id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.934 Rolnummer: A. 224351/XIV-37624 Zaak: Arrest 242934 - Architecten - 14/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-27 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-28 04:23 Fiche Arrest nr 242.934 van 14 november 2018 Beroepen - Architecten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 242.934 van 14 november 2018 in de zaak A. 224.351/XIV-37.624 In zake: Marc HENDRICKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Wouters kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de NATIONALE RAAD VAN DE ORDE VAN ARCHITECTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Schoofs kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Stationlei 68 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(2)of het mandaat van verzoeker als lid van de provinciale raad kwalificeert als “een bij verkiezing verleend openbaar mandaat” in de zin van 293 Ger. W.. Die tweede vraag is evenwel pas aan de orde nadat de eerste vraag een positief antwoord kent, wat zoals om de hierna uiteengezette redenen zal blijken, niet het geval is. Wat de vraag betreft of de Orde van Architecten bevoegd is om te waken over de toepassing van artikel 293 Ger. W. dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat bij gebrek aan een wettelijke grondslag daartoe een bestuur, zoals de Orde van Architecten die bij wet is opgericht en waarvan de organieke wet van 26 juni 1963 de samenstelling, werking en bevoegdheden regelt, niet op eigen gezag een onverenigbaarheid in het leven mag roepen. De wet van 26 juni 1963 bevat geen regeling inzake onverenigbaarheden voor personen die gekozen zijn op de door de wet bepaalde wijze en op grond van die verkiezing een mandaat bekleden in één van de organen van die orde. Wat de Orde van Architecten als dusdanig betreft, bestaat er geen probleem van onverenigbaarheid. In de mate de bestreden beslissing verwijst naar de onverenigbaarheid in de zin van artikel 293 Ger. W. moet worden vastgesteld dat artikel 293 Ger. W. erin voorziet dat de ambten van de rechterlijke orde onverenigbaar zijn met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat. Indien er zich te dezen een probleem van onverenigbaarheid zou voordoen in hoofde van verzoeker, stelt dat zich aldus in de rechterlijke macht. Er blijkt niet dat de wetgever de organen van de Orde van Architecten de bevoegdheid heeft toegekend om te waken over die welbepaalde onverenigbaarheid. Minstens toont de verwerende partij niet aan of maakt zij redelijkerwijze aannemelijk te veronderstellen dat het de bedoeling zou zijn dat organen van de Orde van Architecten zouden (kunnen) waken over de naleving van de tuchtrechtelijke en deontologische verplichtingen van de ambtsdragers van de rechterlijke macht. Het lijkt integendeel enkel aan de binnen de rechterlijke macht daartoe ingestelde overheden toe te komen om daarop toezicht te houden. XIV-37.624-16/23 De verwijzing van de verwerende partij in haar repliek op het eerste en het tweede middel naar het eerdergenoemde arrest nr. 15.709 van 15 februari 1973, is te dezen niet dienstig. In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het genoemde arrest werd voor de Raad van State in het kader van het gemeentelijke verkiezingscontentieux, een beslissing van de bestendige deputatie van de provincie Henegouwen bestreden waarbij een gemeenteraadslid van zijn mandaat vervallen werd verklaard omdat hij ook plaatsvervangend vrederechter was. Die situatie is wezenlijk verschillend in die zin dat de bestendige deputatie wel degelijk over een uitdrukkelijke wettelijke bevoegdheid beschikte om het betrokken gemeenteraadslid vervallen te verklaren van het mandaat van gemeenteraadslid, met name het toenmalige artikel 82 Gemeentekieswet. Bovenal echter, daargelaten nog de vaststelling dat het mandaat van gemeenteraadslid onbetwistbaar een openbaar mandaat is, bestond er in die zaak niet enkel een wettelijke onverenigbaarheid op het niveau van de rechterlijke macht doch evenzo op het niveau van het betrokken lokaal bestuur (het toenmalige artikel 82 Gemeentekieswet), zoals dat bijvoorbeeld ook vandaag nog geldt voor de gemeenteraadsleden van de gemeenten gelegen in het Vlaamse Gewest (cfr. artikel 10, eerste lid, 2°, van het decreet van 22 december 2017 „over het lokaal bestuur‟). Dergelijke als het ware “dubbele” onverenigbaarheid is te dezen niet voorhanden. Overigens, de enige gevallen waarin de gekozen gewone of plaatsvervangende leden van een raad van de Orde van Architecten - overigens van rechtswege -, van hun mandaat komen te vervallen, zijn limitatief opgesomd in de wet van 26 juni 1963 en vereisen een tucht- of strafrechtelijke veroordeling (cfr. de artikelen 44 en 45 van de wet van 26 juni 1963).
- In de mate de verwerende partij in haar repliek “in uiterst ondergeschikte orde” nog verwijst naar artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 juni 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: het EVRM) en diverse bepalingen van de Grondwet die volgens haar de XIV-37.624-17/23 onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters waarborgen, moet worden vastgesteld dat zij - daargelaten nog dat het een niet toegelaten ex post motivering betreft -, nalaat om te concretiseren hoe deze beginselen te dezen specifiek zouden worden bedreigd of zouden kunnen leiden tot een - niet bij wet voorziene - onverenigbaarheid op het niveau van het mandaat van lid van de provinciale raad. Wat, tot slot, de bekommernis betreft dat de betrokken onverenigbaarheid tot gevolg zou hebben dat de provinciale raad niet geldig samengesteld zal zijn en al zijn beslissingen evenmin geldig zullen zijn, dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij nalaat om een rechtsgrond voor die stelling aan te brengen. De wet van 26 juni 1963 bevat alvast geen bepaling in die zin. De Raad van State bedenkt zich overigens dat mocht er omwille van verzoekers activiteiten, welke ook, al een probleem van wettige verhindering rijzen naar aanleiding van een te nemen beslissing door de provinciale raad waarvan hij deel uitmaakt, bijvoorbeeld in het kader van de uitoefening van zijn tuchtbevoegdheid, dan biedt het onpartijdigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, het recht van wraking van de betrokkene iuncto de door de wet van 26 juni 1963 voorziene mogelijkheden tot plaatsvervanging, voldoende waarborgen.
- De conclusie moet derhalve zijn dat, zoals in het eerste en het tweede middel werd uiteengezet, geen rechtsgrond voorligt op grond waarvan de provinciale raad verzoeker vermocht te ontzeggen zijn mandaat als verkozen lid van die raad uit te oefenen omwille van zijn ambt als werkend rechter in sociale zaken. Het eerste en het tweede middel zijn in de aangegeven mate gegrond. Die vaststellingen volstaan om tot vernietiging van de bestreden beslissing te leiden. XIV-37.624-18/23 VI. Toepassing korte debattenprocedure
- Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. VII. Toepassing van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
- Bij de betekening van het auditoraatsverslag aan de verwerende partij is melding gemaakt van de inhoud van artikel 93 van de algemene procedureregeling. De verwerende partij werd er op gewezen dat zij binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van dat verslag kan vragen om artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State toe te passen. Op 7 mei 2018 dient de verwerende partij overeenkomstig artikel 93, tweede lid, van de algemene procedureregeling, een verzoekschrift in om artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State toe te passen. Met een schrijven van 29 mei 2018 doet verzoeker zijn schriftelijke opmerkingen gelden. Het verzoek van de verwerende partij, ingediend op 7 mei 2018, strekt ertoe de Raad van State te verzoeken: “De gevolgen te willen bepalen van een eventueel tussen te komen vernietiging van de beslissing van de Provinciale Raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel Hoofdstad dd. 27/11/2017, inzonderheid met betrekking tot: 1) De huidige samenstelling van de Provinciale Raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel Hoofdstad; 2) De door haar tussentijds genomen en/of nog te nemen beslissingen; 3) De benoeming van [K.G.] als raadslid (in vervanging van architect Marc Hendrickx) én als secretaris van het Bureau; 4) De huidige samenstelling van het Bureau (cfr. artikel 30 van het Koninklijk Besluit van 31 augustus 1963 tot regeling van de toepassing van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten: „op deze vergadering kiest de nieuwe raad in zijn schoot de drie leden van XIV-37.624-19/23 het bureau: eerst de voorzitter, daarna de ondervoorzitter, en ten slotte de secretaris. De verkiezingen geschieden bij afzonderlijke stemming en met de volstrekte meerderheid van het aantal geldige stemmen. De stemming is geheim: op straf van ongeldigheid mag ieder stembriefje slechts een enkele naam opgeven.‟) en de keuze van de afgevaardigde voor de nationale raad en diens plaatsvervanger (cfr. art. 34, a) van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten: „tien gewone leden en tien plaatsvervangende leden, die zitting hebben bij verhindering van de gewone leden, door de raden van de Orde onder hun leden gekozen voor een termijn van zes jaar, naar rata van een gewoon en een plaatsver- vangend lid per raad‟); 5) De door het Bureau tussentijds genomen en/of nog te nemen beslis- singen.” Beoordeling
- Het verzoek zoals geformuleerd door de verwerende partij past niet binnen de bevoegdheid aan de Raad van State toegekend door artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de gevolgen aan te wijzen van een vernietigde individuele akte die als definitief moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die de Raad vaststelt. Met haar verzoek vraagt de verwerende partij aan de Raad van State immers niet specifiek om het behoud van de gevolgen van de bestreden beslissing. Zij wenst daarentegen van de Raad van State te vernemen wat de gevolgen zullen zijn van de nietigverklaring van die beslissing. Het voorliggend verzoek past veeleer binnen artikel 35/1 van diezelfde gecoördineerde wetten en moet worden opgevat als een dergelijk verzoek om verduidelijking.
- Artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Art. 35/
- Op verzoek van één der partijen, ten laatste in de laatste memorie, verduidelijkt de afdeling bestuursrechtspraak in de motieven van haar arrest houdende nietigverklaring, de maatregelen die moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring te verhelpen”. XIV-37.624-20/23 Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat deze bevoegdheid voortvloeit uit het idee dat, “wanneer te verwachten valt dat een arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak”, de partijen kunnen vragen “dat in hetzelfde arrest wordt verduidelijkt hoe de tenuitvoerlegging ervan wordt gefaciliteerd”. Deze verduidelijkingen omvatten “de nodige uitleg betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde om aan de onregelmatigheden te remediëren die tot de nietigverklaring hebben geleid” (Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26).
- Te dezen maakt de verwerende partij niet aannemelijk dat te verwachten valt dat het arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak. De algemeenheid van de executieproblemen die de verwerende partij voorlegt, en waarvan niet van alle blijkt dat die zich daadwerkelijk gaan voordoen en indien wel, in de zin zoals de verwerende partij stelt, is dusdanig dat dit de Raad van State niet toelaat met voldoende preciesie uitleg te geven betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde om aan de onregelmatigheden die tot de nietigverklaring hebben geleid, te remediëren. Bovendien is het vernietigingsmotief duidelijk in het arrest uiteengezet, wat de verwerende partij moet toelaten tegemoet te komen aan de vastgestelde gebreken zodat bijkomende preciseringen zich niet opdringen. Dat dit betekent, wat verzoeker betreft, dat hij het mandaat waarin hij is verkozen effectief moet kunnen uitoefenen met alle daaraan verbonden prerogatieven en dus moet kunnen deelnemen (met inachtneming van de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen, bijzonder afdeling V van het koninklijk besluit van 31 augustus 1963), aan de installatievergadering waarvan hij uitgesloten is gebleven, beseft de verwerende partij kennelijk ook zoals uit haar verzoekschrift (punten 4 en 5) kan worden afgeleid.
- Het verzoek om toepassing te maken van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt afgewezen. XIV-37.624-21/23 VIII. De vordering tot schorsing
- De nietigverklaring van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoer- legging ervan geen voorwerp meer heeft. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de Provinciale Raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad van 27 november 2017 waarbij wordt beslist dat de heer Marc Hendrickx zijn mandaat als effectief lid van de Provinciale Raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad, mandaat waarvoor de heer Marc Hendrickx verkozen is, niet kan uitoefenen.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XIV-37.624-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien november tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-37.624-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.934 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div