← België

Arrest 242934 - Architecten - 14/11/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.934 Rolnummer: A. 224351/XIV-37624 Zaak: Arrest 242934 - Architecten - 14/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-27 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-28 04:23 Fiche Arrest nr 242.934 van 14 november 2018 Beroepen - Architecten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 242.934 van 14 november 2018 in de zaak A. 224.351/XIV-37.624 In zake: Marc HENDRICKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Wouters kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de NATIONALE RAAD VAN DE ORDE VAN ARCHITECTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Schoofs kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Stationlei 68 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 26 januari 2018, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Provinciale Raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad dd. 27 november 2017 […] waarbij wordt beslist dat de heer Marc Hendrickx zijn mandaat als effectief lid van de Provinciale Raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad, mandaat waarvoor de heer Marc Hendrickx verkozen is, niet kan uitoefenen”. XIV-37.624-1/23 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: de algemene procedureregeling), en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟. Verzoeker heeft gevraagd om toepassing te maken van artikel 35/1 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober
  4. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt in persoon, advocaat Lisa Van Besouw, die loco advocaat Joris Wouters verschijnt voor verzoeker, en advocaat Steve Parys, die loco advocaat Marc Schoofs verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. XIV-37.624-2/23 III. Feiten 3.
  6. Op 26 oktober 2017 worden binnen de Orde van Architecten verkiezingen georganiseerd, onder meer om de samenstelling van de provinciale raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad gedeeltelijk te vernieuwen. 3.
  7. Verzoeker stelt zich op 23 september 2017 kandidaat voor een mandaat als lid van de provinciale raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad (hierna: de provinciale raad). Verzoeker blijkt als werkgever ook rechter in sociale zaken te zijn in de arbeidsrechtbank te Leuven. 3.
  8. Bij nazicht van zijn kandidatuur door het bureau van de provinciale raad op 28 september 2017, wordt opgemerkt dat er zich mogelijk een onverenigbaarheid op grond van artikel 293 Ger. W. zal voordoen als hij zou worden verkozen. Evenwel erkent het bureau “dat dit geen afbreuk doet aan de geldigheid van de kandidatuurstelling”. 3.
  9. Op 26 oktober 2017 wordt verzoeker verkozen als effectief lid van de provinciale raad. 3.
  10. Met een schrijven van 6 november 2017 vraagt de verwerende partij aan verzoeker om zijn intenties kenbaar te maken betreffende het opnemen van het mandaat als effectief lid van de provinciale raad en de onverenigbaarheid van dat mandaat met het ambt van rechter in sociale zaken. 3.
  11. Verzoeker antwoordt op 18 november 2017 dat hij wel degelijk het mandaat als effectief lid van de provinciale raad wil opnemen. Hij licht daarin toe waarom er volgens hem geen onverenigbaarheid bestaat met het ambt van rechter in sociale zaken. XIV-37.624-3/23 3.
  12. Verzoeker, die zonder reactie is gebleven op zijn schrijven vermeld in punt 3.6, stuurt op 27 november 2017 nog een schrijven aan de verwerende partij waarin hij wijst op briefwisseling die is gevoerd met de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Leuven en de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Brussel, waaruit blijkt dat deze magistraten zouden hebben verklaard geen enkel probleem te zien qua onverenigbaarheid in de zin van artikel 293 e.v. Ger. W. 3.
  13. Op 27 november 2017 vindt de installatievergadering plaats van de nieuw verkozen leden van de provinciale raad. Op deze vergadering wordt de situatie van de verzoekende partij besproken. Er wordt als volgt beslist: “1.
  14. Onverenigbaarheid mandaten Marc Hendrickx Kan het gekozen raadslid Marc Hendrickx in het licht van art. 293 van het gerechtelijk wetboek zijn mandaat uitoefenen gelet op het feit dat hij benoemd is als sociaal rechter en deze functie gedurende de loop van het mandaat waarvoor hij gekozen is, wenst te blijven uitoefenen? Architect Marc Hendrickx is niet akkoord met de vraagstelling, laatste stuk waarin hij zijn mandaat wenst te blijven uitoefenen moet eruit volgens Marc Hendrickx. De stemming gebeurt anoniem. Ja: 1 Nee 5 Onthouding 1 De Raad besluit hieruit dat naar het oordeel van de Raad het gekozen raadslid Marc Hendrickx zijn mandaat niet kan uitoefenen. Er wordt Marc Hendrickx gemeld dat hij in beroep kan gaan bij de Raad van State. Er wordt Marc Hendrickx bijgevolg gevraagd om de vergadering te verlaten. Hij weigert de vergadering te verlaten omdat hij van mening is dat hij verkozen is en dus wenst hij te blijven zitten. De vergadering wordt derhalve gesloten.” Dit is de thans bestreden beslissing. 3.
  15. Met een aangetekende brief van 27 november 2017 geeft de verwerende partij kennis van de bestreden beslissing aan verzoeker. 3.
  16. Er volgt nog enige briefwisseling tussen verzoeker en de verwerende partij, waarin beiden op hun standpunten blijven. XIV-37.624-4/23 3.
  17. Op 16 december 2017 stelt verzoeker bij de Nederlandstalige raad van beroep van de Orde van Architecten beroep in tegen de bestreden beslissing. Op 18 december 2017 stelt ook de Nationale Raad van de Orde van Architecten bij de Nederlandstalige raad van beroep van de Orde van Architecten beroep in tegen de bestreden beslissing. 3.
  18. Op 26 januari 2018 stelt verzoeker het voorliggende beroep in. 3.
  19. Op 5 maart 2018 beslist de Nederlandstalige raad van beroep van de Orde van Architecten dat de beroepen van 16 en 18 december 2017 niet ontvankelijk zijn nu zij niet binnen de limitatieve bevoegdheden van die raad vallen. Er kan volgens de raad van beroep enkel bij de Raad van State beroep worden ingesteld. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Excepties
  20. De verwerende partij voert een eerste exceptie aan waarbij zij doet gelden dat het verzoekschrift artikel 8 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ en artikel 2, § 1, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ schendt doordat in het verzoekschrift niet de correcte verwerende partij wordt vermeld. Vervolgens beroept de verwerende partij zich in een tweede exceptie op het adagium „electa una via non datur recursus ad alteram’. Zij argumenteert dat verzoeker tegen de bestreden beslissing op 16 december 2017 een vernietigingsberoep heeft ingesteld bij de Nederlandstalige raad van beroep van de Orde van Architecten en dat verzoeker nadien “geen andere weg meer XIV-37.624-5/23 [kon] kiezen”. De verwerende partij verwijst voor een toepassing van dit adagium naar “bijvoorbeeld” artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij wijst erop dat beide door verzoeker ingeleide vorderingen op dezelfde oorzaak berusten en op dezelfde wijze gemotiveerd worden. De verwerende partij wijst op het risico dat er anders onverenigbare uitspraken tot stand zouden komen. Tot slot, doet de verwerende partij met een derde exceptie gelden dat verzoeker een onwettig belang nastreeft met zijn vordering. Hij vraagt om het mandaat als lid van de provinciale raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad te mogen opnemen naast zijn ambt als werkend rechter in sociale zaken, terwijl artikel 292 e.v. Ger. W. dienaangaande in een wettelijke onverenigbaarheid voorzien. Beoordeling
  21. Wat de eerste exceptie betreft kan volstaan met de vaststelling dat een fout of een vergissing in de aanwijzing van de verwerende partij in het verzoekschrift niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep, nu het de Raad van State zelf is die de verwerende partij aanduidt. Te dezen heeft het auditoraat op grond van de gegevens vermeld in het verzoekschrift de Orde van Architecten - terecht - kunnen aanduiden als de verwerende partij in de voorliggende zaak. Aan de verwerende partij is van het verzoekschrift kennis gegeven en zij heeft zich met kennis van zaken daartegen kunnen verweren. De exceptie wordt verworpen.
  22. Wat de tweede exceptie betreft dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij geen enkele specifieke rechtsgrond aanbrengt om haar stelling te ondersteunen dat verzoeker door bij de Nederlandstalige raad van beroep van de Orde van Architecten een (intern) beroep in te dienen afstand zou hebben gedaan van de mogelijkheid die de wet hem biedt om voor de XIV-37.624-6/23 Raad van State in rechte te treden tegen de bestreden beslissing. Er dient te worden vastgesteld dat noch de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch de wet van 26 juni 1963 „tot instelling van een Orde van Architecten‟ (hierna: de wet van 26 juni 1963) te dezen een dergelijk beletsel inhouden. Het zou anders zijn, wat te dezen niet het geval is, indien de bestreden beslissing zou vallen onder de limitatieve bevoegdheden van de Nederlandstalige raad van beroep van de Orde van Architecten (cfr. artikel 31 van de wet van 26 juni 1963). Alsdan zou inderdaad eerst een beroep bij die instantie moeten worden ingesteld en vervolgens, op grond van artikel 33 van de wet van 26 juni 1963 en artikel 1121/1, § 1, 6°, Ger. W., cassatieberoep bij het Hof van Cassatie. Dit zou alsdan de rechtsmacht van de Raad van State uitsluiten. De Nederlandstalige raad van beroep van de Orde van Architecten heeft te dezen op 5 maart 2018 echter terecht geoordeeld dat de zaak buiten haar limitatief in artikel 31 van de wet van 26 juni 1963 bepaalde bevoegdheden valt en bijgevolg tot de rechtsmacht van de Raad van State behoort. Overigens zag ook de verwerende partij het meteen zo, wat blijkt uit de door haar in de bestreden beslissing vermelde beroepsmogelijk- heid waarbij zij uitdrukkelijk verwijst naar de mogelijkheid om bij de Raad van State een vernietigingsberoep in te stellen tegen de bestreden beslissing. De verwijzing van de verwerende partij naar het electa una via-principe vervat in artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is niet pertinent. Deze bepaling betreft de samenloop van een vordering tot schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State en een vordering tot schadevergoeding uit grond van artikel 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek waarvoor de gewone rechtscolleges bevoegd zijn, wat niet het voorwerp is van het enig verzoekschrift waarbij de schorsing en de vernietiging van de bestreden beslissing wordt benaarstigd. De tweede exceptie wordt verworpen.
  23. Wat tot slot de derde exceptie betreft, bemerkt de Raad van State dat verzoeker met het voorliggende beroep beoogt om het mandaat te XIV-37.624-7/23 kunnen opnemen waartoe hij wettig werd verkozen, wat bezwaarlijk kan worden aangezien als een onwettig belang. Wat het argument betreft dat het door verzoeker uitgeoefende ambt als werkend rechter in sociale zaken hem zou beletten het mandaat als lid van de provinciale raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad waartoe hij is verkozen, op te nemen, valt de exceptie samen met de grond van de zaak, waarin de verzoeker net doet gelden dat de betrokken onverenigbaarheid ten onrechte tegen hem werd opgeworpen. Zoals hierna bij de boordeling van de twee aangevoerde middelen zal blijken, ontbeert de aanname dat het ambt als werkend rechter in sociale zaken verzoeker belet zijn mandaat als verkozen lid van de provinciale raad op te nemen rechtsgrond, zodat ook de derde exceptie ongegrond is. V. De middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  24. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van “de artikelen 9 en 11 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten; schending van de artikelen 7, 26, 27, 29 en 30 van het KB van 31 augustus 1963 tot regeling van de toepassing van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten; schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurs- handelingen; schending van de formele motiveringsplicht”. Samengevat, voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing niet rechtsgeldig is genomen omdat verzoeker geldig is voorgedragen als kandidaat en bij de verkiezingen van 26 oktober 2017 is verkozen als effectief lid van de provinciale raad van de Orde van Architecten van de provincie XIV-37.624-8/23 Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad. De uitslag van deze verkiezingen is niet aangevochten zodat deze definitief is. De verwerende partij is gehouden tot naleving van de verkiezingsuitslag en deze te respecteren. Zij beschikt over geen enkele bevoegdheid om alsnog te beslissen dat verzoeker zijn mandaat niet kan uitoefenen. Minstens was zij ertoe gehouden te motiveren waarom zij zulks alsnog wel kon beslissen. Bovendien was de verwerende partij ertoe gehouden een geldige samenstelling van de provinciale raad te organiseren bij gebrek waaraan deze samenstelling geen beslissing mocht nemen. Verzoeker licht het middel verder toe. Vooreerst zet hij met verwijzing naar de artikelen 9 en 11 van de wet van 26 juni 1963 en artikel 7 van het koninklijk besluit van 31 augustus 1963 „tot regeling van de toepassing van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten‟ (hierna: het koninklijk besluit van 31 augustus 1963) uiteen dat zijn kandidatuur voor de verkiezingen geldig is en ook werd aanvaard zodat blijkt dat hij verkiesbaar was. Geen enkel bezwaar is geformuleerd. Op 26 oktober 2017 werd hij verkozen als effectief lid van de provinciale raad. Er werd bij de raad van beroep geen beroep ingediend tegen de uitslag van die verkiezingen, zodat deze definitief is (cfr. artikelen 26 en 27 van het koninklijk besluit van 31 augustus 1963), met inbegrip van het feit dat hij is verkozen als effectief lid. Hieraan kan niets meer worden veranderd, behoudens in de gevallen van artikel 44 van de wet van 26 juni 1963, die hier niet van toepassing zijn. Er was geen mogelijkheid meer om de uitslag van de verkiezingen te betwisten of te wijzigen. Door dit alsnog te beslissen op 27 november 2017 schendt de verwerende partij de in het middel aangehaalde bepalingen. De verwerende partij motiveert alleszins niet waarom zij meent dit alsnog te kunnen beslissen. Voorts doet verzoeker nog gelden dat de provinciale raad niet de vereiste bevoegdheid heeft om te beslissen dat hij het mandaat waartoe hij werd verkozen, niet mag uitoefenen. Er is geen enkele wettelijke of reglementaire grondslag voorhanden. Enkel de raad van beroep is bevoegd om uitspraak te doen over de uitslag van de verkiezingen en de betwisting daarvan. In wezen negeert de provinciale raad de uitslag van de verkiezingen en beslist zij zelf wie wel en niet lid mag zijn. Dit is manifest onwettig. Alleszins wordt niet gemotiveerd waarom de provinciale raad zichzelf XIV-37.624-9/23 bevoegd acht. Tot slot, voert verzoeker nog aan dat de vergadering van de provinciale raad die op 27 november 2017 de bestreden beslissing nam, niet geldig was samengesteld. De bestreden beslissing vermeldt architect M. D. en architect V. V., die afgevaardigde van de Nationale Raad zijn en geen stemrecht in de provinciale raad hebben. Er wordt niet verduidelijkt hoe deze personen stemgerechtigd waren. De vergadering van 27 november 2017 mocht derhalve niet beslissen. De samenstelling is niet in overeenstemming met de artikelen 29 en 30 van het koninklijk besluit van 31 augustus
  25. In haar nota met opmerkingen wijst de verwerende partij erop dat de rechtskundig assessor van de provinciale raad op het ogenblik van nazicht van de kandidaturen voor de verkiezingen van 26 oktober 2017 de aandacht heeft gevestigd op het probleem inzake onverenigbaarheid ex artikel 293 en 300 Ger. W. in hoofde van verzoeker. Het was dus voor verzoeker duidelijk dat hij een keuze zou moeten maken. De verwerende partij erkent dat de uitslag van de verkiezingen niet werd betwist, doch zij ziet niet hoe dit een middel tot nietigverklaring van de bestreden beslissing zou opleveren. De bestreden beslissing heeft niets te zien met de verkiezingsuitslag, zij vereist niet dat deze had moeten worden aangevochten. De bestreden beslissing is gestoeld op de vaststelling dat verzoeker naast het mandaat als lid van de provinciale raad het mandaat als werkend rechter in sociale zaken wenste te behouden, een onverenigbaarheid in de zin van artikel 292 e.v. Ger. W. Dit verhindert niet dat verzoeker zou deelnemen aan de verkiezingen, wel moest hij daarna een keuze maken, wat hij niet heeft willen doen. Om die reden werd beslist dat hij het mandaat als raadslid niet kon opnemen. Wat verzoekers grief betreft dat de provinciale raad niet de vereiste bevoegdheid heeft om te beslissen dat hij het mandaat waartoe hij werd verkozen, niet mag uitoefenen, is het volgens de verwerende partij “evident” dat het orgaan waar men aan de verkiezingen van deelneemt en waarin men een mandaat wenst op te nemen, kan vaststellen dat de uitoefening van het mandaat een strijdigheid met de wet oplevert. Zij verwijst daartoe naar het arrest nr. 15.709 van 15 februari 1973 van de Raad van State. De raad van beroep van de Orde van Architecten heeft volgens de verwerende partij XIV-37.624-10/23 “in dezelfde lijn” beslist op 5 maart 2018 dat de installatievergadering de bestreden beslissing mocht nemen. Wat betreft de ongeldige samenstelling van de desbetreffende vergadering repliceert de verwerende partij tot slot dat verzoekers argumentatie inzake de aanwezigheid van M. D. en V. V. op de vergadering van de provinciale raad van 27 november 2017 onjuist is. Op 16 februari 2014 werden M. D. en V. V. geldig verkozen als lid van de provinciale raad. Zij werden vanuit deze raad afgevaardigd naar de Nationale Raad. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  26. In het tweede middel van zijn verzoekschrift voert verzoeker een schending aan van “artikel 293 van het Gerechtelijk Wetboek; schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; schending van de formele motiverings- plicht; schending van het zorgvuldigheidsbeginsel”. Samengevat, doet hij gelden dat de bestreden beslissing de in het tweede middel aangehaalde wetsbepalingen en beginselen schendt doordat de verwerende partij besliste dat verzoeker zijn mandaat als verkozen raadslid van de provinciale raad niet kan uitoefenen in het licht van artikel 293 Ger. W. en de bestreden beslissing geen verdere motivering bevat terwijl het door de verwerende partij aangehaalde artikel 293 Ger. W. niet van toepassing is op de situatie van verzoeker dewelke gekozen is als lid van de provinciale raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad en tevens werkend rechter in sociale zaken bij de Arbeidsrechtbank van Leuven. De verwerende partij kan er zich niet op beroepen om aan verzoeker de uitoefening van het mandaat als lid van die provinciale raad te ontzeggen. Hij stelt dat de verwerende partij alleszins gehouden was te motiveren om welke redenen artikel 293 Ger. W. te dezen van toepassing zou zijn en om welke redenen de door verzoeker voorgebrachte argumentatie en stukken niet tot een ander besluit XIV-37.624-11/23 zouden moeten leiden. Voorts wijst hij erop dat de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Leuven en de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Brussel hebben bevestigd dat, rekening houdend met zijn concrete situatie, artikel 293 Ger. W. niet op hem van toepassing is. De provinciale raad was hiervan op de hoogte, maar betrekt deze standpunten niet in de bestreden beslissing. Verzoeker herhaalt dat enkel de wet van 26 juni 1963 de te dezen relevante wet is voor de samenstelling van de provinciale raad en deze niet voorziet in een onverenigbaarheid. Op basis van een bepaling uit het Gerechtelijk Wetboek die enkel van toepassing is op magistraten, kan niet besloten worden dat een architect een mandaat als lid van de provinciale raad niet zou mogen uitoefenen. Verzoeker argumenteert nog dat het mandaat van lid van de genoemde provinciale raad geen openbaar mandaat is dat onder artikel 293 Ger. W. valt, zijnde “een verkozen mandaat dat wordt uitgeoefend in een openbaar bestuur (bv. parlementslid, gemeenteraadslid)”. Het betrokken lidmaatschap is niet “openbaar” en niet opengesteld voor het publiek. Enkel architecten, die ingeschreven zijn op de tabellen en ressorteren onder de betrokken provinciale raad, komen in aanmerking om voor dit mandaat verkozen te worden. Verzoeker heeft daar meermaals op gewezen maar de bestreden beslissing bevat op dat punt geen enkele motivering. Waar de verwerende partij heeft verwezen naar een arrest van de Raad van State nr. 15.709 van 15 februari 1973, wijst verzoeker erop dat dit arrest een volledig andere situatie betreft, waarin een gemeenteraadslid tevens plaatsvervangend rechter was. Tot slot, licht verzoeker nog toe dat de formelemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht zijn geschonden. Hij herhaalt dat in de bestreden beslissing op geen enkele wijze wordt gemotiveerd waarom de provinciale raad zich beroept op artikel 293 Ger. W. hoewel verzoeker voldoende argumenten en stukken heeft voorgelegd waaruit blijkt dat deze bepaling niet van toepassing is op zijn situatie. Daarnaast is het manifest onzorgvuldig om ten aanzien van verzoeker een zeer verregaande beslissing te nemen en hem te beletten het mandaat uit te oefenen waartoe hij verkozen was, zonder dat hiernaar enige studie is gebeurd. Dat de rechtskundig assessor meende dat er geen reden is om aan te nemen dat artikel 293 Ger. W. niet van toepassing zou zijn op beroepsordes, kan niet als een ernstig argument XIV-37.624-12/23 worden beschouwd gelet op het standpunt van de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Leuven en de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Brussel.
  27. De verwerende partij repliceert in haar nota dat het lidmaatschap van de provinciale raad een bij verkiezing verleend openbaar mandaat is. De Orde van Architecten heeft immers een taak van algemeen belang zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 26 juni 1963, zij heeft een openbaar karakter wat blijkt uit de wijze waarop de verkiezing van haar mandatarissen is georganiseerd - deze moeten worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad - en zij kan eenzijdige beslissingen nemen die derden binden, niet alleen inzake tucht maar ook inzake de toegang tot het beroep. Artikel 293 Ger. W. verbiedt de uitoefening van zulk een mandaat met een ambt van de rechterlijke orde. Voor rechters in sociale zaken is artikel 300 Ger. W. van belang. De uitzondering waarin deze bepaling voorziet is uitdrukkelijk beperkt tot artikel 293, tweede lid, Ger. W., zodat artikel 293, eerste lid, Ger. W. te dezen wel degelijk van toepassing is. Uit het samen lezen van artikel 293 Ger. W. en 300 Ger. W. blijkt dat de in artikel 293 Ger. W. opgesomde onverenigbaarheden ook van toepassing zijn op sociale rechters behoudens de in de wet bepaalde uitzonderingen. De onverenigbaarheid met een bij verkiezing verleend openbaar mandaat hoort niet bij deze uitzonderingen. Het kan verzoeker niet worden toegelaten om én het ambt van sociaal rechter te bekleden én het mandaat van lid van de provinciale raad. De verwerende partij verwijst weerom naar ‟s Raads arrest nr. 15.709 van 15 februari
  28. Zij benadrukt dat het standpunt van de provinciale raad niet lichtzinnig tot stand is gekomen en berust op opzoekingen van de juridisch assessor. “Uiterst ondergeschikt” wijst de verwerende partij op artikel 6.1 EVRM en de artikelen 13, 144, 145, 146, 151, 152, 154, en 157 van de Grondwet, die volgens haar het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter waarborgen. Ten slotte wijst de verwerende partij erop dat de bestreden beslissing is ingegeven door de legitieme bekommernis dat een instandhouding van deze onverenigbaarheid tot gevolg zou hebben dat de provinciale raad niet geldig samengesteld zal zijn en alle door haar te nemen beslissingen evenmin geldig zullen zijn. Wat de beweerde schending van de formelemotiveringsplicht betreft, XIV-37.624-13/23 betoogt de verwerende partij dat de wet van 29 juli 1991 te dezen niet van toepassing zou zijn: verzoeker is geen bestuurde maar een “bestuurder” en de bestreden beslissing kan niet als een eenzijdige bestuurshandeling worden beschouwd. Er werd op de zitting van 27 november 2017 een uitvoerig debat gevoerd over de bestreden beslissing in aanwezigheid van verzoeker die derhalve de motieven kent. Hij heeft deelgenomen aan de geheime stemming over de te nemen beslissing zodat de bestreden beslissing niet als een eenzijdige bestuurshandeling kan worden beschouwd. Ondergeschikt, indien de wet van 29 juli 1991 toch van toepassing zou zijn, wijst de verwerende partij erop dat er werd beslist bij geheime stemming en dat de discussie op de zitting van 27 november 2017 werd gesynthetiseerd in de ter stemming voorgelegde vraagstelling, zoals genotuleerd in het proces-verbaal van deze vergadering. Hiermee is volgens de verwerende partij voldaan aan zowel de materiële- als de formelemotiveringsplicht. Beoordeling van beide middelen
  29. Beide middelen worden samen beoordeeld.
  30. Voorshands merkt de Raad van State op, zoals reeds uit het feitenrelaas (punt 3.3.) blijkt, dat verzoeker niet kan worden bijgetreden waar hij stelt dat geen enkel bezwaar werd geuit nopens zijn kandidaatstelling. Dat doet er evenwel geen afbreuk aan dat de bestreden beslissing niet verwijst naar enige wettelijke of reglementaire grondslag die de provinciale raad de bevoegdheid verleent om een beslissing tot uitsluiting van één van haar verkozen leden te nemen. Noch de wet van 26 juni 1963, noch het koninklijk besluit van 31 augustus 1963 verlenen de provinciale raad de bevoegdheid daartoe. Uit de wet van 26 juni 1963 blijkt integendeel dat het niet de provinciale raad zelf is die zijn samenstelling bepaalt, maar wel de kiezers binnen de Orde van Architecten. De verwerende partij erkent in haar nota dat verzoeker rechtsgeldig en definitief XIV-37.624-14/23 door deze kiezers werd verkozen als effectief lid van de provinciale raad. Het kwam aldus niet aan die raad toe om de verkiezing van verzoeker ongedaan te maken en hem uit dat orgaan te weren, zonder daartoe over een uitdrukkelijke bevoegdheidsgrondslag te beschikken. Er kan voorts bezwaarlijk worden aangenomen dat de bestreden beslissing, gelet op haar uitermate verregaande gevolgen ten aanzien van verzoeker, zou kunnen worden ingepast in de algemene bevoegdheid van een beraadslagend orgaan om zijn dagelijkse werkzaamheden te organiseren of een reglement van inwendige orde aan te nemen. De stelling in de nota dat de raad van beroep van de Orde van Architecten op 5 maart 2018, nadat bij hem door verzoeker een beroep tegen de bestreden beslissing was ingesteld, zou hebben beslist dat het aan de provinciale raad toekwam om de bestreden beslissing te nemen, kan niet worden bijgetreden. De verwerende partij gaat er immers aan voorbij dat de raad van beroep in zijn beslissing van 5 maart 2018 enkel zijn bevoegdheid heeft onderzocht om, zodoende, vast te stellen dat de voorliggende betwisting niet binnen zijn limitatieve, bij de wet van 26 juni 1963 toegewezen, bevoegdheden valt en dat tegen de bestreden beslissing enkel beroep bij de Raad van State mogelijk is. De raad van beroep heeft vervolgens de ingestelde beroepen verworpen. Nergens in die beslissing van 5 maart 2018 komt de raad van beroep tot een inhoudelijk oordeel over de grond van de zaak of spreekt die zich uit over de wettigheid van de bestreden beslissing. Wel integendeel, beperkt hij zich ertoe te stellen: “de enige reden van de bestreden beslissing is een terechte of onterechte vermeende onverenigbaarheid van de functies van lid van de Provinciale Raad en van sociaal rechter. Dergelijke beslissing houdt geen “verdoken” tuchtsanctie in, doch is een administratieve beslissing waartegen (enkel) beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State zoals overigens terecht vermeld in de bestreden beslissing”. Daarmee is geenszins erkend dat de provinciale raad ter zake over de vereiste bevoegdheid beschikt, laat staan dat de bestreden beslissing wettig is.
  31. De verwerende partij kan evenmin worden gevolgd waar zij, ter adstructie van de bevoegdheid van de provinciale raad, verwijst naar artikel 293 XIV-37.624-15/23 Ger. W.. Aldus worden in wezen twee met elkaar verbonden vraagstukken in het debat gebracht, namelijk

(1)de vraag of de Orde van Architecten bevoegd is om te waken over de toepassing van artikel 293 Ger. W. en
(2)of het mandaat van verzoeker als lid van de provinciale raad kwalificeert als “een bij verkiezing verleend openbaar mandaat” in de zin van 293 Ger. W.. Die tweede vraag is evenwel pas aan de orde nadat de eerste vraag een positief antwoord kent, wat zoals om de hierna uiteengezette redenen zal blijken, niet het geval is. Wat de vraag betreft of de Orde van Architecten bevoegd is om te waken over de toepassing van artikel 293 Ger. W. dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat bij gebrek aan een wettelijke grondslag daartoe een bestuur, zoals de Orde van Architecten die bij wet is opgericht en waarvan de organieke wet van 26 juni 1963 de samenstelling, werking en bevoegdheden regelt, niet op eigen gezag een onverenigbaarheid in het leven mag roepen. De wet van 26 juni 1963 bevat geen regeling inzake onverenigbaarheden voor personen die gekozen zijn op de door de wet bepaalde wijze en op grond van die verkiezing een mandaat bekleden in één van de organen van die orde. Wat de Orde van Architecten als dusdanig betreft, bestaat er geen probleem van onverenigbaarheid. In de mate de bestreden beslissing verwijst naar de onverenigbaarheid in de zin van artikel 293 Ger. W. moet worden vastgesteld dat artikel 293 Ger. W. erin voorziet dat de ambten van de rechterlijke orde onverenigbaar zijn met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat. Indien er zich te dezen een probleem van onverenigbaarheid zou voordoen in hoofde van verzoeker, stelt dat zich aldus in de rechterlijke macht. Er blijkt niet dat de wetgever de organen van de Orde van Architecten de bevoegdheid heeft toegekend om te waken over die welbepaalde onverenigbaarheid. Minstens toont de verwerende partij niet aan of maakt zij redelijkerwijze aannemelijk te veronderstellen dat het de bedoeling zou zijn dat organen van de Orde van Architecten zouden (kunnen) waken over de naleving van de tuchtrechtelijke en deontologische verplichtingen van de ambtsdragers van de rechterlijke macht. Het lijkt integendeel enkel aan de binnen de rechterlijke macht daartoe ingestelde overheden toe te komen om daarop toezicht te houden. XIV-37.624-16/23 De verwijzing van de verwerende partij in haar repliek op het eerste en het tweede middel naar het eerdergenoemde arrest nr. 15.709 van 15 februari 1973, is te dezen niet dienstig. In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het genoemde arrest werd voor de Raad van State in het kader van het gemeentelijke verkiezingscontentieux, een beslissing van de bestendige deputatie van de provincie Henegouwen bestreden waarbij een gemeenteraadslid van zijn mandaat vervallen werd verklaard omdat hij ook plaatsvervangend vrederechter was. Die situatie is wezenlijk verschillend in die zin dat de bestendige deputatie wel degelijk over een uitdrukkelijke wettelijke bevoegdheid beschikte om het betrokken gemeenteraadslid vervallen te verklaren van het mandaat van gemeenteraadslid, met name het toenmalige artikel 82 Gemeentekieswet. Bovenal echter, daargelaten nog de vaststelling dat het mandaat van gemeenteraadslid onbetwistbaar een openbaar mandaat is, bestond er in die zaak niet enkel een wettelijke onverenigbaarheid op het niveau van de rechterlijke macht doch evenzo op het niveau van het betrokken lokaal bestuur (het toenmalige artikel 82 Gemeentekieswet), zoals dat bijvoorbeeld ook vandaag nog geldt voor de gemeenteraadsleden van de gemeenten gelegen in het Vlaamse Gewest (cfr. artikel 10, eerste lid, 2°, van het decreet van 22 december 2017 „over het lokaal bestuur‟). Dergelijke als het ware “dubbele” onverenigbaarheid is te dezen niet voorhanden. Overigens, de enige gevallen waarin de gekozen gewone of plaatsvervangende leden van een raad van de Orde van Architecten - overigens van rechtswege -, van hun mandaat komen te vervallen, zijn limitatief opgesomd in de wet van 26 juni 1963 en vereisen een tucht- of strafrechtelijke veroordeling (cfr. de artikelen 44 en 45 van de wet van 26 juni 1963).
  1. In de mate de verwerende partij in haar repliek “in uiterst ondergeschikte orde” nog verwijst naar artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 juni 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: het EVRM) en diverse bepalingen van de Grondwet die volgens haar de XIV-37.624-17/23 onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters waarborgen, moet worden vastgesteld dat zij - daargelaten nog dat het een niet toegelaten ex post motivering betreft -, nalaat om te concretiseren hoe deze beginselen te dezen specifiek zouden worden bedreigd of zouden kunnen leiden tot een - niet bij wet voorziene - onverenigbaarheid op het niveau van het mandaat van lid van de provinciale raad. Wat, tot slot, de bekommernis betreft dat de betrokken onverenigbaarheid tot gevolg zou hebben dat de provinciale raad niet geldig samengesteld zal zijn en al zijn beslissingen evenmin geldig zullen zijn, dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij nalaat om een rechtsgrond voor die stelling aan te brengen. De wet van 26 juni 1963 bevat alvast geen bepaling in die zin. De Raad van State bedenkt zich overigens dat mocht er omwille van verzoekers activiteiten, welke ook, al een probleem van wettige verhindering rijzen naar aanleiding van een te nemen beslissing door de provinciale raad waarvan hij deel uitmaakt, bijvoorbeeld in het kader van de uitoefening van zijn tuchtbevoegdheid, dan biedt het onpartijdigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, het recht van wraking van de betrokkene iuncto de door de wet van 26 juni 1963 voorziene mogelijkheden tot plaatsvervanging, voldoende waarborgen.
  2. De conclusie moet derhalve zijn dat, zoals in het eerste en het tweede middel werd uiteengezet, geen rechtsgrond voorligt op grond waarvan de provinciale raad verzoeker vermocht te ontzeggen zijn mandaat als verkozen lid van die raad uit te oefenen omwille van zijn ambt als werkend rechter in sociale zaken. Het eerste en het tweede middel zijn in de aangegeven mate gegrond. Die vaststellingen volstaan om tot vernietiging van de bestreden beslissing te leiden. XIV-37.624-18/23 VI. Toepassing korte debattenprocedure
  3. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. VII. Toepassing van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
  4. Bij de betekening van het auditoraatsverslag aan de verwerende partij is melding gemaakt van de inhoud van artikel 93 van de algemene procedureregeling. De verwerende partij werd er op gewezen dat zij binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van dat verslag kan vragen om artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State toe te passen. Op 7 mei 2018 dient de verwerende partij overeenkomstig artikel 93, tweede lid, van de algemene procedureregeling, een verzoekschrift in om artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State toe te passen. Met een schrijven van 29 mei 2018 doet verzoeker zijn schriftelijke opmerkingen gelden. Het verzoek van de verwerende partij, ingediend op 7 mei 2018, strekt ertoe de Raad van State te verzoeken: “De gevolgen te willen bepalen van een eventueel tussen te komen vernietiging van de beslissing van de Provinciale Raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel Hoofdstad dd. 27/11/2017, inzonderheid met betrekking tot: 1) De huidige samenstelling van de Provinciale Raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel Hoofdstad; 2) De door haar tussentijds genomen en/of nog te nemen beslissingen; 3) De benoeming van [K.G.] als raadslid (in vervanging van architect Marc Hendrickx) én als secretaris van het Bureau; 4) De huidige samenstelling van het Bureau (cfr. artikel 30 van het Koninklijk Besluit van 31 augustus 1963 tot regeling van de toepassing van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten: „op deze vergadering kiest de nieuwe raad in zijn schoot de drie leden van XIV-37.624-19/23 het bureau: eerst de voorzitter, daarna de ondervoorzitter, en ten slotte de secretaris. De verkiezingen geschieden bij afzonderlijke stemming en met de volstrekte meerderheid van het aantal geldige stemmen. De stemming is geheim: op straf van ongeldigheid mag ieder stembriefje slechts een enkele naam opgeven.‟) en de keuze van de afgevaardigde voor de nationale raad en diens plaatsvervanger (cfr. art. 34, a) van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten: „tien gewone leden en tien plaatsvervangende leden, die zitting hebben bij verhindering van de gewone leden, door de raden van de Orde onder hun leden gekozen voor een termijn van zes jaar, naar rata van een gewoon en een plaatsver- vangend lid per raad‟); 5) De door het Bureau tussentijds genomen en/of nog te nemen beslis- singen.” Beoordeling
  5. Het verzoek zoals geformuleerd door de verwerende partij past niet binnen de bevoegdheid aan de Raad van State toegekend door artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de gevolgen aan te wijzen van een vernietigde individuele akte die als definitief moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die de Raad vaststelt. Met haar verzoek vraagt de verwerende partij aan de Raad van State immers niet specifiek om het behoud van de gevolgen van de bestreden beslissing. Zij wenst daarentegen van de Raad van State te vernemen wat de gevolgen zullen zijn van de nietigverklaring van die beslissing. Het voorliggend verzoek past veeleer binnen artikel 35/1 van diezelfde gecoördineerde wetten en moet worden opgevat als een dergelijk verzoek om verduidelijking.
  6. Artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Art. 35/
  7. Op verzoek van één der partijen, ten laatste in de laatste memorie, verduidelijkt de afdeling bestuursrechtspraak in de motieven van haar arrest houdende nietigverklaring, de maatregelen die moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring te verhelpen”. XIV-37.624-20/23 Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat deze bevoegdheid voortvloeit uit het idee dat, “wanneer te verwachten valt dat een arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak”, de partijen kunnen vragen “dat in hetzelfde arrest wordt verduidelijkt hoe de tenuitvoerlegging ervan wordt gefaciliteerd”. Deze verduidelijkingen omvatten “de nodige uitleg betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde om aan de onregelmatigheden te remediëren die tot de nietigverklaring hebben geleid” (Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26).
  8. Te dezen maakt de verwerende partij niet aannemelijk dat te verwachten valt dat het arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak. De algemeenheid van de executieproblemen die de verwerende partij voorlegt, en waarvan niet van alle blijkt dat die zich daadwerkelijk gaan voordoen en indien wel, in de zin zoals de verwerende partij stelt, is dusdanig dat dit de Raad van State niet toelaat met voldoende preciesie uitleg te geven betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde om aan de onregelmatigheden die tot de nietigverklaring hebben geleid, te remediëren. Bovendien is het vernietigingsmotief duidelijk in het arrest uiteengezet, wat de verwerende partij moet toelaten tegemoet te komen aan de vastgestelde gebreken zodat bijkomende preciseringen zich niet opdringen. Dat dit betekent, wat verzoeker betreft, dat hij het mandaat waarin hij is verkozen effectief moet kunnen uitoefenen met alle daaraan verbonden prerogatieven en dus moet kunnen deelnemen (met inachtneming van de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen, bijzonder afdeling V van het koninklijk besluit van 31 augustus 1963), aan de installatievergadering waarvan hij uitgesloten is gebleven, beseft de verwerende partij kennelijk ook zoals uit haar verzoekschrift (punten 4 en 5) kan worden afgeleid.
  9. Het verzoek om toepassing te maken van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt afgewezen. XIV-37.624-21/23 VIII. De vordering tot schorsing
  10. De nietigverklaring van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoer- legging ervan geen voorwerp meer heeft. BESLISSING
  11. De Raad van State vernietigt de beslissing van de Provinciale Raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad van 27 november 2017 waarbij wordt beslist dat de heer Marc Hendrickx zijn mandaat als effectief lid van de Provinciale Raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad, mandaat waarvoor de heer Marc Hendrickx verkozen is, niet kan uitoefenen.
  12. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  13. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XIV-37.624-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien november tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-37.624-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.934 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.