← België

Arrest 242931 - Dierenwelzijn - 14/11/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.931 Rolnummer: A. 223624/VII-40119 Zaak: Arrest 242931 - Dierenwelzijn - 14/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-26 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-24 22:03 Fiche Arrest nr 242.931 van 14 november 2018 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 242.931 van 14 november 2018 in de zaak A. 223.624/VII-40.

  1. In zake : Johan DE MEYST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Verhaest kantoor houdend te 8400 Oostende Romestraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 27 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van de “bestemmingsbeslissing van de Inspectie Dierenwelzijn (meer bepaald hiervoor gemachtigd optredend COLLE Sabine inspecteur-dierenarts) van het Vlaamse Gewest, Departement Omgeving, Afdeling Strategie - internationaal beleid en dierenwelzijn d.d. 01.08.2017 middels waarvan in toepassing van artikel 42, § 2 van de Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren een hond, Engelse Bulldog, met naam Kiara met microchipnummer […], definitief in volle eigendom werd gegeven aan het erkende dierenasiel Het Blauwe Kruis van de Kust, met zetel te 8400 OOSTENDE, Cederdreef 1”. VII-40.119-1/7 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
  4. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Emmanuel Verhaest, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Ingevolge een aangifte begeeft de lokale politie van de politiezone Oostende zich op 18 juli 2017 naar het adres van verzoeker. Zij treft daar een achtergelaten hond aan. De wachtofficier geeft de opdracht de hond te VII-40.119-2/7 ontzetten en foto’s te nemen van het appartement om de vaststellingen die de politie doet, te staven. 3.
  7. De inspectie Dierenwelzijn beslist op 30 augustus 2017 om de hond definitief in volle eigendom te geven aan een dierenasiel dat daarmee instemt. Dit is de bestreden beslissing die als volgt wordt gemotiveerd: “Gelet op de vaststellingen van de politie welke overtredingen zijn van artikel 4 van de wet betreffende het welzijn en de bescherming der dieren: - De eet- en drinkbak waren leeg; - De hond op 18/7/2017 alleen zat zonder eten of drinken terwijl het zeer warm was en het een primaire levensbehoefte is om permanent over proper drinkwater te beschikken en zeker bij heel warm weer; - Het appartement lag er wanordelijk bij en lag vol uitwerpselen wat onnodige risico’s voor de hond met zich meebrengt; - de brandweer dacht dat de hond het in die omstandigheden niet zo lang meer ging uithouden en vreesden voor het leven van de hond indien hij niet spoedig uit het te warme appartement werd gelaten wat op een ernstige situatie wijst; - in het appartement hing een onfrisse geur ondanks het feit dat het raam van het balkon open stond wat er op wijst dat de hond in onvoldoende reine en onvoldoende geventileerde ruimten diende te verblijven; - De hond werd op 18/7/2017 rond 16u40 in beslag genomen en betrokkene heeft zich pas bij de politie aangemeld op 19/7/2017 rond 19u15 en daarbij duidelijk tekenen vertoonde van dronkenschap waarbij hij zich kwaad maakte en hij meedeelde dat zijn hond maximum 2 tot 2,5 dagen alleen heeft gezeten en zijn hond gemakkelijk een week alleen kan overleven, wat wijst op weinig verantwoordelijkheidszin van betrokkene en het feit dat betrokkene mogelijk weinig kennis heeft van de noden van een hond en de hond niet dagelijks wordt uitgelaten door betrokkene aangezien betrokkene pas na meer dan 24 uur zich bij de politie aanmeldde hoewel men dit sneller zou verwachten indien men dagelijks naar zijn dier omkijkt zoals een goede huisvader betaamt; - Betrokkene meedeelde dat zijn hond toch naar buiten kon refererend naar het feit dat de hond toegang had tot het balkon; - Betrokkene geen gevolg heeft gegeven aan de uitnodiging tot verhoor bij de politie noch heeft hij in de voorgestelde periode contact opgenomen met de politiediensten waarbij betrokkene pas op 8/8/17 een verklaring is gaan afleggen waarbij deze meedeelde dat hij 1,5 week ziek was geweest en in een verhuis zat wat er op wijst dat betrokkene niet erg begaan is met zijn dier; Gelet op het feit dat na telefonische contactname met het asiel op 30/8/2017 gebleken is dat het asiel betrokkene zelf eerst heeft opgebeld en niet omgekeerd wat men zou verwachten als met echt begaan is met zijn dier en waarbij betrokkene beloofd had terug contact te zullen nemen en naar het asiel te komen maar nooit ter plaatse geweest is en de gemaakte afspraken niet is nagekomen; Gelet op het feit dat betrokkene daarna zelf nog maar één keer telefonisch VII-40.119-3/7 contact heeft opgenomen met het asiel wat er niet op wijst dat betrokkene echt begaan is met zijn hond gezien de lange periode die de hond al in het asiel verbleef; Gelet op het feit dat bij opzoeking in DOGID is gebleken dat XXX geregistreerd werd op Nijverheidsstraat 37 te 8400 Oostende waaruit blijkt dat de adreswijziging niet tijdig werd doorgegeven wat een overtreding is van artikel 26 van het KB van 28/4/2014”. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van verzoeker
  8. Verzoeker voert de schending aan van artikel 42, §§ 1 en 2, van de wet betreffende de bescherming van het welzijn der dieren (hierna: dierenwelzijnswet), de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 16 van de Grondwet in samenlezing met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), en het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het middel houdt in essentie in dat te dezen niet voldaan is aan de grondvoorwaarde opdat er in toepassing van artikel 42, § 2 van de dierenwelzijnswet zou kunnen worden overgegaan tot de bestuurlijke maatregel van overdracht van de volle eigendom van het dier, aangezien er geen bewijs zou voorliggen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan feiten van dierenmishandeling. Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing “gestoeld is op zeer overdreven en bij deze foutieve feitenvinding en tendentieuze vaststellingen van de Lokale Politie Oostende en van de brandweer Oostende”. De bestreden beslissing richt zich volgens hem naar “zeer eng gepercipieerde vaststellingen” en negeert onder meer “de concrete situatie van verzoekende partij dat hij in die periode aan het verhuizen was naar het betreffend appartement [...] zodat de situatie zomaar en zeer lichtzinnig beoordeeld werd als manifeste dierenverwaarlozing”. VII-40.119-4/7 Beoordeling
  9. Artikel 42 van de dierenwelzijnswet luidde ten tijde van de bestreden beslissing: “§
  10. Wanneer de in artikel 34 bedoelde overheidspersonen een inbreuk op deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of Europese verordeningen of beschikkingen/besluiten vaststellen en deze inbreuk over levende dieren gaat, kunnen zij deze dieren administratief in beslag nemen en indien nodig onderbrengen in een geschikte opvangplaats. [...]. §
  11. De Federale Overheidsdienst bevoegd voor Dierenwelzijn bepaalt de bestemming van het dier dat overeenkomstig paragraaf 1 in beslag werd genomen. Deze bestemming bestaat uit het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de eigenaar, het verkopen, het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het zonder verwijl doden. [...]”. De formele motivering van de bestreden beslissing, die hiervóór werd weergegeven, toont aan waarom die beslissing werd genomen. Verzoeker kende dus de motivering van de beslissing en kon er zich inhoudelijk tegen verweren, hetgeen hij ook gedaan heeft. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt deze daarom niet onwettig. Het feit dat de persoon die de politie had gecontacteerd, had opgemerkt dat “het schuifraam reeds van gisteren open [stond]”, laat niet toe te besluiten dat de bestreden beslissing niet op zorgvuldige wijze is genomen. Dit spreekt de correctheid van de feitenvinding zoals weergegeven in de bestreden beslissing niet tegen, en hetzelfde geldt voor het betoog dat verzoeker “in die periode aan het verhuizen was naar het betreffend appartement”. Uit de vaststellingen van de verbalisaten, die door verzoeker niet worden weerlegd, blijkt dat de hond niet over aangepaste voeding, verzorging en huisvesting beschikte. VII-40.119-5/7 De bewering dat verzoeker “niet gekend is voor enige retroacten gekaderd in de problematiek van dierenmishandeling” staat los van de verhouding tussen de motieven en de inhoud van de beslissing. Wanneer een beslissing steunt op feitelijk juiste en rechtens relevante motieven, kan maar sprake zijn van een schending van het redelijkheidsbeginsel als er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing. Aangezien er geen onwettigheid werd vastgesteld, kan er geen verband met een aantoonbare schending van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM worden gelegd. V. Rechtsplegingsvergoeding
  12. De verwerende partij vraagt een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Gelet op het bepaalde in artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is er aanleiding om de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimumbedrag van 140 euro. BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt het beroep.
  14. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, verschuldigd aan de verwerende partij. VII-40.119-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien november tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.119-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.931 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.