimtelijke ordening” en daaruit kan worden afgeleid dat de deputatie “van mening is dat de tussenkomende partij als rechtstreeks aanpalende hinder door inkijk kan ondervinden” en besluit dat verzoekers “in alle redelijkheid niet [kunnen] voorhouden dat zij uit de bestreden beslissing niet kunnen afleiden waarom het beroep van de tussenkomende partij ontvankelijk werd verklaard door de [deputatie]”. Het enige middel wordt verworpen. VII-40.154-7/8 BESLISSING
  22. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  23. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 400 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien november tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.154-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.929 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.